| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
havenstaatcontrole
REGELING
HAVENSTAATCONTROLE
Tekst zoals deze geldt op
25 juli 2010
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2011
|
|
|
REGELING houdende regels voor de aanwijzing van
ambtenaren van de Scheepvaartinspectie belast met de uitoefening van
havenstaatcontrole, alsmede met betrekking tot de wijze waarop deze
ambtenaren hun taak ingevolge de Wet havenstaatcontrole uitoefenen
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op Richtlijn nr. 95/21/EG van de Raad van
de Europese Unie van 19 juni 1995, betreffende de naleving met
betrekking tot schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en
varen in de onder de jurisdictie van de lid-staten vallende wateren, van
internationale normen op het gebied van veiligheid van schepen,
voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord
(havenstaatcontrole) (PbEG L 157) en de artikelen 5, 29 en 30 van
de Wet havenstaatcontrole;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet:
de Wet havenstaatcontrole;
b. richtlijn nr. 1999/95/EG:
richtlijn nr. 1999/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende de handhaving van de
bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen
die havens in de Gemeenschap aandoen (PbEG 2000, L 14);
c. richtlijn nr. 2008/106/EG:
richtlijn nr. 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 19 november 2008 inzake het minimum
opleidingsniveau van zeevarenden (PbEU L 323);
d. SIRENAC-informatiesysteem:
het in het kader van het MOU ontwikkelde gemeenschappelijke
elektronische informatiesysteem ten behoeve van de verzameling en de
uitwisseling van inspectiegegevens;
e. divisie Scheepvaart:
de divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat;
f. verordening (EG) nr. 782/2003:
verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad
van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op
schepen (PbEU L 115);
g. verordening (EG) nr. 536/2008:
verordening (EG) nr. 536/2008 van de Commissie van 13 juni 2008 ter
uitvoering van artikel 6, lid 3, en artikel 7 van Verordening (EG) nr.
782/2003 van het Europees Parlement en de Raad houdende een verbod op
organische tinverbindingen op schepen en tot wijziging van die
verordening (PbEU L 156).
Artikel 2
De aanwijzing, bedoeld in artikel 1, onder k, van de wet kan
plaatsvinden indien de desbetreffende ambtenaar voldoet aan tenminste de
eisen van bijlage VII van de richtlijn.
§ 2. Inspectieverplichtingen
Artikel 3
Het totale aantal inspecties dat de ambtenaren van de divisie
Scheepvaart jaarlijks verrichten bedraagt ten minste 25% van het
gemiddelde jaarlijkse aantal afzonderlijke schepen die de Nederlandse
havens hebben aangedaan, berekend op basis van de laatste drie
kalenderjaren waarvoor statistieken beschikbaar zijn.
Artikel 4
1.De ambtenaren van de divisie Scheepvaart onderwerpen elk schip
met een prioriteitsfactor van meer dan 50 volgens het
SIRENAC-informatiesysteem, dat niet aan een uitgebreide inspectie is
onderworpen, aan een inspectie op voorwaarde dat een periode van ten
minste een maand is verstreken na de laatste inspectie door een andere
bij het MOU aangesloten havenstaat.
2.Bij het selecteren van andere schepen voor inspectie bepalen de
ambtenaren van de divisie Scheepvaart de volgorde als volgt:
a. de eerste ter inspectie te selecteren schepen zijn de in
bijlage I, deel I, van de richtlijn vermelde schepen, ongeacht hun
prioriteitsfactor,
b. de in bijlage I, deel II, van de richtlijn vermelde schepen
worden geselecteerd in afnemende volgorde, overeenkomstig hun
prioriteitsfactor volgens het SIRENAC-informatiesysteem.
3.De door de ambtenaren van de divisie Scheepvaart te controleren
certificaten en andere documenten, zijn de certificaten en documenten,
genoemd in bijlage II van de richtlijn, de documenten genoemd in
artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr. 1999/95 EG en de certificaten
en documenten genoemd in bijlage 4 bij het Internationaal Verdrag
inzake de beperking van schadelijk aangroeiwerende verfsystemen op
schepen (Trb. 2004, 44).
4.Gegronde redenen voor een nadere inspectie door de ambtenaren van
de divisie Scheepvaart zijn in elk geval de redenen, genoemd in
bijlage III van de richtlijn, alsmede de omstandigheden, genoemd in
artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EG.
5.Bij een inspectie, nadere inspectie of controle volgen de
ambtenaren van de divisie Scheepvaart de procedures, bedoeld in
bijlage IV van de richtlijn, met dien verstande dat daarbij bijlage 1
van het MOU als richtsnoer wordt gehanteerd, alsmede de procedures,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EG en in
artikel 23 van richtlijn nr. 2008/106/EG.
Artikel 5
1.Een ambtenaar van de divisie Scheepvaart onderwerpt een schip dat
minder dan zes maanden tevoren door een andere bij het MOU aangesloten
havenstaat is geïnspecteerd niet aan een inspectie, nadere inspectie
of een controle, indien:
a. het schip niet behoort tot een van de categorieën van
schepen, genoemd in bijlage I van de richtlijn,
b. er geen tekortkomingen zijn gemeld na een vorige inspectie,
nadere inspectie of controle, en
c. er geen gegronde redenen zijn om het schip aan een
inspectie, nadere inspectie of controle te onderwerpen.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op een inspectie, nadere
inspectie of controle met betrekking tot de operationele voorschriften
uit een of meer van de verdragen, alsmede op schepen als bedoeld in
artikel 4, eerste lid.
Artikel 6
1.Een schip in één van de categorieën van bijlage V, deel A, van
de richtlijn komt in aanmerking voor een uitgebreide inspectie na een
periode van twaalf maanden na de laatste uitgebreide inspectie in een
bij het MOU aangesloten havenstaat.
2.Indien een schip als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig
artikel 4, tweede lid, ter inspectie wordt geselecteerd, wordt een
uitgebreide inspectie verricht. In de periode tussen twee uitgebreide
inspecties mag echter wel een inspectie overeenkomstig artikel 3 van
de wet worden verricht.
3.Uitgebreide inspecties vinden plaats volgens de procedures in
bijlage V, deel C, van de richtlijn.
Artikel 6a
1.De exploitant of de kapitein van een schip als bedoeld in artikel
6, eerste lid, deelt alle in bijlage V, deel B, van de richtlijn
vermelde informatie mee aan de inspecteur-generaal van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat indien het schip na een periode van twaalf
maanden na de laatste uitgebreide inspectie in een bij het MOU
aangesloten havenstaat, een Nederlandse haven aandoet. Deze mededeling
geschiedt ten minste drie dagen voor de verwachte tijd van aankomst in
de haven, of, als de reis naar verwachting minder dan drie dagen in
beslag zal nemen, voor het vertrek uit de vorige haven.
2.Indien de exploitant of de kapitein van een schip niet voldoet
aan het bepaalde in het eerste lid, wordt het schip aan een
uitgebreide inspectie onderworpen.
Artikel 6b
De ambtenaren van de divisie Scheepvaart onderwerpen een schip als
bedoeld in artikel 6a, eerste lid, waarvan de prioriteitsfactor volgens
het SIRENAC-informatiesysteem 7 of meer bedraagt, aan een uitgebreide
inspectie in de eerste Nederlandse haven die het aandoet na een periode
van 12 maanden na de laatste uitgebreide inspectie in een bij het MOU
aangesloten havenstaat.
Artikel 6c
1.De ambtenaren van de divisie Scheepvaart kunnen een schip
onderwerpen aan een controle als bedoeld in artikel 7 van verordening
(EG) nr. 782/2003 en artikel 3 van verordening (EG) nr. 536/2008.
2.Tenzij er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een schip
niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verordening (EG) nr.
782/2003, blijft de inspectie beperkt tot:
a. een verificatie van de documenten die op grond van artikel
6, eerste lid, onder a en b, van de verordening aan boord dienen
te zijn, of
b. een beperkte monsterneming van het aangroeiwerende
verfsysteem van het schip, zonder afbreuk te doen aan de
integriteit, structuur of werking van het aangroeiwerende
verfsysteem.
3.Indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat het schip
niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verordening (EG) nr.
782/2003, onderwerpt een ambtenaar van de divisie Scheepvaart het
schip aan een nadere inspectie.
Artikel 7
Door de kapitein of de exploitant van een schip wordt ten overstaan
van de ambtenaar van de divisie Scheepvaart aangetoond dat de tijdens de
inspectie, nadere inspectie of controle geconstateerde tekortkomingen in
overeenstemming met de verdragen worden verholpen.
§ 3. Aanhoudingsgronden
Artikel 7a
In aanvulling op het bepaalde in artikel 7 van de wet wordt een schip
eveneens aangehouden indien het niet is uitgerust met een functionerend
reisgegevens-recordersysteem, terwijl het gebruik daarvan op grond van
bijlage XII van de richtlijn voor dat schip verplicht is. Wanneer dit
gebrek niet zonder meer in de haven van aanhouding kan worden verholpen,
kan de ambtenaar van de divisie Scheepvaart het schip toestaan verder te
reizen naar de dichtstbijzijnde haven waar het gebrek wel zonder meer
kan worden verholpen, of kan hij verlangen dat het gebrek wordt
verholpen binnen een termijn van ten hoogste 30 dagen. Daartoe zijn de
procedures van artikel 9 van de wet van toepassing.
§ 4. Informatieverstrekking
Artikel 8
1.Indien een schip is aangehouden, legt de ambtenaar van de divisie
Scheepvaart bij de kennisgeving ingevolge artikel 8, derde lid, van de
wet tevens het inspectierapport over. Bovendien doet hij, indien zulks
van belang is, ook mededeling van de aanhouding, onder overlegging van
het inspectierapport, aan de aangewezen inspecteurs of de erkende
organisaties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de
classificatiecertificaten of de certificaten die namens de
vlaggenstaat overeenkomstig de internationale verdragen worden
afgegeven.
2.Op de opheffing van de aanhouding is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
3.Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, van de wet, stelt de ambtenaar van de divisie Scheepvaart
het betrokken classificatiebureau in kennis van de door hem gestelde
en goedgekeurde voorwaarden voor de reis van het schip naar de
reparatiewerf. Deze kennisgeving geschiedt in overeenstemming met
bijlage 2 van het MOU.
4.Indien een schip, aangehouden in een andere havenstaat dan
Nederland, in Nederland bij een reparatiewerf zal worden gerepareerd,
stelt de ambtenaar van de divisie Scheepvaart de bevoegde autoriteit
van de desbetreffende havenstaat in kennis van de maatregelen die in
Nederland zijn genomen.
5.Indien het in het vierde lid bedoelde schip zich niet naar de
afgesproken reparatiewerf begeeft, waarschuwt een ambtenaar van de
divisie Scheepvaart onmiddellijk de bevoegde instanties van alle
andere bij het MOU aangesloten havenstaten.
6.Indien een aangehouden schip een haven uitvaart zonder te voldoen
aan de door de ambtenaar van de divisie Scheepvaart gestelde en
goedgekeurde voorwaarden, waarschuwt deze onmiddellijk de bevoegde
instanties van alle andere bij het MOU aangesloten havenstaten.
7.Indien een havenbeheerder bij de uitoefening van zijn normale
taak opmerkt dat een schip tekortkomingen heeft die afbreuk kunnen
doen aan de veiligheid van het schip of een onredelijk groot gevaar
opleveren voor schade aan het mariene milieu, stelt hij een ambtenaar
van de divisie Scheepvaart daarvan onmiddellijk in kennis.
8.Indien een ambtenaar van de divisie Scheepvaart op grond van
artikel 10, derde lid, van de wet, besluit tot opheffing van de
aanhouding van een schip, stelt hij onmiddellijk de bevoegde
instanties van alle andere bij het MOU aangesloten havenstaten daarvan
in kennis.
Artikel 8a
In de omstandigheden, bedoeld in artikel 3 van richtlijn nr.
1999/95/EG, stelt de ambtenaar van de divisie Scheepvaart een verslag op
ten behoeve van de administratie van de vlaggenstaat van het betrokken
schip.
Artikel 8b
De ambtenaar van de divisie Scheepvaart die een schip aanhoudt wegens
overtreding van de internationale voorschriften inzake de arbeids- en
rusttijden volgens het verdrag, genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder
6o, van de wet, stelt daarvan, naast de personen en instanties, genoemd
in artikel 8, derde lid, van de wet, tevens de exploitant van het
betrokken schip in kennis en vermeldt in de kennisgeving tevens welke
vereiste corrigerende maatregelen noodzakelijk zijn.
Artikel 8c
De ambtenaar van de divisie Scheepvaart die een overtreding
constateert van verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de
verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L
129), doet daarvan mededeling aan de burgemeester.
Artikel 9
Het rapport, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet, is
opgesteld conform bijlage IX van de richtlijn.
Artikel 9a
1.Indien het om operationele redenen niet mogelijk is om een schip
met een prioriteitsfactor van meer dan 50 volgens het
SIRENAC-informatiesysteem te onderwerpen aan een inspectie of een
uitgebreide inspectie, meldt de ambtenaar van de divisie Scheepvaart
dit terstond aan het SIRENAC-informatiesysteem.
2.Onmogelijkheden tot inspectie als bedoeld in het eerste lid
worden elke zes maanden kenbaar gemaakt aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen, onder vermelding van de redenen waarom geen
inspectie van de betrokken schepen heeft plaatsgevonden.
§ 5. Weigering van toegang tot een haven
Artikel 9b
1.In aanvulling op het bepaalde in artikel 11, eerste en tweede
lid, van de wet weigert een havenbeheerder, in overeenstemming met de
inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, eveneens
een schip de toegang tot de haven indien dat schip behoort tot een van
de categorieën van bijlage XI, deel A, van de richtlijn, en voorts:
a. ofwel de vlag voert van een staat die op de zwarte lijst van
het jaarrapport van het MOU staat en meer dan tweemaal in de loop
van de voorafgaande vierentwintig maanden in een haven van een bij
het MOU aangesloten havenstaat is aangehouden;
b. ofwel de vlag voert van een staat die op de zwarte lijst van
het jaarrapport van het MOU te boek staat als een staat met een
zeer hoog risico dan wel een hoog risico en meer dan eenmaal in de
loop van de voorgaande zesendertig maanden in een haven van een
bij het MOU aangesloten havenstaat is aangehouden.
2.De weigering van toegang geldt zodra een schip toestemming heeft
gekregen om de haven te verlaten waar het naargelang van het geval
voor een tweede of een derde keer is aangehouden.
3.Artikel 11, vijfde lid, van de wet is van overeenkomstige
toepassing.
4.Bij een weigering van toegang ingevolge het eerste lid worden de
procedures, opgenomen in bijlage XI, deel B, van de richtlijn
toegepast.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 10
1.De ambtenaar van de divisie Scheepvaart is bevoegd de gegevens
als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, van de richtlijn te
verstrekken en te ontvangen.
2.Onder de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in elk geval
begrepen de gegevens, bedoeld in bijlage 4 van het MOU en de gegevens,
bedoeld in bijlage VIII van de richtlijn.
Artikel 11
1.De artikelen 3, 4, eerste lid, 5, 6, 8a en 8b, zijn niet van
toepassing op vissersvaartuigen.
2.De artikelen 4, tweede, derde en vierde lid en 9, zijn niet van
toepassing op vissersvaartuigen voorzover de inhoud van deze artikelen
zich daartegen verzet.
3.Voor de aanhouding van een vissersvaartuig zijn de onderdelen
2.2, 2.4 tot en met 2.8, 2.10 tot en met 2.13, 3.2.1 tot en met 3.2.9
, 3.2.12, 3.2.14, 3.3, 3.4, 3.5, 3.7, 3.8, 3.9 en 3.10 van bijlage VI
van de richtlijn niet van toepassing.
Artikel 12
Een wijziging van de bijlagen I tot en met V en VII tot en met XII
van de richtlijn, de artikelen 3 en 4 van richtlijn nr. 1999/95/EG en
artikel 23 van richtlijn nr. 2008/106/EG gaat voor de toepassing van de
artikelen 2, 4, tweede tot en met vijfde lid, 5, eerste lid, onderdeel
a, 6, eerste en derde lid, 6a, eerste lid, 7a, eerste lid, 8a, 9, 9b,
eerste en derde lid, en 10, tweede lid, gelden met ingang van de dag
waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijnen uiterlijk uitvoering moet
zijn gegeven.
Artikel 13
Een wijziging van bijlage 1, 2 of 4 van het MOU gaat voor de
toepassing van de artikelen 4, vijfde lid, 8, derde lid en 10, tweede
lid, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijziging in
werking treedt.
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1998.
Artikel 15
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling havenstaatcontrole.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage
worden gelegd bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Willem
Witsenplein 6, te ’s-Gravenhage.
's-Gravenhage, 19 mei 1998.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
|
|
|