|
De Minister van
Infrastructuur en Milieu;
Gelet op Richtlijn nr. 2009/16/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009
betreffende havenstaatcontrole (PbEU L 131), Richtlijn nr.
1999/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 13 december 1999 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake
de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de
Unie aandoen (PbEG L 14), Richtlijn 2002/59/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie 27 juni 2002 betreffende de
invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de
zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEU
L 208), Richtlijn nr. 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 19 november 2008 inzake het
minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEU L 323), Verordening
(EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen
op schepen (PbEU L 115), Verordening (EG) nr. 536/2008 van de
Europese Commissie van 13 juni 2008 ter uitvoering van artikel 6, derde
lid, en 7 van Verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement
en de Raad houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen
en tot wijziging van die verordening (PbEU L 156), Verordening
(EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van
schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129) en de artikelen 5, 29
en 30 van de Wet havenstaatcontrole.
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. controle: controle als bedoeld in artikel 4 van de Wet
havenstaatcontrole;
b. nachttijd: het tijdvak tussen 18:00 uur en 08:00 uur in de periode
vanaf de laatste zondag van de maand maart tot en met de laatste
zaterdag van de maand oktober, en het tijdvak tussen 17:00 uur en 08:00
uur in de periode vanaf de laatste zondag van de maand oktober tot en
met de laatste zaterdag van de maand maart;
c. prioriteitsklasse I: prioriteitsklasse waarin schepen als bedoeld in
artikel 12, onderdeel a, van de richtlijn worden opgenomen, die aan een
inspectie moeten worden onderworpen;
d. prioriteitsklasse II: prioriteitsklasse waarin schepen als bedoeld in
artikel 12, onderdeel b, van de richtlijn worden opgenomen, die voor een
inspectie in aanmerking komen;
e. richtlijn 1999/95/EG: richtlijn nr. 1999/95/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999
betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van
zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Unie aandoen (PbEG L
14);
f. richtlijn nr. 2002/59/EG: richtlijn 2002/59/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie 27 juni 2002 betreffende de
invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de
zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEU
L 208);
g. richtlijn 2008/106/EG: richtlijn nr. 2008/106/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 inzake
het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEU L 323);
h. verordening (EG) 536/2008: verordening (EG) nr. 536/2008 van de
Europese Commissie van 13 juni 2008 ter uitvoering van artikel 6, lid 3,
en 7 van Verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de
Raad houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen en tot
wijziging van die verordening (PbEU L 156);
i. verordening (EG) 725/2004: verordening (EG) nr. 725/2004 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004
betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en
havenfaciliteiten (PbEU L 129);
j. verordening (EG) 782/2003: verordening (EG) nr. 782/2003 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003
houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PbEU L
115);
k. wet: Wet havenstaatcontrole.
Artikel 2
De aanwijzing, bedoeld in artikel 1, onder l, van de wet kan
plaatsvinden indien de desbetreffende ambtenaar voldoet aan ten minste
de eisen van bijlage XI van de richtlijn.
§ 2. Inspectieverplichtingen
Artikel 3
De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat voeren jaarlijks
een totaal aantal inspecties dan wel controles uit van schepen van
prioriteitsklassen I en II dat ten minste het in artikel 5, tweede lid,
onderdeel b, van richtlijn 2009/16/EG bedoelde aandeel van Nederland in
het totale aantal jaarlijks in de Europese Unie en in het onder het MOU
vallende gebied uit te voeren inspecties bedraagt.
Artikel 4
1. De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat voeren
inspecties dan wel controles uit van alle schepen van prioriteitsklasse
I, te weten:
a. schepen met een hoog risicoprofiel, zoals vastgesteld overeenkomstig
artikel 10 van richtlijn 2009/16/EG, die in de laatste 6 maanden niet
zijn geïnspecteerd in een haven binnen de Europese Unie of gebied dat
onder het MOU valt;
b. schepen met een normaal risicoprofiel, zoals vastgesteld
overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 2009/16/EG, die in de laatste 12
maanden niet zijn geïnspecteerd in een haven binnen de Europese Unie of
gebied dat onder het MOU valt;
c. schepen met een laag risicoprofiel, zoals vastgesteld overeenkomstig
artikel 10 van richtlijn 2009/16/EG, die in de laatste 36 maanden niet
zijn geïnspecteerd in een haven binnen de Europese Unie of gebied dat
onder het MOU valt; en
d. schepen waarvoor dwingende factoren gelden als bedoeld in bijlage I,
deel II, punt 2A, van richtlijn 2009/16/EG.
2. De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat voeren voorts
inspecties dan wel contoles uit van schepen als bedoeld in artikel 11,
vijfde lid, van de wet.
Artikel 5
1. Indien het totale aantal schepen van prioriteitsklasse I dat de
havens van Nederland, met uitzondering van ankerplaatsen, aandoet groter
is dan het inspectieaandeel, bedoeld in artikel 3, wordt geacht te zijn
voldaan aan de in dat artikel opgenomen verplichting, indien een aantal
inspecties op schepen van prioriteitsklasse I wordt uitgevoerd dat ten
minste dit inspectieaandeel bedraagt en ten hoogste 30% van het totale
aantal schepen van prioriteitsklasse I die de havens aandoet, niet wordt
geïnspecteerd.
2. Indien het totale aantal schepen van prioriteitsklasse I en II dat de
havens van Nederland, met uitzondering van ankerplaatsen, aandoet
kleiner is dan het inspectieaandeel, bedoeld in artikel 3, wordt geacht
te zijn voldaan aan de in dat artikel opgenomen verplichting, indien de
op grond van artikel 4, eerste lid, voorgeschreven inspecties van
prioriteitsklasse I worden uitgevoerd en ten minste 85% van het totale
aantal schepen van prioriteitsklasse II dat de havens van Nederland
aandoet wordt geïnspecteerd.
Artikel 6
1. In het geval dat de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat
niet in staat zijn de in artikel 4, eerste lid, voorgeschreven
inspecties dan wel controles volledig uit te voeren, wordt geacht te
zijn voldaan aan de in dat lid opgenomen verplichting indien deze
gemiste inspecties dan wel controles:
a. ten hoogste 5% bedragen van het totale aantal schepen van
prioriteitsklasse I met een hoog risicoprofiel, zoals vastgesteld
overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 2009/16/EG, die de havens
aandoen; en
b. ten hoogste 10% bedraagt van het totale aantal schepen van
prioriteitsklasse I zonder het onder a bedoelde hoog risicoprofiel, die
de havens aandoen.
2. Onverminderd het eerste lid, geven de ambtenaren van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat voorrang aan inspecties dan wel controles van
schepen die volgens de informatie van de inspectiedatabank niet vaak
havens in de Europese Unie aandoen.
3. Voor zover het betreft schepen op ankerplaatsen binnen de jurisdictie
van een haven, geldt het tweede lid slechts ten aanzien van schepen van
prioriteitsklasse I met een hoog risicoprofiel, zoals vastgesteld
overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 2009/16/EG.
Artikel 7
1. De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat kunnen een
inspectie of controle van een schip van prioriteitsklasse I uitstellen,
indien de inspectie of controle kan worden uitgevoerd:
a. de eerst volgende keer dat het schip opnieuw een haven aandoet, op
voorwaarde dat het schip in de tussentijd geen andere haven in de
Europese Unie of in het onder het MOU vallend gebied heeft aangedaan en
het uitstel niet meer dan 15 dagen bedraagt; of
b. binnen 15 dagen in een andere haven in de Europese Unie of in het
onder het MOU vallende gebied, op voorwaarde dat de staat waar die haven
gelegen is, zich vooraf bereid heeft verklaard de inspectie uit te
voeren.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan niet worden
uitgeoefend, indien in de vorige haven ten aanzien van het schip al is
besloten tot uitstel van inspectie dan wel controle.
Artikel 8
1. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, wordt niet als een
gemiste inspectie dan wel controle aangemerkt, mits deze wordt
geregistreerd in de inspectiedatabank:
a. de op grond van artikel 7, eerste lid, uitgestelde inspectie dan wel
controle van een schip van prioriteitsklasse I;
b. de inspectie dan wel controle van een schip van prioriteitsklasse I
die niet is uitgevoerd omdat:
1°. dit naar het oordeel van de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat een gevaar oplevert voor de veiligheid van de inspecteurs,
het schip, de bemanning ervan of de haven, of voor het mariene milieu;
of
2°. het schip uitsluitend gedurende de nachttijd een haven aandoet.
2. Tevens wordt voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, niet als
een gemiste inspectie dan wel controle aangemerkt de inspectie dan wel
controle van een schip in een ankerplaats onder jurisdictie van een
haven die niet is uitgevoerd, indien:
1°. het schip binnen 15 dagen in een andere haven in de Europese Unie
of in het onder het MOU vallende gebied wordt geïnspecteerd
overeenkomstig bijlage I van richtlijn 2009/16/EG;
2°. het schip uitsluitend gedurende de nachttijd de ankerplaats
aandoet, of gedurende een zodanig korte tijd de ankerplaats aandoet dat
de inspectie dan wel controle niet naar behoren kan worden uitgevoerd,
mits de reden voor het niet uitvoeren ervan in de inspectiedatabank
wordt geregistreerd; of
3°. het uitvoeren van de inspectie dan wel controle naar het oordeel
van een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat een gevaar
oplevert voor de veiligheid van deze ambtenaar, het schip, de bemanning
ervan of de haven, of voor het mariene milieu, mits de reden voor het
niet uitvoeren ervan in de inspectiedatabank word geregistreerd.
3. De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat nemen
maatregelen om er voor te zorgen dat schepen die regelmatig gedurende de
nachttijd een haven aandoen, met uitzondering van schepen die regelmatig
gedurende de nachttijd ankerplaatsen in een haven aandoen, in
voorkomende gevallen worden geïnspecteerd.
Artikel 9
1. De volgende schepen van prioriteitsklassen I en II komen in
aanmerking voor een uitgebreide inspectie:
a. schepen met een hoog risicoprofiel;
b. passagiersschepen, olietankers, gas- of chemicaliëntankers of
bulkschepen, ouder dan 12 jaar; en
c. schepen als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de wet.
2. Als het schip niet wordt geselecteerd voor een uitgebreide inspectie,
deelt een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat dit na
ontvangst van de melding, bedoeld in artikel 4b van de Regeling
communicatie en loodsaanvragen zeevaart, aan het schip mee.
Artikel 10
1. Aan een uitgebreide inspectie worden onderworpen:
a. de in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, bedoelde schepen van
prioriteitsklasse I die in de laatste zes maanden niet zijn
geïnspecteerd en de in dit artikellid bedoelde schepen van
prioriteitsklasse II die in de laatste vijf maanden niet zijn
geïnspecteerd, indien geselecteerd voor inspectie;
b. de in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, bedoelde schepen:
1°. van prioriteitsklasse I met een normaal risicoprofiel die in de
laatste 12 maanden niet zijn geïnspecteerd;
2° van prioriteitsklasse II met een normaal risicoprofiel die in de
laatste 10 maanden niet zijn geïnspecteerd, indien geselecteerd voor
inspectie;
3°. van prioriteitsklasse II met een laag risicoprofiel die in de
laatste 24 maanden niet zijn geïnspecteerd, indien geselecteerd voor
inspectie; en
c. de in artikel 9, eerste lid, onder c, bedoelde schepen.
2. Aan een eerste of, in voorkomend geval, meer gedetailleerde inspectie
worden onderworpen andere dan de in artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
bedoelde schepen:
a. van prioriteitsklasse I met een normaal risicoprofiel, die in de
laatste 12 maanden niet zijn geïnspecteerd;
b. van prioriteitsklasse II met een normaal risicoprofiel die in de
laatste 10 maanden niet zijn geïnspecteerd, indien geselecteerd voor
inspectie;
c. van prioriteitsklasse II met een laag risicoprofiel die in de laatste
24 maanden niet zijn geïnspecteerd, indien geselecteerd voor inspectie.
3. Aan een meer gedetailleerde of een uitgebreide inspectie, afhankelijk
van het professionele oordeel van de ambtenaar van de Inspectie Verkeer
en Waterstaat, worden onderworpen schepen als bedoeld in artikel 9,
eerste lid, onderdelen a en b:
a. ten aanzien waarvan een dwingende factor als bedoeld in bijlage I,
deel II, punt 2a van de richtlijn geldt;
b. ten aanzien waarvan een onverwachte factor als bedoeld in bijlage I,
deel II, punt 2b van de richtlijn geldt, indien geselecteerd voor
inspectie.
4. Aan een meer gedetailleerde inspectie worden onderworpen andere dan
de in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, bedoelde schepen:
a. ten aanzien waarvan een dwingende factor als bedoeld in bijlage I,
deel II, punt 2a van de richtlijn geldt;
b. ten aanzien waarvan een onverwachte factor als bedoeld in bijlage I,
deel II, punt 2b geldt, indien geselecteerd voor inspectie.
5. In aanvulling op de in bijlage IV van richtlijn 2009/16/EG genoemde
certificaten en documenten, inspecteren dan wel controleren de
ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de documenten genoemd
in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 1999/95/EG en de certificaten en
documenten genoemd in bijlage 4 bij het Internationaal Verdrag inzake de
beperking van schadelijk aangroeiwerende verfsystemen op schepen (Trb.
2004, 44).
6. Bij een inspectie, meer gedetailleerde inspectie, uitgebreide
inspectie of controle volgen de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat de richtsnoeren en procedures, bedoeld in Bijlage VI van de
richtlijn, alsmede de procedures, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van
richtlijn 1999/95/EG en in artikel 23 van richtlijn 2008/106/EG.
7. Gegronde redenen voor een meer gedetailleerde inspectie als bedoeld
in artikel 3, tweede lid, van de wet zijn in ieder geval de redenen
genoemd in bijlage V van richtlijn 2009/16/EG alsmede de omstandigheden,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EG.
Artikel 11
1. De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat kunnen een schip
onderwerpen aan een controle als bedoeld in artikel 7 van verordening
(EG) nr. 782/2003 en artikel 3 van verordening (EG) nr. 536/2008.
2. Tenzij er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een schip niet
voldoet aan de in het eerste lid genoemde verordening (EG) nr. 782/2003,
blijft de inspectie beperkt tot:
a. een verificatie van de documenten die op grond van artikel 6, eerste
lid, onder a en b, van de verordening aan boord dienen te zijn; of
b. een beperkte monsterneming van het aangroeiwerende verfsysteem van
het schip, zonder afbreuk te doen aan de integriteit, structuur of
werking van het aangroeiwerende verfsysteem.
3. Indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat het schip niet
voldoet aan de in het eerste lid genoemde verordening (EG) nr. 782/2003.
onderwerpt een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat het
schip aan een meer gedetailleerde inspectie.
Artikel 12
Een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat moet zich ervan
vergewissen dat elke tijdens de inspectie geconstateerde tekortkoming
wordt verholpen in overeenstemming met de verdragen.
§ 3. Verplichtingen voor de kapitein en exploitant
Artikel 13
1. De exploitant of de kapitein van het schip dat in aanmerking komt
voor een uitgebreide inspectie zorgt ervoor dat voldoende tijd
beschikbaar is in de exploitatieplanning voor deze inspectie.
2. Onverminderd de om veiligheidsredenen uit te voeren controles, blijft
het schip in de haven totdat de in het eerste lid bedoelde inspectie is
uitgevoerd.
§ 4. Informatieverstrekking
Artikel 14
Het inspectierapport, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet, is
opgesteld conform bijlage IX van de richtlijn.
Artikel 15
1. Indien een schip is aangehouden legt de ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat bij de kennisgeving ingevolge artikel 8, derde
lid, van de wet tevens het inspectierapport over. Bovendien doet hij,
indien zulks van belang is, ook mededeling van de aanhouding, onder
overlegging van het inspectierapport, aan de aangewezen inspecteurs of
de erkende organisaties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de
classificatiecertificaten of de certificaten die namens de vlaggenstaat
overeenkomstig de internationale verdragen worden afgegeven.
2. Indien een schip is aangehouden wegens overtreding van de
internationale voorschriften inzake de arbeids- en rusttijden volgens
het verdrag, genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder 6o van de wet,
stelt de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, naast de
personen en instanties, genoemd in artikel 8, derde lid, van de wet,
tevens de exploitant van het betrokken schip daarvan in kennis en
vermeldt in de kennisgeving tevens welke vereiste corrigerende
maatregelen noodzakelijk zijn.
3. Op de opheffing van de aanhouding is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
4. Indien een schip, aangehouden in een andere havenstaat dan Nederland,
in Nederland bij een reparatiewerf zal worden gerepareerd, stelt een
ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de bevoegde autoriteit
van de desbetreffende havenstaat in kennis van de maatregelen die in
Nederland zijn genomen.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde schip zich niet naar de
afgesproken reparatiewerf begeeft, waarschuwt een ambtenaar van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat onmiddellijk de bevoegde instanties van
alle andere bij het MOU aangesloten havenstaten.
6. Indien een aangehouden schip een haven uitvaart zonder te voldoen aan
de door de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat gestelde en
goedgekeurde voorwaarden, waarschuwt deze onmiddellijk de bevoegde
instanties van alle andere bij het MOU aangesloten havenstaten.
Artikel 16
1. De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat registreren in
de inspectiedatabank:
a. het uitstel van een inspectie, bedoeld in artikel 7;
b. de reden op grond waarvan wordt afgezien van een inspectie op grond
van artikel 7; en
c. de gegevens in verband met inspecties die op grond van de wet zijn
uitgevoerd, zodra het inspectieverslag is voltooid of de eventuele
aanhouding van een schip is opgeheven.
2. De havenbeheerders registreren in de inspectiedatabank:
a. de werkelijke aankomst- en vertrektijd van elk schip dat een haven
aandoet, alsook een identificatiecode van de betrokken haven; en
b. de melding, bedoeld in artikel 4b van de Regeling communicatie en
loodsaanvragen zeevaart.
3. De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat valideren de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, binnen 72 uur
gevalideerd met het oog op de publicatie ervan.
4. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdeel aworden aan de
inspectiedatabank bezorgd via het communautaire systeem voor de
uitwisseling van maritieme informatie ‘SafeSeaNet’ als bedoeld in
artikel 3, onder s, van richtlijn 2002/59/EG.
Artikel 17
De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat die over
aanwijzingen beschikt als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 1999/95/EG
rapporteert daarover aan de administratie van de vlaggenstaat van het
betrokken schip.
Artikel 18
De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat die een overtreding
constateert van verordening (EG) 725/2004 doet daarvan mededeling aan de
burgemeester.
Artikel 19
1. Indien een havenbeheerder bij de uitoefening van zijn normale taak
opmerkt dat een schip tekortkomingen heeft die afbreuk kunnen doen aan
de veiligheid van het schip of een onredelijk groot gevaar opleveren
voor schade aan het mariene milieu, stelt hij een ambtenaar van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat daarvan onmiddellijk in kennis.
2. Voorts deelt een havenbeheerder aan een ambtenaar van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat informatie mee betreffende:
1°. schepen die niet hebben voldaan aan de voorschriften inzake
meldingen, bedoeld in artikel 4b van de Regeling communicatie en
loodsaanvragen zeevaart, artikel 12a van de Wet voorkoming
verontreiniging door schepen, artikel 5, eerste, derde en vierde lid,
van het Scheepvaartreglement territoriale zee en, in voorkomend geval,
verordening (EG) 725/2004;
2°. schepen die zijn uitgevaren zonder te hebben voldaan aan artikelen
12b, 12c en 12d van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen; en
3°. schepen die om beveiligingsredenen de toegang tot een haven is
geweigerd of zijn verplicht de haven te verlaten.
3. Bij de melding van tekortkomingen van het schip door de loods op
grond van artikel 24 Besluit certificaatloodsen of artikel 4
Voorschriftenbesluit registerloodsen en bij de in kennisstelling van
tekortkomingen van het schip door de havenbeheerder op grond van het
eerste lid, worden, zo mogelijk elektronisch, de volgende gegevens
verstrekt:
1°. scheepsinformatie (naam, IMO-identificatienummer, roepletter en
vlaggenstaat);
2°. informatie betreffende de vaarroute (laatste aanloophaven, haven
van bestemming); en
3°. beschrijving van de aan boord vastgestelde klaarblijkelijke
anomalieën.
§ 5. Klachten
Artikel 20
1. De Inspecteur-Generaal behandelt namens de minister de klachten als
bedoeld in artikel 1, onderdeel p, van de wet. De Inspecteur-Generaal
kan deze bevoegdheid mandateren aan de ambtenaren van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat.
2. Een klacht als bedoeld in artikel 1, onderdeel p, van de wet wordt
onmiddellijk aan een eerste toets onderworpen, teneinde vast te stellen
of de klacht met redenen is omkleed.
3. Naar aanleiding van met redenen omklede klachten worden passende
maatregelen genomen. In ieder geval worden alle direct bij de klacht
betrokken personen de gelegenheid geboden hun standpunt kenbaar te
maken.
4. De identiteit van de indiener van de klacht wordt niet bekendgemaakt
aan de kapitein of de eigenaar van het betrokken schip. Bij elk gesprek
met de bemanningsleden wordt vertrouwelijkheid gegarandeerd.
4. Indien de klacht ongegrond wordt geacht, wordt de indiener van de
klacht van deze beslissing en de motivering daarvan op de hoogte
gesteld.
5. De vlaggenstaat en, indien passend, de Internationale
Arbeidsorganisatie, worden geïnformeerd over klachten als bedoeld in
het derde lid, en de naar aanleiding van deze klacht genomen
maatregelen.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 21
1. De artikelen 3 tot en met 10, 13, 15 tweede lid, 16, 17, 18 en 20
zijn niet van toepassing op vissersvaartuigen.
2. De artikelen 10, vijfde en zevende lid, en 14 zijn niet van
toepassing op vissersvaartuigen voor zover de inhoud van deze artikelen
zich daartegen verzet.
3. Voor de aanhouding van een vissersvaartuig zijn de onderdelen 2.2,
2.4 tot en met 2.8, 2.10 tot en met 2.13, 3.2.1 tot en met 3.2.9,
3.2.12, 3.2.14, 3.3, 3.4, 3.5, 3.7, 3.9, 3.10 en 3.11 van Bijlage X van
de richtlijn niet van toepassing.
Artikel 22
Een wijziging van een op grond van deze regeling toepasselijke richtlijn
gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag
waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven.
Artikel 23
Een wijziging van het MOU gaat voor de toepassing van deze regeling
gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijziging in werking
treedt.
Artikel 24
[Wijzigt de Regeling communicatie en loodsaanvragen zeevaart]
Artikel 25
De Regeling havenstaatcontrole wordt ingetrokken.
Artikel 26
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop het
bij koninklijke boodschap van 6 juli 2010 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de Wet havenstaatcontrole in verband met de
implementatie van richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 betreffende
havenstaatcontrole (32 441) tot wet is verheven en die wet in werking
treedt.
Artikel 27
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling havenstaatcontrole 2011.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Infrastructuur en
Milieu,
M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.
|