Bij de aanvraag moet de aanvrager een volledige en duidelijke
beschrijving overleggen van de uitstekende daad, waarop hij zijn
aanvrage steunt; van het onderdeel der krijgsmacht waarbij, van het
tijdstip waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder hij de
daad verrichtte; van de namen van zoo mogelijk niet minder dan drie
personen, die daarbij tegenwoordig waren en die de juistheid van hetgeen
de aanvrager opgeeft kunnen bevestigen.
Artikel 6
Aan aanvragen om tot lid van de Orde te worden benoemd of daarin te
worden bevorderd, gedaan op grond van daden, welke vijf jaren of meer te
voren zouden zijn bedreven, wordt geen gevolg gegeven.
Artikel 7
1. Alle chefs en autoriteiten, die langs den hiërarchischen
weg een voordracht of een aanvrage ter behandeling ontvangen, zijn
verplicht bij de doorzending te doen blijken of en waarom zij al dan
niet met de voordracht of aanvrage instemmen.
2. Zij zijn eveneens verplicht hem, die het lidmaatschap der Orde
aanvraagt, dan wel verzoekt daarin te worden bevorderd, voor zooveel
noodig en met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, bij te staan
in het bijeenbrengen der gegevens, verklaringen enz., waardoor kan
worden bewezen, dat de uitstekende daad door den aanvrager is bedreven.
Artikel 8
1. Iedere chef, die een uitstekende daad als in de Wet bedoeld
door een zijner ondergeschikten heeft zien bedrijven, is verplicht
daarvan mededeeling te doen aan den boven hem gestelden chef of
autoriteit onder bijvoeging van een beschrijving van de daad, met
vermelding van tijd, plaats en omstandigheden en van schriftelijke
verklaringen van zoo mogelijk niet minder dan drie personen, die
getuigen waren van de daad.
2. Op gelijke wijze zal worden gehandeld, wanneer op andere wijze
te zijner kennis is gekomen, dat door een zijner ondergeschikten zulk
een daad is bedreven.
Artikel 9
De in artikel 8 bedoelde stukken zullen zoo duidelijk en volledig
mogelijk moeten zijn, opdat de uitstekende daad daarmede kan worden
bewezen.
Artikel 10
1. De militairen, die getuigen waren van de vermeende
uitstekende daad, zijn op vordering van hun chef verplicht
schriftelijk een beschrijving te geven van hetgeen zij hebben gezien.
Dit stuk wordt, als de getuige officier is, door dezen onderteekend,
nadat hij daarop een verklaring heeft gesteld, dat het naar waarheid
is opgemaakt. Het wordt vervolgens door den chef voor gezien geteekend.
2. Heeft de getuige niet den rang van officier, dan wordt het
stuk door den chef in handen gesteld van twee door hem aan te wijzen
officieren, die den getuige het geschrevene voorlezen en hem daarbij
wijzen op eventueel in de verklaring voorkomende onduidelijkheden, welke
door den getuige, zoo hij dit verlangt, worden verbeterd. Bevat het stuk
daarna alles wat de getuige geheel naar waarheid kan verklaren, dan
wordt dit in zijn tegenwoordigheid door de officieren op het stuk
vermeld, waarna het door den getuige met zijn handteekening wordt
bekrachtigd. De twee officieren stellen en onderteekenen op het stuk de
verklaring, dat de getuige in hun tegenwoordigheid zijn handteekening
heeft geplaatst, na hun desgevraagd te hebben verzekerd, dat hij in het
door hem opgestelde stuk zoo volledig mogelijk en naar waarheid heeft
getuigd.
Artikel 11
1. Kan een getuige niet schrijven, dan wordt zijn verklaring
zooveel doenlijk met zijn eigen woorden opgeschreven door een der
officieren in artikel 10 (2) bedoeld.
2. Overigens wordt in acht genomen het bepaalde in genoemd
artikel, met dien verstande, dat door den getuige instede van een
handteekening een door de officieren gewaarmerkt handmerk wordt gesteld.
Artikel 12
Als geen voldoend aantal officieren als in de artikelen 10 en 11
bedoeld beschikbaar is, kunnen de ontbrekenden door militairen van
hoogeren rang of meerderen ouderdom in rang dan de getuige worden
vervangen, waartoe uit de beschikbaren de hoogsten in rang worden
aangewezen.
Artikel 13
Niet-militairen worden als getuigen toegelaten, als zij bereid zijn
verklaringen af te leggen als in artikel 10 of 11 bedoeld.
Artikel 14
Indien de verklaringen van getuigen als in de artikelen 10, 11 of 13
bedoeld ontbreken, wordt een voordracht of aanvrage niettemin in
behandeling genomen, indien de uitstekende daad op andere wijze
voldoende kan worden bewezen.
Artikel 15
1. Het Kapittel bestaat uit zeven leden en drie
plaatsvervangende leden. Zij worden door Ons benoemd op
gemeenschappelijke voordracht van Onzen Minister belast met de zorg
voor de ridderorden en van Onze Ministers van Defensie en van
Koloniën.
2. Voor benoeming komen in aanmerking gewezen militairen van de
zeemacht, de landmacht hier te lande en die in Nederlandsch-Indië,
terwijl zoo mogelijk elk dezer deelen der weermacht zal worden
vertegenwoordigd. Zoo noodig kunnen ook nog in dienst zijnde militairen
tot lid of plaatsvervangend lid van het Kapittel worden benoemd.
3. De leden en plaatsvervangende leden genieten als zoodanig geen
bezoldiging of vacatiegelden.
4. Waar in de volgende artikelen wordt gesproken van
"lid" of "leden" wordt daaronder mede begrepen
"plaatsvervangend lid" en "plaatsvervangende leden".
Artikel 16
De leden nemen zitting in volgorde van hun benoeming tot lid van het
Kapittel. Bij gelijke benoeming beslist de volgorde, waarin hun namen in
het desbetreffend besluit zijn vermeld.
Artikel 17
Bij ontstentenis of afwezigheid van den Kanselier wordt hij als
voorzitter vervangen door een door hem aan te wijzen lid van het
Kapittel.
Artikel 18
1. Wanneer een lid den vollen ouderdom van vijf en zeventig
jaren heeft bereikt, wordt hem met ingang van de daaropvolgende maand
als zoodanig door Ons, op gemeenschappelijke voordracht van Onze
Ministers van Defensie en van Koloniën, ontslag verleend.
2. Vóór dat tijdstip kan een lid door Ons op gelijke voordracht
worden ontslagen, hetzij op eigen verzoek, dan wel indien daartoe door
Ons, het Kapittel gehoord, redenen aanwezig worden bevonden.
Artikel 19
1. Het Kapittel is te 's-Gravenhage gevestigd.
2. In buitengewone omstandigheden wijzen Wij voor het Kapittel
zoo noodig een andere standplaats aan.
Artikel 20
1. Het Kapittel wordt door den Kanselier bijeengeroepen
telkenmale wanneer hij dit noodig oordeelt.
2. De stukken en bescheiden, betrekking hebbende op de in de
bijeenkomst te behandelen onderwerpen, moeten zoo eenigszins mogelijk te
voren bij de leden hebben gecirculeerd.
Artikel 21
1. Adviezen, voorstellen of beslissingen van het Kapittel
worden gegeven, gedaan of genomen bij meerderheid van stemmen. Bij
staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. Een stemming
is alleen geldig als ten minste vijf leden, de voorzitter hieronder
begrepen, daaraan hebben deelgenomen. In de bijeenkomst aanwezige
leden zijn verplicht aan de stemming deel te nemen. Blanco-stemmen is
niet toegelaten.
2. De leden, die zich niet hebben vereenigd met het gevoelen der
meerderheid, hebben de bevoegdheid in een bij het advies of het voorstel
van het Kapittel over te leggen nota hun afwijkende meening toe te
lichten.
Artikel 22
Het Kapittel brengt aan het Hoofd van het betrokken Departement van
algemeen bestuur advies uit over de voordrachten voor benoeming of
bevordering in en ontslag uit de Orde, over de aanvragen om in de Orde
te worden opgenomen of bevorderd, zoomede de in dit reglement genoemde
gevallen.
Artikel 23
1. Het Kapittel is bevoegd Ons, door tusschenkomst van de
daarbij betrokken Departementen van algemeen bestuur, alle
inlichtingen te verstrekken, welke het meent in het belang van de Orde
of van de ridders te moeten doen.
2. Het Kapittel verstrekt desgevraagd aan het Hoofd van het
betrokken Departement van algemeen bestuur de voor de uitoefening van
zijn taak benodigde inlichtingen. Het Hoofd van het betrokken
Departement van algemeen bestuur kan inzage vorderen van zakelijke
gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijs nodig is.
Artikel 24
1. Het Kapittel doet onder zijn toezicht registers aanhouden
voor elk der vier klassen van ridders, bevattende voor elken ridder:
naam en voornamen, datum en plaats van geboorte, beknopten staat van
dienst, datum van benoeming en van bevordering in de Orde, beknopte
vermelding van de uitstekende daad (daden), waarvoor de benoeming of
bevordering geschiedde, zoomede eventueel datum en nummer van Ons
Besluit van schorsing van de bevoegdheid tot het dragen van het
ordeteeken of van ontslag uit de Orde. Van overlijden van een ridder
wordt in de registers aanteekening gehouden.
2. Het Kapittel doet eveneens aanteekening houden van Onze
besluiten, waarbij aan eenig onderdeel der weermacht het ordeteeken is
verleend, met beknopte vermelding van de uitstekende daad (daden),
waardoor het zich heeft onderscheiden.
Artikel 25
1. De toekenning van het lidmaatschap der Orde geschiedt als
regel door benoeming van den betrokkene tot ridder der 4e klasse.
2. Is de verrichte daad evenwel van zoo buitengewonen en
uitstekenden aard, dat hem billijkerwijs een hoogere belooning in de
Orde toekomt, dan zal benoeming tot een hoogere klasse kunnen
geschieden.
Artikel 26
Een ridder der Orde, die opnieuw in den strijd een uitstekende daad
van moed, beleid en trouw heeft verricht, kan bij Ons voor bevordering
in de Orde in aanmerking worden gebracht.
Artikel 27
Door Ons kan worden bepaald, dat de naam van hem, die tijdens het
verrichten van een uitstekende daad van moed, beleid en trouw, waarvoor
hij tot een benoeming of bevordering in de Orde in aanmerking zou zijn
gekomen, sneuvelde of, voordat Onze beslissing aangaande zijn benoeming
of bevordering was genomen, is overleden, in de in artikel 24 bedoelde
registers zal worden ingeschreven.
Artikel 28
Van Onze besluiten tot benoeming of bevordering in de Orde, alsmede
van die, genoemd in de artikelen 24 (2) en 27, wordt, met beknopte
vermelding van de uitstekende daad, waarvoor de onderscheiding of
vergunning is verleend, mededeeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 29
Tijdig voordat aan een benoemden ridder het Ordeteeken zal worden
uitgereikt, zendt het betrokken Departement van algemeen bestuur hem een
exemplaar van de Wet en van dit reglement.
Artikel 30
1. Het uitreiken van het ordeteeken aan militairen geschiedt
voor het front der troepen of der scheepsbemanning, ter plaatse van de
uitreiking aanwezig, op de volgende wijze:
a. de autoriteit, met de uitreiking belast, doet aan de aanwezigen
mededeeling van de uitstekende daad (daden), waarvoor de
onderscheiding werd toegekend;
b. de ban wordt geopend en het Koninklijk Besluit der benoeming
voorgelezen;
c. den benoemde - Nederlandsch onderdaan zijnde - wordt de eed
(belofte) afgenomen;
d. het ordeteeken wordt den benoemde (bevorderde) op de borst
gehecht c.q. omgehangen;
e. de benoemde ridder ontvangt de accolade van de ridders, daartoe
aangewezen door of namens de autoriteit met de uitreiking belast;
f. de ban wordt gesloten;
g. de autoriteit, die de uitreiking verrichtte, houdt een toespraak
tot den ridder en vervolgens tot de aanwezige troepen
(scheepsbemanning);
h. de troepen defileeren voor den benoemden (bevorderden) ridder.
Aan boord van een Onzer schepen wordt door de bemanning gedefileerd,
voor zoover de ruimte dit toelaat.
Tijdens de handelingen genoemd onder d en e speelt de
muziek het Wilhelmus.
2. Voorts wordt bij de in het 1e lid genoemde plechtigheid in
acht genomen hetgeen daaromtrent door Ons of door den
Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië c.q. den Gouverneur van
Suriname of van Curaçao in de voorschriften en reglementen voor de
onderscheiden deelen der weermacht is of zal worden vastgesteld.
3. Indien door bijzondere omstandigheden de uitreiking van het
ordeteeken op de in de beide voorgaande leden omschreven wijze niet kan
plaats hebben, zal de in het 1e lid onder a genoemde autoriteit
op de uitreiking orde stellen, daarbij in acht nemende, dat zulks op
plechtige wijze behoort te geschieden.
Artikel 31
Het uitreiken van het ordeteeken aan niet-militairen - Nederlandsche
onderdanen - alsmede aan vreemdelingen geschiedt op de wijze, zooals
door Ons of door Onzen betrokken Minister voor elk geval zal worden
bepaald.
Artikel 32
Het uitreiken van de onderscheiding, bedoeld in artikel 14 der Wet,
geschiedt door den hoogsten militairen gezaghebbende van zee- of
landmacht, onder wiens bevelen het betrokken onderdeel der weermacht is
gesteld, of bij deszelfs verhindering door zijn vertegenwoordiger.
Artikel 30 (2) is hierbij van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
Wij behouden Ons voor het Ordeteeken aan een benoemden of een
bevorderden ridder, alsmede een onderscheiding als in artikel 14 der Wet
bedoeld, persoonlijk uit te reiken. In die gevallen zal het bij de
plechtigheid te volgen ceremonieel telkenmale door Ons worden
vastgesteld.
Artikel 34
Het, door de zorg van den Kanselier der Orde opgemaakte,
ridder-diploma wordt den benoemden of bevorderden ridder kosteloos
verstrekt, na de uitreiking van het ordeteeken, indien het hem bij die
gelegenheid niet is overhandigd.
Artikel 35
De ridder der Orde is verplicht het model ordeteeken te dragen:
a. militair zijnde: bij groot en ceremonieel tenue, alsmede bij
parades;
b. niet-militair zijnde; bij het bijwonen van plechtigheden of
feestelijkheden, welke een openbaar karakter dragen;
c. in de gevallen genoemd in de artikelen 38, 39, 40 en 41.
Artikel 36
Aan militairen, ridders der Orde, wordt, wanneer zij het model
ordeteeken zichtbaar dragen, de militaire groet gebracht door hun niet
met dit ordeteeken gedecoreerde rang- of standgenooten.
Artikel 37
Schildwachten geven aan een ridder der Orde, indien deze het model
ordeteeken zichtbaar draagt, hetzelfde eerbewijs als aan een officier.
Artikel 38
Indien door eenig onderdeel der weermacht aan Ons of aan Leden van
Ons Huis eerewachten worden gegeven, zullen daarvoor in de eerste plaats
worden aangewezen de tot dat onderdeel behoorende militairen ridders der
Orde.
Artikel 39
Wanneer ridders der Orde in hun kwaliteit door Ons worden
uitgenoodigd tot bijwoning van openbare plechtighedend, waarbij Wij
tegenwoordig zullen zijn of waarbij Wij Ons doen vertegenwoordigen, zal
hun van Onzentwege worden medegedeeld, welke bijzondere plaats zij
tijdens de plechtigheid hebben in te nemen.
Artikel 40
1. Indien een ridder der Orde in militairen dienst overlijdt en
met militaire eerbewijzen wordt begraven, zal bij de
teraardebestelling het ceremonieel gevolgd worden, vastgesteld voor de
begrafenis van een militair van den naast hoogeren rang dan de
overledene bekleedde. Het militair escorte zal zoo mogelijk bestaan
uit afdeelingen van de troepen, waarbij de overledene heeft gediend en
met welke hij de wapenfeiten verrichtte, die tot verleening van de
ridderorde aanleiding hebben gegeven. De vier slippen van het
lijkkleed zullen, zoo mogelijk, worden gedragen door ridders der Orde.
Het ordeteeken van den overledene zal op het lijkkleed worden gehecht.
De ridders in militairen dienst, aanwezig ter plaatse van de
begrafenis, zullen in den lijkstoet volgen.
2. Tot de overige ter plaatse wonende ridders der Orde zal door
de autoriteit, die met de regeling der begrafenis is belast, de
algemeene uitnoodiging worden gericht mede in den lijkstoet te volgen.
Artikel 41
Het in artikel 40 bepaalde geldt ook voor de begrafenis van een
ridder der Orde, die bij zijn overlijden niet meer in militairen dienst
was, indien de begrafenis in een garnizoensplaats of marine-standplaats
geschiedt en de nabestaanden of betrekkingen hebben verzocht de
teraardebestelling met militaire eerbewijzen te doen plaats hebben.
Artikel 42
1. In Nederland heeft de uitbetaling der toelagen, bedoeld in
artikel 9 der Wet, kwartaalsgewijze plaats vanwege het betrokken
Departement van algemeen bestuur.
2. In Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao geschiedt de
uitbetaling naar door den Gouverneur-Generaal c.q. den Gouverneur van
het betrokken gebiedsdeel te stellen regelen.
Artikel 43
Indien tegen een ridder der Orde een strafvervolging is ingesteld
wegens eenig misdrijf of wegens een overtreding, als gevolg waarvan de
bijkomende straf van plaatsing in een Rijks- of Landswerkinrichting kan
worden opgelegd, geeft de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het
betrokken gerecht daarvan kennis: in Nederland aan den Voorzitter van
het Kapittel der Orde en in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao -
door tusschenkomst van den Procureur-Generaal aldaar - aan den
Gouverneur-Generaal c.q. den Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel.
Artikel 44
Van elke onherroepelijke veroordeeling van een ridder der Orde wegens
eenig misdrijf of wegens een overtreding, waarbij de bijkomende straf
van plaatsing in een Rijks- of Landswerkinrichting is uitgesproken,
geeft de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het betrokken gerecht
kennis: in Nederland aan den Voorzitter van het Kapittel der Orde en in
Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao - door tusschenkomst van den
Procureur-Generaal aldaar - aan den Gouverneur-Generaal c.q. den
Gouverneur van het betrokken gebiedsdeel.