BESLUIT van 23 januari 1992, houdende regels ten
aanzien van bijdragen in de kosten van beheer en onderhoud van
waterstaatswerken
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 september
1991, nr. RJI 102399, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling
Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wet van
24 april 1991, houdende regels met betrekking tot enkele specifieke
uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer en
Waterstaat (Stb. 1991, 255);
Gezien de adviezen van het Interprovinciaal
Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
Gehoord de Raad voor de Gemeentefinanciën;
De Raad van State gehoord (advies van 4
december 1991, nr. W09.91 0489);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 14 januari 1992, nr. RJI 113251, Hoofddirectie
van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. bijdrage: een bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van de Wet houdende regels met betrekking tot enkele specifieke
uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein van Verkeer
en Waterstaat (Stb. 1991, 255);
c. waterstaatswerken: waterstaatswerken als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Wet houdende regels met betrekking tot enkele
specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten op het terrein
van Verkeer en Waterstaat;
d. nieuwe beheerder: de provincie dan wel de gemeente, waarbij
bij een koninklijk besluit op grond van artikel 1, tweede lid, van
de Waterstaatswet 1900 (Stb. 176) een waterstaatswerk in
beheer of onderhoud is gebracht.
Artikel 2. Voorwaarden om voor een bijdrage in aanmerking te komen
Voor een bijdrage komt in aanmerking de nieuwe beheerder van een
waterstaatswerk dat een of meer functies ten algemene nutte heeft.
Artikel 3. Functies ten algemene nutte
1. De bijdrage wordt verleend zolang de in artikel 2 bedoelde
functies aanwezig zijn.
2. De nieuwe beheerder geeft aan Onze Minister jaarlijks een
verklaring af, inhoudende dat de functie ten algemene nutte van het
waterstaatswerk nog aanwezig is.
3. Indien de nieuwe beheerder evenwel voornemens is de functies
van het waterstaatswerk zodanig te wijzigen dat deze niet meer
overeenstemmen met de functies op het tijdstip waarop het
waterstaatswerk bij hem in beheer of onderhoud is gebracht, blijft het
tweede lid buiten toepassing. In dat geval treedt de nieuwe beheerder
tijdig in overleg met Onze Minister over een evenredige aanpassing van
het uitkeringsbedrag.
Artikel 4. Hoogte, vaststelling en aanpassing van de
uitkeringsbedragen
1. De hoogte van de uitkeringsbedragen per rechthebbende op het
tijdstip waarop het betrokken waterstaatswerk bij de nieuwe beheerder
in beheer of onderhoud wordt gebracht, wordt vastgesteld bij het
koninklijk besluit, bedoeld in artikel 1, onderdeel d.
2. Bij de vaststelling van het uitkeringsbedrag wordt rekening
gehouden met de mate waarin het waterstaatswerk functies ten algemene
nutte vervult.
3. Indien in de functies van het waterstaatswerk wijzigingen zijn
aangebracht als bedoeld in artikel 3, derde lid, wordt het
uitkeringsbedrag bij koninklijk besluit naar evenredigheid aangepast.
Artikel 5. Samenstelling van de bijdrage
De bijdrage bestaat uit de volgende bestanddelen:
a. een vergoeding voor de vaste jaarlijkse kosten van het
personeel;
b. een vergoeding voor de gemiddelde jaarlijkse onderhoudskosten;
c. een voor een periode van 30 jaren vanaf het tijdstip van
overdracht benodigd bedrag voor de niet-jaarlijkse onderhoudskosten.
Bij voornoemde kosten wordt nog een onderscheid gemaakt naar
fluctuaties van minder of meer dan vijf jaar.
Artikel 6. Indexering
1. De bijdrage wordt jaarlijks door Onze Minister aangepast
overeenkomstig het gestelde in het tweede en derde lid.
2. De in het eerste lid genoemde jaarlijkse aanpassing vindt
plaats door vermenigvuldiging van de bijdrage met:

In de in het tweede lid genoemde
formules stellen voor:
a: coëfficient, ter correctie van de stijging van het nominale
loonniveau;
C: het door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde
indexcijfer van regelingslonen van volwassen werknemers (lonen per week
en per maand voor alle werknemerscategorieën, inclusief spaarloon,
vakantietoeslag en andere uitkeringen), in de maand voorafgaande aan de
maand waarin het in artikel 1, onderdeel d, bedoelde koninklijk
besluit van kracht wordt;
U: het indexcijfer voor de maand dat als prijsbasis heeft gediend
voor de vaststelling van de bijdrage.
4. De coëfficient a heeft voor het onderhoudskostenbestanddeel
de waarde 0,7 en wordt iedere vijf jaar door Onze Minister opnieuw
vastgesteld. Aan de hand van de door het Centraal Bureau voor de
Statistiek gepubliceerde indexcijfers van regelingslonen voor de
overheidssector wordt door Onze Minister de waarde van de coëfficient a
voor het personeelskostenbestanddeel ieder jaar opnieuw vastgesteld.
Artikel 7. Wijze van betaling van de bijdrage en het bedrag van de
aanpassing
1. Onze Minister betaalt de bijdrage jaarlijks in vier gelijke
delen.
2. De in het eerste lid bedoelde delen worden uiterlijk op de
vijftiende dag van de tweede maand van elk kwartaal van het
desbetreffende uitkeringsjaar betaald.
3. Het bedrag van de aanpassing van de bijdrage wordt betaald in
het jaar dat volgt op het desbetreffende uitkeringsjaar, uiterlijk op 30
november van dat jaar.
Artikel 8. Tijdsduur van de geldigheid van de bijdrageregeling
1. Onze Minister behoudt te allen tijde de bevoegdheid om het
verstrekken van een jaarlijkse bijdrage, dan wel gedeelten daarvan, te
beëindigen onder het doen van een uitkering ineens waarvan de hoogte
wordt berekend volgens de systematiek zoals omschreven in het rapport
Afkoopsommen 1979 (Tweede Kamer, 1979-1980, 15 679, nr. 6, blz. 3 tot
en met 8).
2. Onze Minister doet van zijn voornemen tot beëindiging van de
jaarlijkse bijdrage, dan wel gedeelten daarvan, uiterlijk op 15 december
van het lopende kalenderjaar schriftelijk mededeling aan de nieuwe
beheerder.
3. De verstrekking van de bijdrage wordt eveneens beëindigd met
ingang van de datum waarop het beheer en onderhoud van de betrokken
waterstaatswerken worden bekostigd door middel van de uitkeringen uit
het Provinciefonds onderscheidenlijk het Gemeentefonds.
Artikel 9. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
Artikel 10. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit bijdragen
waterstaatswerken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 23 januari 1992
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de twintigste februari 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin