|
BESLUIT van 6 oktober 1984 tot uitvoering van de
artikelen 3, 4, 10a, derde en vierde lid juncto eerste lid, 11 en
28 van de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden (Stb. 1982,
494)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 28 maart 1984, nr. MJZ 2834011, Centrale Directie
Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 3, 4, 10a, derde
en vierde lid juncto eerste lid, 11 en 28 van de Wet hygiëne en
veiligheid zwemgelegenheden (Stb. 1982, 494) en artikel III van
de Wet van 2 juni 1982, houdende wijziging van de Wet hygiëne en
veiligheid zweminrichtingen (Stb. 1982, 493);
De Raad van State gehoord (advies van 28
augustus 1984, nr. W08.84.0163/12.4.34);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 oktober
1984, Centrale Directie Juridische Zaken, nr. MJZ-0504033;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In
dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
* aangewezen locatie:
plaats in oppervlaktewater die is aangewezen op grond van artikel 10b,
tweede lid, van de wet;
* abnormale situatie:
gebeurtenis of combinatie
van gebeurtenissen die de zwemwaterkwaliteit op de betrokken locatie
beïnvloedt en die zich naar verwachting gemiddeld niet meer dan eens
in de vier jaar zal voordoen;
* aërosolen:
in lucht gedispergeerde waterdeeltjes met een diameter van 1 tot 10
micrometer;
* bassin met eenmalig gebruik van water:
bassin waarvan het water
geheel wordt ververst, na elk gebruik door één persoon;
* beheersmaatregelen:
maatregelen als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de
zwemwaterrichtlijn die met betrekking tot aangewezen locaties worden
genomen;
* doorstroomd bassin:
bassin waarvan het water voortdurend wordt afgevoerd, waarbij het
afgevoerde water niet in het bassin wordt teruggebracht;
* houder:
houder van een badinrichting;
* kortstondige verontreiniging:
microbiologische besmetting als bedoeld in bijlage I, kolom A, van de
zwemwaterrichtlijn met duidelijk aantoonbare oorzaken waarvan normaliter
niet wordt verwacht dat zij de zwemwaterkwaliteit langer zal aantasten
dan 72 uur vanaf het begin van de aantasting en waarvoor het bevoegd
bestuursorgaan overeenkomstig bijlage II van de zwemwaterrichtlijn
procedures voor de voorspelling en de aanpak heeft vastgesteld;
* proliferatie
van cyanobacteriën:
ophoping van cyanobacteriën in de vorm van bloei, tapijt of drijflaag;
* reeks zwemwaterkwaliteitsgegevens:
gegevens die zijn verzameld overeenkomstig artikel 44d;
* verontreiniging:
aanwezigheid van microbiologische besmetting of van andere organismen of
afval die de zwemwaterkwaliteit aantast en een risico voor de gezondheid
van de zwemmers inhoudt als bedoeld in de artikelen 44e en 44f en in
bijlage I, kolom A, van de zwemwaterrichtlijn;
* water van drinkwaterkwaliteit:
water dat voldoet aan de eisen van het Drinkwaterbesluit;
* wet:
Wet hygiëne en veiligheid
badinrichtingen en zwemgelegenheden.
2. Het
bevoegd bestuursorgaan stelt met ingang van 24 maart 2010 overeenkomstig
bijlage II van de zwemwaterrichtlijn procedures voor de voorspelling en
de aanpak bij een kortstondige verontreiniging vast. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot die
procedures.
Hoofdstuk IA
Artikel 1a
Als categorieën van personen als bedoeld
in artikel 1 van de wet worden aangewezen:
a. personen
die in een specifieke hoedanigheid anders dan bedoeld in onderdeel
b, toegang hebben tot een badinrichting, niet zijnde een voor het
publiek toegankelijke badinrichting of een privébadinrichting;
b. personen die zorg ontvangen in een
instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de
Wet toelating zorginstellingen of een inrichting waarin het beroep
van fysiotherapeut klinisch of poliklinisch wordt uitgeoefend.
Hoofdstuk II
§ 1. Algemeen
Artikel 2
1. Ten
aanzien van badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden anders
dan in oppervlaktewater en waarvan tenminste één bassin een
wateroppervlakte van 2 m2
of meer heeft en dieper is dan 0,50 meter, gelden de in dit hoofdstuk
gegeven voorschriften.
2. De artikelen 4,
eerste lid, en 5 tot en met 8, eerste lid, zijn niet van toepassing op
bassins met eenmalig gebruik van water en doorstroomde bassins.
3. De artikelen 4,
eerste lid, 5, 6, eerste lid, 7, en 8, eerste lid, zijn niet van
toepassing op bassins met een wateroppervlakte kleiner dan 15 m2 in
badinrichtingen, die uitsluitend of in hoofdzaak toegankelijk zijn voor
de in artikel 1a, onder b, bedoelde personen.
4. Artikel 16 is
niet van toepassing op badinrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak
toegankelijk zijn voor de in artikel 1a bedoelde personen.
5. De artikelen 13
en 20 zijn niet van toepassing op badinrichtingen die uitsluitend of in
hoofdzaak toegankelijk zijn voor de in artikel 1a, onder b, bedoelde
personen.
§ 1a. Voorschriften ter preventie van
legionellabesmetting
Artikel 2a
1. Zwem-
of badwater dat op zodanige wijze ter beschikking komt of wordt gebruikt
dat daarbij aërosolen alsmede daardoor, al dan niet samen met andere
micro-organismen, meegevoerde legionellabacteriën kunnen vrijkomen in
hoeveelheden die, in geval van inademing, nadelige gevolgen kunnen
hebben voor de volksgezondheid, bevat minder dan 100 kolonievormende
eenheden legionellabacteriën per liter.
2. De
houder draagt er zorg voor dat voorafgaand aan de ingebruikneming van de
badinrichting een analyse wordt uitgevoerd met betrekking tot het risico
dat niet wordt voldaan aan het eerste lid.
3. Een risicoanalyse
wordt bovendien uitgevoerd binnen drie maanden na iedere met het oog op
het in het tweede lid bedoelde risico relevante wijziging van het zwem-
of badwatersysteem.
4. De risicoanalyse
omvat de volgende onderdelen:
a. het
inventariseren van de locaties binnen de badinrichting waar zich
aërosolvorming kan voordoen;
b. het verzamelen van gegevens betreffende het
zwem- of badwatersysteem waarvan de onder a bedoelde locaties onderdeel
uitmaken, waaronder in elk geval wordt begrepen:
1°.
een of meer tekeningen waarop het zwem- of badwatersysteem is
aangegeven;
2°.
gegevens over de herkomst, aard en kwaliteit van het water;
3°.
gegevens over de gebruikte desinfectiemiddelen;
4°.
gegevens over de bedrijfsvoering van de installaties en de apparatuur;
5°.
gebruiksgegevens met betrekking tot de installaties en de apparatuur;
6°.
bezoekersaantallen;
c. het beoordelen van het risico per onderdeel van
het zwem- of badwatersysteem waarvan de onder a bedoelde locaties
onderdeel uitmaken;
d. vastlegging van de uitkomsten van de
risicoanalyse, waarbij wordt aangegeven op welke punten in het zwem- en
badwatersysteem het in het tweede lid bedoelde risico zich voor kan
doen.
Indien uit de inventarisatie
bedoeld onder a, blijkt dat er geen locaties zijn waar zich
aërosolvorming kan voordoen, behoeven de onderdelen b en c niet te
worden uitgevoerd.
5. Onze
Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van
de risicoanalyse.
6. De houder draagt
er zorg voor dat de uitkomsten van de risicoanalyse, met een overzicht
van de daarbij gehanteerde gegevens en de eventueel genomen maatregelen,
voor gedeputeerde staten ter inzage liggen in de badinrichting en aan
hen op hun verzoek worden toegezonden in een door hen aangegeven vorm.
7. Indien
gedeputeerde staten van oordeel zijn dat de risicoanalyse onjuist of
onvolledig is uitgevoerd, dan wel indien zij zulks in verband met aan
het zwem- of badwatersysteem aangebrachte wijzigingen noodzakelijk
achten, kunnen zij de houder verplichten tot het wijzigen, aanvullen of
opnieuw uitvoeren van de risicoanalyse binnen een daarbij aangegeven
termijn.
Artikel 2b
1. Indien uit een
analyse, als bedoeld in artikel 2a, blijkt dat er sprake is van het in
artikel 2a, tweede lid, bedoelde risico, stelt de houder binnen drie
maanden na het gereedkomen van de risicoanalyse een beheersplan op
voor het zwem- of badwatersysteem van de badinrichting, dan wel
herziet hij binnen drie maanden een bestaand beheersplan, indien de
risicoanalyse daartoe aanleiding geeft. Het beheersplan heeft
betrekking op de inrichting en het beheer van het zwem- of
badwatersysteem en strekt ertoe d at
op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten van het
zwem- of badwatersyteem geen legionellabacteriëen voorkomen in
concentraties van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter.
2. Indien
uit de risicoanalyse, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, blijkt dat er
sprake is van een risico als bedoeld in dat lid, stelt de houder in
afwijking van het eerste lid, het beheersplan op voorafgaand aan de
ingebruikneming van de badinrichting.
3. Het eerste en
tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de houder het in artikel
2a, tweede lid, bedoelde risico binnen drie maanden na het gereedkomen
van de risicoanalyse opheft door zodanige wijzigingen in het zwem- of
badwatersysteem, dat daardoor niet langer periodieke beheersmaatregelen
zijn vereist, en hij deze wijzigingen meldt aan gedeputeerde staten.
4. Het beheersplan
omvat in elk geval de volgende onderdelen:
a. de uitkomsten van de uitgevoerde
risico-analyse, waaronder in ieder geval een inventarisatie van de in
artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten;
b. de controles en maatregelen die per
risicopunt worden uitgevoerd ter voorkoming van legionellabesmetting,
alsmede de frequentie daarvan;
c. de
maatregelen die worden genomen indien er aanwijzingen zijn dat op de
in artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten
legionellabacteriën voorkomen in concentraties van 100 of meer
kolonievormende eenheden per liter.
5. Onze Minister kan
nadere regels stellen met betrekking tot de technische uitwerking van
het beheersplan.
6. De houder draagt
er zorg voor dat het beheersplan voor gedeputeerde staten ter inzage
ligt in de badinrichting en aan hen op hun verzoek wordt toegezonden in
een door hen aangegeven vorm.
7. Indien
gedeputeerde staten van oordeel zijn dat met een beheersplan onvoldoende
is gewaarborgd dat op de in de risicoanalyse geïdentificeerde
risicopunten in het zwem- of badwatersysteem geen legionellabacteriën
voorkomen in concentraties van 100 of meer kolonievormende eenheden per
liter, kunnen zij de houder verplichten tot het binnen een daarvoor door
hen gestelde termijn nemen van maatregelen die zij nodig achten om
daarin te voorzien.
Artikel 2c
1. De
houder laat de in het beheersplan vermelde risicopunten ten minste
halfjaarlijks door een laboratorium als bedoeld in artikel 10 op de
aanwezigheid van Legionella onderzoeken.
2. Hij voert de in
het beheersplan opgenomen controles en maatregelen uit.
3. Hij houdt in een
apart logboek aantekening van de op grond van het beheersplan
uitgevoerde controles en maatregelen alsmede van de resultaten daarvan
en draagt er zorg voor dat het logboek voor gedeputeerde staten ter
inzage ligt in de badinrichting en aan hen op hun verzoek wordt
toegezonden in een door hen aangegeven vorm.
4. Hij bewaart de
risicoanalyse, het beheersplan alsmede het logboek ten minste vijf jaar
voor inzage door gedeputeerde staten.
Artikel 2d
1. De
houder stelt bij vaststelling van een concentratie van
legionellabacteriën van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter
op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, bedoelde risicopunten,
gedeputeerde staten hiervan onmiddellijk in kennis.
2. De
houder treft in overleg met gedeputeerde staten de maatregelen die met
het oog op de in het eerste lid bedoelde omstandigheid in het
beheersplan zijn opgenomen of, voor zover daaromtrent in het beheersplan
geen maatregelen zijn opgenomen dan wel geen beheersplan van toepassing
is, de maatregelen die in deze omstandigheden redelijkerwijs van hem
kunnen worden gevergd, tenzij gedeputeerde staten anders voorschrijven.
§ 2. De hoedanigheid van het zwem- en
badwater
Artikel 3
1. Het
zwem- en badwater voldoet aan de normen die in de bij dit besluit
behorende bijlage I zijn aangegeven.
2. Het water waarmee
de bassins worden gevuld, is van drinkwaterkwaliteit.
§ 3. De behandeling van het zwem- en
badwater
Artikel 4
1. De
pompen waarmee het zwem- en badwater wordt rondgepompt, hebben een
capaciteit als aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage III.
2. Er is een
voorziening waardoor de pompen die dienen voor het toevoegen aan het
zwem- en badwater van desinfectiemiddelen en van middelen voor correctie
van de zuurgraad niet werken, wanneer er onvoldoende doorstroming is in
de leiding waarin die middelen worden toegevoegd.
Artikel 5
Van het water dat uit het bassin wordt afgevoerd
naar de waterzuiveringsinstallatie wordt tenminste 30 procent afgevoerd
door middel van overloopvoorzieningen die ter hoogte van het
wateroppervlak zijn aangebracht.
Artikel 6
1. In de toevoer
naar of afvoer van de filters, die deel uitmaken van de
waterzuiveringsinstallatie, is een voorziening waarmee de hoeveelheid
water kan worden bepaald, die in een bepaalde tijdseenheid wordt
toegevoerd, onderscheidenlijk afgevoerd. De nauwkeurigheid waarmee
deze voorziening de hoeveelheid water bepaalt, wijkt ten hoogste 10
procent af van de werkelijke waarde.
2. De filters worden
zo vaak als nodig is gereinigd.
Artikel 7
1. Zandfilters
worden gereinigd hetzij door middel van een terugspoelproces waarbij het
filtermateriaal in fluïdisatie geraakt hetzij door middel van een
hieraan tenminste gelijkwaardig proces.
2. Bij
gesloten zandfilters waarbij het filtermateriaal in fluïdisatie geraakt
is een voorziening waardoor dit in fluïdisatie geraken waargenomen kan
worden.
3. Filters
met filterpoeder worden gereinigd door middel van vervanging van het
filterpoeder.
Artikel 8
1. Wekelijks wordt
een hoeveelheid water aan het zwem- en badwater toegevoegd, waarvan
het aantal liters tenminste overeenkomt met het geschatte aantal
zwemmers en baders in de betrokken week vermenigvuldigd met dertig.
Indien gedurende ten minste drie maanden het gebonden beschikbaar
chloorgehalte niet hoger is geweest dan 0,3 mg. per liter en geen
overschrijding van andere normen, aangegeven in de bij dit besluit
behorende bijlage I, heeft plaatsgevonden, kan de in de eerste volzin
genoemde vermenigvuldigingsfactor worden verminderd tot vijftien.
2. Het toe te voegen
water is van drinkwaterkwaliteit.
3. Het toe te voegen
water wordt, voordat het in het bassin wordt gebracht, in de
waterzuiveringsinstallatie behandeld.
§ 4. Het onderzoek van het zwem- en
badwater
Artikel 9
1. De
houder onderzoekt de parameters die zijn aangegeven in de bij dit
besluit behorende bijlage I, ten minste zo vaak als in die bijlage is
aangegeven.
2. Hij noteert de
gegevens die het resultaat zijn van ieder onderzoek.
3. Hij noteert
daarbij tevens:
a. het tijdstip waarop het onderzoek is
verricht, waaruit de gegevens zijn verkregen;
b. het geschatte aantal zwemmers en baders op de
betrokken dag;
c. of, en zo ja, welke filters op de betrokken
dag zijn gereinigd, en het tijdstip waarop dit is geschied;
d. of, en zo ja, van welke bassins op de
betrokken dag de bodem is gereinigd;
e. de
aard en hoeveelheid van de op de betrokken dag voor de zuivering van
het zwem- of badwater gebruikte en aan het zwem- of badwater
toegevoegde chemicaliën;
f. de hoeveelheid water die gedurende de betrokken
dag aan het zwem- of badwater is toegevoegd;
h. andere
bijzonderheden die van belang zijn uit het oogpunt van hygiëne.
4. Hij bewaart de in
het tweede en derde lid bedoelde gegevens ten minste twee jaar.
Artikel 10
1. De houder laat
door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert dat
gebaseerd is op de norm NEN-EN-ISO/IEC 17 025, zoals deze luidde in
april 2000, dan wel op een andere daaraan gelijkwaardige norm die
terzake geldt in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in
een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte de parameters die zijn aangegeven in de bij dit
besluit behorende bijlage I, onderzoeken, ten minste zo vaak als in
die bijlage is aangegeven, op de in de bij dit besluit behorende
bijlage IV aangegeven wijze.
2. Hij laat de
gegevens die het resultaat zijn van ieder onderzoek, in een aan hem uit
te brengen rapport noteren.
3. Hij laat in het
rapport tevens noteren:
a. het
geschatte aantal zwemmers en baders op de dag vóór het ingevolge het
eerste lid verrichte onderzoek;
b. het tijdstip waarop het onderzoek is verricht
waaruit de gegevens zijn verkregen;
c. het geschatte aantal zwemmers en baders op de
betrokken dag tot dat tijdstip.
Artikel 11
Er zijn voldoende voorzieningen om de ingevolge de
artikelen 9 en 10 te verrichten metingen en monsternemingen mogelijk te
maken.
Artikel 12
1. Gedeputeerde
staten kunnen in bijzondere gevallen bepalen dat:
a. ten aanzien van andere parameters dan die
welke in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven,
onderzoek wordt verricht;
b. vaker onderzoek naar de in bijlage I
aangegeven parameters wordt verricht dan in die bijlage is aangegeven.
2. De houder is
verplicht te voldoen aan een beschikking als bedoeld in het eerste lid.
§ 5. Toiletten, douches, voorzieningen
ten behoeve van de reinheid, berging van kleding
Artikel 13
1. Er
zijn voldoende douches en toiletten.
2. In overdekte
baden bevinden de douches zich langs de voor de bezoekers gebruikelijke
wegen tussen de kleedruimten en de bassins; in openlucht-baden nabij de
bassins.
3. Toiletten
bevinden zich in ieder geval in of nabij de wachtruimten en langs de
voor de bezoekers gebruikelijke wegen tussen de kleedruimten en de
doucheruimten, op dezelfde verdieping als de bassins.
Artikel 14
De deuren en de wanden van de doucheruimten zijn
voorzien van vlak afgewerkt, waterdicht materiaal.
Artikel 15
1. Vloeren die
bestemd zijn om met blote voeten te worden betreden, zijn:
a. zo vervaardigd dat zij voldoende weerstand
bieden tegen uitglijden;
b. van een zodanig afschot voorzien dat zich
geen plassen kunnen vormen;
c. zodanig aangelegd dat het afvloeien van
schrobwater of regenwater in het bassin niet mogelijk is.
2. In overdekte
ruimten zijn vloeren, als bedoeld in het eerste lid, vervaardigd van
vlak afgewerkt, waterdicht materiaal.
Artikel 16
1. Er zijn
voldoende kleed- en garderoberuimten.
2. Waar kleding met
de wanden van deze ruimten in aanraking kan komen, zijn deze voorzien
van vlak afgewerkt, waterdicht materiaal.
Artikel 17
1. In toiletten,
douche-, kleed-, garderobe- en wachtruimten wordt gedurende de
openingsuren de lucht in voldoende mate ververst.
2. De ruimten,
bedoeld in het eerste lid, alsook de in artikel 15 bedoelde vloeren,
worden tevens regelmatig gereinigd en gedesinfecteerd.
Artikel 18
1. De bodem en de
wanden van de bassins zijn vervaardigd van vlak afgewerkt, waterdicht
materiaal.
2. De bodem en
wanden van het bassin worden regelmatig gereinigd. Bodem en wanden van
bassins met eenmalig gebruik van water worden tevens in voldoende mate
gedesinfecteerd.
Artikel 19
Voorwerpen die met de zwemmers of baders of het
zwem- of badwater in aanraking kunnen komen, zijn van zodanig materiaal
vervaardigd dat zij gemakkelijk gereinigd kunnen worden.
§ 6. Diepte van het zwem- en badwater,
aanduiding daarvan, technische voorzieningen
Artikel 20
1. Indien
de diepte van het zwem- of badwater gelijk is aan of minder is dan 1,10
meter, heeft de bodem geen steilere helling dan 0,06 meter per
strekkende meter en biedt de bodem voldoende weerstand tegen uitglijden.
2. Indien de diepte
van het zwem- of badwater meer is dan 1,10 meter, maar gelijk is aan of
minder is dan 1,40 meter, en de bodem een steilere helling heeft dan
0,06 meter per strekkende meter, is 0,50 meter voor het begin van deze
steilere helling een drijflijn aanwezig.
3. Indien de diepte
van het zwem- of badwater meer is dan 1,40 meter, is langs de lange
wanden van het bassin op een diepte van ten minste 1,00 meter en ten
hoogste 1,20 meter beneden de waterspiegel een voorziening aangebracht
waarop zwemmers en baders kunnen staan. Tevens is langs de lange wanden,
ten hoogste 0,35 meter boven de waterspiegel, een voorziening
aangebracht waaraan zwemmers en baders zich vast kunnen houden.
Artikel 21
De diepte van het zwem- en badwater is voor de
zwemmers en baders duidelijk zichtbaar aangegeven op alle punten waar
dit met het oog op hun veiligheid van belang is.
Artikel 22
Openingen beneden de waterspiegel zijn zodanig
uitgevoerd dat zwemmers en baders niet kunnen worden vastgezogen of
bekneld kunnen raken.
Artikel 23
In overdekte baden is een voorziening voor
noodverlichting aanwezig.
§ 7. Voorzieningen met betrekking tot
het zich te water begeven
Artikel 24
1. Indien
de diepte van het zwem- of badwater gelijk is aan of minder is dan 1,40
meter, zijn er geen springvoorzieningen.
2. Indien de diepte
van het zwem- of badwater meer is dan 1,40 meter, maar gelijk is aan of
minder is dan 2,00 meter, zijn er geen andere springvoorzieningen dan
startblokken.
3. Het loopvlak van
de springvoorzieningen biedt voldoende weerstand tegen uitglijden.
4. Indien het
loopvlak van een springvoorziening zich op een hoogte van meer dan 1,00
meter boven de waterspiegel of het perron bevindt, is de
springvoorziening aan de zijkanten zodanig van leuningen voorzien dat
deze lopen van het begin van de springvoorziening tot ten minste 0,50
meter voorbij het punt dat zich loodrecht boven de rand van het bassin
bevindt.
§ 8. Toezicht
Artikel 25
1. In
de badinrichting wordt gedurende de openstelling in voldoende mate
toezicht uitgeoefend.
2. Het eerste lid is
ten aanzien van badinrichtingen, die uitsluitend of in hoofdzaak
toegankelijk zijn voor de in artikel 1a bedoelde personen, buiten
de uren dat die badinrichtingen voor het publiek zijn opengesteld
slechts van toepassing, voor zover de diepte van het zwem- of badwater
meer is dan 1,40 meter.
Hoofdstuk III
§ 1. Algemeen
Artikel 26
Ten aanzien van badinrichtingen,
ingericht voor het zwemmen of baden anders dan in oppervlaktewater en
waarvan tenminste één bassin een wateroppervlakte van 2 m2
of meer heeft en geen van de bassins dieper is dan 0,50 meter, gelden de
in dit hoofdstuk gegeven voorschriften.
§ 2. De behandeling van het zwem- en
badwater
Artikel 27
Het water waarmee de bassins worden gevuld is van
drinkwaterkwaliteit.
§ 3. Toiletten, douches, voorzieningen
ten behoeve van de reinheid
Artikel 28
Indien de oppervlakte van de tot de inrichting
behorende bassins 250 m2 of meer is, zijn in de badinrichting voldoende
toiletten aanwezig.
Artikel 29
De artikelen 15, 18 en 19 zijn van toepassing.
Artikel 30
Ook overigens worden voldoende voorzieningen
getroffen ten behoeve van de reinheid.
§ 4. Veiligheid
Artikel 31
Er zijn geen springvoorzieningen.
Artikel 32
Artikel 20, eerste lid, is van overeenkomstige
toepassing tenzij het een inrichting betreft die uitsluitend
toegankelijk is voor personen, bedoeld in artikel 1a, onder b.
Artikel 33
Ook overigens worden voldoende voorzieningen
getroffen ten behoeve van de veiligheid.
Hoofdstuk IV
§ 1. Algemeen
Artikel 34
Ten aanzien van badinrichtingen, ingericht voor
het zwemmen of baden in oppervlaktewater, gelden de in dit hoofdstuk
gegeven voorschriften.
§ 2. De hoedanigheid van het zwem- en
badwater
Artikel 35 [Vervallen per 30-12-2009]
§ 3. Het onderzoek van het
zwem- en badwater
Artikel 36
1. De
houder onderzoekt de parameters die zijn aangegeven in de bij dit
besluit behorende bijlage II, ten minste zo vaak als in die bijlage is
aangegeven.
2. Hij noteert de
gegevens die het resultaat zijn van ieder onderzoek.
3. Hij
noteert daarbij tevens bijzonderheden die van belang zijn uit het
oogpunt van hygiëne.
4. Hij
bewaart de in het tweede en derde lid bedoelde gegevens ten minste twee
jaar.
Artikel 37
1. Gedeputeerde
staten kunnen bepalen dat de houder door een laboratorium als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderzoek laat verrichten naar de bacteriën
Intestinale Enterokokken en Escherichia coli, alsmede andere door
gedeputeerde staten daartoe aangewezen parameters.
2. De
houder is verplicht te voldoen aan een beschikking als bedoeld in het
eerste lid.
3. De gegevens, die
het resultaat zijn van ieder onderzoek, worden in een rapport genoteerd.
4. De in het derde
lid bedoelde gegevens worden zo spoedig mogelijk gezonden aan het
bevoegd bestuursorgaan en aan gedeputeerde staten.
Artikel 38
1. Een onderzoek,
als bedoeld in artikel 37, wordt voor zover het betrekking heeft op
parameters die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn
aangegeven, verricht op de in de bij dit besluit behorend bijlage IV
aangegeven wijze.
2. Indien de
beschikking van gedeputeerde staten betrekking heeft op onderzoek naar
andere parameters, wordt het onderzoek verricht op de in de beschikking
aangegeven wijze.
§ 4. Toiletten, douches en voorzieningen
ten behoeve van de reinheid
Artikel 39
Er zijn voldoende toiletten.
§ 5. Veiligheid
Artikel 40
1. De
grenzen van het voor het zwemmen of baden bestemde gedeelte van het
water dat tot de badinrichting behoort, zijn op voor de bezoekers
duidelijke wijze aangegeven.
2. Indien de diepte
van het zwem- of badwater minder is dan 1,40 meter, heeft de bodem geen
steilere helling dan 0,06 meter per strekkende meter.
3. De voor zwemmers
of baders gevaarlijke plaatsen in de gedeelten waarin wordt gezwommen of
gebaad worden aangeduid.
Artikel 41
Artikel 24 is van toepassing.
Artikel 42
De houder neemt maatregelen ter voorkoming van
gladheid.
§ 6. Toezicht
Artikel 43
Artikel 25 is van toepassing.
Hoofdstuk V
§ 1. Algemeen
Artikel 44
Dit hoofdstuk is van toepassing op aangewezen
locaties.
§ 2. Kwaliteitstoestand van het water
Artikel 44a
1. Het
bevoegd bestuursorgaan verzamelt voor elke aangewezen locatie een reeks
zwemwaterkwaliteitsgegevens.
2. Het bevoegd
bestuursorgaan voert na afloop van elk badseizoen met ingang van het
badseizoen van 2012 voor elke aangewezen locatie de
zwemwaterkwaliteitsbeoordeling uit:
a. overeenkomstig de criteria van bijlage II van
de zwemwaterrichtlijn, en
b. aan de hand van de reeks
zwemwaterkwaliteitsgegevens die verzameld zijn over een periode
bestaande uit dat badseizoen en de drie voorgaande badseizoenen.
3. De
beoordelingsperiode kan eenmaal in de vijf jaar worden gewijzigd in een
periode bestaande uit de drie voorgaande badseizoenen, dan wel een
periode bedoeld in het tweede lid, onder b.
4. Een
zwemwaterkwaliteitsbeoordeling kan worden uitgevoerd aan de hand van
zwemwaterkwaliteitsgegevens die betrekking hebben op minder dan vier
badseizoenen, indien:
a. de locatie minder dan vier badseizoenen
geleden is aangewezen;
b. wijzigingen
zijn opgetreden die de indeling, bedoeld in artikel 44b, van de
aangewezen locatie zullen of redelijkerwijs zullen beïnvloeden, in
welk geval de beoordeling wordt uitgevoerd aan de hand van een reeks
zwemwaterkwaliteitsgegevens die alleen bestaan uit de resultaten voor
monsters die genomen zijn nadat de wijzigingen zijn opgetreden.
5. Een
reeks zwemwaterkwaliteitsgegevens die wordt gebruikt voor
zwemwaterkwaliteitsbeoordeling is gebaseerd op een bij ministeriële
regeling te bepalen aantal monsters.
6. Aangewezen
locaties mogen ten behoeve van de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling worden
onderverdeeld of gegroepeerd.
7. Aangewezen
locaties worden alleen gegroepeerd indien zij:
a. aangrenzend zijn,
b. tijdens de vier voorgaande jaren op dezelfde
wijze beoordeeld zijn op grond van het tweede, derde en vierde lid, en
c. een zwemwaterprofiel vertonen met
gemeenschappelijke risicofactoren, dan wel zonder risicofactoren.
Artikel 44b
1. Het bevoegd
bestuursorgaan deelt met ingang van het badseizoen van 2012 een
aangewezen locatie overeenkomstig de criteria uit bijlage II van de
zwemwaterrichtlijn in de volgende klassen in:
a. slecht;
b. aanvaardbaar;
c. goed, of
d. uitstekend.
2. De indeling vindt
jaarlijks na afloop van het badseizoen plaats op grond van de
zwemwaterkwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 44a.
3. Het bevoegd
bestuursorgaan deelt de indeling jaarlijks mee aan gedeputeerde staten
zodra zij bekend is.
4. Het bevoegd
bestuursorgaan neemt de nodige maatregelen opdat het zwemwater aan het
einde van het badseizoen van 2015 ten minste voldoet aan de klasse
aanvaardbaar.
5. Het bevoegd
bestuursorgaan neemt de naar zijn oordeel realistische en evenredige
maatregelen om het aantal als uitstekend of goed ingedeelde locaties te
doen toenemen.
6. In afwijking van
de termijn, genoemd in het vierde lid, kan het bevoegd bestuursorgaan
een locatie in de klasse slecht indelen, indien met ingang van het
badseizoen volgend op dat van de indeling:
a. gedeputeerde staten passende
beheersmaatregelen nemen, waaronder toepassing geven aan artikel 11,
eerste lid, van de wet door onderscheidenlijk sluiting van de
betrokken badinrichting te gelasten, een zwemverbod in te stellen of
een negatief zwemadvies uit te brengen teneinde de blootstelling van
zwemmers aan verontreiniging te voorkomen,
b. het bevoegd bestuursorgaan de oorzaken waarom
de klasse aanvaardbaar niet is bereikt identificeert en passende
maatregelen neemt om de oorzaken van verontreiniging te voorkomen, te
verkleinen of weg te nemen, en
c. gedeputeerde staten het publiek
overeenkomstig artikel 44g voorlichten.
§ 3. Zwemwaterprofiel
Artikel 44c
1. Het
bevoegd bestuursorgaan stelt met ingang van 24 maart 2011 voor een
aangewezen locatie een zwemwaterprofiel op overeenkomstig bijlage III
van de zwemwaterrichtlijn.
2. Een
zwemwaterprofiel mag betrekking hebben op één aangewezen locatie of op
meerdere aangrenzende aangewezen locaties.
§ 4. Onderzoek van het water en te
treffen maatregelen
Artikel 44d
1. Het bevoegd
bestuursorgaan onderzoekt de in bijlage I, kolom A, van de
zwemwaterrichtlijn genoemde parameters.
2. Het
bevoegd bestuursorgaan voert het onderzoek uit overeenkomstig bijlage IV
en V van de zwemwaterrichtlijn met een bij ministeriële regeling
bepaalde frequentie.
3. Voor
de aanvang van elk badseizoen stelt het bevoegd bestuursorgaan voor elke
aangewezen locatie een tijdschema voor het onderzoek vast.
4. Het onderzoek
wordt uitgevoerd binnen vier dagen na de in het tijdschema bepaalde
datum.
5. Tijdens een
kortstondige verontreiniging genomen monsters mogen buiten beschouwing
worden gelaten. Zij worden vervangen door overeenkomstig bijlage IV van
de zwemwaterrichtlijn genomen monsters.
6. In een abnormale
situatie kan het tijdschema, bedoeld in het derde lid, worden geschorst.
De uitvoering wordt, zodra de abnormale situatie een einde heeft
genomen, hervat waarna zo spoedig mogelijk nieuwe monsters worden
genomen ter compensatie van het monstervrije interval.
7. Het controlepunt
is de locatie in het zwemwater waar:
a. de meeste zwemmers worden verwacht, of
b. volgens het zwemwaterprofiel het grootste
risico van verontreiniging wordt verwacht.
8. Het
bevoegd bestuursorgaan voert de zwemwateranalyse uit in overeenstemming
met een bij ministeriële regeling bepaalde referentiemethode.
Artikel 44e
1. Wanneer
het zwemwaterprofiel, bedoeld in artikel 44c, wijst op een mogelijke
proliferatie van cyanobacteriën of een neiging tot proliferatie van
macroalgen of marien fytoplankton, voert het bevoegd bestuursorgaan met
ingang van 2012 een passend onderzoek uit ten einde gezondheidsrisico’s
te kunnen vaststellen.
2. Gedeputeerde
staten beoordelen op grond van de resultaten van het onderzoek, genoemd
in het eerste lid, de gezondheidsrisico’s.
3. Indien
zich een proliferatie van cyanobacteriën voordoet en gedeputeerde
staten een gezondheidsrisico vaststellen of vermoeden, nemen
gedeputeerde staten en het bevoegd bestuursorgaan onmiddellijk passende
beheersmaatregelen ter voorkoming van blootstelling. In ieder geval
lichten gedeputeerde staten het publiek voor.
4. Indien
zich een proliferatie van macroalgen of marien fytoplankton voordoet en
gedeputeerde staten een gezondheidsrisico vaststellen of vermoeden,
nemen gedeputeerde staten en het bevoegd bestuursorgaan passende
beheersmaatregelen. In ieder geval lichten gedeputeerde staten het
publiek voor.
5. De
wijze waarop en de frequentie waarmee het onderzoek wordt uitgevoerd,
kan bij ministeriële regeling nader worden geregeld.
Artikel 44f
1. Het
bevoegd bestuursorgaan inspecteert met ingang van het badseizoen van
2012 het zwemwater op aangewezen locaties visueel op verontreiniging
door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval.
2. Indien het
bevoegd bestuursorgaan een verontreiniging als bedoeld in het eerste lid
vaststelt, nemen het bevoegd bestuursorgaan en gedeputeerde staten
passende beheersmaatregelen. Indien zij oordelen dat dit nodig is,
lichten gedeputeerde staten het publiek voor.
§ 5. Voorlichting aan het publiek
Artikel 44g
Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld met betrekking tot de voorlichting van het publiek die
gedeputeerde staten met ingang van het badseizoen van 2012 op een
passende wijze in de nabijheid van een aangewezen locatie en via
passende media en technologie verstrekken omtrent zwemwater.
Hoofdstuk VI. Verdere bepalingen
Artikel 45
Het bevoegd bestuursorgaan neemt tijdig passende
beheersmaatregelen wanneer het op de hoogte is van onverwachte situaties
die een negatief effect hebben of redelijkerwijs kunnen hebben op de
zwemwaterkwaliteit en op de gezondheid van zwemmers. In ieder geval
lichten gedeputeerde staten het publiek voor en gelasten, zo nodig,
sluiting van een badinrichting, dan wel stellen een zwemverbod in.
Artikel 45a
Gedeputeerde staten zijn bevoegd om een locatie
die op grond van artikel 10b, eerste lid, van de wet is aangemerkt niet
aan te wijzen indien voor die locatie toepassing is gegeven aan artikel
11, tweede lid, van de wet door onderscheidenlijk sluiting van de
betrokken inrichting te gelasten, een zwemverbod in te stellen of een
negatief zwemadvies uit te brengen indien de maatregelen teneinde ten
minste te voldoen aan de klasse aanvaardbaar niet uitvoerbaar of
onevenredig kostbaar zijn.
Artikel 46
De perrons en de vloeren en wanden van bassins en
andere in de badinrichting aanwezige ruimten, alsmede de in of op die
perrons, bassins en andere ruimten aanwezige voorzieningen zijn zo
afgewerkt dat de bezoekers zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen
of uitsteeksels.
Artikel 47
De in een badinrichting aanwezige voorzieningen,
als in dit besluit voorgeschreven, functioneren deugdelijk;
badinrichtingen verkeren in voldoende staat van onderhoud en reinheid.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 48
1. De hoofdstukken
II, III, IV, V voor zover het een badinrichting betreft en VI van dit
besluit gelden slechts gedurende het gedeelte van het jaar, waarin de
badinrichting is opengesteld.
2. Hoofdstuk V en,
voor zover het geen badinrichtingen betreft, hoofdstuk VI, gelden
slechts voor de krachtens artikel 1, tweede lid, van de wet bepaalde
duur van het badseizoen.
Artikel 49
1. Het bevoegd
bestuursorgaan verstrekt aan Onze Minister en Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat:
a. de uitkomsten van de
zwemwaterkwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 44a, tweede lid;
b. de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in
artikel 44d, eerste lid;
c. iedere schorsing van het tijdschema, bedoeld
in artikel 44d, derde lid, en de reden hiervoor, en
d. een beschrijving van de uitgevoerde
beheersmaatregelen met betrekking tot aangewezen locaties.
2. Gedeputeerde
staten verstrekken aan de in het eerste lid genoemde ministers
informatie over iedere toepassing van artikel 11 van de wet.
3. Bij
ministeriële regeling kan worden bepaald op welke wijze de gegevens,
bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verstrekt.
Artikel 49a [Vervallen per 01-12-2000]
Artikel 50
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.
Artikel 51 [Vervallen per 01-12-2000]
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 6 oktober 1984
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P. Winsemius
Uitgegeven de dertigste
oktober 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage I. Normen voor zwem- en badwater,
in badinrichtingen, ingericht voor het zwemmen of baden anders dan in
oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 2 van het besluit ¹
|
Parameters en
plaatsen van onderzoek |
Eenheid |
Norm |
Frequentie van
onderzoek uit te voeren door |
|
| |
|
|
houder |
labor. |
|
Te meten in het bassin op de plaats
waar de waarde van deze parameter naar redelijkerwijs kan worden
aangenomen, het ongunstigst is :2 |
|
|
|
|
|
1. Bij 37°C kweekbare kiemen |
aantal per ml |
≤ 100 |
|
m |
|
2. Pseudomonas aeruginosa |
aantal per 100 ml |
niet aantoonbaar |
|
3 |
|
3. Doorzicht |
meter |
tot bodem |
d |
m |
|
4. Troebelingsgraad bij uitlaat |
FTE |
≤0,5 |
|
3 |
|
5. Kaliumpermanganaatverbruik |
mg/l |
≤ 70 % van het
kaliumpermanganaatverbruik van het suppletiewater + 6 |
|
m4 |
|
6. Zuurgraad |
Ph |
6,8 ≤ pH ≤ 7,8 |
d |
m |
|
7. Buffercapaciteit |
mmol/l |
≥ 1 |
|
3 |
|
8. Ureum |
mg/l |
≤ 2,0 |
|
m4 |
|
9. Vrij beschikbaar chloor (VBC) |
mg/l |
0,5 ≤ VBC ≤ 1,55 |
d |
m |
|
10. Vrij beschikbaar chloor indien
cyanuurzuur wordt gebruikt (in dat geval geldt niet de onder 9
vermelde norm) |
mg/l |
2,0 ≤ VBC ≤ 5,0 |
d |
m |
|
11. Gebonden beschikbaar chloor |
mg/l |
≤ 1,0 |
d |
m |
|
12. Cyanuurzuur (indien dit in
enigerlei vorm wordt |
mg/l |
≤ 50 (bij gebruik cyanuurzuur) |
|
|
|
gebruikt) |
|
≤ 100 (bij gebruik
isocyanuurzuur-verbindingen) |
|
m4 |
| |
|
|
|
|
|
Te meten in het toevoerwater: |
|
|
|
|
|
13. Ozon (indien als oxydatiemiddel
gebruikt) |
mg/l |
niet aantoonbaar |
d |
m |
| |
|
|
|
|
|
Te meten op de in het beheersplan
Legionella (artikel 2b) aangegeven risicopunten: |
|
|
|
|
|
14. Legionella |
kolonievormende eenheden per liter(k.v.e./l) |
<100 k.v.e./l |
|
hj |
d = dagelijks onderzoek. De aangegeven
parameters dienen dagelijks zo vaak als met het oog op de
bedrijfsvoering noodzakelijk is, doch tenminste bij opening en tegen
sluitingstijd, door de houder te worden onderzocht.
m = maandelijks onderzoek. Dit onderzoek
laat de houder verrichten door een laboratorium als bedoeld in artikel
10, eerste lid, zodanig dat in een kalenderjaar tenminste 40 % in de
eerste helft van de openingsuren wordt uitgevoerd en ten minste 40 % in
de tweede helft van de openingsuren. Indien de openstelling voor het
publiek vóór de 15e van enige maand aanvangt of na de 15e van enige
maand eindigt, dient in deze maanden eveneens een onderzoek plaats te
vinden.
hj = halfjaarlijks onderzoek. Het
onderzoek dient plaats te vinden op de in het beheersplan aangegeven
risicopunten.
1 Bij bassins met eenmalig gebruik van
water, waarbij het bassin met water van drinkwaterkwaliteit wordt gevuld
en geen desinfectiemiddelen worden toegevoegd, gelden alleen de normen
en een onderzoeksverplichting met betrekking tot de onder 1 en 3
genoemde parameters. Ten aanzien van de overige bassins met eenmalig
gebruik van water en de doorstroomde bassins gelden alleen de normen en
een onderzoeksverplichting met betrekking tot de onder 1, 3, 6, 9 of 10,
12 en 13 genoemde parameters.
2 Bij bassins met eenmalig gebruik van
water dient het onderzoek plaats te vinden na het vullen van het bassin,
voordat er in wordt gebaad. Indien meerdere van deze bassins deel
uitmaken van één systeem, kan volstaan worden met onderzoek van het
zwem- of badwater in één bassin.
3 Indien er aanwijzingen zijn dat de
waterkwaliteit ten aanzien van deze parameter niet aan de norm voldoet,
dient onderzoek plaats te vinden ten aanzien van deze parameter.
4 Indien meerdere bassins in een
badinrichting op dezelfde zuiveringsinstallatie zijn aangesloten, hoeft
het onderzoek naar deze parameter alleen plaats te vinden in het bassin
waar de waarde van deze parameter, naar redelijkerwijs kan worden
aangenomen, het ongunstigst is op grond van de ligging ten opzichte van
de zuiveringsinstallatie dan wel op grond van de bezoekersaantallen.
5 Bij openluchtbaden en bassins met een
wateroppervlakte kleiner dan 20 m2 geldt een bovengrens van 5,0 mg/l.
Voorschriften ten aanzien van de toetsing
De toetsing van de hoedanigheid van het
zwem- en badwater aan de normen verloopt als volgt.
1. Er wordt uitgegaan van de gegevens uit
onderzoek verricht door het laboratorium, ingevolge artikel 10, eerste
lid.
2. Met het oog op de toetsing worden de
parameters in twee groepen ingedeeld. Groep 1 omvat de onder 3, 6, 9 of
10 (alleen de ondergrens van VBC), 13 en 14 genoemde parameters. Groep 2
de overige (incl. de bovengrens van VBC). Bij bassins met eenmalig
gebruik van water, waarbij het bassin met water van drinkwaterkwaliteit
wordt gevuld en geen desinfectiemiddelen worden toegevoegd, geldt de
onder 1 genoemde parameter als een groep 1-parameter.
3. Het resultaat van een maandelijkse
toetsing is onvoldoende wanneer één van de tot groep 1 behorende
parameters de erbij behorende norm overschrijdt of wanneer twee of meer
van de tot groep 2 behorende parameters de erbij behorende normen
overschrijden.
4. Het zwem- en badwater voldoet aan de
normen wanneer, gerekend over een kalenderjaar niet meer dan het aantal
in de volgende tabel genoemde maandelijkse toetsingen een onvoldoende
uitkomst hebben:
|
Aantal maandelijkse
onderzoekingen in het betreffende kalenderjaar |
Aantal onvoldoende
uitkomsten van maandelijkse toetsingen |
|
1 en 2 |
0 |
|
3–5 |
1 |
|
6–9 |
2 (maar niet twee keer achtereen
t.a.v. dezelfde parameter) |
|
10–12 |
3 (maar niet twee keer achtereen
t.a.v. dezelfde parameter) |
Bijlage II bij het Besluit hygiëne en
veiligheid zweminrichtingen
Normen voor zwem- en badwater in
badinrichtingen ingericht voor het zwemmen of baden in oppervlaktewater
en andere op grond van artikel 10b van de wet geïnventariseerde
plaatsen
|
Normen voor zwem- en
badwater in badinrichtingen ingericht voor het zwemmen of baden in
oppervlaktewater en andere op grond van artikel 10b van de wet
geïnventariseerde plaatsen |
|
|
|
|
parameters |
eenheid |
norm |
door de houder van
een badinrichting in oppervlaktewater dagelijks uit te voeren
onderzoek |
|
doorzicht |
meter |
≥ 1,01 |
X |
|
kleur |
– |
een niet anders dan door
natuurlijke omstandigheden veroorzaakte kleur |
X |
|
geur |
– |
afwezigheid van rottingsgeuren of
andere geuren die algemeen als hinderlijk worden ervaren, in het
bijzonder de geur van fenolen |
X |
|
schuim |
– |
een niet anders dan door
natuurlijke omstandigheden veroorzaakte schuim |
X |
|
olie |
– |
geen zichtbare hoeveelheid olie op
het wateroppervlak |
X |
|
vuil |
– |
afwezigheid in of op het water en
op de bodem van afvalstoffen en dode organische materie in
aanmerkelijke hoeveelheid |
X |
1 Overschrijding van de norm als gevolg
van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het
water worden niet beschouwd als overschrijding.
Bijlage III
Bepaling van de minimaal noodzakelijke
pompcapaciteit
De minimaal noodzakelijke pompcapaciteit
dient te worden vastgesteld met gebruikmaking van de formule

met dien verstande dat de hoeveelheid
verpompt water gemiddeld over de openingsuren van een dag niet minder
mag bedragen dan 2,0 m3/zwemmer of bader. Hierin is:
Q = pompcapaciteit in m3/uur
I = de hoeveelheid water waarvoor het
bassin is bestemd in m3.
T = maximaal aan te houden gemiddelde
verblijfstijd van het water in het bassin in uren.
Voor bassins of gedeelten van bassins
geldt:
T =< 1 uur bij een waterdiepte
> 0,3 m
T =< 2 uur bij een waterdiepte
0,3-1,1 m
T =< 3 uur bij een waterdiepte
1,1-1,4 m
T =< 4 uur bij een waterdiepte
1,4-2,0 m
T =< 6 uur bij een waterdiepte
> 2,0 m
Bij gebruik van ozon als oxydatiemiddel
mag zowel de genoemde hoeveelheid van 2,0 m3/zwemmer of bader als de met
de formule berekende pompcapaciteit door 1,2 worden gedeeld.
Bijlage IV. Analysevoorschriften
|
Parameter |
Te onderzoeken
volgens de methode beschreven in: |
|
1. Bij 37 °C kweekbare kiemen |
NEN 6550, 1e druk 1979 |
|
2. Pseudomonas aeruginosa |
NEN 6573, 1e druk 1987 |
|
3. Troebelingsgraad |
NEN-EN-ISO 7027, 1e druk 1994 |
|
4. Kaliumpermanganaatverbruik |
NEN-EN-ISO 8467, 1e druk 1995 |
|
5. Zuurgraad (pH) |
NEN 6411, 1e druk 1981 |
|
6. Buffercapaciteit |
NEN 6497, 1e druk 1983 |
|
7. Ureum |
NEN 6494, 1e druk 1984 |
|
8. Vrij beschikbaar chloor, vrij
beschikbaar chloor indien cyaanzuur wordt gebruikt en gebonden
beschikbaar chloor |
NEN 6480, 1e druk 1982 |
|
9. Cyanuurzuur |
NEN 6493, 1e druk 1984 |
|
10. Ozon |
NEN 6495, 1e druk 1984 |
|
11. Legionella |
NEN 6265, 1e druk 1991 |
|
12. faecale streptokokken |
NEN 6563, 1e druk 1982 |
Voetnoten:
|