| |
|
|
|
|
De Minister van
Financiën;
Gelet op artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
onder 5º,
6º
en 7º,
artikel 2, vierde lid, artikel 3, eerste lid, onderdeel d, en
vierde lid, artikel 4, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 5, vijfde
lid, van de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993;
Besluit:
Artikel 1
Het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5°,
van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt vastgesteld op € 1
134,45 per jaar indien het een periodieke premie betreft en op € 2
268,90 indien het een eenmalige premie betreft.
Artikel 2
Het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 6°,
van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt vastgesteld op €
10 000.
Artikel 3
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel b, onder 7°, van de Wet identificatie bij
dienstverlening, wordt vastgesteld op € 15 000.
2. In afwijking van het eerste lid wordt het in dat lid bedoelde
bedrag, indien het een dienst betreft ter zake van de aan- of verkoop
van schuldbrieven aan toonder of soortgelijke waardepapieren tegen
contante betaling, waarbij er sprake is van fysieke in- of uitlevering
van het waardepapier, vastgesteld op € 0.
Artikel 3a
Het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 8(,
van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt vastgesteld op €
15 000.
Artikel 4
1. Vrijstelling van artikel 2, eerste
lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening, wordt verleend indien
als cliënt optreedt een onderneming of instelling als bedoeld in
artikel 2, vijfde lid, onder a, b, c, of d, van die wet.
2. Vrijstelling van artikel 2, eerste lid, van de Wet
identificatie bij dienstverlening, wordt verleend indien als cliënt
optreedt een natuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van of
deelnemer aan een handelsplatform dat lid is van de Fédération
Internationale des Bourses de Valeurs, en die is gevestigd in
Argentinië, Aruba, Australië, Brazilië, Canada, Hong Kong-China,
Japan, Mexico, de Nederlandse Antillen, Nieuw Zeeland, Singapore,
Turkije, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland.
3. Vrijstelling van artikel 2, eerste lid, van de Wet
identificatie bij dienstverlening, wordt verleend indien als cliënt
optreedt een onderneming of instelling waaraan door de bevoegde
autoriteiten in een andere lid-staat vergunning is verleend
overeenkomstig Richtlijn 73/239/EEG en Richtlijn 88/357/EEG, Richtlijn
79/267/EEG en Richtlijn 90/619/EEG.
Artikel 5
Als document in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet
identificatie bij dienstverlening wordt aangewezen:
a. de gemeentelijke identiteitskaart;
b. een geldig buitenlands paspoort;
c. voor zover de identiteitvaststelling een persoon betreft die
in een andere lidstaat woonachtig is en in die lidstaat plaatsvindt,
een geldig rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde
gezag in die lidstaat en voorzien is van de pasfoto, de naam en het
adres van de houder.
Artikel 6 [Vervallen per 28-12-2001]
Artikel 7
1. Als staat in de zin van artikel 4,
eerste en derde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening worden
aangewezen:
Argentinië, Aruba, Australië, Brazilië, Canada, Hong Kong-China,
Japan, Mexico, De Nederlandse Antillen, Nieuw Zeeland, Singapore,
Turkije, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.
2. Als staat in de zin van artikel 5, vijfde lid, van de Wet
identificatie bij dienstverlening worden aangewezen:
Argentinië, Aruba, Australië, België, Brazilië, Canada,
Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hong Kong-China,
Ierland, Italië, Japan, Luxemburg, Mexico, de Nederlandse Antillen,
Nieuw Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Singapore, Spanje,
Turkije, Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië, de Verenigde Staten
van Amerika, IJsland, Zweden en Zwitserland.
Artikel 8
artikel 4, derde lid, onder c, van de Wet identificatie bij
dienstverlening is van overeenkomstige toepassing:
1º. indien de dienst bestaat uit het openstellen van een
rekening als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder
2°, van die wet, en deze dienst wordt verleend door een instelling
uitsluitend vanuit haar hoofdvestiging;
2º. indien de dienst bestaat uit het openstellen van een
rekening en deze dienst wordt verricht door een bij de Coöperatieve
Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. aangesloten
kredietinstelling en voor deze rekening hetzelfde nummer wordt
gebruikt als voor een rekening van dezelfde cliënt bij een andere
kredietinstelling die ook is aangesloten bij de Coöperatieve
Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. en de eerste betaling
bestaat uit het overboeken van het saldo dat wordt aangehouden op de
rekening bij de ene kredietinstelling naar de rekening met hetzelfde
nummer bij de andere kredietinstelling;
3º. indien de dienst bestaat uit het uitgeven van creditcards.
Artikel 8a
1. Als belast met het toezicht op de
naleving van de artikelen 7 en 8 van de Wet identificatie bij
dienstverlening worden aangewezen:
a. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de werknemers van De Nederlandsche
Bank N.V. die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
b. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Pensioen-
& Verzekeringskamer die daarmee door daartoe de Pensioen- &
Verzekeringskamer belast zijn;
c. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 3° en 4°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Stichting
Autoriteit Financiële Markten die daarmee door de Stichting
Autoriteit Financiële Markten belast zijn;
d. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 6°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de ambtenaren die daarmee door de
Minister van Financiën belast zijn;
e. voor zover het betreft naleving door ondernemingen of
instellingen die creditcards uitgeven, met uitzondering van de
ondernemingen of instellingen waarvan de door haar uitgegeven
creditcards alleen gebruikt kunnen worden bij die onderneming of
instelling of bij een onderneming of instelling die behoort tot
dezelfde groep in de zin van artikel 24b, Boek 2, van het Burgerlijk
Wetboek: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door
De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
f. voor zover het betreft naleving door geldtransactiekantoren als
bedoeld in artikel 1, onderdeel a van de Wet inzake de
geldtransactiekantoren: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V.
die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
g. voor zover het betreft naleving door natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig een
speelcasino in de zin van artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de
kansspelen organiseren: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V.
die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
h. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties
als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het koninklijk besluit van
24 februari
2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet
identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke
transacties (Stb. 94) die als advocaat, notaris of kandidaat-notaris dan
wel in de uitoefening van een gelijksoortig juridisch beroep of bedrijf
werkzaamheden verrichten: de werknemers van het Bureau Financieel
Toezicht die daarmee door het Bureau Financieel Toezicht belast zijn;
i. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties als
bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het koninklijk besluit van 24 februari
2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet
identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke
transacties (Stb. 94) die als trustkantoor als bedoeld in artikel
1, onderdeel a, van de Wet toezicht trustkantoren werkzaamheden
verrichten: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee
door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
j. voor zover het betreft de naleving door personen of organisaties
als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het koninklijk besluit van 24
februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader
van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties (Stb. 94): de werknemers van het Bureau
Financieel Toezicht die daarmee door het Bureau Financieel Toezicht
belast zijn;
k. voor zover het betreft de naleving door personen of organisaties
als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het koninklijk besluit van 24
februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader
van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties (Stb. 94): de ambtenaren die daarmee door de
Minister van Financiën belast zijn;
l. voor zover het betreft de naleving door tussenpersonen als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Autoriteit
Financiële Markten die daarmee door de Autoriteit Financiële Markten
belast zijn.
2. Als belast met het toezicht op de naleving van artikel 9 van
de Wet melding ongebruikelijke transacties worden aangewezen:
a. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wet identificatie
bij dienstverlening: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die
daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
b. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Pensioen-
& Verzekeringskamer die daarmee door de Pensioen- &
Verzekeringskamer belast zijn;
c. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 3° en 4°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Stichting
Autoriteit Financiële Markten die daarmee door de Stichting
Autoriteit Financiële Markten belast zijn;
d. voor zover het betreft naleving door instellingen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 6°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de ambtenaren die daarmee door de
Minister van Financiën belast zijn;
e. voor zover het betreft naleving door ondernemingen of
instellingen die creditcards uitgeven, met uitzondering van de
ondernemingen of instellingen waarvan de door haar uitgegeven
creditcards alleen gebruikt kunnen worden bij die onderneming of
instelling of bij een onderneming of instelling die behoort tot
dezelfde groep in de zin van artikel 24b, Boek 2, van het Burgerlijk
Wetboek: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door
De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
f. voor zover het betreft naleving door natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig ten
behoeve van of op verzoek van een ander munten of bankbiljetten
wisselen, munten of bankbiljetten uitbetalen tegen inlevering van een
of meer cheques of munten of bankbiljetten uitbetalen op vertoon van
een creditcard: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die
daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
g. voor zover het betreft naleving door natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig een
speelcasino in de zin van artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de
kansspelen organiseren: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V.
die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
h. voor zover het betreft naleving door natuurlijke personen,
rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig in het
kader van een geldelijke overmaking gelden of geldswaarden in
ontvangst nemen, ten einde deze gelden of geldswaarden al dan niet in
dezelfde vorm elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel
in het kader van een geldelijke overmaking gelden of geldswaarden
betalen of betaalbaar stellen, nadat deze gelden of geldswaarden
elders al dan niet in dezelfde vorm ter beschikking zijn gesteld: de
werknemers van De Nederlandsche Bank N.V. die daarmee door De
Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
i. i. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties
als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het koninklijk besluit van
24 februari
2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de
Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties (Stb. 94) die als advocaat, notaris
of kandidaat-notaris dan wel in de uitoefening van een gelijksoortig
juridisch beroep of bedrijf werkzaamheden verrichten: de werknemers
van het Bureau Financieel Toezicht die daarmee door het Bureau
Financieel Toezicht belast zijn;.
j. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties
als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het koninklijk besluit van
24 februari
2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de
Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties (Stb. 94) die als trustkantoor als
bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht trustkantoren
werkzaamheden verrichten: de werknemers van De Nederlandsche Bank N.V.
die daarmee door De Nederlandsche Bank N.V. belast zijn;
k. voor zover het betreft de naleving door personen of organisaties
als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het koninklijk besluit van
24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het
kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties (Stb. 94): de werknemers van het Bureau
Financieel Toezicht die daarmee door het Bureau Financieel Toezicht
belast zijn;
l. voor zover het betreft naleving door personen of organisaties
als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het koninklijk besluit van
24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het
kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
ongebruikelijke transacties (Stb. 94): de ambtenaren die daarmee door
de Minister van Financiën belast zijn;
m. voor zover het betreft de naleving door tussenpersonen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van de Wet
identificatie bij dienstverlening: de werknemers van de Autoriteit
Financiële Markten die daarmee door de Autoriteit Financiële Markten
belast zijn.
Artikel 8b
1. Vrijstelling van artikel 5, derde en
vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening wordt verleend
indien de natuurlijke persoon het beroep van advocaat, notaris, of
kandidaat-notaris uitoefent in een lidstaat van de Europese Unie en deze
de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld
overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
2. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet
identificatie bij dienstverlening wordt verleend indien de natuurlijke
persoon een trustkantoor is dan wel optreedt namens een trustkantoor,
dat in bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet
toezicht trustkantoren en deze persoon de identiteit van degene voor wie
hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij
dienstverlening.
3. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet
identificatie bij dienstverlening wordt verleend indien de natuurlijke
persoon een toegelaten persoon is als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van de Achtste richtlijn nr. 84/253/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid, 3,
sub g, van het Verdrag inzake de toelating van personen belast met de
wettelijke controle van boekhoudbescheiden (PbEG L126) en deze persoon
de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld
overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
Artikel 8c
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Wet
identificatie bij dienstverlening en Wet melding ongebruikelijke
transacties.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet
identificatie bij dienstverlening in werking treedt.
Deze regeling zal in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Financiën,
W. Kok.
|
|
|