| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
Infrastructuurfonds
BESLUIT
INFRASTRUCTUURFONDS
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 22 november 1993, houdende vaststelling
van nadere regels ter uitvoering van de Wet Infrastructuurfonds
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 juli 1993,
nr. WJZ/V-323589, Directoraat-Generaal voor het Vervoer;
Gelet op de artikelen 8 en 9 van de Wet
Infrastructuurfonds (Stb. 1993, 319);
De Raad van State gehoord, advies van 12
november 1993, nr. W09.93.0477;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 19 november 1993, nr. WJZ/V-324679,
Directoraat-Generaal voor het Vervoer;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: de Wet Infrastructuurfonds;
b. dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van een regionaal
openbaar lichaam;
c. samenwerkingsgebied: samenwerkingsgebied als bedoeld in
artikel 2 van de Kaderwet bestuur in verandering;
d. project: een ondeelbaar geheel aan werkzaamheden met als doel
de aanleg van infrastructuur en met als kenmerken, dat tot de
uitvoering van de werkzaamheden in beginsel alleen in zijn geheel
kan worden besloten en dat een gefaseerde uitvoering van onderdelen,
waarbij ieder onderdeel na voltooiing in gebruik kan worden genomen
en effectief is, niet zonder aanzienlijke meerkosten mogelijk is;
e. groot project: een project waarvan de geraamde op grond van
artikel 5 voor subsidie in aanmerking komende kosten ten minste €
225 000 000,– bedragen of ten minste € 112 500 000,– bedragen
indien het een project voor regionale of lokale infrastructuur
betreft dat geheel wordt gerealiseerd buiten de
samenwerkingsgebieden waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente
Rotterdam of de gemeente 's-Gravenhage is gelegen;
f. overig project: een project waarvan de geraamde op grond van
artikel 5 voor subsidie in aanmerking komende kosten minder dan €
225 000 000,– bedragen of minder dan € 112 500 000,– bedragen
indien het een project betreft voor regionale of lokale
infrastructuur dat geheel wordt gerealiseerd buiten
samenwerkingsgebieden waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente
Rotterdam of de gemeente 's-Gravenhage is gelegen;
g. vaste subsidiebedrag: subsidie, waarop geen nacalculatie
plaatsvindt en welke alleen kan worden bijgesteld op grond van
wijzigingen van het algemene loon- en prijspeil;
h. landelijke infrastructuur: het hoofdwegennet, het landelijk
spoorwegnet en het hoofdvaarwegennet, als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Tracéwet;
i. lokale infrastructuur: infrastructuur, gelegen binnen één
gemeente en in beheer bij die gemeente en met een lokale functie;
j. regionale infrastructuur: infrastructuur gelegen binnen een
provincie of samenwerkingsgebied, in beheer bij een provincie,
gemeente of waterschap en met een regionale functie;
k. Besluit personenvervoer: Besluit personenvervoer, zoals dat
gold voor de inwerkingtreding van het Besluit personenvervoer 2000.
Artikel 2
1. Uit het fonds kunnen in ieder geval
a. uitgaven worden gedaan ten behoeve van categorieën of
onderdelen van infrastructuur, welke zijn opgenomen in de bij dit
besluit behorende bijlage en
b. subsidies worden verstrekt ten behoeve van categorieën of
onderdelen van infrastructuur, welke zijn opgenomen in de bij dit
besluit behorende bijlage, voorzover deze binnen de grenzen van de
paragrafen 2 tot en met 7 van dit besluit passen.
2. Uit het fonds worden geen uitgaven gedaan of subsidies verstrekt
ten behoeve van:
a. kosten van algemeen bestuurlijke aard;
b. kosten voor het doen van een aanvraag om een subsidie,
anders dan bedoeld in artikel 5;
c. kosten van onderhoud aan wegen in beheer bij anderen dan het
Rijk, tenzij het betreft onderhoud verricht op verzoek van het
Rijk, dan wel onderhoud, als bedoeld in artikel 28, eerste lid.
3. Uit het fonds kunnen subsidies worden verstrekt op grond van de
volgende wetten en regelingen:
- Deltawet
- Uitkeringsregeling bestrijding verontreiniging rijkswateren
- Regeling bijzondere subsidies waterkeren en waterbeheren
- Tijdelijke bijdrageregeling spoorwegaansluitingen
- Tijdelijke beleidsregeling bijdragen vaarwegaansluitingen
- Regeling subsidies uitvoeringsprogramma duurzaam veilig
- Subsidieregeling transferpunten
- Subsidieregeling openbare inland terminals
- Subsidieregeling bedrijfsgebonden vaarwegaansluitingen
- Tijdelijke regeling eenmalige subsidies baggerplannen bebouwd
gebied
- Regeling eenmalige uitkering baggerwerkzaamheden bebouwd
gebied
- Tijdelijke Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie
- Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale
wateroverlast
- Regeling eenmalige uitkering spoorse doorsnijdingen
- Subsidieregeling Zuidas.
Artikel 3
1.De ontvanger van een subsidie krachtens dit besluit is verplicht
tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege Onze Minister
te verrichten onderzoek naar de besteding van de subsidie.
2.Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur
leggen bij de verlening van een subsidie die wordt bekostigd uit de
doeluitkering, bedoeld in artikel 29 onderscheidenlijk artikel 31, de
subsidie-ontvanger de verplichtingen op om:
a. in het jaar volgend op het jaar waarin het subsidiebedrag is
betaald een financieel verslag uit te brengen over de besteding
van de subsidie en dit verslag vergezeld te doen gaan van een
accountantsverklaring;
b. medewerking te verlenen aan een door of vanwege gedeputeerde
staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur te verrichten
onderzoek naar de besteding van de subsidie.
Artikel 3a
1.Onze Minister stelt ieder begrotingsjaar een subsidieplafond vast
voor op grond van dit besluit te verstrekken subsidies.
2.Onze Minister kan afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor
de onderscheiden onderdelen van dit besluit.
3.Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag rekening houdend
met:
a. de mate waarin een project de doelstellingen van het
nationaal verkeers- en vervoerplan als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van de Planwet verkeer en vervoer, de nota voor het
nationaal ruimtelijk beleid, en het nationale milieubeleidsplan
als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer,
tot uitvoering brengt;
b. het stadium van voorbereiding van een project;
c. de hoogte van het subsidiebedrag dat is aangevraagd, en
d. de verplichtingen die ten laste van de begroting van het
Infrastructuurfonds komen op grond van eerder afgegeven
beschikkingen.
4.Onze Minister kan in bijzondere gevallen bij de beschikking tot
weigering van het verlenen van subsidie op grond van artikel 4:25,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat in het
daaropvolgende begrotingsjaar, zonder nieuwe indiening van de
aanvraag, opnieuw een beschikking op de aanvraag wordt gegeven.
§ 2. Subsidies voor grote projecten
Artikel 4
1.Bij een aanvraag om een subsidie voor een groot project uit het
fonds verstrekt de aanvrager met betrekking tot dat project Onze
Minister de volgende gegevens en bescheiden:
a. een beschrijving op hoofdkenmerken en het programma van
eisen;
b. tekeningen van het project;
c. een kostenraming, met een tijdschema van de uitvoering en de
daarbij behorende uitgaven van het werk;
d. een opgave van de kostenelementen, die ten laste van andere
kostendragers kunnen worden gebracht;
e. een raming van de inkomsten uit het project;
f. een opgave van de stand van zaken met betrekking tot de voor
de uitvoering noodzakelijke wettelijke procedures;
g. een raming van het gebruik, dat van het beoogde project zal
worden gemaakt en de verwachte effecten daarvan;
h. de functie van het project in het openbaar vervoernetwerk,
de exploitatiegevolgen voor het openbaar vervoernetwerk en de
financiering van beheer en instandhouding van het project;
i. andere door Onze Minister noodzakelijk geachte gegevens.
2.Een subsidie voor een groot project gelegen in een
samenwerkingsgebied kan uitsluitend worden aangevraagd door het
dagelijks bestuur, een publiekrechtelijk rechtspersoon, niet zijnde
een gemeente, provincie of een waterschap, of een privaatrechtelijk
rechtspersoon, niet zijnde een regionaal of lokaal vervoerbedrijf
welke in het betrokken samenwerkingsgebied openbaar vervoer verricht.
3.Indien de aanvraag betrekking heeft op een groot project voor
regionale of lokale infrastructuur, en de aanvrager in aanmerking
meent te komen voor toepassing van artikel 9, vierde lid, onderdeel a
of b, voegt de aanvrager een onderbouwing toe op grond waarvan de
aanvrager hiervoor in aanmerking meent te komen.
4.Een aanvrager van een subsidie voor een groot project toont aan
dat het project is opgenomen in een provinciaal verkeers- en
vervoerplan, dan wel, indien het project is gelegen in een
samenwerkingsgebied, in een regionaal verkeers- en vervoerplan als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 16 van de
Planwet verkeer en vervoer.
5.Het vierde lid is niet van toepassing indien de aanvraag
betrekking heeft op een groot project dat onderdeel uitmaakt van het
landelijk spoorwegnet.
Artikel 5
1. Voor een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid ten
behoeve van investeringen in infrastructuur komen in aanmerking de
kosten van:
a. studies voor het betrokken project voor zover die door Onze
Minister aanvaardbaar worden geacht;
b. verwerving van een onroerende zaak voor zover door Onze
Minister aanvaardbaar geacht;
c. vergunningen en leges voor zover door Onze Minister
aanvaardbaar geacht;
d. bouwrente; deze is gelijk aan de rente van de meest recente
staatslening op het moment van gunning van het werk; het bedrag en
de termijn, waarover de bouwrente vergoed wordt, behoeft de
goedkeuring van Onze Minister;
e. materialen;
f. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van
de betrokken infrastructuur;
g. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken
infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten
vervullen;
h. met het project samenhangende door Onze Minister redelijk
geachte schadevergoedingen aan derden;
i. voorlichting over de uitvoering van het project als
begeleiding gedurende de bouw;
j. de omzetbelasting die niet op de voet van artikel 15 van de
Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kan worden gebracht en
geen recht geeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds;
k. voorbereiding, administratie en toezicht voor zover het
betreft projecten ten behoeve van het openbaar vervoer, van het
goederenvervoer over het spoor en van vaarwegen.
l. onvoorziene omstandigheden bij grote projecten met
betrekking tot regionale of lokale infrastructuur, voorzover de
kosten betrekking hebben op de kosten, genoemd in de onderdelen a
tot en met i.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts tot een in
redelijkheid als noodzakelijk te beschouwen hoogte in aanmerking
genomen.
3. De kosten bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, bedragen voor
projecten ten behoeve van het openbaar vervoer en van het
goederenvervoer zestien procent en voor projecten ten behoeve van
vaarwegen tien procent van de kosten, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen e, f en g.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid stelt Onze
Minister, indien het een subsidie betreft voor projecten ten behoeve
van het landelijk spoorwegnet, de in dat lid genoemde kosten per soort
van investering nader vast.
Artikel 6
1.Een aanvraag om een subsidie voor een groot project wordt slechts
in behandeling genomen indien dat project is opgenomen in een
realisatieprogramma dat deel uitmaakt van het meerjarenprogramma. In
bijzondere gevallen kan Onze Minister besluiten de aanvraag reeds in
behandeling te nemen voordat dat project in een realisatieprogramma is
opgenomen.
2.Onze Minister beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, binnen zes maanden na de indiening daarvan.
Hij kan daarbij van de aanvraag afwijken.
3.Indien als gevolg van de complexiteit van de te behandelen
aanvraag Onze Minister niet binnen de in het tweede lid genoemde
termijn kan beslissen, kan hij deze termijn twee keer met telkens ten
hoogste zes maanden verlengen. Onze Minister doet hiervan terstond
mededeling aan de aanvrager.
Artikel 7
1.Onze Minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van
soberheid en doelmatigheid. Hij kan bij de verlening van de subsidie
bepalen dat het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling
van de subsidie kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het
loon- en prijspeil.
2.De subsidie wordt verleend voor de werkelijk te maken kosten,
tenzij de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag wordt
verleend.
3.Een subsidie voor een groot project met betrekking tot regionale
of lokale infrastructuur wordt uitsluitend verleend voor in de
beschikking omschreven functionele eisen in de vorm van een vast
subsidiebedrag, dat is gebaseerd op de kosten van de meest
kosteneffectieve variant. De beschikking tot subsidieverlening
vermeldt de variant die naar het oordeel van Onze Minister , op basis
van de studies van de subsidieaanvrager ter voorbereiding van de
aanvraag als het meest kosteneffectief kan worden aangemerkt.
4.Bij het verlenen van de subsidie worden de kosten, welke naar het
oordeel van Onze Minister redelijkerwijs ten laste van andere
kostendragers kunnen worden gebracht, buiten beschouwing gelaten.
5.Niet voor een subsidie komen in aanmerking de kosten van
wegverharding in geval van achterstallig onderhoud aan het gehele
betrokken wegdek; in geval van achterstallig onderhoud aan een
gedeelte van het betrokken wegdek wordt de subsidie naar evenredigheid
met de mate van achterstallig onderhoud verminderd.
Artikel 8 [Vervallen per 21-02-1996]
Artikel 9
1.Een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, bedraagt, met
inachtneming van het tweede lid, als percentage van de op grond van
artikel 5 in aanmerking komende kosten voor:
a. het landelijk spoorwegnet honderd procent; indien het
infrastructuur betreft hoofdzakelijk ten behoeve van het
internationale vervoer over spoorwegen kan Onze Minister een ander
percentage vaststellen;
b. een groot project: voor regionale of lokale infrastructuur
honderd procent van de kosten van de variant die naar het oordeel
van Onze Minister als meest kosteneffectief kan worden aangemerkt,
onder aftrek van € 225 000 000,– indien dat project geheel of
gedeeltelijk wordt gerealiseerd binnen één of meer van de
samenwerkingsgebieden waarin de gemeente Amsterdam, de gemeente
Rotterdam of de gemeente 's-Gravenhage is gelegen of onder aftrek
van € 112 500 000,– indien dat project geheel in een ander
gebied wordt gerealiseerd.
c. voorzieningen met betrekking tot de veiligheid van het
wegverkeer vijftig procent; indien de subsidie bestemd is voor
herinrichting van verblijfsgebieden als 30-km zone, dient de
aaneengesloten oppervlakte van dit gebied minimaal tien hectare te
bedragen;
d. studies als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a,
vijftig procent voor zover de kosten niet als bestuurskosten van
de aanvrager kunnen worden aangemerkt;
e. aanleg van een terminal ten behoeve van intermodaal vervoer
vijfentwintig procent.
2.Bij de vergoeding voor de verlegging of vervanging van kabels of
leidingen wordt rekening gehouden met het juridische regime, waaronder
de kabels of leidingen liggen. Indien bij de verlegging de kabels of
leidingen gelijktijdig worden vervangen wordt een aftrek toegepast,
welke wordt berekend op basis van de resterende economische levensduur
van de kabels of leidingen.
3.In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister
voor de subsidie voor een investering ten behoeve van
spoorweginfrastructuur uitsluitend bestemd voor vervoer van goederen
een lager percentage vaststellen.
4.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan Onze
Minister een lager bedrag dan € 225 000 000,– onderscheidenlijk
€ 112 500 000,– aftrekken in geval:
a. de financiële draagkracht van de aanvrager hiertoe
aanleiding geeft;
hiervan is ieder geval sprake indien de hoogte van de brede
doeluitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, dan wel
artikel 3, eerste lid, van de Wet BDU verkeer en vervoer, in het
jaar waarin de aanvraag is ingediend, vermenigvuldigd met twee,
gelijk is aan of lager is dan EUR 225.000.000,– dan wel gelijk
is of lager is dan EUR 112.500.000,–; of
b. het project een functie heeft die naar het oordeel van Onze
Minister het regionale of lokale belang aanmerkelijk te boven
gaat.
5.Indien reeds subsidie is verleend voor de kosten, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt deze bij de verlening van
een subsidie voor de overige kosten, genoemd in artikel 5, eerste lid,
in mindering gebracht.
Artikel 10
Indien een groot project anders wordt aanbesteed dan openbaar of met
voorafgaande selectie, kan Onze Minister vooraf toetsen of aan de
regelgeving terzake is voldaan.
Artikel 11
1.Onze Minister kan bij de subsidieverlening de subsidie-ontvanger
de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na dagtekening van
de beschikking te beginnen met de uitvoering van het project.
2.De subsidie-ontvanger is verplicht wijzigingen ten opzichte van
de op grond van artikel 4 ingediende gegevens en bescheiden te
onderwerpen aan de instemming van Onze Minister, voor zover die
wijzigingen van invloed zijn op de effectiviteit, de kosten, de
kwaliteit of de fasering van het project. De voorstellen tot wijziging
worden vermeld in de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 13,
derde lid.
Artikel 12
1.Op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, beslist Onze Minister afwijzend indien:
a. naar zijn oordeel ernstige twijfel bestaat of de met het
betrokken project beoogde doelstellingen worden bereikt;
b. het project naar zijn oordeel onvoldoende bijdraagt of in
verhouding tot de kosten onvoldoende bijdraagt aan het bereiken
van de doelstellingen van het vigerende Structuurschema Verkeer en
Vervoer, de vigerende Nota op de Ruimtelijke Ordening en het
vigerende nationale milieubeleidsplan;
c. naar zijn oordeel het betrokken project niet past binnen het
geldende meerjarenprogramma infrastructuur en transport;
d. de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surséance van
betaling is verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank
is ingediend;
2.Tenzij Onze Minister in bijzondere gevallen anders beslist, wijst
hij een aanvraag af, indien op het tijdstip, waarop de aanvraag wordt
ingediend, reeds met de uitvoering van het project, waarop de aanvraag
betrekking heeft, is begonnen.
Artikel 13
1. Indien subsidie wordt verleend voor meer dan één kalenderjaar
wordt bij de subsidieverlening het bedrag aangegeven dat per
kalenderjaar aan voorschotten kan worden verleend.
2. Tenzij bij de subsidieverlening anders wordt bepaald, worden
voorschotten verleend per kwartaal. Voorschotten worden verleend op
basis van in te dienen declaraties die zijn afgestemd op de
gerealiseerde en geplande voortgang van het werk en die zijn
onderbouwd door een voortgangsrapportage van het betrokken project. De
voortgangsrapportage bevat in ieder geval een overzicht van de
gerealiseerde werkzaamheden, een planning van de nog te verrichten
werkzaamheden en een raming van de nog te maken kosten.
3. Indien een project slechts gedeeltelijk uit het fonds wordt
betaald, is het bedrag dat aan voorschotten wordt verleend niet hoger
dan het aandeel van het fonds in de financiering van het project.
4. De subsidie-ontvanger dient jaarlijks binnen vier maanden na
afloop van het betrokken kalenderjaar een financiële verantwoording,
voorzien van een accountants-verklaring, in. Onze Minister kan op
verzoek van de subsidie-ontvanger de termijn twee keer met telkens ten
hoogste twee maanden verlengen. Artikel 14, tweede en derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
5. In afwijking van het vijfde lid dient de subsidie-ontvanger
tenzij bij de subsidieverlening anders wordt bepaald na afloop van het
kalenderjaar geen financiële verantwoording voorzien van een
accountantsverklaring in.
6. In geval van snellere voortgang van het werk dan voorzien bij de
subsidieverlening kan, in afwijking van het tweede lid, het bedrag dat
aan voorschotten kan worden verleend, worden verhoogd voor zover dat
inpasbaar is binnen de begroting van het fonds. De rentekosten van de
voorfinanciering van de versnelling worden niet vergoed.
7. Een voorschot wordt betaald binnen acht weken na ontvangst van
de declaratie, bedoeld in het derde lid.
8. Indien als gevolg van onvoorziene omstandigheden de werkelijk
gemaakte kosten hoger uitvallen dan het bedrag waarvoor subsidie is
verleend, kan de subsidie-ontvanger een suppletoire aanvraag indienen.
De artikelen 4 tot en met 9 en 12 zijn voor zover nodig van
toepassing.
Artikel 14
1.Binnen een jaar nadat het betrokken project in gebruik is genomen
doet de subsidie-ontvanger aan Onze Minister daarvan mededeling. De
mededeling gaat vergezeld van een aanvraag tot vaststelling van de
subsidie, alsmede van een eindverslag en een financiële
verantwoording van de totale projectkosten, voorzien van een
accountantsverklaring alsmede een slotdeclaratie. Onze Minister kan op
verzoek van de subsidie-ontvanger de termijn met ten hoogste zes
maanden verlengen.
2.De in het eerste lid bedoelde financiële verantwoording en
accountantsverklaring dienen te worden opgesteld overeenkomstig de in
artikel 4, eerste lid, onder c, bedoelde kostenraming respectievelijk
de door Onze Minister vast te stellen controle-instructie.
3.Met betrekking tot de financiële controle kan Onze Minister bij
ministeriële regeling nadere regels geven.
Artikel 14a
1.Onze Minister beslist op de aanvraag tot het vaststellen van de
subsidie binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
2.Indien de subsidie-ontvanger geen aanvraag tot vaststelling van
de subsidie heeft ingediend binnen de in artikel 14, eerste lid,
bedoelde termijn stelt Onze Minister de subsidie ambtshalve vast
binnen twaalf weken na het tijdstip waarop de betrokken termijn is
verstreken.
3.Indien de werkelijke kosten lager zijn dan het bedrag dat als
vast subsidiebedrag is verleend, besteedt de subsidieontvanger het
verschil aan infrastructurele maatregelen overeenkomstig de bijlage
bij dit besluit.
Artikel 15 [Vervallen per 23-02-1998]
Artikel 16 [Vervallen per 23-02-1998]
Artikel 16a
1.Onze Minister kan voor een project dat is opgenomen in een
planstudieprogramma dat deel uitmaakt van het meerjarenprogramma op
aanvraag een subsidie verlenen voor naar het oordeel van Onze Minister
in de planstudiefase redelijkerwijs te maken kosten als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b of k. Kosten van studies voor
het regionale of lokale wegennet komen niet voor subsidie in
aanmerking. In bijzondere gevallen kan Onze Minister besluiten de
aanvraag reeds in behandeling te nemen voordat dat project in een
planstudieprogramma is opgenomen.
2.De subsidie bedraagt voor projecten ten behoeve van het landelijk
spoorwegnet ten hoogste honderd procent en voor andere projecten ten
hoogste vijftig procent van de op grond van het eerste lid in
aanmerking komende kosten.
3.De subsidie-ontvanger neemt geen beslissing om het project niet
tot uitvoering te brengen dan na instemming van Onze Minister.
4.De artikelen 4, eerste en tweede lid, 6, tweede en derde lid, 7,
eerste, tweede en vierde lid, 10, 11, tweede lid, 12, eerste lid, 13,
14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing.
5.Indien voor een project waarvoor krachtens het eerste lid een
subsidie is verstrekt, uiteindelijk een subsidie als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, wordt verleend, brengt Onze Minister het
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, in mindering op de
subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
Artikel 16aa
1.Onze Minister kan voor een verkenning die is opgenomen in een
verkenningenprogramma dat deel uitmaakt van het meerjarenprogramma op
aanvraag een subsidie verlenen voor te maken kosten van studies of
onderzoeken.
2.Bij een aanvraag om een subsidie als bedoeld in het eerste lid
verstrekt de aanvrager Onze Minister de volgende gegevens en
bescheiden:
a. de opzet van studies of onderzoeken;
b. een beschrijving op hoofdlijnen van het verkeers- en
vervoerprobleem en van mogelijke oplossingen;
c. een kostenraming met een tijdschema van de te verrichten
studies of onderzoeken;
d. een opgave van de kostenelementen die ten laste van andere
kostendragers kunnen worden gebracht;
e. inzicht in het voorgenomen verkeers- en vervoerbeleid.
3.De subsidie bedraagt ten hoogste vijftig procent van de op grond
van het eerste lid in aanmerking komende kosten.
4.Onze Minister kan bij zijn beslissing als bedoeld in het eerste
lid de in dat lid bedoelde kosten nader specificeren, dan wel de
subsidie in afwijking van het derde lid verlenen in de vorm van een
vast subsidiebedrag, dat echter niet hoger mag zijn dan vijftig
procent van de op grond van het eerste lid in aanmerking komende
kosten.
5.De artikelen 4, tweede lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste,
tweede en vierde lid, 10, 12, eerste lid, 13, 14 en 14a zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wanneer de subsidie
in de vorm van een vast subsidiebedrag is verleend geen
accountantsverklaring behoeft te worden ingediend.
Artikel 16b
1.Onze Minister kan na ingebruikneming van een groot project,
waarvoor een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, is
verstrekt, op aanvraag uit het fonds een subsidie verlenen ten behoeve
van de evaluatie van dat project indien die evaluatie naar zijn
oordeel noodzakelijk is.
2.De subsidie bedraagt vijfennegentig procent van de in aanmerking
komende kosten van evaluatie.
3.De artikelen 4, tweede lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste,
tweede en vierde lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 3. Subsidies voor overige projecten
Artikel 16c
Een subsidie voor een overig project kan uitsluitend bij Onze
Minister worden aangevraagd door:
a. andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan een provincie,
gemeente, waterschap en een regionaal openbaar lichaam ingeval het
project landelijke betekenis heeft;
b. privaatrechtelijke rechtspersonen ingeval het project
landelijke betekenis heeft;
c. een beheerder van landelijke spoorweginfrastructuur;
d. Publiekrechtelijke rechtspersonen en privaatrechtelijke
rechtspersonen ten behoeve van investeringen in en onderhoud van
infrastructurele werken buiten Nederland doch binnen Europa.
Artikel 16d
1.Aanvragen om een subsidie voor overige projecten vinden plaats
overeenkomstig artikel 4, eerste lid.
2.Onze Minister beslist op een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid overeenkomstig de artikelen 6, 10, 11 en 12 met dien verstande dat
in artikel 10 in plaats van 'groot project' moet worden gelezen:
project, waarvan de geraamde kosten op grond van artikel 5 meer
bedragen dan € 5 000 000.
3.De artikelen 5, 7, 9, eerste lid, onderdelen a, c en d, tweede en
derde lid, 13 tot en met 14a, en 16a tot en met 16b, zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien een
subsidie als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een
projectgebonden onderzoek ten behoeve van de veiligheid van het
wegverkeer de hoogte van de subsidie vijftig procent bedraagt van de
kosten die overeenkomstig artikel 5 voor vergoeding in aanmerking
komen.
§ 4. Subsidies voor kapitaallasten, bediening en onderhoud van het
landelijk spoorwegnet
Artikel 17
In afwijking van § 2 zijn voor het verstrekken van subsidies aan een
beheerder van landelijke spoorweginfrastructuur voor de kapitaallasten
voortvloeiende uit de investeringen in die spoorweginfrastructuur , voor
de bediening en voor het onderhoud van die spoorweginfrastructuur de
bepalingen van deze paragraaf van toepassing.
Artikel 18
De beheerder dient jaarlijks uiterlijk vier maanden voor de aanvang
van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, een aanvraag
om een subsidie in, waarbij hij de volgende gegevens verstrekt:
a. een raming van de te verwachten wijziging van de
kapitaallasten ten opzichte van het voorgaande jaar, als gevolg van
een te verwachten wijziging in de resterende schuld en de daarover
berekende rente ten gevolge van de niet à fonds perdu gefinancierde
spoorweginfrastructuur;
b. een raming van de te verwachten wijziging van de kosten van
bediening en van de onderhoudskosten ten opzichte van het voorgaande
jaar, als gevolg van een te verwachten wijziging in omvang van de
bestaande spoorweginfrastructuur en als gevolg van een te verwachten
wijziging van de mate van gebruik van de bestaande
spoorweginfrastructuur;
c. een raming van de te verwachten opbrengsten van vergoedingen
van gebruikers van de spoorweginfrastructuur;
d. andere door Onze Minister noodzakelijk geachte gegevens.
Artikel 19
1.Onze Minister verleent jaarlijks de subsidie voor de aanvang van
het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.
2.Bij de verlening van de subsidie wordt uitgegaan van de
kapitaallasten, van de kosten van bediening en onderhoud en de omvang
van de opbrengsten van vergoedingen van gebruikers, in een door hem te
bepalen basisjaar. De subsidie kan worden aangepast aan de wijzigingen
ten opzichte van het basisjaar als gevolg van:
a. de omvang van landelijke spoorweginfrastructuur;
b. het niveau van instandhoudingskwaliteit, voor zover Onze
Minister daarom verzoekt;
c. het gebruik van landelijke spoorweginfrastructuur;
d. de omvang van de opbrengsten van vergoedingen van gebruikers
van landelijke spoorweginfrastructuur;
e. de evaluatie van de algemene overeenkomst inzake de
aanraking van infrastructuur;
f. opgebouwde overschotten danwel tekorten;
g. het loon- en prijspeil.
3.Kapitaallasten voortvloeiend uit projecten, die het Rijk reeds
overeenkomstig paragraaf 2 heeft vergoed, worden in mindering gebracht
op de totale kapitaallasten. De subsidie heeft betrekking op de dan
resterende kapitaallasten.
4.De verplichtingen voortvloeiend uit de door Onze Minister
toegestane leningfinanciering van projecten, bedoeld in paragraaf 2,
worden afzonderlijk vergoed.
5.Onze Minister kan besluiten tot het vaststellen van een nieuw
basisjaar met inachtneming van de dan geldende omstandigheden.
6.Onze Minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van
soberheid en doelmatigheid. Hij kan bij de verlening van de subsidie
bepalen dat het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling
van de subsidie kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het
loon- en prijspeil. Artikel 7, vierde lid, is van toepassing.
7.Onverminderd het zesde lid kan Onze Minister het subsidiebedrag
tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie aanpassen
wanneer een wijziging van het bijdragesysteem daartoe noodzaakt.
Artikel 20
1.Bij de subsidieverlening wordt bepaald dat voorschotten worden
verleend.
2.De voorschotten worden betaald in het jaar waarop de subsidie
betrekking heeft in dertien maandelijkse termijnbedragen, waarbij in
de maand mei twee termijnbedragen worden betaald.
Artikel 21
1.Binnen zes maanden na afloop van het jaar waarop de subsidie
betrekking heeft dient de beheerder bij Onze Minister een aanvraag tot
vaststelling van de subsidie in. De aanvraag gaat vergezeld van de
jaarrekening en de financiële verantwoording van de kapitaallasten
voortvloeiende uit investeringen, kosten van bediening en
onderhoudskosten en de opbrengsten in de bestaande
spoorweginfrastructuur. De jaarrekening en de financiële
verantwoording dienen te zijn voorzien van een accountantsverklaring.
2.De in het eerste lid bedoelde financiële verantwoording dient te
worden opgesteld overeenkomstig het door Onze Minister vastgestelde
informatieprofiel.
3.Indien uit de accountantsverklaring blijkt, dat de beheerder ten
onrechte kapitaallasten voortvloeiende uit investeringen, kosten van
bediening en onderhoudskosten of opbrengsten ten laste
onderscheidenlijk ten gunste van de door hem beheerde
spoorweginfrastructuur heeft gebracht, brengt de beheerder in de
jaarrekening en de financiële verantwoording de nodige correcties
aan.
4.Onze Minister beslist op de aanvraag tot het vaststellen van de
subsidie binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 22
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister nadere regels geven met
betrekking tot deze paragraaf.
§ 5
Artikel 23 [Vervallen per 31-12-1997]
Artikel 24 [Vervallen per 31-12-1997]
Artikel 25 [Vervallen per 31-12-1997]
Artikel 26 [Vervallen per 31-12-1997]
Artikel 27 [Vervallen per 31-12-1997]
§ 6. Subsidies voor beheer en onderhoud van wegen en voor aanleg en
beheer en onderhoud van vaarwegen
Artikel 28
1.In afwijking van de paragrafen 2 en 3 kan Onze Minister voor:
a. beheer en onderhoud aan wegen, die op 1 januari 1994 in
beheer waren bij het Rijk en nadien in beheer zijn gekomen bij een
provincie, een gemeente of een waterschap, of
b. aanleg en beheer en onderhoud van vaarwegen, ten behoeve van
de binnenvaart, die in beheer zijn bij een provincie, een gemeente
of een waterschap, aan die provincie, die gemeente of dat
waterschap op aanvraag een subsidie verstrekken. Artikel 5, eerste
lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Onze Minister kan ter uitwerking van het eerste lid bij
ministeriële regeling nadere regels geven.
§ 7. Bijzondere subsidies
Artikel 28a
1.Onze Minister kan uit het fonds op aanvraag een bijzondere
subsidie verlenen ten behoeve van een experiment of
demonstratieproject dat naar zijn oordeel noodzakelijk is voor de
kennisverwerving en de ontwikkeling van het beleid op nationaal niveau
op het terrein van infrastructuur.
2.De subsidie strekt met inachtneming van artikel 9, tweede lid,
tot een gedeeltelijke tegemoetkoming in de kosten van het experiment
of demonstratieproject. Tot de kosten worden gerekend de kosten,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, alsmede de kosten van begeleiding,
evaluatie en monitoring.
3.Onze Minister houdt bij het bepalen van het subsidiebedrag
rekening met het karakter van het experiment of het
demonstratieproject en met de kosten die redelijkerwijs ten laste van
de subsidie-ontvanger behoren te komen. Hij kan de subsidie verlenen
in de vorm van een vast subsidiebedrag.
4.De artikelen 4, 5, 6, tweede en derde lid, 7, 8, 9, tweede lid,
en 10 tot en met 14a zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 8 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 29 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 30 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 31 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 32 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 33 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 34 [Vervallen per 21-02-1996]
Artikel 35 [Vervallen per 21-02-1996]
Artikel 36 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 36a [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 36b [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 37 [Vervallen per 21-02-1996]
Artikel 38 [Vervallen per 31-12-1997]
Artikel 39 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 39a [Vervallen per 31-03-2004]
Artikel 40 [Vervallen per 05-06-2005]
Artikel 41 [Vervallen per 08-11-1994]
§ 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 41a [Vervallen per 31-03-2004]
Artikel 41b [Vervallen per 09-05-1999]
Artikel 42
Onze Minister draagt zorg voor een evaluatie van de werking van dit
besluit vier jaar na inwerkingtreding ervan.
Artikel 43
De Bijdrageregeling Mobiliteitsfonds (Stb. 1989, 220) wordt
ingetrokken.
Artikel 44
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 44a
Onze Minister kan bij de vaststelling van bijdragen, bedoeld in
artikel 111, eerste en tweede lid, van het Besluit personenvervoer, die
vóór 1 januari 1994 krachtens dat besluit zijn aangevraagd en die zijn
verleend onder de toezegging dat de bijdrage op het punt van de
vergoeding van de kosten van voorbereiding, administratie en toezicht
zal worden bijgesteld overeenkomstig een nieuwe regeling, de kosten van
voorbereiding, administratie en toezicht vergoeden overeenkomstig
artikel 5, tweede lid.
Artikel 44b
Onze Minister kan bij de vaststelling van bijdragen, die zijn
verleend krachtens paragraaf 2 of 3 van het Besluit Infrastructuurfonds,
zoals die luidden vóór de inwerkingtreding van het onderhavige
besluit, en waarbij is toegezegd dat de bijdrage op het punt van de
vergoeding van de kosten van verlegging of vervanging van kabels of
leidingen zal worden bijgesteld overeenkomstig een nieuwe regeling, de
bijdrage voor de kosten van verlegging of vervanging vaststellen
overeenkomstig artikel 9, tweede lid .
Artikel 45
De Bijdrageregeling wegverkeersvoorzieningen (Stcrt. 1988,
215) wordt ingetrokken.
Artikel 46
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 47
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 48
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 49
Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit Infrastructuurfonds.
Artikel 50
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1994.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 22 november 1993
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de negende december 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage behorende bij
koninklijk besluit Wegen Primaire infrastructuur
Wegen
Primaire infrastructuur
Weg (berm en bijbehorende groenvoorziening behoren tot de weg)
waaronder begrepen auto(snel)weg, busbaan, fietspad en voetpad met
daarbij behorende kunstwerken, zoals:
brug/duiker;
viaduct;
aquaduct;
tunnel.
Infrastructuur voor in-, uit- en overstappen van personen en laden,
lossen en overslaan van goederen
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
opstelplaats veerdienst;
aanlegplaats veerdienst (bv. fuik en stoep);
distributiecentrum;
transferium;
busstation;
stationsvoorpleinen.
Parkeerinfrastructuur
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
op- en afrit naar en van voorzieningen als tankstation, wegrestaurant
en parkeerplaats;
parkeerplaats openbare weg en bijzondere parkeerplaats, als
carpoolplaats en p+r-voorziening;
fietsenstalling.
Infrastructuur t.b.v. veiligheid, navigatie, verkeersregeling en
communicatie
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
verkeersregelsysteem;
verkeerssignalering;
wegmarkering;
bewegwijzering;
praatpalensysteem;
verkeersveiligheidsvoorziening (bv. verkeersbord, schrikplank en
verlichting).
Milieu-infrastructuur
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
geluidswerende voorziening (bv. scherm en woningisolatie);
cerviduct;
dassentunnel.
Alle voorzieningen nodig om bovenstaande infrastructuur te laten
functioneren
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
reserve-onderdeel
werkplaats en opslagplaats ten behoeve van onderhoud weg
Vaarwegen en waterbeheer
Primaire infrastructuur
Water met de omhullende structuren (zoals bodems, oevers en
inrichtingswerken) met de daarbij behorende kunstwerken en
inrichtingswerken, zoals:
sluizen;
stuwen;
bruggen;
gemalen;
duikers;
zuiveringsinstallaties;
vistrappen;
nevengeulen;
eilanden.
Infrastructuur voor in-, uit- en overstappen van personen en laden,
lossen en overslaan van goederen
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
steiger;
kade;
terminal;
binnenhaven.
Parkeerinfrastructuur
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
ligplaats;
binnenhaven.
Infrastructuur t.b.v. veiligheid, navigatie, verkeersregeling en
communicatie
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
betonning en bebakening;
radiobaken en radioplaatsbepalingssysteem (o.a. Decca);
walradarsysteem;
communicatiesysteem (bv. marifoon en mobilofoon);
telematicavoorziening.
Milieu-infrastructuur
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
voorziening voor huisvuil en gevaarlijke stoffen;
geluidswerende voorziening (bv. scherm en woningisolatie);
voorziening voor tijdelijke opslag van vervuilde baggerspecie,
vrijkomend bij onderhoud van vaargeulen.
Infrastructuur ten behoeve van aan- en afvoer van water
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
veiligheidsvoorzieningen bij in- en uitlaatwerken van stuwen,
doorlaatmiddelen en gemalen.
Infrastructuur ten behoeve van natuur en landschap
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
voorzieningen voor biologisch beheer;
kwelderwerken.
Infrastructuur ten behoeve van recreatie en andere functies
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
aparte sluizen voor recreatievaart;
steigers;
jachtbetonning;
oevers en eilanden ten behoeve van recreanten;
voorzieningen ten behoeve van waterbodemsanering;
voorzieningen voor (tijdelijke) opslag van vervuilde baggerspecie;
installaties voor scheiding en reiniging van baggerspecie.
Alle voorzieningen nodig om bovenstaande infrastructuur te laten
functioneren
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
reserve-onderdeel;
werkplaats en opslagplaats ten behoeve van onderhoud scheepvaartweg
dienstkringkantoor;
steunpunt;
voorzieningen voor berging van (gezonken) vaartuigen en bestrijding
van olie en andere verontreinigingen;
vlieg-, vaar- en voertuigen ten behoeve van inspectie;
meetvaartuigen en meetsystemen voor waterkwantiteit en
waterkwaliteit.
Waterkeren
Primaire infrastructuur
Primaire waterkeringen (waaronder begrepen dijken, zandige kust,
stormvloekeringen en hoge gronden) met inbegrip van:
vooroevers;
stranden;
duinen;
dijkwegen;
boulevards
onderwaterbodemverdediging;
zomer- en winterbed van de grote rivieren; en
de daarbij behorende kunstwerken, zoals:
sluizen;
strekdammen;
geleidedammen;
paalrijen.
Infrastructuur voor verbetering en onderhoud
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
inspectie- en onderhoudswegen;
havens;
loswallen;
opslagterreinen;
opslagputten;
voorzieningen op zandwinplaatsen ten behoeve van kustsuppleties.
Infrastructuur ten behoeve van recreatief medegebruik en overige aan
waterkeren gerelateerde functies
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
wandelpaden;
fietspaden;
parkeerplaatsen;
trailerhellingen;
voorzieningen ten behoeve van behoud of versterken van LNC-waarden.
Milieu-infrastructuur
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
hevels;
doorlaatmiddelen;
verdediging van kwelderranden en van natuurvriendelijke (voor)oevers.
Alle voorzieningen nodig om bovenstaande infrastructuur te laten
functioneren
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
voorzieningen ter beïnvloeding van afvoerkarakteristieken in
stroomgebieden;
dienstkringkantoren;
bedieningsgebouwen;
meet-, plaatsbepalings-, computer- en communicatieapparatuur en
systemen;
werk- en opslagplaatsen ten behoeve van onderhoud aan waterkeringen;
inspectie-, meet- en werkvaartuigen;
materieel voor aanleg en onderhoud van waterkeringen, uitvoering
kustlijnzorg en bestrijding van overstromingen;
voertuigen;
reserve-onderdelen.
Spoorwegen
Primaire infrastructuur
Spoorweg (berm en bijbehorende groenvoorziening behoren tot de
spoorweg, inclusief bovenleiding en elektriciteitsvoorziening) met
daarbij behorende kunstwerken, zoals:
brug/duiker;
viaduct;
tunnel;
gelijkvloerse kruising.
Infrastructuur voor in-, uit- en overstappen van personen en laden,
lossen en overslaan van goederen
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
station/halte (waaronder abri en perron);
rangeerterrein;
terminal/railservice-centrum;
verlichtingsinstallaties;
laad- en loswegen, toegangswegen.
Parkeerinfrastructuur
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
opstel-emplacement.
Infrastructuur t.b.v. veiligheid, navigatie, verkeersregeling en
communicatie
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, met inbegrip
van daarvoor bestemde elektriciteitsvoorziening, zoals:
VECOM;
VETAG;
ATB-beveiliging;
blokbeveiliging;
sein- en beveiligingssysteem;
verkeerssignalering;
telematicavoorziening;
telerail/overige communicatiesystemen.
Milieu-infrastructuur
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
geluidswerende voorziening (bv. scherm en woningisolatie).
Alle infrastructurele voorzieningen nodig om bovenstaande
infrastructuur te laten functioneren
Met primaire infrastructuur samenhangende voorzieningen, zoals:
reserve-onderdeel.
werkplaats en opslagplaats ten behoeve van onderhoud spoorweg.
|
|
|