|
REGELING van de
Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in
overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën, van 12 december
2003, ACB/03/60381, houdende regels inzake aanwijzing van en verklaring
voor projecten welke in het belang zijn van de Nederlandse podiumkunsten
en de Nederlandse musea (Regeling cultuurprojecten 2004)
De
Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Handelende in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Financiën;
Gelet op artikel 5.18a, derde en zesde
lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluiten:
Artikel
1
1. Deze regeling geeft uitvoering aan
artikel 5.18a,
derde lid, en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. project: in Nederland gelegen technisch, functioneel en in de
tijd samenhangend geheel van activa en werkzaamheden;
b. bestaand project: project als bedoeld in artikel 2,
onderdelen a, b en c, waarvoor voor 1 januari
2004 een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke
werkzaamheden is gemaakt;
c. projectbeheerder: degene voor wiens rekening en risico het
project wordt ontwikkeld en in stand gehouden;
d. projectvermogen: vermogen dat nodig is voor de financiering van
activa en werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor en uitsluitend
dienstbaar zijn aan de uitvoering van een project;
e. verklaring: schriftelijk besluit van de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap als bedoeld in artikel 5.18a,
derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin wordt verklaard
dat een project in het belang is van de Nederlandse podiumkunsten of
de Nederlandse musea;
f. accountantsverklaring: verklaring afgegeven door een
registeraccountant of een accountant-administratieconsulent.
Artikel 2
De Minister Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geeft, in
overeenstemming met de Minister van Financiën, een verklaring af voor:
a. projecten die naar zijn oordeel in het belang van de
Nederlandse podiumkunsten;
b. projecten die naar zijn oordeel in het belang van de
Nederlandse musea;
c. andere projecten die naar zijn oordeel in het belang zijn van
de Nederlandse podiumkunsten en de Nederlandse musea.
Artikel 3
Een verklaring wordt niet afgegeven voor:
a. een bestaand project;
b. een project waarvan het project vermogen minder bedraagt dan
€ 22.689;
c. een project waarvan het niet aannemelijk is dat het enig eigen
rendement, subsidies van overheden en sponsorbijdragen daaronder
begrepen, heeft; dan wel
d. een project waarvan het te verwachten economisch rendement in
verhouding tot het belang voor de Nederlandse podiumkunsten en de
Nederlandse musea zodanig is dat het naar het oordeel van de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zonder toepassing van deze
regeling tot stand kan komen.
Artikel 4
1. Een verklaring kan slechts worden
aangevraagd door en afgegeven aan:
a. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 52 van de Wet
toezicht kredietwezen 1992, of
b. een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 18 van de Wet
toezicht beleggingsinstellingen.
2. De aanvraag voor projecten dient te worden ingediend bij het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
3. Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is
afgegeven kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor afloop van de
geldende verklaring worden ingediend.
4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een
formulier dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op
aanvraag beschikbaar wordt gesteld.
5. Aan een aanvrager kan worden verzocht nadere gegevens te
verstrekken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het
project.
6. Aan een aanvrager kan worden verzocht een
accountantsverklaring te overleggen, waaruit de juistheid of
aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens blijkt.
Artikel 5
1. De Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap beslist, in overeenstemming met de Minister van Financiën op
een aanvraag binnen acht weken na de indiening ervan.
2. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de
projectbeheerder.
Artikel 6
1. De verklaring kan voor geen langere
periode worden afgegeven dan voor de verwachte levensduur van het
project en voor ten hoogste dertig jaren.
2. De verklaring vermeldt de aard van het project, het
projectvermogen en de periode waarvoor de verklaring geldt.
3. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen.
Artikel 7
1. De Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën, de
verklaring intrekken indien:
a. de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig
blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als
bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend
waren geweest;
b. blijkt dat de uitvoering van het project zodanig afwijkt van het
project op grond waarvan de verklaring is afgegeven, dat op de
aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling
daarvan de gewijzigde uitvoering bekend zou zijn geweest;
c. blijkt dat de projectbeheerder de vermogenstoestand van het
project niet afzonderlijk administreert;
d. niet voldaan wordt aan één of meer van de voorwaarden die in
de verklaring zijn opgenomen;
e. de melding bedoeld in artikel 8 niet onverwijld is geschied.
2. Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben.
3. Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager die
ingevolge artikel 4, eerste lid, een aanvraag heeft ingediend.
4. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de
projectbeheerder en de inspecteur Belastingdienst Amsterdam.
Artikel 8
Indien de uitvoering van een project wordt gewijzigd doet de
instelling die het kapitaal verschaft ten behoeve van het een project
waarvoor een verklaring is afgegeven, daarvan onverwijld melding aan de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 9
Ten behoeve van de vaststelling van een verklaring en van de daar toe
van belang zijnde gegevens en van de daar aan verbonden rechten en
plichten is ten aanzien van de kredietinstelling of de
beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 5.18a, tweede lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, en de projectbeheerder Hoofdstuk VIII, afdeling
2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige
toepassing, waarbij de aldaar jegens de inspecteur opgelegde
verplichtingen mede gelden jegens de door de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap aangewezen personen.
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 11
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling cultuurprojecten
2004.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.C. van der Laan.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn.
|