| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
REGELING
GROENPROJECTEN 2005
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2010
Vervallen
m.i.v. 30 maart 2010
|
|
|
REGELING van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Financiën van 22 juni 2005, nr. DGM/SB/ET 2005127181, houdende
regels inzake de aanwijzing van en verklaring voor in Nederland gelegen
projecten welke in het belang zijn van de bescherming van het milieu,
waaronder natuur en bos (Regeling groenprojecten 2005)
De
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer en de Staatssecretaris van Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en na overleg met de Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 5.14, derde lid, onderdeel a,
en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluiten:
Artikel 1
1.In deze regeling wordt verstaan onder:
a. project: in Nederland gelegen technisch, functioneel en in
de tijd samenhangend geheel van activa en werkzaamheden;
b. bestaand project:
1°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, e,
onder 3° en 4°, f, g, i, j of k, waarvoor ten minste zes
maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een
verklaring wordt ingediend een begin met de uitvoering van de
werkzaamheden is gemaakt;
2°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h.1°,
h.2°, h.3° en h.4° waarvoor op de dag van indiening van een
aanvraag tot afgifte van een verklaring een aanvang met de
uitvoering van de werkzaamheden is gemaakt;
3°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, c of d,
dat ten minste zes maanden voor de dag waarop de aanvraag tot
afgifte van een verklaring wordt ingediend, reeds voldeed aan
een van de projectomschrijvingen in het betreffende onderdeel;
4°. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h.5°,
waarvoor meer dan acht maanden voor de dag waarop de aanvraag
tot afgifte van een verklaring wordt ingediend, de
hypotheekakte werd gepasseerd dan wel de leenovereenkomst werd
gesloten;
c. projectbeheerder: degene voor wiens rekening en risico het
project wordt ontwikkeld en in stand gehouden;
d. projectvermogen: vermogen dat nodig is voor de financiering
van vaste activa en de werkzaamheden om de vaste activa te
plaatsen, voorzover noodzakelijk voor en uitsluitend dienstbaar
aan de totstandbrenging van een project;
e. verklaring: schriftelijk besluit van de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld
in artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, waarin wordt verklaard dat een project in
het belang is van de bescherming van het milieu, waaronder natuur
en bos;
f. accountantsverklaring: verklaring, afgegeven door een
registeraccountant of een accountant-administratieconsulent;
g. Groen Label Kas: tuinbouwkas die bestemd is voor het
bedrijfsmatig telen van tuinbouwgewassen, en ter zake waarvan,
door middel van een certificaat afgegeven door een bij de Raad
voor Accreditatie erkende organisatie, is aangetoond dat deze kas
voldoet aan de eisen van het Certificatieschema Groen Label Kas
8.0 en minimaal 85 punten behaalt voor de extensieve stookteelt of
115 punten voor de intensieve stookteelt volgens de aldaar
vermelde systematiek. Het Certificatieschema Groen Label Kas 8.0
dat als bijlage bij deze regeling behoort, ligt ter inzage in de
bibliotheek van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
h. woning: gebouw, bedoeld voor bewoning, dat voortdurend als
hoofdverblijf ter beschikking zal staan aan een of meer
natuurlijke personen en per wooneenheid ten minste is voorzien van
een eigen toegang, een gescheiden leef- en slaapgedeelte, een
eigen toilet, een eigen bad- of douchevoorziening, alsmede van een
energieaansluiting, bedoeld voor een kooktoestel om een maaltijd
te kunnen bereiden;
i. eigenaar-bewoner: natuurlijk persoon die een woning in
eigendom heeft dan wel verkrijgt en daarin zijn hoofdverblijf
heeft of zal hebben, dan wel de erfpachter, vruchtgebruiker of
gerechtigde tot een appartementsrecht als bedoeld in artikel 106
van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, voorzover deze rechten
betrekking hebben op een woning zoals bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder h;
j. duurzaam geproduceerd hout: hout waarvoor een door het
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer erkend certificaat is afgegeven waaruit blijkt dat
het voldoet aan de Nederlandse minimumeisen en waarvan het gebruik
is aangetoond door middel van certificaten en afleverbewijzen of
facturen;
k. Energie-index: maat voor de energieprestatie van bestaande
woningen aan de hand van een genormeerde berekening;
l. energielabel: gestandaardiseerde omzetting van de
energieklasse in een label met de waardes A tot en met G;
m. labelstap: verandering van de Energie-index van een gebouw
waardoor het gebouw een ander energielabel krijgt.
2.Tot het projectvermogen met betrekking tot een project als
bedoeld in artikel 2, onderdeel e, onder 3°, wordt niet gerekend het
vermogen dat nodig is voor de financiering van de grond, de kosten
voor goederen waarop niet wordt afgeschreven, tuinbouwgewassen,
transportsystemen en onderhoud en de kosten, exclusief de kosten voor
gelijktijdig opwekken van warmte/kracht of de kosten van een
warmtepomp en/of warmte en koudeopslag, per vierkante meter
kasoppervlak die meer bedragen dan € 100,–.
Artikel 2
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en
na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en
de Minister van Verkeer en Waterstaat, een verklaring afgeven voor:
a. projecten, bestaande uit aaneengesloten gebieden met een
oppervlakte van ten minste vijf hectare, die gericht zijn op de
ontwikkeling en instandhouding van bos en andere houtopstanden, met
uitzondering van vruchtbomen, windsingels, wegbeplantingen en bomen
die bestemd zijn om te dienen als kerstbomen en kweekgoed;
b. projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en
instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in:
1°. gebieden die als beschermd natuurmonument of
staatsnatuurmonument zijn aangewezen op grond van de
Natuurbeschermingswet 1998, of
2°. gebieden die in het Structuurschema Groene Ruimte
(Kamerstukken II 1993/94, 22 880) zijn aangemerkt als gebieden
behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit en waarvoor een
gebiedsperspectief waardevol cultuurlandschap geldt;
c. projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en
instandhouding van:
1°. nieuwe natuur- en landschappelijke waarden van
landgoederen als bedoeld in artikel 2 van de Natuurschoonwet
1928, of
2°. natuur- en landschappelijke waarden blijkens een
landinrichtingsplan als bedoeld in artikel 73 van de
Landinrichtingswet, een inrichtingsplan als bedoeld in artikel
17 van de Wet inrichting landelijk gebied, een plan van
voorzieningen als bedoeld in artikel 44 van de Reconstructiewet
Midden-Delfland, of een herinrichtingsplan als bedoeld in
artikel 16 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de
Gronings-Drentse Veenkoloniën;
d. projecten:
1°. in een natuurgebied die zijn gericht op de ontwikkeling
en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden
en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de
Subsidieregeling natuurbeheer 2000 en wat betreft bos en
houtopstanden tevens voldoen aan onderdeel a;
2°. in een beheers-, probleem-, natuur- of landschapsgebied
die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe
natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn
gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch
natuurbeheer en wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen
aan onderdeel a;
3°. van publiekrechtelijke rechtspersonen of van
instellingen als bedoeld in de Regeling bijdragen particuliere
terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties die zijn gericht
op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en
landschappelijke waarden in gebieden waarvoor een
begrenzingenplan is vastgesteld als bedoeld in de Regeling
beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling;
4°. die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding
van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking
zijn gekomen voor subsidie op grond van de Tijdelijke regeling
particulier natuurbeheer;
5°. in een beheers- of reservaatgebied die zijn gericht op
de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en
landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is
gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en
natuurontwikkeling;
6°. in een probleemgebied die zijn gericht op de
ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en
landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is
gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en
natuurontwikkeling;
e. projecten die zijn gericht op:
1°. het produceren of verwerken van plantaardige
landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit
biologische productiemethode;
2°. het produceren of verwerken van dierlijke
landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit
biologische productiemethode;
3°. het bedrijfsmatig telen van gewassen in een Groen Label
Kas;
f. projecten die zijn gericht op de industriële verwerking van
landbouwgrondstoffen of reststoffen van natuurbeheer tot producten
die niet geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie,
indien die producten in Nederland nog niet gangbaar zijn en leiden
tot een vermindering van de aantasting van het milieu, met
uitzondering van de verwerking van genoemde stoffen tot energie of
energiedragers;
g. projecten die zijn gericht op:
1°. het opwekken van elektriciteit uit schoon hout en
energierijke gewassen;
2°. het opwekken van elektrische energie door middel van een
windturbine die is gecertificeerd volgens NVN 11400-0 (uitgave
1999), voorzover deze normen daarop van toepassing is;
3°. het opwekken van elektrische energie met behulp van
fotovoltaïsche cellen;
4°. het gebruik van thermische zonne-energie door middel van
zonnecollectoren;
5°. het winnen van aardwarmte;
6°. het opwekken van elektrische energie uit waterkracht;
7°. het met behulp van warmtepompen met een COP
(coëfficiënt of performance) van ten minste 4 en een gesloten
bodemwarmtewisselaar of aquifer opwaarderen van laagwaardige
warmte naar hoogwaardige warmte op een zodanige wijze dat de
hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend;
8°. warmte-, onderscheidenlijk koudeopslag, in een aquifer
gedurende ten minste een maand;
9°. het aanleggen van warmtedistributienetten en het bouwen
van centrale bijstookketels en warmtebuffers ten behoeve van
stadsverwarmingprojecten en de verwarming van tuinbouwkassen die
thermische energie benutten van
elektriciteitsopwekkinginstallaties;
h. projecten die zijn gericht op:
1°. het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voldoen
aan bijlage 1 bij deze regeling en tevens minimaal 150 punten
behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;
2°. het door herbestemming van niet-woningen realiseren van
nieuwe woningen die voldoen aan bijlage 2 bij deze regeling en
tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage
vermelde systematiek, of
3°. het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd
voor 1980 en die voldoen aan bijlage 2 bij deze regeling en
tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage
vermelde systematiek;
4°. het realiseren van utiliteitsgebouwen die voldoen aan
bijlage 3 bij deze regeling;
5°. het renoveren van bestaande woningen door de
eigenaar-bewoner, waarbij indien hout wordt toegepast dat
duurzaam geproduceerd hout is, en waarbij energiebesparende
maatregelen worden doorgevoerd, en die voldoen aan één van de
volgende niveaus:
a. [vervallen;]
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten
minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning
verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
c. de Energie-index van de woning is na renovatie ten
minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning
verkrijgt na renovatie een A label;
i. projecten die zijn gericht op de realisatie van vrijgelegen
dan wel verhoogde fietspaden die verhard zijn met asfalt en die:
1°. de directe bereikbaarheid van transferia bevorderen,
2°. knelpunten opheffen in het recreatieve landelijk
fietsroutenet als aangegeven in het Structuurschema Groene
Ruimte, bedoeld in artikel 2, onder b, onderdeel 2°, en gelegen
zijn buiten de bebouwde kom,
3°. buiten de bebouwde kom gelegen zijn en de directe
verbinding vormen tussen:
– woonkernen met meer dan 50.000 inwoners en de direct
omringende woonkernen en leiden tot een vermindering van de
reistijd,
– Vinex-locaties en de direct omringende woonkernen, of
– een woonkern, waaronder begrepen een
verblijfsrecreatieconcentratie, en het landelijk net,
bedoeld onder 2°;
j. projecten die zijn gericht op het vrijwillig saneren van
verontreinigde bodems of waterbodems ter zake waarvan overeenkomstig
artikel 29 van de Wet op de bodembescherming is beslist dat er
sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en
overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van die wet goedkeuring is
gegeven aan het saneringsplan en waaraan naar zijn oordeel voorrang
moet worden verleend;
k. andere innovatieve en hoogwaardige projecten die naar zijn
oordeel in het belang zijn van de bescherming van het milieu,
waaronder natuur en bos.
Artikel 3
1. Een verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor:
a. een bestaand project;
b. een project waarvan het projectvermogen minder bedraagt dan
€ 22.689;
c. een project waarvan het niet aannemelijk is dat het enig
eigen rendement heeft, subsidies van overheden en
convenantsmiddelen daaronder begrepen;
d. een project waarvan het te verwachten economisch rendement
in verhouding tot het risico en het milieubelang zodanig is dat
het zonder toepassing van deze regeling tot stand kan komen;
e. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1°
of 2°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een
verklaring is afgegeven;
f. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder
3°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een
verklaring is afgegeven;
g. een project betreffende een woning als bedoeld in artikel 2,
onderdeel h, onder 1° of 2°, waarvan de stichtingskosten meer
dan € 272.268 bedragen;
h. een project betreffende een utiliteitsgebouw als bedoeld in
artikel 2, onderdeel h, onder 4°, indien de aanvraag voor een
groenverklaring is ingediend voor 1 januari 2005;
i. een project betreffende een utiliteitsgebouw als bedoeld in
artikel 2, onderdeel h, onder 4°, indien per kalenderjaar reeds
voor 50.000 m2 bruto vloeroppervlak een verklaring is afgegeven;
j. een project, indien dit tot gevolg zou hebben dat op een
bouwwerk gelijktijdig een verklaring op grond van artikel 2,
onderdeel h, onder 4°, en een verklaring op grond van artikel 2,
onderdeel g of k, van toepassing zou zijn;
k. een project, waarvoor vanwege de overheid of de Commissie
van de Europese Gemeenschappen uit anderen hoofde dan toekenning
van een financieel of ander voordeel dat op grond van deze
regeling door de projectbeheerder wordt genoten, een zodanig
voordeel is of zal worden verstrekt, dat door die toekenning het
totale op grond van de communautaire regelgeving toegestane
voordeel, zou worden overschreden.
2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op projecten
als bedoeld in artikel 2, onderdeel i.
3. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op projecten
als bedoeld in artikel 2, onderdeel g.3°, g.4°, of g.7°, die worden
uitgevoerd op of aan een woning en die worden uitgevoerd voor rekening
en risico van de eigenaar-bewoner.
Artikel 4
1.Een verklaring kan slechts worden aangevraagd door en afgegeven
worden aan een kredietinstelling of een beleggingsinstelling als
bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001, die voornemens is in belangrijke mate bij te dragen aan het
verstrekken van kredieten ten behoeve van het project dan wel het
direct of indirect beleggen van vermogen in het project.
2.Een aanvraag voor projecten als bedoeld in artikel 2, onderdelen
a tot en met f, wordt ingediend bij de Dienst Regelingen van het
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en voor andere
projecten bij SenterNovem.
3.Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is afgegeven
kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor de afloop van de geldende
verklaring worden ingediend.
4.De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier
dat door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer op aanvraag beschikbaar wordt gesteld.
5.Aan een aanvrager kan worden verzocht een accountantsverklaring
te overleggen, waaruit de juistheid of aannemelijkheid van de in de
aanvraag vermelde gegevens blijkt.
Artikel 5
1.De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer beslist, in overeenstemming met de Minister van
Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat, op een
aanvraag binnen acht weken na de indiening ervan.
2.Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de
projectbeheerder.
Artikel 6
1. De verklaring kan maximaal negen maanden na de afgifte van de
verklaring in werking treden en kan niet langer gelden dan de
verwachte levensduur van het project en dan een duur van ten hoogste:
a. tien jaren;
b. dertig jaren, indien het een project betreft als bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, b, c of d;
c. vijftien jaren, indien het een project betreft als bedoeld
in artikel 2, onderdeel g.3°, g.4°, of g.7°, die worden
uitgevoerd op of aan een woning en die worden uitgevoerd voor
rekening en risico van de eigenaar-bewoner.
2. De verklaring vermeldt de aard van het project, het
projectvermogen, de datum waarop de verklaring in werking treedt en de
periode waarvoor de verklaring geldt.
3. Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d,
onder 5° en 6°., komt voor een verklaring in aanmerking een bedrag
van:
1°. ten hoogste € 2.268 per hectare indien het project
betrekking heeft op passief beheer;
2°. ten hoogste € 4.538 per hectare indien het project
betrekking heeft op licht beheer;
3°. ten hoogste € 6.808 per hectare indien het project
betrekking heeft op zwaar beheer.
4. Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d,
onder 2°, komt voor een verklaring in aanmerking een bedrag van:
1°. ten hoogste € 2.268 per hectare voor projecten als
bedoeld in de bijlagen 19 tot en met 22 bij de Subsidieregeling
agrarisch natuurbeheer;
2°. ten hoogste € 4.538 per hectare voor projecten als
bedoeld in de bijlagen 15 tot en met 17, 24 tot en met 30, 32 en
45 bij de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;
3°. ten hoogste € 6.808 per hectare voor projecten als
bedoeld in de bijlagen 6 tot en met 14, 18, 23 en 41 tot en met 43
bij de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.
5. In afwijking van het vierde lid komen projecten die betrekking
hebben op beheerspakketten als bedoeld in de bijlagen 19 tot en met 22
bij de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, waarvan de
bijbehorende subpakketten inhoudelijk gelijk zijn aan een gelijknamig
beheerspakket als bedoeld in de bijlagen 12 tot en met 18 bij die
regeling, in aanmerking voor een bedrag dat gelijk is aan het bij die
beheerspakketten behorende bedrag, genoemd in de bijlagen 12 tot en
met 18 bij die regeling.
6. Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel e,
onder 3°, komt voor een verklaring in aanmerking een bedrag van ten
hoogste € 100 per m2 kasoppervlak, exclusief de kosten voor het
gelijktijdig opwekken van warmte en kracht of de kosten van een
warmptepomp en/of warmte en koudeopslag.
7. Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h,
onder 4°, komt voor een verklaring in aanmerking een bedrag van ten
hoogste € 400 per m2 bruto vloeroppervlak.
8. Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h,
onder 4°, komt voor een verklaring in aanmerking maximaal 5000 m2
bruto vloeroppervlak per project.
9. Het projectvermogen van een project onder artikel 2, onderdeel
k, wordt, indien het meer bedraagt dan € 25.000.000, beperkt tot dat
bedrag, tenzij bij besluit van de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de
Minister van Financiën anders is bepaald.
10. Het projectvermogen kan niet meer bedragen dan het bedrag dat
op grond van het mededingingsbeleid van de Europese Unie is
toegestaan.
11. Voor een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder
1°, 2° of 3°, komt ten hoogste een bedrag van € 34.034 voor een
verklaring in aanmerking.
12. Het projectvermogen kan, indien het meer bedraagt dan €
34.033.516, tot dat bedrag worden beperkt.
13. De verklaring voor een project als bedoeld in artikel 2,
onderdeel a, e, f, g, h.1° t/m h.4°, i, j of k vervalt indien binnen
2 jaar na de dag van afgifte van een verklaring geen aanvang is
gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden.
14. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen.
15. Voor een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder
5°, komt voor een verklaring in aanmerking:
a. [vervallen;]
b. een bedrag van maximaal € 50.000 voor projecten die
voldoen aan de eisen zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel h,
onder 5°, onder b;
c. een bedrag van maximaal € 100.000 voor projecten die
voldoen aan de eisen zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel h,
onder 5°, onder c.
Artikel 7
Indien het projectvermogen meer bedraagt dan € 25 000 000, of het
bedrag dat met de verklaring, bedoeld in artikel 2, mogelijk als een
financieel of ander voordeel kan worden verworven, meer bedraagt dan €
5 000 000, meldt de Minister het project overeenkomstig artikel 88,
derde lid, van het EG-verdrag aan bij de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
Artikel 8
1.De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en
na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en
de Minister van Verkeer en Waterstaat, de verklaring intrekken indien:
a. de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of
onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou
zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige
gegevens bekend waren geweest;
b. blijkt dat de uitvoering van het project in aanzienlijke
mate afwijkt van het project op grond waarvan de verklaring is
afgegeven;
c. blijkt dat de projectbeheerder de vermogenstoestand van het
project niet afzonderlijk administreert;
d. niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in de verklaring
zijn opgenomen;
e. de melding, bedoeld in artikel 8, niet onverwijld is
geschied;
f. bij projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder
5°, de werkzaamheden niet zijn beëindigd binnen twee jaar na de
dag waarop de hypotheekakte werd gepasseerd dan wel de
leenovereenkomst werd gesloten.
2.Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben.
3.Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager.
4.Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de
projectbeheerder en de inspecteur.
Artikel 9
Indien de uitvoering van een project wordt gewijzigd doet de
instelling die kapitaal verschaft ten behoeve van een project waarvoor
een verklaring is afgegeven, daarvan onverwijld melding aan de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Artikel 10
Ten behoeve van de vaststelling van een verklaring van de daartoe van
belang zijnde gegevens en van de daaraan verbonden rechten en plichten
is ten aanzien van de kredietinstelling of beleggingsinstelling, bedoeld
in artikel 5.14, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de
projectbeheerder hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, waarbij de aldaar
jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen mede gelden jegens de door
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
aangewezen personen.
Artikel 11
1.De in artikel 2, onderdeel g, onder 2°, gegeven verwijzing naar
NVN-norm 11400-0, heeft betrekking op de laatst uitgegeven NVN-norm,
met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een
uitgegeven aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst
van toepassing op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de
uitgifte heeft plaatsgevonden.
2.Met de in deze regeling bedoelde normen, meetvoorschriften,
tests, verklaringen en certificaten, worden gelijkgesteld normen,
meetvoorschriften, tests, verklaringen en certificaten die worden
toegepast in een andere staat en die ten minste een gelijkwaardig
beschermingsniveau bieden dan wel indien het verklaringen en
certificaten betreft, deze zijn afgegeven op basis van onderzoekingen
die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan
het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Artikel 12
1.De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en
na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en
de Minister van Verkeer en Waterstaat, een verklaring afgeven voor:
a. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, onder 3°,
van de Regeling groenprojecten 2002, zoals deze luidde voor de
datum van inwerkingtreding van deze regeling, indien een aanvraag
daartoe binnen twee weken na de datum van inwerkingtreding van
deze regeling wordt ingediend en voor dit project een
bouwvergunning is afgegeven die rechtsgeldig is ten tijde van de
aanvraag en waarvoor de verplichting tot levering van de kas voor
de datum van inwerkingtreding van deze regeling is aangegaan;
b. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van de
Regeling groenprojecten 2002, zoals deze luidde voor de datum van
inwerkingtreding van deze regeling, indien een aanvraag daartoe
binnen negen weken na de datum van inwerkingtreding van deze
regeling wordt ingediend en waarvoor voor de datum van
inwerkingtreding van deze regeling een aanvraag voor een
bouwvergunning is ingediend;
c. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van de
Regeling groenprojecten 2005, zoals deze luidde voor de datum van
inwerkingtreding van de regeling groenprojecten 2006, indien een
aanvraag daartoe binnen twaalf weken na de datum van
inwerkingtreding van deze regeling wordt ingediend en waarvoor
voor 1 januari 2006 een aanvraag voor een bouwvergunning is
ingediend.
2.Aan een verklaring voor een project als bedoeld in het eerste
lid, onder a, is de voorwaarde verbonden dat binnen drie maanden na
het onherroepelijk worden van de bouwvergunning een begin met de
uitvoering van de bouwwerkzaamheden wordt gemaakt.
Artikel 13
1.De Regeling groenprojecten 2002 wordt ingetrokken.
2.De regeling, genoemd in het eerste lid, blijft van toepassing op
projecten waaarvoor voor de datum van inwerkingtreding van deze
regeling een aanvraag voor een verklaring is ingediend.
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 15
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling groenprojecten 2005.
Deze regeling zal met de
toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 22 juni 2005.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|