| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
REGELING
GROENPROJECTEN BUITENLAND 2002
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
De
Staatssecretaris van Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 5.14, zesde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
Besluit:
Artikel 1
1. Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 5.14, achtste lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de verklaringen
als genoemd in artikel 5.14, derde lid, onderdeel b, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 voor projecten welke gelegen zijn in
ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden.
2. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. project:
een niet binnen het Koninkrijk der Nederlanden gelegen technisch,
functioneel en in tijd samenhangend geheel van activa;
b. bestaand project:
een project dat een jaar voor de dag waarop de aanvraag tot
afgifte van een verklaring wordt ingediend reeds bestaat, dan wel
een project waarvoor een jaar voor die dag reeds een begin met de
uitvoering der fysieke werkzaamheden is gemaakt;
c. projectbeheerder:
degene voor wiens rekening en risico het project wordt ontwikkeld
en in stand wordt gehouden;
d. projectvermogen:
het vermogen dat nodig is voor de financiering van vaste activa
en de landgebruiksrechten die noodzakelijk zijn voor en uitsluitend
dienstbaar zijn aan de uitvoering van een project. Het
projectvermogen wordt voor een project van een projecttype dat is
opgenomen in de publicatie: Normgetallen Groen Beleggen Buitenland
(Publicatiereeks Groen Beleggen Buitenland 1), gelijk gesteld aan
het in die publicatie genoemde bedrag;
e. verklaring:
schriftelijk besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu
als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, onderdeel b, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 waarin wordt verklaard dat een project in
het belang is van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en
bos;
f. accountantsverklaring:
verklaring afgegeven door een registeraccountant of een
accountant-administratieconsulent;
g. Joint-implementationproject:
een project als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a,
van de United Nations Framework Convention on Climate Change, als
bevestigd in het Kyoto protocol van de United Nations Framework
Convention on Climate Change;
h. de ministers:
de Minister van Infrastructuur en Milieu, in overeenstemming met
de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Minister van
Buitenlandse Zaken.
Artikel 2
1.Een verklaring kan, met uitzondering van verklaringen ten behoeve
van Joint-implementationprojecten, slechts worden afgegeven ten
behoeve van projecten die gelegen zijn in een land dat geen lid is van
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en
waarvan de welvaart en ontwikkeling een zodanig niveau heeft dat naar
het oordeel van de ministers het land niet in staat wordt geacht het
project, in relatie tot het projectrendement, en de projectkosten, met
eigen middelen te realiseren.
2.Een verklaring kan slechts worden afgegeven ten behoeve van
projecten gelegen in een land waar de ontwikkeling en de stand van het
milieu zulks naar het oordeel van de ministers rechtvaardigen.
Artikel 3
Een verklaring kan slechts worden afgegeven voor projecten die naar
het oordeel van de ministers:
a. in hoge mate in het belang zijn van het milieu, waaronder
begrepen natuur en bos;
b. nog niet gangbaar zijn in het desbetreffende land of in de
desbetreffende regio van het land;
c. geen zwaarwegende negatieve effecten hebben op het milieu,
waaronder begrepen grondstofgebruik en natuur, in de desbetreffende
regio of elders;
d. redelijkerwijs uit de beste technische mogelijkheden bestaan
of de optimale deugdelijkheid en duurzaamheid bezitten;
e. in overeenstemming zijn met het Nederlandse internationale
milieubeleid.
Artikel 4
Een verklaring kan slechts worden afgegeven ten behoeve van projecten
die naar het oordeel van de ministers:
a. met participatie van de lokale bevolking tot stand komen en de
sociaal-economische situatie van de armen verbeteren;
b. inpasbaar zijn in de lokale infrastructuur, het lokale milieu,
de lokale natuur en het lokale milieubeleid;
c. de beschikking hebben over voldoende lokale kennis of over op
korte termijn beschikbaar te maken lokale kennis voor uitvoering en
instandhouding van het project;
d. lokaal mogelijk een demonstratie karakter hebben en aldaar
mogelijk navolging kunnen vinden;
e. in overeenstemming zijn met het Nederlandse buitenlandse en
ontwikkelingsbeleid.
Artikel 5
Een verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor:
a. een bestaand project;
b. een project waarvan het projectvermogen minder bedraagt dan
€ 22.689;
c. een project waarvan niet aannemelijk is dat het enig eigen
rendement heeft;
d. een project waarvan het te verwachten economisch rendement in
verhouding tot het risico en het milieubelang zodanig is dat het
zonder toepassing van deze faciliteit tot stand zou kunnen komen.
Artikel 6
1. Een verklaring kan slechts worden aangevraagd door en afgegeven
aan:
a. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die
is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van die
wet, of
b. een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen.
2. De aanvraag voor een verklaring dient te worden ingediend bij de
Minister van Infrastructuur en Milieu.
3. Een verklaring kan slechts worden afgegeven indien de aanvraag
is geschied met gebruikmaking van een formulier dat door de Minister
van Infrastructuur en Milieu op aanvraag beschikbaar wordt gesteld.
4. Een verklaring kan slechts worden afgegeven indien de nadere
gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het project
binnen de door de Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen
periode worden verstrekt.
5. Een verklaring wordt slechts afgegeven indien na een door de
Minister van Infrastructuur en Milieu gedaan verzoek een
accountantsverklaring wordt overgelegd waaruit de juistheid of de
aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens of overige
relevante gegevens blijkt.
6. Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is
afgegeven, kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor de afloop van
de geldende verklaring worden ingediend.
Artikel 7
Een verklaring kan slechts afgegeven worden indien de
projectbeheerder bij het indienen van een aanvraag voor een verklaring
schriftelijk verklaart dat:
a. hij gedurende de looptijd van de verklaring inzake het project
te allen tijde aan daartoe door de Minister van Infrastructuur en
Milieu aan te wijzen personen toegang verleent tot het project en
tot de op het project betrekking hebbende financiële, technische en
organisatorische gegevens;
b. hij volstrekte medewerking verleent aan deze personen bij hun
taakuitoefening en hen behulpzaam zal zijn;
c. hij onverwijld deze personen om niet afschriften verstrekt van
de documenten die betrekking hebben op het project;
d. hij op verzoek van de Minister van Infrastructuur en Milieu
een accountantsverklaring overlegt met betrekking tot de door deze
minister aan te geven aspecten;
e. hij voldoet aan de voorwaarden die opgenomen zijn in de
verklaring;
f. hij de vermogenstoestand van het project afzonderlijk, op
eenduidige wijze en naar waarheid administreert;
g. hij onverwijld de Minister van Infrastructuur en Milieu, in
kennis stelt van wijzigingen in de uitvoering of de toestand van het
project waardoor dit afwijkt van het project waarvoor de verklaring
is afgegeven;
h. hij er mee instemt dat de bepalingen van artikel 9 bij de
aldaar genoemde omstandigheden worden toegepast;
i. hij er mee instemt dat op de zaken aangaande aanvraag,
afgifte, intrekking en toepassing van de verklaring en de controle
hierop uitsluitend Nederlands recht van toepassing is.
Artikel 8
Een verklaring kan slechts worden afgegeven indien de
kredietinstelling en de beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, bij de indiening
van een aanvraag verklaart dat zij indien door haar wordt overgegaan tot
kapitaalverschaffing:
a. bij de uitvoering der regeling jegens de door de Minister van
Infrastructuur en Milieu aangewezen personen de verplichtingen in
acht neemt die in Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen zijn genoemd ten opzichte van de inspecteur;
b. bij wijziging van de uitvoering van het project waarvoor een
verklaring is afgegeven daarvan onverwijld melding doet aan de
Minister van Infrastructuur en Milieu;
c. erop toeziet dat de vermogenstoestand van het project door de
projectbeheerder afzonderlijk wordt geadministreerd op een zodanige
wijze dat te allen tijde uit boeken en andere bescheiden de voor de
belastingheffing van belang zijnde gegevens duidelijk blijken;
d. hij instemt met de toepassing van de bepalingen van artikel 9
bij de aldaar genoemde omstandigheden.
Artikel 9
1.Aan een verklaring kunnen voorwaarden worden verbonden.
2.De verklaring kan worden ingetrokken indien deze voorwaarden niet
worden nageleefd.
3.De verklaring kan worden ingetrokken indien de voorwaarden in de
verklaring, als bedoeld in artikel 7 en artikel 8, niet worden
nageleefd.
4.De verklaring wordt met terugwerkende kracht ingetrokken indien
de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken,
dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de
beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren
geweest.
5.De verklaring kan worden ingetrokken indien de
kapitaalverschaffer een ander is dan degene die de aanvraag heeft
ingediend tenzij de kapitaalverschaffer schriftelijk verklaart te
handelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 8.
6.De verklaring kan worden ingetrokken indien de projectbeheerder
een ander is dan de projectbeheerder op wiens naam de verklaring is
afgegeven tenzij de nieuwe projectbeheerder verklaart te handelen
overeenkomstig de bepalingen in artikel 7.
Artikel 10
1. De verklaring kan maximaal negen maanden na afgifte van de
verklaring in werking treden en wordt voor geen langere periode dan
voor verwachtte levensduur van het project en de duur van ten hoogste
tien jaren afgegeven.
2. De verklaring kan slechts worden afgegeven voor een bedrag van
ten hoogste € 9.075.604 per project.
3. De verklaring vermeldt de aard van het project, het
projectvermogen, de kredietinstelling of de beleggingsinstelling op
wiens aanvraag de verklaring wordt afgegeven, de naam van de
projectbeheerder, de voorwaarden die op de verklaring van toepassing
zijn en de periode waarvoor de verklaring geldt.
4. De Minister van Infrastructuur en Milieu beslist in
overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Minister
van Buitenlandse Zaken op een aanvraag binnen acht weken na de
indiening ervan.
5. Een afschrift van de verklaring wordt gezonden aan de
projectbeheerder en aan de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote
Ondernemingen Amsterdam.
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en
werkt terug tot en met 1 januari 2002.
Artikel 12
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling groenprojecten
buitenland 2002.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 december 2001.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. Bos.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.P. Pronk.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst.
|
|
|