| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
REGELING
SOCIAAL-ETHISCHE PROJECTEN 2005
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, de Staatssecretaris van Financiën en de
Minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2006, nr. DJZ/BR/0166-2006,
houdende regels inzake aanwijzing van en verklaring voor projecten welke
gelegen zijn in ontwikkelingslanden en welke in het belang zijn van de
voedselzekerheid en voedselverbetering, de sociale en culturele
ontwikkeling of economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale
ontwikkeling in ontwikkelingslanden (Regeling sociaal-ethische projecten
2005)
De Minister
voor Ontwikkelingssamenwerking, de Staatssecretaris van Financiën en de
Minister van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.15, derde lid en zesde lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluiten:
Artikel 1
1. Deze regeling geeft uitvoering aan
artikel 5.15, derde lid en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001.
2. Deze regeling verstaat onder:
a. accountantsverklaring: een verklaring afgegeven door een
registeraccountant of een accountant-administratieconsulent;
b. project: in een ontwikkelingsland gelegen technisch, functioneel
en in tijd samenhangend geheel van activa en werkzaamheden;
c. bestaand project: een project waarvoor ten minste zes maanden
voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring is
ingediend een begin met de uitvoering van de fysieke werkzaamheden is
gemaakt;
d. ontwikkelingslanden: landen die voorkomen op de DAC 1 lijst van
de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling);
e. projectbeheerder: degene voor wiens rekening en risico het
project wordt ontwikkeld en in stand wordt gehouden;
f. projectvermogen: het vermogen dat nodig is voor de financiering
van vaste activa en de werkzaamheden om vaste activa te plaatsen, voor
zo ver noodzakelijk voor en uitsluitend dienstbaar aan de
totstandbrenging van een project;
g. verklaring: een schriftelijk besluit van de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking als bedoeld in artikel 5.15, derde lid, van
de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin wordt verklaard dat een project
in het belang is van de voedselzekerheid en voedselverbetering, de
sociale en culturele ontwikkeling of de economische ontwikkeling,
werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in een ontwikkelingsland.
h. de ministers: de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking in
overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van
Buitenlandse Zaken.
Artikel 2
1. Een verklaring wordt slechts afgegeven
voor projecten die naar het oordeel van de ministers:
a. in hoge mate in het belang zijn van:
– de voedselzekerheid en voedselverbetering in een
ontwikkelingsland;
– de sociale en culturele ontwikkeling in een ontwikkelingsland
of
– de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale
ontwikkeling in een ontwikkelingsland;
b. geen negatieve effecten hebben op het milieu, waaronder begrepen
grondstofgebruik en natuur, in de desbetreffende regio of elders;
c. geen negatieve effecten hebben op de sociale omstandigheden,
waaronder begrepen de positie van vrouwen en de armoede situatie, in
de desbetreffende regio of elders;
d. met participatie van de lokale bevolking tot stand komen en de
sociaal-economische situatie van de armen verbeteren;
e. worden uitgevoerd en instandgehouden met behulp van voldoende
lokale kennis of op korte termijn beschikken over voldoende lokale
kennis;
f. lokaal een demonstratiekarakter hebben en aldaar navolging
kunnen vinden;
g. tot stand komen in een omgeving waarin bestaande formele
financieringskanalen geen of nauwelijks toegang tot kredietverlening
bieden; en
h. in overeenstemming zijn met het Nederlandse buitenlandse en
ontwikkelingsbeleid.
2. Onverminderd het eerste lid kan voorts een verklaring worden
afgegeven voor projecten in ontwikkelingslanden op het gebied van:
a. krediet ten behoeve van voornamelijk de ontwikkeling van de
leningenportefeuille van financiële instellingen in
ontwikkelingslanden met als eindbegunstigden micro- en kleinbedrijven
in ontwikkelingslanden. Het betreft de specifieke dienstverlening aan
het micro- en kleinbedrijf in ontwikkelingslanden waarbij de door de
financiële instelling verstrekte financiering aan de eindbegunstigde
niet groter is dan € 24.957 per eindbegunstigde;
b. krediet ten behoeve van projecten door coöperaties in
ontwikkelingslanden. Dit betreft coöperaties in ontwikkelingslanden
waarbij de kapitaalinbreng per lid maximaal € 24.957 betreft.
Het eigen vermogen of risico dragend vermogen is geheel door de leden
bijeen gebracht. De coöperatie staat geregistreerd bij de Kamer van
Koophandel/Register voor Coöperaties in het land waar de coöperatie
actief is;
c. krediet ten behoeve van projecten die zijn gericht op het
produceren of verwerken van landbouwproducten in ontwikkelingslanden
die als biologisch zijn gecertificeerd op basis van EU bepalingen;
d. krediet ten behoeve van projecten door lokale productenten in
ontwikkelingslanden die zijn gericht op het produceren of verwerken
van door FairTrade Labelling Organisations International
gecertificeerde producten.
3. Aan een verklaring kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 3
Een verklaring wordt niet afgegeven voor:
a. een bestaand project;
b. een project waarvan het projectvermogen meer bedraagt dan € 4.537.802.
In het geval van opeenvolgend krediet aan dezelfde financiële
instelling, wordt geen verklaring meer afgegeven wanneer de
cumulatieve waarde van het totaal verstrekte krediet € 4.537.802
overschrijdt;
c. een project waarvan niet aannemelijk is dat het enig eigen
rendement heeft of zal hebben;
d. een project waarvan het te verwachten rendement zodanig is dat
het naar het oordeel van de ministers zonder toepassing van deze
regeling tot stand kan komen.
Artikel 4
1. Een verklaring kan slechts worden
aangevraagd door en afgegeven aan:
a. een kredietinstelling die is ingeschreven in het register,
bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, of
b. een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register,
bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.
2. De aanvraag voor een verklaring dient te worden ingediend bij
de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking.
3. Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is
afgegeven kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor de afloop van de
geldende verklaring worden ingediend.
4. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een
formulier dat door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking op
aanvraag beschikbaar wordt gesteld.
5. De aanvrager verstrekt de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking desgevraagd nadere gegevens die van belang
kunnen zijn voor de beoordeling van het project.
6. De aanvrager verstrekt de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking desgevraagd een accountantsverklaring, waaruit
de juistheid of aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens
blijkt.
Artikel 5
Bij de aanvraag van een verklaring moet worden overgelegd een
document van de projectbeheerder waarin deze schriftelijk verklaart dat:
a. hij gedurende de looptijd van de af te geven verklaring inzake
het project te allen tijde aan daartoe door de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen personen toegang verleent
tot het project en tot de op het project betrekking hebbende
financiële, technische en organisatorische gegevens;
b. hij volstrekte medewerking verleent aan deze personen bij hun
taakuitoefening en hen behulpzaam zal zijn;
c. hij onverwijld deze personen om niet afschriften verstrekt van
de documenten die betrekking hebben op het project;
d. hij op verzoek van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
een accountantsverklaring overlegt met betrekking tot de door deze
minister aan te geven aspecten;
e. hij zal voldoen aan de voorwaarden die opgenomen zullen worden
in de verklaring;
f. hij de vermogenstoestand van het project afzonderlijk, op
eenduidige wijze en naar waarheid zal administreren;
g. hij onverwijld de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking in
kennis zal stellen van wijzigingen in de uitvoering of de toestand
van het project waardoor dit afwijkt van het project waarvoor de
verklaring is aangevraagd;
h. hij er mee instemt dat op de zaken aangaande aanvraag,
afgifte, intrekking en toepassing van de verklaring en de controle
hierop uitsluitend Nederlands recht van toepassing is.
Artikel 6
Bij de aanvraag van een verklaring moet worden overgelegd een
document waarin de aanvragende instelling verklaart dat zij indien door
haar wordt overgegaan tot kapitaalverschaffing:
a. bij de uitvoering der regeling jegens de door de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking aangewezen personen de verplichtingen in
acht neemt die in Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen zijn genoemd ten opzichte van de inspecteur;
b. onverwijld de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking in
kennis stelt van wijzigingen in de uitvoering van het project
waardoor dit afwijkt van het project waarvoor de verklaring is
afgegeven;
c. erop toeziet dat de vermogenstoestand van het project door de
projectbeheerder afzonderlijk wordt geadministreerd op een zodanige
wijze dat te allen tijde uit boeken en andere bescheiden de voor de
belastingheffing van belang zijnde gegevens duidelijk blijken.
Artikel 7
1. De Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking beslist, in overeenstemming met de Minister
van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken, op een aanvraag
binnen acht weken na de indiening ervan.
2. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de
projectbeheerder.
Artikel 8
1. De verklaring kan voor geen langere
periode worden afgegeven dan voor de verwachte levensduur van het
project, maar voor ten hoogste tien jaren.
2. De verklaring voor een project vervalt van rechtswege indien
binnen 2 jaar na de dag van afgifte van de verklaring geen aanvang is
gemaakt met de fysieke uitvoering van de werkzaamheden.
3. De verklaring vermeldt de aard van het project, het
projectvermogen, de kredietinstelling of de beleggingsinstelling op
wiens aanvraag de verklaring wordt afgegeven, de naam van de
projectbeheerder, de voorwaarden die op de verklaring van toepassing
zijn en de periode waarvoor de verklaring geldt.
Artikel 9
1. De ministers kunnen de verklaring
intrekken indien:
a. blijkt dat de uitvoering of toestand van het project in
aanzienlijke mate afwijkt van het project op grond waarvan de
verklaring is afgegeven;
b. de projectbeheerder de voorwaarden van artikel 5 niet nakomt;
c. de instelling, bedoeld in artikel 4, de voorwaarden van artikel
2, derde lid, of artikel 6 niet nakomt;
d. de projectbeheerder een ander is dan de projectbeheerder die in
de aanvraag van een verklaring is gemeld tenzij de nieuwe
projectbeheerder verklaart te handelen overeenkomstig de bepalingen in
artikel 5;
e. de kapitaalverschaffer een ander is dan degene die de aanvraag
heeft ingediend tenzij de kapitaalverschaffer schriftelijk verklaart
te handelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 6.
2. Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben.
3. De verklaring wordt met terugwerkende kracht ingetrokken
indien de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig
blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als
bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren
geweest.
4. Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager die
ingevolge artikel 4, eerste lid, een aanvraag heeft ingediend.
5. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de
projectbeheerder en aan de inspecteur Belastingdienst Amsterdam.
Artikel 10
Ten behoeve van het afgeven van een verklaring en van de daartoe van
belang zijnde gegevens en van de daaraan verbonden rechten en plichten
is ten aanzien van de kredietinstelling of de beleggingsinstelling,
bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
en de projectbeheerder Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, waarbij de
aldaar jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen mede gelden jegens
de door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aangewezen personen.
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 12
1. Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling sociaal-ethische projecten 2005.
2. De Regeling sociaal-ethische projecten 2004 wordt ingetrokken.
3. De regeling, genoemd in het tweede lid, blijft van toepassing
op projecten waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van deze
regeling een aanvraag voor de afgifte van een verklaring is ingediend.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B.R. Bot.
|
|
|