|
BESLUIT van 20 december 2000, houdende vaststelling
van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november
2000, nr. WDB2000/872M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken,
Directie Wetgeving Directe Belastingen;
Gelet op de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.83,
3.126, 3.127, 4.25, 5.7, 5.22, 5.23, 6.25, 7.6, 10.8 en 10.9 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
De Raad van State gehoord (advies van 13
december 2000, nr. W06.00.0535/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2000, nr.
WDB2000/963U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie
Wetgeving Directe Belastingen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
(Hoofdstuk 1 van de wet)
Artikel 1. Reikwijdte en definitie
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de
artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.20, 3.64, 3.83, 3.126, 3.126a, 3.127,
4.25, 5.7, 5.20, 5.22, 5.23, 6.1, 6.16, 6.17, 6.25, 7.6, 9.2, 10.8 en
10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en aan artikel 10a van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. Dit besluit verstaat onder wet: de
Wet inkomstenbelasting 2001.
Hoofdstuk 2. Raamwerk (Hoofdstuk 2 van de
wet)
Artikel 2. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering
verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige
1.Aan een kiezende belastingplichtige
wordt volgens de artikelen 3 tot en met 10 een vermindering op de
verschuldigde inkomstenbelasting verleend voor de belasting die
betrekking heeft op niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te
belasten inkomensbestanddelen.
2.Onder een kiezende belastingplichtige
wordt verstaan:
a. een niet gedurende het gehele
kalenderjaar in Nederland wonende binnenlandse belastingplichtige,
of
b. een buitenlandse
belastingplichtige, die volgens artikel 2.5 van de wet kiest voor
toepassing van de regels van de wet voor binnenlandse
belastingplichtigen.
3.Voor de toepassing van dit artikel en
de artikelen 3 tot en met 10 blijft te conserveren inkomen en de
daarover verschuldigde belasting buiten beschouwing.
Artikel 3. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij
inkomen uit werk en woning
1.De vermindering vanwege in het
inkomen uit werk en woning begrepen niet of tegen een beperkt tarief
in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag
dat tot de belasting die zonder de toepassing van de artikelen 2 tot
en met 10 volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en
woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het
gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in
Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het
noemerinkomen.
2.Onder het gezamenlijke bedrag van de
niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen
van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:
a. de bestanddelen van het
noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit werk en woning
in Nederland volgens afdeling 7.2 van de wet, en
b. de inkomensbestanddelen die
daartoe wel behoren maar waarvoor het heffingsrecht op grond van
een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een
beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.
Bij een binnenlandse belastingplichtige
die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, worden
alleen de inkomensbestanddelen in aanmerking genomen die zijn genoten
in de periode dat hij niet in Nederland woonde.
3.De in het eerste lid bedoelde
vermindering wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid,
onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens
regelingen ter voorkoming van dubbele belasting slechts tegen een
beperkt tarief mag belasten, verlaagd met de belasting die Nederland
volgens die regelingen over de inkomensbestanddelen mag heffen. De
verlaging is evenwel niet hoger dan het bedrag aan belasting dat in
Nederland daadwerkelijk over die inkomensbestanddelen wordt geheven.
4.De in het eerste lid bedoelde
vermindering kan, na de verlaging, bedoeld in het derde lid, niet meer
bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van dit hoofdstuk
volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning
verschuldigd zou zijn.
5.Onder noemerinkomen wordt verstaan:
het inkomen uit werk en woning
a. vermeerderd met de hierop in het
jaar in mindering gebrachte uitgaven voor inkomensvoorzieningen en
persoonsgebonden aftrek, en
b. verminderd met de – met
overeenkomstige toepassing van artikel 3.13 van de wet – te
verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.
6.Onder de belasting die zonder de
toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare
inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de
over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen
uit werk en woning, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, van de wet, verminderd met een evenredig deel van het
belastingdeel van de heffingskorting. Het belastingdeel van de
heffingskorting wordt hierbij naar evenredigheid verdeeld over de,
zonder heffingskorting, berekende belasting op het belastbare inkomen
uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en
het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
Artikel 4. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening
dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij
inkomen uit werk en woning
De dividendbelasting geheven over tot het
inkomen uit werk en woning behorende dividenden die niet tot het in
afdeling 7.2 van de wet omschreven inkomen uit werk en woning in
Nederland behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende
belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld
in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting,
bedoeld in het tiende lid van dat artikel.
Artikel 5. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; doorschuifregeling
1.Voorzover het gezamenlijke bedrag van
de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten
bestanddelen van het noemerinkomen – berekend met inachtneming van
de verrekening volgens artikel 6 – groter is dan het noemerinkomen,
wordt het overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging vindt
alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag
door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
2.In het jaar waarnaar de overbrenging
plaatsvindt, wordt voor de berekening van de vermindering volgens
artikel 3 het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt
tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen
verhoogd met het over te brengen bedrag aan niet of tegen een beperkt
tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen.
Het noemerinkomen wordt niet verhoogd.
3.Artikel 26 van het Besluit voorkoming
dubbele belasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; inhaalregeling
1.Indien het gezamenlijke bedrag van de
niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen
van het noemerinkomen – berekend met inachtneming van de
overbrenging volgens artikel 5 – negatief is, wordt het voor de
toepassing van de vermindering volgens artikel 3 aangemerkt als een
negatief niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten
bestanddeel van het noemerinkomen van het volgend jaar. De inspecteur
stelt het naar het volgend jaar over te brengen bedrag vast bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
2.De artikelen 26 en 27 van het Besluit
voorkoming dubbele belasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij
inkomen uit aanmerkelijk belang
1.De vermindering vanwege in het
inkomen uit aanmerkelijk belang begrepen niet of tegen een beperkt
tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het
bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling
volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang
verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het
gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in
Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het
noemerinkomen.
2.Onder het gezamenlijke bedrag van de
niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen
van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:
a. de bestanddelen van het
noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit aanmerkelijk
belang in een in Nederland gevestigde vennootschap volgens
afdeling 7.3 van de wet, en
b. de inkomensbestanddelen die
daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van
een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een
beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.
Artikel 3, tweede lid, tweede volzin,
is van overeenkomstige toepassing.
3.De vermindering van het eerste lid
wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde
inkomensbestanddelen die Nederland volgens regelingen ter voorkoming
van dubbele belasting slechts tegen een beperkt tarief mag belasten,
verlaagd met de belasting die Nederland volgens die regelingen over de
inkomensbestanddelen mag heffen.
4.De vermindering van het eerste lid
kan, na de verlaging van het derde lid, niet meer bedragen dan de
belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet
over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou
zijn.
5.Onder noemerinkomen wordt verstaan:
het inkomen uit aanmerkelijk belang
a. vermeerderd met de hierop in het
jaar in mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek, en
b. verminderd met de – met
overeenkomstige toepassing van afdeling 4.10 van de wet – te
verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.
6.Onder de belasting die zonder de
toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare
inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, wordt verstaan:
de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen
uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef
en onderdeel b, van de wet verminderd met een evenredig deel van het
belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 3, zesde lid, tweede en
derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening
dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij
inkomen uit aanmerkelijk belang
De dividendbelasting geheven over tot het
inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden die niet tot het in
afdeling 7.3 van de wet omschreven inkomen uit aanmerkelijk belang in
een in Nederland gevestigde vennootschap behoren, wordt niet verrekend
met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde
inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid,
onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van
dat artikel.
Artikel 9. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij
voordeel uit sparen en beleggen
1. De vermindering vanwege in het
voordeel uit sparen en beleggen begrepen niet in Nederland te belasten
inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die
zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het
belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in
dezelfde verhouding staat als de rendementsgrondslag buiten Nederland
aan het begin van het jaar (peildatum) staat tot de
rendementsgrondslag op de peildatum.
2. De vermindering van het eerste lid
kan niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van
de afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en
beleggen verschuldigd zou zijn.
3. Onder de rendementsgrondslag buiten
Nederland wordt verstaan: het saldo van de in de rendementsgrondslag
begrepen
a. bezittingen en schulden die niet
behoren tot de rendementsgrondslag in Nederland volgens artikel
7.7 van de wet, en
b. bezittingen en de daarmee
verband houdende schulden die daartoe wel behoren, maar waarbij
het heffingsrecht over de daaruit genoten inkomsten op grond van
een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet aan
Nederland is toegewezen.
Bij een belastingplichtige die niet het
gehele jaar in Nederland woont, wordt de naar tijdsgelang herleide
gemiddelde waarde van de rendementsgrondslag buiten Nederland over de
periode dat hij niet in Nederland woonde, in aanmerking genomen.
Gedeelten van kalendermaanden worden hierbij als volle maand
beschouwd.
4. Onder de belasting die zonder de
toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare
inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, wordt verstaan:
de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen
uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef
en onderdeel c, van de wet verminderd met een evenredig deel van het
belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 3, zesde lid, tweede en
derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening
dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij
voordeel uit sparen en beleggen
De dividendbelasting geheven over
dividenden uit rechten die tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3
van de wet, behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende
belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld
in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting,
bedoeld in het tiende lid van dat artikel.
Artikel 11. Heffingsgrondslagen;
keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen
1. Partieel buitenlandse
belastingplichtigen die van buiten Nederland in dienstbetrekking
worden genomen als bedoeld in hoofdstuk 4A van het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965 kunnen kiezen voor toepassing van de regels van de
hoofdstukken 4 en 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals die
volgens hoofdstuk 7 van die wet gelden voor buitenlandse
belastingplichtigen (partieel buitenlandse belastingplicht). Een keuze
voor partieel buitenlandse belastingplicht geldt voor het gehele
kalenderjaar, maar ten hoogste voor de periode waarin de werknemer in
dat kalenderjaar voor hoofdstuk 4A van het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965 wordt beschouwd als ingekomen werknemer.
2. De in het eerste lid genoemde keuze
kan worden gemaakt en herzien zolang de aanslag niet onherroepelijk
vaststaat.
Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk
en woning (Hoofdstuk 3 van de wet)
Artikel 12. Belastbare winst uit
onderneming; vrijstelling voor bosbedrijf
1. Op verzoek van de belastingplichtige
blijven buiten aanmerking de voordelen uit bosbedrijf welke worden
behaald door onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip met ingang
waarvan op hem de vrijstelling van artikel 3.11, eerste lid, van de
wet van toepassing wordt de tot het bosbedrijf behorende bezittingen
te stellen op de waarde in het economische verkeer. De vorige volzin
is slechts van toepassing indien artikel 3.11, eerste lid, van de wet
met ingang van een jaar van toepassing wordt.
2. De inspecteur stelt het bedrag dat
ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijft bij voor bezwaar
vatbare beschikking vast.
3. De voordelen die ingevolge het
eerste lid buiten aanmerking blijven, worden alsnog als winst uit
onderneming in aanmerking genomen – met dien verstande dat artikel
3.11, eerste lid, van de wet op die voordelen niet van toepassing is
– indien de belastingplichtige binnen vijf jaren na het tijdstip
waarop de in het eerste lid bedoelde vrijstelling op hem van
toepassing is geworden, het bosbedrijf of een gedeelte van het
bosbedrijf – anders dan ten gevolge van overlijden of onteigening,
daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming
van onteigening – staakt. In geval van staking van een gedeelte van
het bosbedrijf worden de in de vorige volzin bedoelde voordelen
slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op dit
gedeelte. De voordelen worden geacht te zijn genoten ten tijde van de
staking.
4. Voor de toepassing van het derde lid
wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon
als bedoeld in artikel 3.63, vierde of vijfde lid, van de wet mits
zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit
schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen
voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn
getreden van de belastingplichtige.
Artikel 12bis. Belastbare winst uit
onderneming; privégebruik auto
1. Het afgeven van de verklaring
uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, bedoeld in artikel 3.20,
elfde lid, van de wet, geschiedt door het duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud invullen van het daartoe langs elektronische weg ter
beschikking gestelde modelformulier en het toezenden van het ingevulde
modelformulier aan de inspecteur.
2. De belastingplichtige is gehouden
voordat met de bestelauto waarop de verklaring, bedoeld in het eerste
lid, betrekking heeft voor privédoeleinden wordt gereden, mede te
delen dat hij de verklaring intrekt.
3. De mededeling, bedoeld in het tweede
lid, geschiedt door het toezenden van het daartoe langs elektronische
weg ter beschikking gestelde modelformulier aan de inspecteur.
4. Het niet of niet tijdig doen van de
mededeling, bedoeld in het tweede lid, en het niet doen van die
mededeling op de in het derde lid voorgeschreven wijze worden
aangemerkt als een overtreding.
5. De bevoegdheid tot het opleggen van
een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het vierde lid, vervalt
door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de
verplichting tot het doen van de mededeling, bedoeld in het tweede
lid, is ontstaan.
Artikel 12a. Belastbare winst uit
onderneming; aangewezen herstructeringsregelgeving
Als nationale regelgeving die leidt tot
herstructurering van een bedrijfstak als bedoeld in artikel 3.54,
twaalfde lid, onderdeel c, van de wet wordt aangewezen:
a. de Regeling beëindiging
veehouderijtakken;
b. de volgende provinciale regelingen
die in overeenstemming zijn met verordening (EG) nr. 1857/2006 van
de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de
artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en
middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot
wijziging van verordening (EG) nr. 70/2001 (PbEG L 358):
1°. wat betreft de provincie
Limburg: de Algemene subsidieverordening 2004 (provinciaal blad
2004, nr. 51); de Subsidieregels Project Verplaatsing Intensieve
Veehouderijen Noord- en Midden-Limburg (provinciaal blad 2005,
nr. 63); de Beleidsregels Project Verplaatsing Intensieve
Veehouderijen Noord- en Midden-Limburg (provinciaal blad 2005,
nr. 62);
2°. wat betreft de provincie
Noord-Brabant: de Verordening subsidies kwaliteits- en
structuurverbetering Landelijk Gebied provincie Noord-Brabant
2001 (provinciaal blad 2001, nr. 58); de Subsidieregeling
Verplaatsingskosten Veehouderij 2005 (provinciaal blad 2005, nr.
131);
3°. wat betreft de provincie
Utrecht: de Subsidieverordening verplaatsing intensieve
veehouderij provincie Utrecht 2005 (provinciaal blad 2006, nr.
6);
4°. wat betreft de provincie
Gelderland: de Subsidieregeling Verplaatsing intensieve
veehouderijen Gelderland (provinciaal blad 2005, nr. 542);
5°. wat betreft de provincie
Overijssel: het Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2005
(provinciaal blad 2005, nr. 82); de Beleidsregel Verplaatsing
intensieve veehouderijen Overijssel 2005 (provinciaal blad 2006,
nr. 85);
6°. wat betreft de provincie
Friesland: Kadersubsidieverordening pMJP Fryslân 2009
(provinciaal blad 2009, nr. 20); Subsidieverordening pMJP
Fryslân 2009, hoofdstuk 1.1.3. Subsidie agrarische
bedrijfsverplaatsing en daaraan gerelateerde investeringskosten
(provinciaal blad 2009, nr. 48);
7°. wat betreft de provincie
Groningen: Programma landelijk gebied PMJP 2007-2013 Groningen,
deel 3. Kader voor subsidies en overeenkomsten, paragraaf 9.3.
Regeling bedrijfshervestiging en beëindiging (provinciaal blad
2007, nr. 36);
8°. wat betreft de provincie
Drenthe: Provinciaal Meerjarenprogramma Drenthe, deel 3.
Subsidiegids, hoofdstuk 2. Subsidies voor natuur, paragraaf 2.1.
Realisatie natuur binnen de EHS, Subparagrafen Verwerving EHS en
Agrarische bedrijfsverplaatsingen (provinciaal blad 2007, nr.
44).
Artikel 13. Belastbaar loon; pensioen in
grensoverschrijdende situaties
De waarde in het economische verkeer van
opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel
3.83 van de wet wordt gesteld op de bedragen die bij een derde zouden
moeten worden gestort ten einde de aanspraken te dekken.
Artikel 14. Uitgaven voor
inkomensvoorzieningen via een lijfrenteverzekering; toegelaten
aanbieders
1. Als een lichaam dat bevoegd het
verzekeringsbedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 3.126, eerste
lid, onderdeel d, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen
een verzekeraar die op grond van de Wet op het financieel toezicht
bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.
2. Als een pensioenfonds als bedoeld in
artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet kan door Onze
Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat
van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van
pensioenaanspraken van tenminste 100 deelnemers of gewezen deelnemers
en dat in aanvulling op of ter voortzetting van die pensioenaanspraken
vanuit een vestiging buiten Nederland lijfrenteovereenkomsten sluit.
3. Alvorens tot een aanwijzing wordt
overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds
zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden,
te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit
fonds verzekerde en nog te verzekeren lijfrenten, bedoeld in artikel
3.124 van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van
de lijfrenteovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid
jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting
die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133,
3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft
een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij
ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde
verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in
Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of
dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden,
ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid
aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.
4. De aanwijzing kan eveneens
plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door
de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de belastingplichtige
wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid
heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de
aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst aan de ontvanger, mits de
verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding.
5. De aanwijzing kan door Onze Minister
worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet
meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van
inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een
juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde
lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt.
6. Indien de aanwijzing wordt
ingetrokken, worden bij de verzekeringnemers van de bij deze
verzekeraar of dit pensioenfonds gesloten lijfrenteovereenkomsten, dan
wel indien een verzekeringnemer is overleden, bij de gerechtigden tot
de lijfrenten, geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in
aanmerking genomen indien de lijfrenten onder door Onze Minister te
stellen voorwaarden alsnog overgaan op een toegelaten aanbieder als
bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, van de wet.
7. Onze Minister maakt het aanwijzen
als een lichaam als bedoeld in het eerste lid, dan wel het aanwijzen
als een pensioenfonds als bedoeld in het tweede lid, op een daartoe
geschikte wijze publiek bekend. Indien Onze Minister een aanwijzing
intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze
publiek bekend.
Artikel 14a. Uitgaven voor
inkomensvoorzieningen via een lijfrentespaarrekening of een
lijfrentebeleggingsrecht; toegelaten aanbieders
1. Als een onderneming of instelling
die bevoegd als bank of als beheerder van een beleggingsinstelling
optreedt als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel c, van
de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een onderneming of
instelling die op grond van de Wet op het financieel toezicht bevoegd
is diensten naar Nederland te verrichten.
2. Alvorens tot een aanwijzing wordt
overgegaan, dient de onderneming of instelling zich tegenover Onze
Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met
betrekking tot de bij deze onderneming of instelling aangehouden
lijfrentespaarrekeningen, onderscheidenlijk met betrekking tot de door
deze onderneming of instelling beheerde lijfrentebeleggingsrechten,
bedoeld in artikel 3.126a van de wet, inlichtingen te verstrekken over
de uitvoering van de overeenkomsten en een in Nederland uitwinbare
zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de
belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de
artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste
volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in
een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde
onderneming of instelling jegens de ontvanger geen in Nederland
uitwinbare zekerheid te stellen indien deze onderneming of instelling,
onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een
overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in
die volzin bedoelde belasting.
3. De aanwijzing kan eveneens
plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door
de onderneming of instelling maar door de belastingplichtige wordt
gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft
zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken op
het tegoed van een lijfrentespaarrekening, onderscheidenlijk van de
aanspraken op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht aan de
ontvanger, mits de onderneming of instelling instemt met deze
verpanding.
4. Artikel 14, vijfde, zesde en zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15. Uitgaven voor
inkomensvoorzieningen; in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten;
waardeaangroei
1.Voor de toepassing van artikel 3.127,
eerste en vierde lid, van de wet, verstrekt de verzekeraar van een
pensioen als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b,
van de wet aan de belastingplichtige een opgave van de aan een
kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse
uitkeringen van de aan hem toekomende aanspraken die recht geven op
een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, voor zover deze
aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in het
kalenderjaar.
2.De aan een kalenderjaar toe te
rekenen pensioenaangroei, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald als
volgt:
a. bij een aan een beschikbare
premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom:
door de op het kalenderjaar betrekking hebbende premies te
vermenigvuldigen met de volgende factor:
|
Indien de
belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar |
factor |
|
15 jaar of ouder, doch jonger dan
20 jaar is |
0,36 |
|
20 jaar of ouder, doch jonger dan
25 jaar is |
0,30 |
|
25 jaar of ouder, doch jonger dan
30 jaar is |
0,25 |
|
30 jaar of ouder, doch jonger dan
35 jaar is |
0,21 |
|
35 jaar of ouder, doch jonger dan
40 jaar is |
0,17 |
|
40 jaar of ouder, doch jonger dan
45 jaar is |
0,14 |
|
45 jaar of ouder, doch jonger dan
50 jaar is |
0,12 |
|
50 jaar of ouder, doch jonger dan
55 jaar is |
0,10 |
|
55 jaar of ouder, doch jonger dan
60 jaar is |
0,08 |
|
60 jaar of ouder, doch jonger dan
65 jaar is |
0,07; |
b. bij overige aan het inkomen
gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bij ouderdom:
door het opbouwpercentage van het kalenderjaar van de aan de
belastingplichtige toekomende pensioenaanspraken te
vermenigvuldigen met de pensioengrondslag van het kalenderjaar.
3.De opgave van de pensioenaangroei
wordt door de verzekeraar binnen tien maanden na afloop van het
kalenderjaar waarop de pensioenaangroei betrekking heeft, aan de
belastingplichtige verstrekt.
4.De pensioengrondslag, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald door het pensioengevend
inkomen van het kalenderjaar te verminderen met het in het
kalenderjaar ingevolge de pensioenregeling in aanmerking genomen
bedrag ter zake van uitkeringen als bedoeld in artikel 9 van de
Algemene Ouderdomswet.
5.Ingeval het pensioen op grond van
de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum eerder ingaat
dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd en er geen sprake is
van een aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange
inkomensvoorziening bij ouderdom, wordt de in het eerste lid
bedoelde aangroei gesteld op de met toepassing van het tweede lid,
onderdeel b, bepaalde aangroei, vermenigvuldigd met de volgende
factor:
|
In de
pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum |
factor |
|
64 jaar of ouder, doch jonger dan
65 jaar |
2/1,85 |
|
63 jaar of ouder, doch jonger dan
64 jaar |
2/1,71 |
|
62 jaar of ouder, doch jonger dan
63 jaar |
2/1,59 |
|
61 jaar of ouder, doch jonger dan
62 jaar |
2/1,48 |
|
jonger dan 61 jaar |
2/1,38. |
Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij
aanmerkelijk belang (Hoofdstuk 4 van de wet)
Artikel 15a. Verkrijgingsprijs bij in
artikel 4.21, vijfde lid, van de wet genoemde situaties; verminderen van
de conserverende aanslag(en)
1. Indien een belastingplichtige
krachtens een in het derde lid omschreven titel aandelen of
winstbewijzen verkrijgt van een niet in Nederland wonend natuurlijk
persoon en eerder ter zake van die aandelen of winstbewijzen een
conserverende aanslag is opgelegd waarvoor nog uitstel van betaling
loopt, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de
verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen gesteld op de
overdrachtsprijs van die aandelen of winstbewijzen waarvan is
uitgegaan voor die conserverende aanslag,
verminderd met:
a. vier maal het bedrag waarvoor
krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog
uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende aanslag
voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of
winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
b. vier maal het bedrag waarvoor
krachtens artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990
kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende
aanslag, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de
aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en
c. de reguliere voordelen die
ingevolge artikel 4.12a van de wet niet tot het inkomen uit
aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen
toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de
belastingplichtige verkrijgt,
en vermeerderd met:
d. de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend
natuurlijk persoon in de periode dat die persoon ter zake van die
aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk
belang als bedoeld in afdeling 7.3 van de wet genoot, voor zover
blijkt dat die persoon hierover een naar het inkomen geheven
belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk
is, en
e. de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend
natuurlijk persoon in de periode dat die persoon ter zake van die
aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was,
voor zover blijkt dat de aangroei in die periode is ontstaan en
deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van
de verkrijgingsprijs ingevolge dit lid, onderdeel d,
en verminderd met:
f. de waardedaling van de aandelen
of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend natuurlijk
persoon in de periode dat die persoon ter zake van de aandelen of
winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover
blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan.
2. Ingeval aan de in het eerste lid
bedoelde verkrijging meerdere gebeurtenissen vooraf zijn gegaan ter
zake waarvan conserverende aanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel
van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van het eerste lid
als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor
de laatste gebeurtenis. Ter bepaling van de verkrijgingsprijs wordt
deze overdrachtsprijs,
verminderd met:
a. vier maal het bedrag waarvoor
krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog
uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende aanslagen
voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of
winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt;
b. vier maal het bedrag waarvoor
krachtens artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990
kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende
aanslagen, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de
aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en
c. de reguliere voordelen die
ingevolge artikel 4.12a van de wet niet tot het inkomen uit
aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen
toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de
belastingplichtige verkrijgt,
en vermeerderd met:
d. de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende
natuurlijke personen in de periode dat die personen ter zake van
die aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk
belang als bedoeld in afdeling 7.3 van de wet hebben genoten, voor
zover blijkt dat die personen hierover een naar het inkomen
geheven belasting hebben betaald die naar Nederlandse maatstaven
redelijk is, en
e. de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende
natuurlijke personen in de periode dat die personen ter zake van
die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig
waren, voor zover blijkt dat de aangroei in die periode is
ontstaan en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de
vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge dit lid,
onderdeel d,
en verminderd met:
f. de waardedaling van de aandelen
of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende natuurlijke
personen in de periode dat die personen ter zake van het
aanmerkelijk belang niet in Nederland belastingplichtig waren,
voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan.
3. Een in het eerste bedoelde titel
betreft:
a. een overgang onder algemene
titel;
b. een overgang krachtens erfrecht
onder bijzondere titel;
c. een verdeling van een
nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het
overlijden van de erflater, respectievelijk na de ontbinding van
de huwelijksgemeenschap, of
d. een overdracht krachtens
schenking.
4. Ingeval het eerste lid toepassing
heeft gevonden, wordt de in dat lid bedoelde conserverende aanslag
door de inspecteur verminderd met het bedrag van de belasting waarvoor
krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 ter
zake van de aldaar bedoelde aandelen of winstbewijzen nog uitstel van
betaling loopt. Met betrekking tot deze vermindering is artikel 30g,
tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van
toepassing. Ingeval het eerste lid in verbinding met het tweede lid
toepassing heeft gevonden, vindt de eerste en tweede volzin toepassing
met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde conserverende
aanslagen.
5. Ingeval het uitstel van betaling op
grond van artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt
voortgezet in situaties waarin aandelen of winstbewijzen die aan het
verleende uitstel ten grondslag liggen zijn vervangen door andere
aandelen of winstbewijzen, worden die andere aandelen of winstbewijzen
geacht aan de conserverende aanslag ten grondslag te liggen en wordt
de overdrachtsprijs van die andere aandelen of winstbewijzen gelijk te
zijn aan de overdrachtsprijs van de aandelen of winstbewijzen die zijn
vervangen.
6. Voor de toepassing van dit artikel
wordt:
a. met artikel 25, achtste lid, van
de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 25, zesde lid, van
de Invorderingswet 1990 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31
december 2000;
b. met artikel 26, vierde lid, van
de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26, derde lid aanhef
en onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 26, tweede lid, aanhef
en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 zoals deze
artikelonderdelen luidden op 10 maart 2004, onderscheidenlijk 31
december 2000.
Artikel 16. Vervreemdingsvoordelen;
verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht;
vaststelling verkrijgingsprijs en verminderen van de aanslag
1. Indien een belastingplichtige met
een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en de vennootschap
waarop het belang betrekking heeft in Nederland is gevestigd, de
belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of artikel 7.5,
zevende lid, van de wet met betrekking tot dat belang is toegepast,
wordt de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen of
winstbewijzen gesteld op de verkrijgingsprijs, bedoeld in artikel 4.21
van de wet, en vervolgens vermeerderd of verminderd zoals in de
volgende leden is aangegeven.
2. De verkrijgingsprijs volgens artikel
4.21 van de wet wordt vermeerderd met de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover blijkt
dat de belastingplichtige in verband met het gaan wonen in Nederland
in het buitenland hierover een naar het inkomen geheven belasting
heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is.
3. De verkrijgingsprijs volgens artikel
4.21 van de wet wordt vermeerderd met de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover deze
aangroei blijkt te zijn ontstaan in een periode dat de
belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen in
Nederland niet belastingplichtig was en deze waardeaangroei nog niet
is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge het
tweede lid.
4. De verkrijgingsprijs volgens artikel
4.21 van de wet wordt verminderd met de waardedaling van de aandelen
of winstbewijzen beneden die verkrijgingsprijs voorzover deze
waardedaling is ontstaan in een periode waarin de belastingplichtige
ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland
belastingplichtig was.
5. Indien artikel 4.16, eerste lid,
onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet
eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is
geweest, wordt de aanslag over het jaar bij de vaststelling waarvan
een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest,
verminderd met een bedrag dat overeenkomt met dat gedeelte van de
belasting waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de
Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt. Met betrekking
tot deze vermindering is artikel 30g, tweede lid, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen niet van toepassing.
6. De verkrijgingsprijs volgens artikel
4.21 van de wet van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende
aandelen of winstbewijzen wordt vermeerderd met de aan die aandelen of
winstbewijzen toe te rekenen kosten welke zijn gemaakt voor het
stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 25, achtste lid, van de
Invorderingswet 1990, tenzij de verkrijgingsprijs op grond van het
tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen
of winstbewijzen die eerder krachtens artikel 4.16, eerste lid,
onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet
tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend.
7. Indien artikel 4.16, eerste lid,
onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet
eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is
geweest en de belastingplichtige op de aanslag bij de vaststelling
waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is
geweest betalingen heeft gedaan ter voldoening van de ingevolge een
van die artikelonderdelen verschuldigde belasting, wordt de
verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog tot het
aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen vermeerderd
met een bedrag ter grootte van vier maal het bedrag van de op die
aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen. De eerste
volzin is niet van toepassing voorzover de verkrijgingsprijs op grond
van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens artikel 4.16, eerste
lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de
wet tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend.
8. Indien artikel 4.16, eerste lid,
onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet
eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is
geweest en daarbij sprake was van een negatief vervreemdingsvoordeel,
wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog
tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen
verminderd met het aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen
negatieve vervreemdingsvoordeel.
9. Indien de belastingplichtige een
aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap
heeft en artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet ten aanzien
van dat belang krachtens artikel 4.18 van de wet niet is toegepast
toen hij Nederland verliet, wordt de verkrijgingsprijs van die
aandelen of winstbewijzen in afwijking van de voorgaande leden gesteld
op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip waarop de
belastingplichtige weer in Nederland is gaan wonen.
10. Indien de belastingplichtige een
aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft
en daartoe aandelen of winstbewijzen behoren die hij krachtens
huwelijksvermogensrecht, erfrecht, de verdeling van een nalatenschap
of huwelijksgemeenschap, of gift heeft verkregen in een periode dat
hij niet in Nederland woonachtig was en ten aanzien van degene van wie
hij de aandelen of winstbewijzen heeft verkregen ter zake van deze
overgang een conserverende aanslag is opgelegd waarvoor op het
tijdstip dat de belastingplichtige in Nederland gaat wonen nog uitstel
van betaling loopt, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de
verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen gesteld op de
overdrachtsprijs van die aandelen of winstbewijzen waarvan is
uitgegaan voor die conserverende aanslag,
verminderd met:
a. vier maal het bedrag waarvoor
krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog
uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende aanslag
voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of
winstbewijzen die de belastingplichtige heeft;
b. vier maal het bedrag waarvoor
krachtens artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990
kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende
aanslag, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de
aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft, en
c. de reguliere voordelen die
ingevolge artikel 4.12a van de wet niet tot het inkomen uit
aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen
toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de
belastingplichtige heeft,
en vermeerderd met:
d. de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen in de periode dat de belastingplichtige
ter zake van die aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit
aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 7.3 van de wet genoot,
voor zover blijkt dat de belastingplichtige hierover een naar het
inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse
maatstaven redelijk is, en
e. de waardeaangroei van de
aandelen of winstbewijzen bij de belastingplichtige in de periode
dat hij niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt
dat de aangroei in die periode is ontstaan en deze waardeaangroei
nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs
ingevolge dit lid, onderdeel d,
en verminderd met:
f. de waardedaling van de aandelen
of winstbewijzen bij de belastingplichtige in de periode dat hij
niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de
waardedaling in die periode is ontstaan.
Ingeval aan de in de eerste volzin lid
bedoelde verkrijging meerdere vervreemdingen vooraf zijn gegaan ter
zake waarvan conserverende aanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel
van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin
als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor
de laatste vervreemding en worden vervolgens met overeenkomstige
toepassing van artikel 15a, tweede lid, de verminderingen en
vermeerderingen van de eerste volzin toegepast.
Artikel 15a, vierde en vijfde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
11. Indien de belastingplichtige een
aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die middellijk of
onmiddellijk aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland
gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen of winstbewijzen, al
dan niet rechtstreeks, zijn verkregen van de belastingplichtige bij
wie die aandelen of winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang
behoorden, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet
van het eerstbedoelde aanmerkelijk belang verminderd met een bedrag,
waarbij deze vermindering kan leiden tot een negatieve
verkrijgingsprijs; de vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee op
het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde
in het economische verkeer van de door de vennootschap van de
belastingplichtige verkregen aandelen of winstbewijzen de
verkrijgingsprijs van de belastingplichtige van die aandelen of
winstbewijzen overtreft. De eerste volzin is niet van toepassing
voorzover in Nederland inkomstenbelasting of in een ander land naar
het inkomen geheven belasting is betaald over de waardeaangroei van
laatstgenoemde aandelen of winstbewijzen die naar Nederlandse
maatstaven redelijk is. Voor de berekening van de in het slot van de
eerste volzin bedoelde vermindering, wordt de verkrijgingsprijs van de
door de belastingplichtige aan de vennootschap vervreemde aandelen of
winstbewijzen vermeerderd met de waardeaangroei, bedoeld in het derde
lid, tot op het tijdstip van de in het slot van de in de eerste volzin
bedoelde verkrijging door die vennootschap onderscheidenlijk
verminderd met de waardedaling als bedoeld in het vierde lid tot op
het tijdstip van die verkrijging.
12. Voor de toepassing van het eerste
tot en met het elfde lid worden met de artikelen 4.16, eerste lid,
onderdeel h, 7.5, zevende lid, en 4.18 van de wet achtereenvolgens
gelijkgesteld de artikelen 20a, zesde lid, onderdeel i, 49, vijfde
lid, en 20a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964
zoals deze artikelonderdelen luidden op 31 december 2000. Met artikel
25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt gelijkgesteld
artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat
artikelonderdeel luidde op 31 december 2000. Met artikel 26, vierde
lid, van de Invorderingswet 1990 worden gelijkgesteld artikel 26,
derde lid, aanhef en onderdeel a, en artikel 26, tweede lid, aanhef en
onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen
achtereenvolgens luidden op 10 maart 2004, respectievelijk 31 december
2000.
Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen
en beleggen (Hoofdstuk 5 van de wet)
Artikel 17. Vrijstellingen; vrijstelling
bos- en natuurterreinen en landgoederen
Onder natuurterreinen als bedoeld in
artikel 5.7 van de wet worden verstaan heidevelden, hoogveenterreinen,
zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken,
riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voorzover deze terreinen geen
landbouwgronden zijn.
Artikel 17a. Waardering woningen;
correctie op WOZ-waarde
1. De waarde, bedoeld in artikel 5.20,
derde lid, van de wet, wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20,
eerste en tweede lid, van de wet, in aanmerking te nemen waarde (WOZ-waarde)
vermenigvuldigd met de leegwaarderatio.
2. Bij een voor het enkele gebruik van
de woning verschuldigde jaarlijkse huur of pacht als percentage van de
WOZ-waarde van:
|
meer dan |
maar niet meer dan |
bedraagt de
leegwaarderatio |
|
0% |
1,0% |
50% |
|
1,0% |
1,5% |
54% |
|
1,5% |
2,0% |
58% |
|
2,0% |
2,5% |
63% |
|
2,5% |
3,0% |
67% |
|
3,0% |
3,5% |
72% |
|
3,5% |
4,0% |
76% |
|
4,0% |
5,0% |
81% |
|
5,0% |
– |
85% |
3. De jaarlijkse huur of pacht,
bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld op twaalf maal de
maandelijkse huur, onderscheidenlijk pacht, zoals die geldt aan het
begin van het kalenderjaar. Indien de huurprijs, onderscheidenlijk
pachtprijs, zoals die tussen gelieerde partijen is overeengekomen
zodanig is dat deze tussen willekeurige derden niet overeengekomen
zou zijn, wordt de huurprijs, onderscheidenlijk pachtprijs, voor de
toepassing van het tweede lid gesteld op 3,5% van de WOZ-waarde.
4. Indien de woning een gedeelte van
een gebouwd eigendom is als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van
de Wet waardering onroerende zaken, en niet als een afzonderlijke
zaak vervreemd kan worden, wordt voor de toepassing van het eerste
en het tweede lid de WOZ-waarde van die woning verlaagd met een
bedrag van€ 20 000.
5. Indien van een woning een gedeelte
verhuurd is, wordt slechts de WOZ-waarde van dat deel
vermenigvuldigd met de leegwaarderatio. Indien de WOZ-waarde van dat
deel niet is vastgesteld, wordt deze bepaald door de totale
WOZ-waarde van de woning te vermenigvuldigen met de verhuurde
vierkante meters en te delen door de totale oppervlakte van de
woning.
Artikel 17b. Waardering woningen;
correctie voor erfpachtcanon
De waarde van een erfpachtcanon als
bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, van de wet wordt gesteld op het
zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste
volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend
aan een verhuurde woning als bedoeld in artikel 17a, vierde lid, gesteld
op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de
erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de,
met inachtneming van artikel 17a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van
de te onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom
waarop de erfpachtcanon betrekking heeft.
Artikel 18. Waardering; waardering
genotsrechten
1.De waarde van een genotsrecht als
bedoeld in artikel 5.22, derde lid, van de wet wordt gesteld op het
overeenkomstig artikel 19 tot kapitaal gebrachte bedrag van de
jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid.
2.Voor de toepassing van het eerste lid
worden de jaarlijkse voordelen gesteld op 4% van de waarde van hetgeen
aan het genotsrecht is onderworpen, naar het tijdstip waarop de
waardering van het genotsrecht plaatsvindt.
Artikel 19. Waardering; aanvullende
regels; waardering periodieke uitkeringen
1.De waarde van een levenslange,
ingegane periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven van
één mannelijke persoon, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag
vermenigvuldigd met:
|
22, wanneer degene |
jonger dan 20 jaar is, |
|
22, gedurende wiens |
20 jaar of ouder, doch jonger dan
25 jaar is, |
|
21, leven de uitkering |
25 jaar of ouder, doch jonger dan
30 jaar is, |
|
20, moet plaatshebben: |
30 jaar of ouder, doch jonger dan
35 jaar is, |
|
19, |
35 jaar of ouder, doch jonger dan
40 jaar is, |
|
18, |
40 jaar of ouder, doch jonger dan
45 jaar is, |
|
16, |
45 jaar of ouder, doch jonger dan
50 jaar is, |
|
15, |
50 jaar of ouder, doch jonger dan
55 jaar is, |
|
13, |
55 jaar of ouder, doch jonger dan
60 jaar is, |
|
11, |
60 jaar of ouder, doch jonger dan
65 jaar is, |
|
9, |
65 jaar of ouder, doch jonger dan
70 jaar is, |
|
8, |
70 jaar of ouder, doch jonger dan
75 jaar is, |
|
6, |
75 jaar of ouder, doch jonger dan
80 jaar is, |
|
4, |
80 jaar of ouder, doch jonger dan
85 jaar is, |
|
3, |
85 jaar of ouder, doch jonger dan
90 jaar is, |
|
2, |
90 jaar of ouder, doch jonger dan
95 jaar is, |
|
1, |
95 jaar of ouder is. |
2.De waarde van een ingegane
periodieke uitkering in geld die van het leven van één mannelijke
persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt
gesteld op het jaarlijkse bedrag, en vervolgens voor ieder vijftal
jaren of, zo dat minder is, het aantal jaren gedurende welke de
uitkering (nog) moet plaatshebben, vermenigvuldigd met vijf
onderscheidenlijk het aantal jaren gedurende welke de uitkering
(nog) moet plaatshebben, en vermenigvuldigd met de in de volgende
tabel opgenomen factor:
|
Leeftijdsklasse van
genoemde persoon met daaronder de factoren |
0–19 |
20–24 |
25–29 |
30–34 |
35–39 |
40–44 |
45–49 |
50–54 |
55–59 |
60–64 |
65–69 |
70–74 |
75–79 |
80–84 |
85–89 |
90–94 |
95–100 |
100– |
|
het eerste vijftal jaren |
0,91 |
0,91 |
0,91 |
0,91 |
0,90 |
0,90 |
0,90 |
0,89 |
0,88 |
0,87 |
0,84 |
0,80 |
0,74 |
0,65 |
0,54 |
0,40 |
0,27 |
0,18 |
|
het tweede vijftal jaren |
0,74 |
0,74 |
0,74 |
0,74 |
0,74 |
0,73 |
0,72 |
0,70 |
0,67 |
0,62 |
0,54 |
0,45 |
0,33 |
0,20 |
0,08 |
0,02 |
|
|
|
het derde vijftal jaren |
0,61 |
0,61 |
0,61 |
0,60 |
0,59 |
0,58 |
0,56 |
0,53 |
0,48 |
0,40 |
0,30 |
0,20 |
0,10 |
0,03 |
|
|
|
|
|
het vierde vijftal jaren |
0,50 |
0,50 |
0,49 |
0,49 |
0,48 |
0,46 |
0,43 |
0,38 |
0,31 |
0,22 |
0,14 |
0,06 |
0,02 |
|
|
|
|
|
|
het vijfde vijftal jaren |
0,41 |
0,40 |
0,40 |
0,39 |
0,37 |
0,35 |
0,30 |
0,24 |
0,17 |
0,10 |
0,04 |
0,01 |
|
|
|
|
|
|
|
het zesde vijftal jaren |
0,33 |
0,33 |
0,32 |
0,30 |
0,28 |
0,25 |
0,20 |
0,14 |
0,08 |
0,03 |
0,01 |
|
|
|
|
|
|
|
|
het zevende vijftal jaren |
0,27 |
0,26 |
0,25 |
0,23 |
0,20 |
0,16 |
0,11 |
0,06 |
0,02 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
het achtste vijftal jaren |
0,21 |
0,20 |
0,19 |
0,16 |
0,13 |
0,09 |
0,05 |
0,02 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
het negende vijftal jaren |
0,17 |
0,15 |
0,13 |
0,11 |
0,07 |
0,04 |
0,01 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
het tiende vijftal jaren |
0,13 |
0,11 |
0,09 |
0,06 |
0,03 |
0,01 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
het elfde vijftal jaren |
0,09 |
0,07 |
0,05 |
0,03 |
0,01 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
het twaalfde vijftal jaren |
0,06 |
0,04 |
0,02 |
0,01 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
de volgende jaren |
0,03 |
0,02 |
0,01 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De overeenkomstig de eerste volzin
vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou
zijn verkregen als de uitkering levenslang zou zijn.
3.De waarde van een levenslange
periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan en die van het
leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, wordt vastgesteld
overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de
periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op
nihil wordt gesteld en na het twaalfde vijftal jaren geen jaren meer
in aanmerking worden genomen. De aldus vastgestelde waarde wordt
niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de
uitkering reeds ingegaan zou zijn.
4.De waarde van een periodieke
uitkering in geld die nog niet is ingegaan, die van het leven van
één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd
vervalt, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij
voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is
ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld. De aldus
vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou
zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.
5.De waarde van een periodieke
uitkering in geld voor onbepaalde tijd, die niet van het leven
afhankelijk is, wordt gesteld op het vierentwintigvoud van het
jaarlijkse bedrag.
6.De waarde van een periodieke
uitkering in geld die na een bepaalde tijd vervalt en die niet van
het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag,
vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering
moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd
met een van de volgende factoren:
| |
factor |
|
het eerste vijftal jaren |
0,91 |
|
het tweede vijftal jaren |
0,75 |
|
het derde vijftal jaren |
0,61 |
|
het vierde vijftal jaren |
0,50 |
|
het vijfde vijftal jaren |
0,41 |
|
het zesde vijftal jaren |
0,34 |
|
het zevende vijftal jaren |
0,28 |
|
het achtste vijftal jaren |
0,23 |
|
het negende vijftal jaren |
0,19 |
|
het tiende vijftal jaren |
0,16 |
|
het elfde vijftal jaren |
0,13 |
|
het twaalfde vijftal jaren |
0,11 |
|
de volgende jaren |
0,09. |
De overeenkomstig de eerste volzin
vastgestelde waarde kan niet meer bedragen dan het vierentwintigvoud
van het jaarlijkse bedrag.
7.Een periodieke uitkering in geld,
afhankelijk van het leven van één vrouwelijke persoon, wordt
gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het
leven van een mannelijk persoon die vijf jaar jonger is dan
vorenbedoeld vrouwelijk persoon.
8.Een periodieke uitkering in geld
die vervalt bij het overlijden:
a. van de langstlevende van twee
of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke
uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon,
die tien jaar jonger is dan de jongste van de vorenbedoelde
personen;
b. van de eerststervende van twee
of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke
uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon,
die vijf jaar ouder is dan de oudste van de vorenbedoelde
personen.
9.Een periodieke uitkering in geld
tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld met een
periodieke uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag.
10.Een periodieke uitkering die recht
geeft op andere goederen dan geld, wordt gelijkgesteld met een
periodieke uitkering in geld tot een jaarlijks bedrag, gelijk aan de
overeenkomstig afdeling 5.4 van de wet geschatte waarde van de
goederen.
11.De waarde van een periodieke
uitkering die niet valt onder een van de vorige leden, wordt gesteld
op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden
aangekocht.
Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek
(Hoofdstuk 6 van de wet)
Artikel 19a. Aangewezen drukkende
uitgaven
Bij de bepaling van de omvang van hetgeen
op de belastingplichtige aan uitgaven voor specifieke zorgkosten drukt
blijven buiten beschouwing:
a. bijzondere bijstand in de zin van
artikel 35, eerste, derde en vierde lid, van de Wet werk en bijstand
die, ondanks een aanspraak op deze bijzondere bijstand, niet is
genoten en niet wordt genoten;
b. tegemoetkomingen als bedoeld in de
artikelen 2, 10 en 24 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en
gehandicapten.
Artikel 20. Definities ernstig
gehandicapt en zorgafhankelijk
1. Voor de toepassing van de artikelen
6.16 en 6.25 van de wet wordt iemand als ernstig gehandicapt beschouwd
indien hij gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een
bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde
intramurale inrichting.
2. Voor de toepassing van artikel 6.16
van de wet wordt iemand als zorgafhankelijk beschouwd indien hij, zo
hij niet bij de belastingplichtige zou inwonen, zou zijn aangewezen op
beroepsmatige hulp of verzorging in een verzorgingsinrichting of
verpleeginrichting.
Artikel 20a [Vervallen per 01-01-2009]
Hoofdstuk 7. Belastingheffing van
buitenlandse belastingplichtigen (Hoofdstuk 7 van de wet)
Artikel 21. Belastbaar inkomen uit
aanmerkelijk belang; aanpassing verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang
1. Indien op grond van artikel 26,
vierde lid, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige ter
zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang
behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is
verleend wegens in Nederland verschuldigde dividend- of
inkomstenbelasting ter zake van nadien genoten reguliere voordelen uit
die aandelen of winstbewijzen, wordt ten aanzien van hem de in artikel
7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of
winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag van die
reguliere voordelen.
2. Indien op grond van artikel 26,
vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 aan een
belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een
aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding
van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat
belang behorende aandelen of winstbewijzen tegen een lagere waarde dan
waarvan is uitgegaan voor de bepaling van dat geconserveerd inkomen,
wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde
verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen
verminderd met een bedrag gelijk aan vier maal het bedrag dat zal
worden kwijtgescholden aan belasting.
3. Indien op grond van artikel 26,
tweede lid, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige ter
zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang
behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is
verleend wegens het verstrijken van de termijn bedoeld in dat lid,
wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde
verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met:
a. ingeval geen kwijtschelding van
belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die
aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan vier maal het
bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die
kwijtschelding toerekenbaar is aan bedoelde aandelen of
winstbewijzen;
b. ingeval wel kwijtschelding van
belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die
aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil
tussen vier maal het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien
onderdeel a toepassing zou hebben gevonden en de eerdere
vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding
wegens de genoten reguliere voordelen op de bedoelde aandelen of
winstbewijzen.
4. Indien ter zake van de vervreemding
van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen
aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een
conserverende aanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag
krachtens artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990
kwijtschelding van belasting is verleend wegens in Nederland
verschuldigde dividend- of inkomstenbelasting ter zake van nadien door
de belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen of
winstbewijzen, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in
artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of
winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag van die
reguliere voordelen.
5. Indien ter zake van de vervreemding
van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen
aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een
conserverende aanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag
krachtens artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de
Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting zal worden verleend
wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of
winstbewijzen door de belastingplichtige tegen een lagere waarde dan
waarvan is uitgegaan voor die conserverende aanslag, wordt ten aanzien
van de belastingplichtige de in artikel 7.6 van de wet bedoelde
verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen
verminderd met een bedrag gelijk aan vier maal het bedrag dat zal
worden kwijtgescholden aan belasting.
6. Indien ter zake van de vervreemding
van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen
aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een
conserverende aanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag
krachtens artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990
kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de
termijn bedoeld in dat lid, wordt ten aanzien van de
belastingplichtige de in artikel 7.6 van de wet bedoelde
verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met:
a. ingeval geen kwijtschelding van
belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die
aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan vier maal het
bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die
kwijtschelding toerekenbaar is aan bedoelde aandelen of
winstbewijzen;
b. ingeval wel kwijtschelding van
belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die
aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil
tussen vier maal het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien
onderdeel a toepassing zou hebben gevonden en de eerdere
vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding
wegens de genoten reguliere voordelen op de bedoelde aandelen of
winstbewijzen.
7. Het vierde tot en met zesde lid is
ook van toepassing indien het betreft een kwijtschelding van een
conserverende aanslag waarvan het uitstel van betaling krachtens
artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 is
voortgezet bij de vervreemding aan de belastingplichtige.
8. Voor de toepassing van dit artikel
wordt met artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en
onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26,
derde lid, en artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990
zoals deze artikelonderdelen achtereenvolgens luidden op 10 maart
2004, respectievelijk 31 december 2000.
Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing
(Hoofdstuk 9 van de wet)
Artikel 21a. Als voorheffing aangewezen
bronbelasting
Als voorheffing worden aangewezen door
Andorra, British Virgin Islands, Curaçao, Guernsey, Isle of Man,
Jersey, Liechtenstein, Monaco, San Marino, Turks and Caicos Islands,
Sint Maarten en Zwitserland geheven bronbelasting over een uit die
mogendheid als uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van de
richtlijn nr. 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni
2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de
vorm van rentebetaling (PbEU L 157), genoten rentebetaling, mits de
bronbelasting vergelijkbaar is met die in artikel 11 van die richtlijn
en de rentebetaling valt onder de begripsomschrijving van artikel 6 van
die richtlijn.
Hoofdstuk 8. Aanvullende regelingen
(Hoofdstuk 10 van de wet)
Artikel 22. Overige aanvullende
regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen
1. Als administratieplichtigen als
bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
banken, beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen,
betaaldienstverleners, elektronischgeldinstellingen, financiële
instellingen, levensverzekeraars en schadeverzekeraars in de zin van
de Wet op het financieel toezicht.
2. Als gegevens en inlichtingen als
bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a. met betrekking tot
betaalproducten, spaarproducten en beleggingsproducten:
1°. de waarde in het
economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar;
2°. de in het kalenderjaar
genoten rente;
3°. de in het kalenderjaar
genoten opbrengst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
Wet op de dividendbelasting 1965;
4°. de obligatierente die in
het kalenderjaar is genoten, alsmede de obligatierente die in
het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is
gesteld of rentedragend is geworden;
5°. de in het kalenderjaar ten
laste van de belastingplichtige geheven dividendbelasting en
ingehouden buitenlandse bronbelasting;
b. met betrekking tot schulden als
bedoeld in artikel 3.119a van de wet en schulden als bedoeld in
artikel 5.3 van de wet:
1°. de waarde in het
economische verkeer aan het einde van het kalenderjaar;
2°. de rente die in het
kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is
gesteld of rentedragend is geworden;
c. met betrekking tot een
kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116,
tweede lid, van de wet:
1°. het in het kalenderjaar
genoten bedrag aan uitkering;
2°. indien de verzekering op
grond van artikel 3.116, derde lid, onderdeel a, b, c, e, f of
g, van de wet in het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering
te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de
verzekering op het tijdstip waarop die verzekering wordt
geacht tot uitkering te zijn gekomen;
d. met betrekking tot een
spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning als
bedoeld in artikel 3.116a, tweede lid, onderscheidenlijk artikel
3.116a, derde lid, van de wet:
1°. het in het kalenderjaar
gedeblokkeerde tegoed, onderscheidenlijk de in het
kalenderjaar gedeblokkeerde waarde;
2°. indien de spaarrekening of
het beleggingsrecht op grond van artikel 3.116a, vierde lid,
onderdeel a, b, d, e of f, van de wet in het kalenderjaar
wordt geacht te zijn gedeblokkeerd: het tegoed op de
spaarrekening onderscheidenlijk de waarde in het economische
verkeer van het beleggingsrecht op het tijdstip waarop die
spaarrekening of dat beleggingsrecht wordt geacht te zijn
gedeblokkeerd;
e. met betrekking tot een lijfrente
als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125 van de wet:
1°. de in het kalenderjaar
betaalde of verrekende premies;
2°. indien in het kalenderjaar
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133,
tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend
op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet of zich een
omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, derde
lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en
de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald
met toepassing van artikel 3.137 van de wet;
3°. de restituties in het
kalenderjaar van in een eerder kalenderjaar betaalde of
verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de
zin van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet;
f. met betrekking tot een
lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld
in artikel 3.126a van de wet:
1°. de in het kalenderjaar
overgemaakte bedragen;
2°. indien in het kalenderjaar
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133,
achtste lid, van de wet in samenhang met artikel 3.133, tweede
lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op
vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet: de omstandigheid
die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische
verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel
3.137 van de wet;
g. met betrekking tot een recht of
een tegoed als bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a
onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet: waarde in het
economische verkeer van het recht onderscheidenlijk het tegoed aan
het begin van het kalenderjaar;
h. met betrekking tot een recht op
kapitaaluitkering uit een op 14 september 1999 bestaande
levensverzekering:
1°. de waarde in het
economische verkeer van het recht aan het begin van het
kalenderjaar;
2°. een verhoging in het
kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel,
bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar
van de premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de
levensverzekering in het kalenderjaar, een en ander voor zover
die verhoging of verlenging de eerbiedigende werking van
hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet
inkomstenbelasting 2001, verloren doet gaan;
3°. het in het kalenderjaar
genoten bedrag aan uitkering;
i. met betrekking tot een recht op
kapitaaluitkering uit een op 31 december 2000 bestaande
levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in onderdeel
h:
1°. de waarde in het
economische verkeer van het recht aan het begin van het
kalenderjaar;
2°. het in het kalenderjaar
genoten bedrag aan uitkering;
j. met betrekking tot een recht op
kapitaaluitkering of prestatie uit levensverzekering, niet zijnde
een recht als bedoeld in de onderdelen c, g, h en i en niet zijnde
een recht als bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onderdeel c,
van de wet: de waarde in het economische verkeer van het recht aan
het begin van het kalenderjaar;
k. met betrekking tot een aanspraak
op periodieke uitkeringen of verstrekkingen ter zake van
invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in artikel 3.124,
eerste lid, onderdeel c, van de wet:
1°. indien in het kalenderjaar
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133,
tweede lid, onderdeel a, d voor zover betrekking hebbend op
vervreemding, e, g of i, laatstgenoemd onderdeel in samenhang
met het vijfde lid, van de wet: de omstandigheid die zich
heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van
de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de
wet;
2°. de in het kalenderjaar
betaalde of verrekende premies;
3°. de restituties in het
kalenderjaar van betaalde of verrekende premies indien de
restitutie geen afkoop is in de zin van artikel 3.133, tweede
lid, onderdeel d, van de wet;
l. met betrekking tot een aanspraak
op periodieke uitkeringen of verstrekkingen, niet zijnde een
aanspraak als bedoeld in de onderdelen e, f en k: de waarde in het
economische verkeer van het recht aan het begin van het
kalenderjaar.
3. Onder rente als bedoeld in het
tweede lid, onderdelen a en b, wordt verstaan: hetgeen tussen de
geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het
gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de
hoofdsom. Onder spaarproducten in de zin van het tweede lid, onderdeel
a, wordt niet verstaan: het geblokkeerde deel van een
spaarloonrekening.
4. Een administratieplichtige is
gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door de
inspecteur voorgeschreven wijze en met een door de inspecteur
voorgeschreven frequentie. De gegevens en inlichtingen dienen
uiterlijk te worden verstrekt:
a. indien de inspecteur
maandelijkse aanlevering voorschrijft: de laatste dag van de
kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de gegevens en
inlichtingen betrekking hebben;
b. indien de inspecteur jaarlijkse
aanlevering gedurende het kalenderjaar waarop de gegevens en
inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 30 april van dat
kalenderjaar;
c. indien de inspecteur jaarlijkse
aanlevering na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens en
inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 31 januari volgend op
dat kalenderjaar.
5. Een administratieplichtige kan de
verstrekking van gegevens en inlichtingen achterwege laten indien:
a. naar het oordeel van de
inspecteur het belang van ontvangst van de gegevens en
inlichtingen niet opweegt tegen de inspanning tot verstrekking
daarvan door de administratieplichtige;
b. naar het oordeel van de
inspecteur de administratieplichtige tijdelijk niet in staat is de
gegevens en inlichtingen te verstrekken of niet in de gelegenheid
is tijdig de gegevens en inlichtingen te verstrekken en de
administratieplichtige met de inspecteur een tijdstip is
overeengekomen waarop hij geacht wordt daartoe wel weer in staat
onderscheidenlijk in de gelegenheid te zijn;
c. de waarde in het economische
verkeer van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdelen g en
h, onder 1°, lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 5.10,
eerste lid, onderdeel a, van de wet, of
d. de gegevens of inlichtingen door
de inspecteur zijn aangewezen als van verstrekking vrijgestelde
gegevens en inlichtingen en aan de voor die vrijstelling verbonden
voorwaarden is voldaan.
Artikel 23. Overige aanvullende
regelingen; rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen
1. De werkzaamheden, rechten en
verplichtingen van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid welker bezittingen uitsluitend of
hoofdzakelijk bestaan uit op de voet van artikel 2 van de
Natuurschoonwet 1928 als landgoed aangemerkte onroerende zaken, worden
voor de heffing van de inkomstenbelasting beschouwd als werkzaamheden,
rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders,
indien:
a. de werkzaamheden van de
vennootschap uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de
instandhouding van onroerende zaken die zijn aangemerkt als
landgoederen in de zin van artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928;
b. alle aandeelhouders natuurlijke
personen zijn;
c. het aantal aandeelhouders niet
meer dan twintig bedraagt.
2. Ingeval niet langer aan de
voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan, blijft dat lid
buiten toepassing met ingang van het kalenderjaar waarin de vervulling
van die voorwaarden een einde heeft genomen.
3. Voor de toepassing van het eerste
lid worden rechtspersonen die zich uitsluitend of hoofdzakelijk het
behoud van natuurschoon ten doel stellen, met natuurlijke personen
gelijkgesteld.
4. De voorwaarde, genoemd in het eerste
lid, onderdeel c, is niet van toepassing, voorzover de toeneming van
het aantal aandeelhouders boven twintig is toe te schrijven aan
vererving of schenking of aan ontbinding van een huwelijksgemeenschap.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
(Hoofdstuk 11 van de wet)
Artikel 24
Artikel 12, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001
waarop hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet
inkomstenbelasting 2001 van toepassing is mits zowel door de ondernemer
als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de
ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel.
Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 25a [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 26. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang
van 1 januari 2001.
Artikel 27. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als:
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 december 2000
BEATRIX
De
Staatssecretaris van Financiën,
W.J. Bos
Uitgegeven de achtentwintigste
december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|