|
De Staatssecretaris van
Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken
en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer;
Gelet op artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001,
Besluit:
Artikel 1
Deze regeling verstaat onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 2
1. Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede
lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in
bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van
deze regeling, mits:
a. het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is
met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet
eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde
bestanddelen; en
b. –voor zover sprake is van een investering in een
voorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, onder 2.1.A,
letter a, van bijlage 1 van deze regeling – door het bevoegde
gezag voor het bedrijfsmiddel of onderdeel daarvan een
omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht is afgegeven ten tijde van de aanmelding, bedoeld
in artikel 3.42, zesde lid, van de wet;
c. –voor zover sprake is van een investering in een of
meerdere voorzieningen als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling
in artikel 1, onderdeel A, onder 1.2.K, in artikel 1, onderdeel B,
onder 1.2.M, in artikel 1, onderdeel B, onder 1.2.O, in artikel 1,
onderdeel D, onder 5.1.B, of in artikel 1, onderdeel D, onder
5.1.E – door het bevoegde gezag voor het bedrijfsmiddel of
onderdeel daarvan een omgevingsvergunning voor een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven ten tijde van de
aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet;
d. –voor zover sprake is van een investering in een of
meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel D,
onder 2.1.A, onder b, van bijlage 1 van deze regeling – de
belastingplichtige daarvoor ten tijde van de aanmelding houder is
van een SDE-beschikking ter grootte van een bedrag per kWh dat
groter is dan nihil of van een NER 300-beschikking met een bedrag
groter dan nihil.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, en van
artikel 5, vijfde lid, wordt onder een SDE-beschikking verstaan: een
beschikking waarbij een subsidie als bedoeld in artikel 2 van het
Besluit stimulering duurzame energieproductie, is verleend.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, en van
artikel 5, vijfde lid, wordt onder een NER 300-beschikking verstaan:
een beschikking waarbij subsidie als bedoeld in artikel 28 van de
Subsidieregeling NER 300 is verleend.
Artikel 3
1.De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van
de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter
zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een
termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan:
a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de
verplichtingen;
b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van
het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt
of, indien het bedrijfsmiddel of onderdeel ter zake waarvan de
kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen,
bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het
onderdeel.
2.Indien artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet van
toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de
termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling
indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op
grond van het eerste lid.
Artikel 4
De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte
voortbrengingskosten vindt uitsluitend plaats langs de daartoe door de
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie geopende
elektronische weg.
Artikel 5
1. De verklaring van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de wet vermeldt in
welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd
alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake.
2. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid
wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.
3. De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van
een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie daarom verzoekt, een
berekening van de energiebesparing over.
4. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling
nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid,
indien de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie daarom
verzoekt, een kopie van de afgegeven omgevingsvergunning over indien
artikel 2, onderdeel b, van toepassing is.
5. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling
nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid,
indien de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie daarom
verzoekt, een kopie van de SDE-beschikking of een kopie van de NER
300-beschikking over indien artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van
toepassing is.
6. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling
nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid,
indien de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie daarom
verzoekt, een kopie van de afgegeven omgevingsvergunning over indien
artikel 2, onderdeel c, van toepassing is.
Artikel 6
1. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan de
in artikel 5 bedoelde verklaring wijzigen of intrekken indien de te
harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of
onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing zou
zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige
gegevens bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van
gegevens of bescheiden die de Minister van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan
geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring.
2. De bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van een verklaring
ingevolge het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na de
dagtekening van de verklaring.
Artikel 7
Indien in bijlage I sprake is van meetvoorschriften of tests, of van
verklaringen of certificaten, worden bedrijfsmiddelen die getoetst zijn
met gelijkwaardige meetvoorschriften of tests, respectievelijk voorzien
zijn van gelijkwaardige verklaringen of certificaten, gelijkgesteld met
de aangewezen bedrijfsmiddelen. Deze meetvoorschriften, tests,
verklaringen of certificaten moeten zijn opgesteld, respectievelijk
verstrekt worden door daartoe geaccrediteerde instellingen of
instituten.
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling
energie-investeringsaftrek 2001.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 20 december 2000.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. Bos.
Bijlage I
Artikel 1
Als energie-investeringen als bedoeld in
artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:
A. Investeringen ten behoeve van
energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen
Technische voorzieningen ten behoeve van
energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, door:
1. De verbetering van de
energie-efficiëntie door:
1.1.A. Toepassing van
automatische meet- en regelapparatuur.
1.2.A. Toepassing van
efficiëntere apparatuur.
1.2.B.
1. Warmtepomp voor het
verwarmen van bedrijfsgebouwen of het collectief verwarmen
van woningen, en bestaande uit:
a. elektrisch gedreven brine/water
warmtepomp met een COP ≥ 4,0 gemeten conform NEN-EN
14511 bij conditie B0/W35 of gasgestookte ab- of
adsorptiewarmtepomp met een gas utilization efficiency (GUE)
≥ 1,6 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie
B0/W35, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron,
(eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op
het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;
b. elektrisch gedreven
warmtepomp met directe expansie (DX) in de
bodemwarmtewisselaar met een COP ≥ 4,5 bij een
conditie E4/W35, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of
grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel)
aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel)
verwarmingsnet;
c. elektrisch gedreven
water/water warmtepomp met een COP ≥ 4,5 gemeten
conform NEN-EN 14511 bij conditie W10/W35 of gasgestookte ab-
of adsorptiewarmtepomp met een GUE ≥ 1,8 gemeten
conform NEN-EN 12309-2 bij conditie W10/W35, (eventueel)
grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel)
aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel)
verwarmingsnet;
d. elektrisch gedreven brine/lucht
warmtepomp met een COP ≥ 3,0 gemeten conform NEN-EN
14511 bij conditie B0/A20 of elektrisch gedreven water/lucht
warmtepomp met een COP ≥ 4,5 gemeten conform NEN-EN
14511 bij conditie W15/A20 of elektrisch gedreven warmtepomp
met een COP ≥ 5,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij
conditie W20/A20 (waterloop) of gasgestookte ab- of
adsorptiewarmtepomp brine/lucht met een GUE ≥ 1,2
gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie B0/A20 of
gasgestookte ab- of adsorptiewarmtepomp water/lucht met een
GUE ≥ 1,8 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie
W15/A20 of gasgestookte ab- of adsorptiewarmtepomp met een
GUE ≥ 2,0 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie
W20/A20 (waterloop), (eventueel) bodemwarmtewisselaar of
grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel)
aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel)
verwarmingsnet;
e. ab- of adsorptiewarmtepomp
water/water of water/lucht waarbij de regenerator wordt
aangedreven door afvalwarmte of duurzame warmte, (eventueel)
bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel)
restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het
verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet.
2. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt voor de aansluiting op het verwarmingsnet en
het verwarmingsnet zelf, genoemd onder a, b, c, d en e,
bedraagt€ 200 per geïnstalleerde kW van het thermisch
vermogen van de warmtepomp.
Onder een verwarmingsnet wordt
verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van
warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker.
Onder duurzame warmte wordt hier
verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven onder D.
Warmtepompen die geplaatst worden
in woningen komen niet voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking. Indien centraal opgestelde warmtepompen worden
gebruikt voor verwarming van woningen of andere gebouwen komen
deze wel in aanmerking.
1.2.C.
1. Warmtepomp voor het
verwarmen van bedrijfsgebouwen of het collectief verwarmen
van woningen, en bestaande uit:
a. elektrisch gedreven
lucht/water warmtepomp met een COP ≥ 4,0 gemeten
conform NEN-EN 14511 bij conditie A7/W35 of gasgestookte
ab-adsorptiewarmtepomp met een gas utilization efficiency (GUE)
≥ 1,6 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie
A7/W35, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel)
aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel)
verwarmingsnet;
b. elektrisch gedreven
lucht/water en lucht (gecombineerd) warmtepomp met een COP
≥ 4,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie A7/W35
of gasgestookte ab-adsorptiewarmtepomp met een GUE ≥
1,6 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie A7/W35,
(eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op
het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;
c. elektrisch gedreven
lucht/lucht warmtepomp (Airconditioner systemen) met een COP
≥ 4,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie A7/A20
of gasgestookte ab- adsorptiewarmtepomp met een GUE ≥
1,6 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie A7/A20;
d. ab- of adsorptiewarmtepomp
lucht/lucht of lucht/water waarbij de regenerator wordt
aangedreven door afvalwarmte of duurzame warmte, (eventueel)
bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel)
restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het
verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet.
2. De correctie op
gelijktijdigheid wordt berekend zoals het systeem is
ontworpen, waarbij de gehanteerde gelijktijdigheid maximaal
130% bedraagt.
Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt voor de aansluiting op het verwarmingsnet en
het verwarmingsnet zelf, genoemd onder a, b en d, bedraagt
€ 200 per geïnstalleerde kW van het thermisch vermogen
van de warmtepomp.
Onder een verwarmingsnet
wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten
behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de
eindverbruiker.
Onder duurzame warmte wordt
hier verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven
onder D.
Warmtepompen die geplaatst
worden in woningen komen niet voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking. Indien centraal
opgestelde warmtepompen worden gebruikt voor verwarming van
woningen of andere gebouwen komen deze wel in aanmerking.
1.2.D. Warmtepompboiler waarbij
de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van tapwater
in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: elektrisch gedreven
warmtepompboiler met een COP ≥ 2,5 gemeten conform NEN-EN
255-3, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron,
(eventueel) restwarmteopslagvat.
1.2.E. Vermindering van de inzet
van energie voor het conditioneren van lucht met behulp van:
a. Bevochtigingsrotor voor
het bevochtigen van lucht ten behoeve van klimaatbeheersing
in bedrijfsgebouwen door middel van een roterende schijf,
die vocht uitwisselt tussen de in- en uitgaande luchtstroom,
en bestaande uit: bevochtigingsrotor, aandrijving;
b. Adiabatische indirect
werkende dauwpuntsluchtkoeler voor het koelen van
bedrijfsgebouwen, waarbij in de koeler een deel van de
gekoelde lucht over de bevochtigde warmtewisselaar wordt
geleid en afgevoerd, en bestaande uit: warmtewisselaar,
ventilator, filter, bevochtigingsapparatuur, (eventueel)
waterbehandelingsapparatuur.
1.2.F. Luchtdicht
luchtverdeelsysteem voor het transporteren van toe- of
afvoerlucht in een bedrijfsgebouw, en bestaande uit:
luchtkanalen in combinatie met luchtklep of geluiddemper of
luchtkanaalnaverwarmer of -nakoeler of luchtvolumeregelaar of
aansluitkast van een ventilatierooster, gemonteerd in het
luchtkanaal van een ventilatiesysteem, waarbij het
ventilatiesysteem voldoet aan luchtdichtheidsklasse C gemeten
conform NEN-EN 1751. Het maximum investeringsbedrag, dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt€ 10
per m2 gebruiksoppervlak volgens NEN 2580. Een
ventilatorconvector of fancoilunit wordt niet gerekend tot de
hiervoor genoemde luchtdichte componenten.
1.2.G. Hoogrendement
luchtverwarmer voor het verwarmen van ruimten in
bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: een direct gasgestookte
luchtverwarmer met een deellastrendement groter of gelijk aan
101% gemeten conform NEN-EN 1196, verbrandingsgasafvoersysteem,
(eventueel) luchttoevoersysteem, (eventueel) voor ruimten met
een gemiddelde hoogte groter dan 5 meter een inducerend
uitblaassysteem op de luchtverwarmer met nozzles of verstelbare
inducerende schoepen of een individueel thermostatisch geregelde
steunventilator in een omkasting aan het plafond gemonteerd die
verticaal naar beneden blaast met nozzles of verstelbare
inducerende schoepen;
1.2.H. Direct gasgestookt
stralingspaneel voor het verwarmen van gesloten binnenruimten in
bedrijfsgebouwen met een gemiddelde hoogte groter dan 5 meter,
niet zijnde tuinbouwkassen, en bestaande uit:
a. direct gasgestookte
donkerstraler met een verbrandingsrendement groter of gelijk
aan 86% gemeten conform NEN-EN 416 of NEN-EN 777,
verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) warmtewisselaar in
de rookgasafvoer, (eventueel) luchttoevoersysteem;
b. direct gasgestookte
hogetemperatuurstraler met een belasting van ten minste 8 kW
op onderwaarde gemeten conform NEN-EN 419,
verbrandingsgasafvoersysteem, (eventueel) warmtewisselaar in
de rookgasafvoer, (eventueel) luchttoevoersysteem.
1.2.I. HR-pomp voor centrale
verwarming of airconditioning in bedrijfsgebouwen en bestaande
uit: stand-alone natloper circulatiepomp tot 2.500 Watt met een
EEI < 0,23 gemeten conform de methode zoals weergegeven in
bijlage II van de Verordening (EG) Nr. 641/2009 van de
Commissie, (eventueel) toerenregeling.
1.2.J. Warmtekrachtinstallatie
met behulp van een zuigermotor met:
a. een nominaal elektrisch
vermogen tot 60 kWe voor het gelijktijdig opwekken van
warmte en kracht, voor het verwarmen van gebouwen, onder de
voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op
jaarbasis ten minste 70% bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt €
1500 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is
bepaald bij het nominaal motorvermogen;
b. een nominaal elektrisch
vermogen van 60 kWe tot 1 MWe voor het gelijktijdig opwekken
van warmte en kracht, voor het verwarmen van gebouwen, onder
de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld
op jaarbasis ten minste 70% bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt €
600 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is
bepaald bij het nominaal motorvermogen.
c. een nominaal elektrisch
vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWe voor het
gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, voor het
verwarmen van gebouwen, onder de voorwaarde dat het totaal
energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 75%
bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie,
(eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het
maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt€
350 per kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is
bepaald bij het nominaal motorvermogen.
Onder een warmtekrachtinstallatie
wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een
brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan
voor de productie van elektriciteit.
Onder het totaal energetisch
rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement
van de opwekking van kracht en tweederde deel van het
energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden
warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder een zuigermotor wordt
verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking
of compressieontsteking.
1.2.K. Warmtekrachtinstallatie
anders dan met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig
opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch
vermogen tot 300 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal
energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 67%
bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel)
aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt€ 600 per kW elektrisch vermogen. Het
elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.
Een warmtekrachtinstallatie met een nieuw opgesteld nominaal
elektrisch vermogen groter dan of gelijk aan 300 MWe komt niet
in aanmerking voor Energie-investeringsaftrek.
Onder een warmtekrachtinstallatie
wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een
brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan
voor de productie van elektriciteit.
Voor het bepalen van het nieuw
opgesteld nominaal elektrisch vermogen van een
warmtekrachtinstallatie dient het samenstel van nieuwe
voorzieningen te worden genomen waarbij onder een samenstel van
nieuwe voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige nieuwe
middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de
productie van elektriciteit opgewekt door middel van een
warmtekrachtinstallatie.
Onder het totaal energetisch
rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement
van de opwekking van kracht en tweederde deel van het
energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden
warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder een zuigermotor wordt
verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking
of compressieontsteking.
1.2.L. Brandstofcel voor het
gelijktijdig opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande
uit brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.
1.2.M.
Energieprestatieverbetering van bestaande liften, en bestaande
uit: een pakket aan energiezuinige maatregelen waardoor een
bestaande lift gaat voldoen aan de energieprestatie-eisen van
energielabel A van richtlijn VDI 4707 Part 1:2009.
1.2.N. Hoogrendementmotor
bestaande uit: elektromotor met een nominaal vermogen kleiner of
gelijk aan 375 kW, die voldoet aan de IE3 of IE4
efficiency-klasse gemeten conform IEC. Alleen de elektromotor
zelf komt voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking.
1.2.O. Direct gasgestookte
condenserende boiler voor de productie van warm tapwater, en
bestaande uit: een condenserende warm tapwaterboiler, die
gemeten is conform NEN-EN 89 en waarbij het rendement ten minste
100% op onderwaarde bedraagt.
1.3.A. Additionele
efficiency-verhogende voorzieningen.
2. Vermindering van de warmte- of
koellast door:
2.1.A. HR-glas voor beglazing in
buitengevel-, of dakconstructies voor:
a. bestaande
bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat
gemeten is conform NEN-EN 673 voor warmtereflecterend
isolerend glas met een warmtewerende coating of gasgevulde
spouw, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal
1,2 W/m2K, (eventueel) kozijn, of
b. bedrijfsgebouwen, en
bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform NEN-EN
673 voor warmtereflecterend isolerend glas met een
warmtewerende coating of gasgevulde spouw, met een
warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 0,7 W/m2K,
(eventueel) kozijn.
2.1.B. Isolatie voor bestaande
constructies in bedrijfsgebouwen door verbetering van de
isolatie van bestaande vloeren, daken, plafonds of wanden van
ruimten, anders dan koel- of vriesruimten, en bestaande
uit:isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van
de lagen R = Σ (Rm) =Σ (d/λ) toeneemt met ten
minste 1,50 m2K/W ten opzichte van de oude situatie.
Het maximum investeringsbedrag
dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt€
20 per m2 te isoleren oppervlak. De warmteweerstand dient
bepaald te zijn conform NEN 1068.
2.1.C. Isolatie van koel- of
vriesruimten door isolatiemateriaal waarbij de som van de
warmteweerstand van de lagen R=Σ(Rm) = Σ(d/λ);
a. Voor het koelen of licht
vriezen bij een ruimtetemperatuur tussen +12°C en –10°C,
ten minste 6,20 m2K/W dient te bedragen. Het maximum
investeringsbedrag, dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt € 40 per m2 te isoleren
oppervlak, of
b. Voor het vriezen bij een
ruimtetemperatuur lager dan –10°C, ten minste 10,50 m2K/W
dient te bedragen. Het maximum investeringsbedrag, dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt€ 60
per m2 te isoleren oppervlak.
Bij een scheiding tussen twee
gekoelde ruimten is de zwaarste warmteweerstandseis van
toepassing.
De warmteweerstand dient bepaald
te zijn conform NEN 1068.
2.1.D. Faseovergangsmaterialen
voor het verminderen van het energieverbruik voor het koelen of
verwarmen van bedrijfsgebouwen, en bestaande uit:
faseovergangsmaterialen met een gedefinieerd overgangstraject en
een capaciteit in het overgangstraject van minimaal 100 kJ/kg.
Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 10
per kg faseovergangsmateriaal.
2.2.A. Beperking van ventilatie-
of tochtverliezen.
3. Warmtehergebruik door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
3.1.B.
1. Warmte-of
koudeterugwinningssysteem uit ventilatielucht voor:
a. het koelen of verwarmen
van bestaande bedrijfsgebouwen door het benutten van koude
of warmte in de afzuiglucht, en bestaande uit:
warmtewisselaar, (eventueel) luchtbehandelingskast,
(eventueel) ventilator, (eventueel) luchtkanalen,
(eventueel) warmtewisselaar voor naverwarming of nakoeling
exclusief koelmachine of ketel;
b. het koelen of verwarmen
van nieuwe bedrijfsgebouwen door het benutten van koude of
warmte in de afzuiglucht, en bestaande uit:
luchtbehandelingskast met warmtewisselaar met een rendement
van minimaal 75% (rendementsklasse H1) en een maximaal
drukverlies van 280 Pa over de warmtewisselaar en een
maximale luchtsnelheid van 1,8 m/s (in de kast,
snelheidsklasse V2), en een power factor van de ventilator
van maximaal 0,9 (klasse P2) , exclusief koelmachine of
ketel en luchtkanalen.
2. De onder b. genoemde
technische eisen dienen bepaald te zijn conform NEN- EN
13053.
3.1.C. Systeem bij radiatoren
voor koude- of warmteterugwinning uit ventilatielucht voor
bestaande bedrijfsgebouwen voor het koelen of verwarmen van
bestaande bedrijfsgebouwen door het benutten van koude of warmte
in de afzuiglucht, en bestaande uit: radiator met
ventilatiedoorvoeren door de buitenmuur, met ingebouwde
warmteterugwinning uit ventilatielucht, (eventueel)
ventilatieregeling op basis van CO2-meting.
3.2.A. Systeem voor benutting van
afvalwarmte voor het verwarmen van gebouwen, en bestaande uit:
warmtewisselaar bij de afvalwarmtebron, (eventueel)
afvalwarmtetransportleiding, exclusief warmtedistributienetten
en verwarmingsnetten. Het systeem voor benutting van afvalwarmte
dient voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik te maken
van afvalwarmte of voor tenminste 70% van de energie-inhoud
gebruik te maken van afvalwarmte gecombineerd met duurzame
warmte.
Onder een warmtetransportleiding
wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt
overgegaan naar een lokale verdeling naar eindverbruiker(s).
Onder een warmtedistributienet
wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de
transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de
eindverbruikers.
Onder een verwarmingsnet wordt
verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van
warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker.
Onder afvalwarmte wordt verstaan:
warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend.
Onder duurzame warmte wordt hier
verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven onder D.
4. Efficiënte verlichting door:
4.1.A. Toepassing van
automatische meet- en regelapparatuur.
4.2.A. Toepassing van
efficiëntere apparatuur.
4.2.B. Daglichtsysteem met
spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers voor het
optimaal benutten van daglicht in bedrijfsgebouwen door een
daglichtsysteem (niet zijnde daglichtkoepels), waarbij het
daglicht dieper in de ruimte wordt gebracht, en bestaande uit:
buitenlichtkoepel, spiegel- of prismastuurelementen of
spiegelende kokers, (eventueel) actief zonvolgsysteem met
roterende spiegel, (eventueel) lichtdiffusor, (eventueel)
plafondspiegels.
4.2.C. Energie-efficiënt
verlichtingssysteem voor:
a. vervanging van bestaande
binnenverlichting in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit:
verlichtingsarmaturen voor directe verlichting voorzien van
een optiek met een Light Output Ratio (LOR) van ten minste
75% in combinatie met hoogfrequent elektronisch
voorschakelapparaat en T5-high efficiency (HE) of T5 high
output (HO) fluorescentielampen, (eventueel)
regelinstallatie voor het regelen van de verlichting
afhankelijk van de daglichtintensiteit, (eventueel)
automatische aan- of afwezigheidsdetectie, (eventueel)
veegpulsregeling;
b. vervanging van bestaande
binnenverlichting in of buitenverlichting bij
bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: verlichtingsarmaturen
voor directe verlichting voorzien van een optiek met een LOR
van ten minste 75%, die uitsluitend geschikt zijn voor
compact fluorescentielampen of hogedruk gasontladingslampen,
elektronisch voorschakelapparaat, bijbehorende lampen,
(eventueel) automatische aan- of afwezigheidsdetectie;
c. opwaarderen van bestaande
directe binnenverlichting (uitsluitend fluorescentielampen
met conventionele ballast) in bedrijfsgebouwen door het
toepassen van HF-technologie, en bestaande uit: een module
waarin geïntegreerd een hoogfrequent elektronisch
voorschakelapparaat met cut-off voorziening en T5- high
efficiency (HE) of T5 high output (HO) fluorescentielamp.
4.2.D.
1. LED-verlichtingssysteem
voor verlichting in of bij bedrijfsgebouwen en bestaande
uit:
a. LED-buizen, (eventueel)
armatuur, met een specifieke lichtstroom van tenminste 84
lm/W als retrofit van TL-buizen;
b. Armatuurmodule met
geïntegreerde LED-lichtbron, met een specifieke lichtstroom
van tenminste 74 lm/W anders dan met LED-buizen;
c. Downlighters met een
specifieke lichtstroom van tenminste 55 lm/W, of
d. Armaturen ten behoeve van
(sport)terreinverlichting, met een specifieke lichtstroom
van ten minste 84 lm/W;
e. Armaturen voor het
aanlichten van bedrijfsgebouwen, objecten en producten;
f. Armaturen in koel- of
vriescellen;
g. Noodverlichtingsarmaturen,
vluchtwegsignaleringsarmaturen en bewegwijzeringsarmaturen;
h. Armaturen ten behoeve van
schapverlichting voor productpresentatie (niet zijnde koel-
of vriesproducten) in de retailomgeving ter vervanging van
TL-verlichting.
2. De specifieke lichtstroom
onder a, b, c en d, dient gemeten te zijn conform LM-79-08
of gelijkwaardige protocollen. Bij de categorieën a, b, c
en d gaat het om verlichting die valt onder NEN-EN 12464-1
(binnenverlichting) of NEN-EN 12464-2 (buitenverlichting) of
Richtlijn Openbare Verlichting 2011 of NEN 2443 (verlichting
voor parkeerterreinen, parkeer- en stallinggarages voor
personenauto’s). Onder de specifieke lichtstroom wordt
hier verstaan de verhouding tussen de lichtstroom van het
verlichtingssysteem (in lumen) en het daartoe opgenomen
elektrische vermogen (in Watt). Metingen op grond van
LM-79-08 of gelijkwaardige protocollen, dienen verricht te
worden door geaccrediteerde instellingen, waarbij
elektrische- en fotometrische metingen specifiek in de
accreditatie-scope van betreffende instelling dient te zijn
opgenomen. De lichtterugval in lumen van het
verlichtingssysteem gedurende de eerste 6.000 branduren
bedraagt maximaal 20% van de oorspronkelijke lichtstroom,
gemeten conform LM-80-08 of gelijkwaardige protocollen.
De Power Factor van de
verlichtingssystemen genoemd bij de categorieën a t/m h,
dient ten minste 0,90 te bedragen.
4.2.E. Vluchtwegsignalering voor
vluchtrouteaanduiding in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit:
a. armaturen die voorzien
zijn van met tritiumgas gevulde buisjes;
b. fotoluminescent
(nalichtend) materiaal.
4.2.F. LED-belichtingssysteem
voor podium- of theaterbelichting, en bestaande uit:
LED-armaturen, (DMX) driver. De Power Factor van het
verlichtingsysteem moet ten minste 0,90 bedragen.
4.3.A. Additionele
efficiency-verhogende voorzieningen.
5. Energieprestatieverbetering van
bestaande bedrijfsgebouwen, bepaald volgens een
energie-indexberekening, zoals vastgelegd in ISSO 75.1 (Handleiding
Energieprestatie Advies Utiliteitsgebouwen, Energielabel + Algemeen
deel) of NEN 7120, bestaande uit een pakket van
energie-investeringen gebaseerd op een maatwerkadvies, zoals
vastgelegd in ISSO 75.2 (Energieprestatie Advies Utiliteitsgebouwen,
maatwerkadvies) of NEN 7120. De energieprestatie van het
bedrijfsgebouw moet door het pakket van energie-investeringen:
a. voldoen aan minimaal label B,
waarbij de energie-index maximaal 1,15 bedraagt, of
b. met minimaal twee labels
verbeteren, waarbij de energie-index ten minste 0,30 moet
afnemen.
Voor investeringen die deel
uitmaken van het pakket van energie-investeringen en die zijn
omschreven onder A.1.2.B., A.1.2.C., A.1.2.D., A.1.2.J.,
A.1.2.K., A.2.1.A., A.2.1.B., A.4.2.C., A.4.2.D., zijn de
technische eisen die aan deze bedrijfsmiddelen worden gesteld
van toepassing.
B. Investeringen ten behoeve van
energiebesparing bij processen
Technische voorzieningen ten behoeve van
energiebesparing bij processen door:
1. De verbetering van de
energie-efficiëntie door:
1.1.A. Toepassing van
automatische meet- en regelapparatuur.
1.2.A. Toepassing van
efficiëntere apparatuur.
1.2.B. Gasgestookt
HR-frituurtoestel voor het bereiden van maaltijden, dat gemeten
is conform NEN-EN 437, NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij het
thermisch rendement ten minste 83% op onderwaarde bedraagt, de
jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm en de
jaar-emissiewaarde van NOX niet meer bedraagt dan:
a. 40 ppm voor toestellen met
een belasting t/m 36 kW op onderwaarde, of
b. 1,11 ppm per kW belasting
voor toestellen met een belasting tussen 36 kW en 54 kW op
onderwaarde, of
c. 60 ppm voor toestellen met
een belasting groter dan 54 kW op onderwaarde.
De jaar-emissiewaarden van NOX en
CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en
stoïchiometrische verbranding, en bestaande uit: hoogrendement
gastoestel, gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem,
exclusief accessoires.
1.2.C. Hoogrendementmotor
bestaande uit:
elektromotor met een nominaal
vermogen kleiner of gelijk aan 375 kW, die voldoet aan de IE3 of
IE4 efficiency-klasse gemeten conform IEC. Alleen de
elektromotor zelf komt voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking.
1.2.D. Warmtepomp waarbij de
warmte nuttig wordt aangewend voor processen, en bestaande uit:
a. elektrisch gedreven
warmtepomp waarbij, bij een temperatuurlift (dT) tussen
brontemperatuur (intrede temperatuur verdamper) en
afgiftetemperatuur (uittrede temperatuur condensor), de
volgende COP-eis geldt:
– COP ≥ 4,0 bij dT
tot +40°C
– COP ≥ 3,5 bij dT
van +40°C tot +50°C
– COP ≥ 3,0 bij dT
≥ +50°C
(eventueel)
bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel)
restwarmteopslagvat;
b. gasmotor gedreven
warmtepomp of een gasgestookte ab- of adsorptiewarmtepomp
waarbij, bij een temperatuurlift (dT) tussen brontemperatuur
(intrede temperatuur verdamper) en afgifte temperatuur
(uittredetemperatuur condensor), de volgende eis voor de gas
utilization efficiency (GUE) geldt:
– GUE ≥ 1,6 bij dT
tot +40°C
– GUE ≥ 1,4 bij dT
van +40°C tot +50°C
– GUE ≥ 1,2 bij dT
≥ +50°C
(eventueel)
bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel)
restwarmteopslagvat;
c. ab- of adsorptiewarmtepomp
waarbij de regenerator wordt aangedreven door afvalwarmte of
duurzame warmte, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of
grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.
Onder duurzame warmte wordt
hier verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven
onder D.
1.2.E. Gasgestookte
hogedrukreiniger voor het reinigen van oppervlakken met warm
water onder hoge druk eventueel met gelijktijdige dosering van
reinigingsmiddelen, die gemeten is conform NEN-EN 1196, waarbij
het indirect rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt,
de jaar-emissiewaarde van de NOX niet meer bedraagt dan 60 ppm
en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 160 ppm.
De jaar-emissiewaarden van NOX en CO zijn gebaseerd op droge
verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en
bestaande uit: gasgestookte hogedrukreiniger, (eventueel)
standaard spuitlans, (eventueel) standaard hoge-drukslang.
1.2.F. Direct gasgestookte
condenserende boiler voor de productie van warm tapwater, en
bestaande uit: een condenserende warm tapwaterboiler, die
gemeten is conform NEN-EN 89 en waarbij het rendement ten minste
100% op onderwaarde bedraagt.
1.2.G. Energiezuinige
Uninterruptable Power Supply (UPS) voor het gedurende beperkte
tijd leveren van elektriciteit bij elektriciteitsuitval, en
bestaande uit:
a. rotary UPS, exclusief
noodstroommotor;
b. double conversion UPS,
exclusief noodstroomopwekking en batterijen. Het rendement
van de UPS moet minimaal bedragen:
– bij vermogens kleiner dan
of gelijk aan 40 kVA: 92,5%,
– bij vermogens groter dan
40 kVA en kleiner dan of gelijk aan 200 kVA: 93,5%,
– bij vermogens groter dan
200 kVA: 95,0%,
Het rendement moet zijn
gemeten conform EN 62040-3, in double conversion modus en
bij 50% belasting van de UPS;
c. line-interactive UPS,
exclusief noodstroomopwekking en batterijen. Het rendement
van de UPS moet minimaal bedragen:
– bij vermogens kleiner dan
of gelijk aan 40 kVA: 94,5%,
– bij vermogens groter dan
40 kVA en kleiner dan of gelijk aan 200 kVA: 95,5%,
– bij vermogens groter dan
200 kVA: 96,5%,
Het rendement moet zijn
gemeten conform EN 62040-3, in line-interactive modus en bij
50% belasting van de UPS.
1.2.H. Transportleiding voor
levering van gasvormig koolstofdioxide (CO2) aan
glastuinbouwbedrijven voor het bemesten van gewassen in
tuinbouwkassen en bestaande uit: pijpleiding tussen de externe
bron en het glastuinbouwbedrijf , (eventueel)
CO2-reinigingsapparatuur, (eventueel) CO2 compressor/ventilator
ten behoeve van CO2-transport naar het glastuinbouwbedrijf,
exclusief: distributiesysteem voor CO2 in de kas, CO2 afvang,
CO2 opslag in de bodem en CO2 compressor ten behoeve van opslag
van CO2 in de bodem.
1.2.I. Gasgestookte
(stoom)convectieoven voor het bereiden van maaltijden, die
gemeten is conform NEN-EN 437 en NEN-EN 203 en CR 1404, waarbij
het indirect rendement ten minste 80% op onderwaarde bedraagt,
de jaar-emissiewaarde van NOX niet meer bedraagt dan 83,6 ppm en
de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100 ppm. De
jaar-emissiewaarde van NOX en CO zijn gebaseerd op droge
verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en
bestaande uit: gasgestookte (stoom)convectieoven, gastoevoer- en
verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.
1.2.J. Energiezuinige koel-en/of
vriesinstallatie voor het koelen en/of vriezen van ruimten of
processen tot maximaal + 12 °C, en bestaande uit: ten minste
één frequentiegeregelde compressor, (natte)condensor ontworpen
op maximaal 10 K temperatuurverschil tussen condensatie- en
buitenluchttemperatuur met een specifiek ventilatorvermogen van
de condensor van maximaal 14 W per kW condensorvermogen, bepaald
conform NEN-EN 327 (luchtgekoelde condensor) of NEN-EN 15218
(verdampingscondensor), weersafhankelijke regeling van de
condensatiedruk tot + 13 °C buitentemperatuur, elektronische
expansieregeling bij een direct expansiesysteem, verdamper
exclusief koelmeubel of koeltunnel. Voor een systeem waarbij het
koudemiddel niet condenseert onder ontwerpcondities dient de
condensor te zijn ontworpen op een temperatuurverschil tussen
gaskoeleruittredetemperatuur en buitenluchttemperatuur van
maximaal 3 K.
Een koel- en/of vriesinstallatie
op basis van een halogeenvrij koudemiddel komt voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking, uitgezonderd de
installatiedelen die dit koudemiddel niet bevatten. Indien CO2
als koudedrager wordt gebruikt komt het koudenet ook in
aanmerking.
Een koel- en/of vriesinstallatie
waarbij in het samenstel van voorzieningen een HFK-houdend
koudemiddel wordt toegepast, komt niet in aanmerking voor
Energie-investeringsaftrek. Onder samenstel van voorzieningen
wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar
verbonden zijn voor het koelen en/of vriezen van ruimten of
processen.
1.2.K. Energiezuinige
professionele koel- of vrieskast met een maximale netto inhoud
van 1500 liter voor:
a. het koelen van producten
in de temperatuurklasse M1 (+5 °C / –1 °C), met een
energieverbruik van ten hoogste 15 kWh per m3 netto inhoud
in 48 uur gemeten conform ISO 23953 in klimaatklasse 4 (30
°C, 55% RV), en bestaande uit koelkast of gekoelde
werkbank, werkend op een halogeenvrij koudemiddel, voorzien
van geforceerde ventilatie in de kast en een afzonderlijke
geplaatste, niet in de wanden ingebouwde verdamper, of
b. het vriezen van producten
in de temperatuurklasse L1 ( –15 °C / –18 °C), met een
energieverbruik van ten hoogste 40 kWh per m3 netto inhoud
in 48 uur gemeten conform ISO 23953 in klimaatklasse 4, en
bestaande uit vrieskast, werkend op een halogeenvrij
koudemiddel, voorzien van een afzonderlijke geplaatste, niet
in de wanden ingebouwde verdamper.
1.2.L. Schuimbitumeninstallatie
voor het produceren van asfaltmengsels met een temperatuur van
maximaal 95°C met schuimbitumen als bindmiddel, en bestaande
uit: expansiekamer voor schuimbitumen.
1.2.M. Warmtekrachtinstallatie
anders dan met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig
opwekken van warmte en kracht met een nominaal elektrisch
vermogen tot 300 MWe, onder de voorwaarde dat het totaal
energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 67%
bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie, (eventueel)
aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt€ 600 per kW elektrisch vermogen. Het
elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.
Een warmtekrachtinstallatie met een nieuw opgesteld nominaal
elektrisch vermogen groter dan of gelijk aan 300 MWe komt niet
in aanmerking voor Energie-investeringsaftrek.
Onder een warmtekrachtinstallatie
wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een
brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan
voor de productie van elektriciteit.
Voor het bepalen van het nieuw
opgesteld nominaal elektrisch vermogen van een
warmtekrachtinstallatie dient het samenstel van nieuwe
voorzieningen te worden genomen waarbij onder een samenstel van
nieuwe voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige nieuwe
middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de
productie van elektriciteit opgewekt door middel van een
warmtekrachtinstallatie.
Onder het totaal energetisch
rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement
van de opwekking van kracht en tweederde deel van het
energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden
warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder een zuigermotor wordt
verstaan een inwendige explosiemotor met elektrische ontsteking
of compressieontsteking.
1.2.N. Brandstofcel voor het
gelijktijding opwekken van elektriciteit en warmte, en bestaande
uit brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.
1.2.O. Afvalgestookte installatie
voor het nuttig aanwenden van warmte door het verstoken van
afval wat geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofhoudende
verbindingen en niet geheel of nagenoeg geheel bestaat uit
biomassa, waarvan het totaal energetisch rendement ten minste
55% bedraagt en bestaande uit: een afvalgestookte installatie,
(eventueel) warmtetransportleiding. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt€ 400 per kW totaal vermogen. Het
totaal vermogen is de som van het krachtvermogen en het
thermisch vermogen van de productie van nuttig aan te wenden
warmte.
Onder afval wordt hier verstaan
de terminaal te verwijderen, niet-selectief ingezamelde fracties
(restafval, grofvuil en gemeentevuil met inbegrip straatvuil,
veegvuil, marktafval, opruiming van sluikstorten, zwerfvuil) én
de selectief ingezamelde fracties (aan huis en via
containerparken).
Onder biomassa wordt hier
verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de
brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit
koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij
geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige
koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus
onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen
sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van
kunststoffen.
Bijvoorbeeld de volgende
materiaalstromen:
– houtafval, sloophout,
snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;
– stro, bermmaaisel, riet,
mest en overige agrarische residuen;
– residuen van de
papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;
– oud papier en karton;
– steekvast papierslib of
steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
– specifiek voor het
inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen
daarvan;
– organische residuen uit
de voedings- en genotmiddelenindustrie.
Onder het totaal energetisch
rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement
van de opwekking van kracht en tweederde deel van het
energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden
warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
1.2.P. Gelijkstroomventilator
voor mechanische ventilatie- of luchtcirculatiesystemen, waarbij
het luchtdebiet automatisch wordt geregeld tussen vooraf
geprogrammeerde grenzen, en bestaande uit: gelijkstroommotor met
permanentmagneet en direct aangedreven ventilator, regelsysteem,
(eventueel) stroom/spanningsomvormer.
1.2.Q. Laaghangend
verwarmingssysteem voor het verwarmen van bestaande
pluimveestallen, en bestaande uit: warmtewisselaar met
geïntegreerde toerengeregelde ventilator en voorzien van een
luchtverdeelbak, (eventueel) verticaal aanzuigkanaal,
(eventueel) geïntegreerde warmteopwekker, (eventueel)
aansluiting op externe warmteopwekker, exclusief externe
warmteopwekker.
1.3.A. Additionele
efficiency-verhogende voorzieningen.
1.3.B. Condensator voor het
verminderen van elektriciteitsverliezen door het verbeteren van
de arbeidsfactor (cos φ) met minimaal 0,10 bij bestaande
processen, en bestaande uit: condensator.
1.3.C. Systeem voor hergebruik
van perslucht voor het verminderen van het energiegebruik van
persluchtcompressoren door de gebruikte perslucht terug te
voeren naar de compressor, en bestaande uit: compressor,
persluchtaanvoer- en retourleidingen, exclusief gereedschap.
1.3.D. Energiezuinige koeling van
bestaande datacenters en bestaande serverruimten voor het
verminderen van het energiegebruik bij koeling van bestaande
datacenters en bestaande serverruimten door het toepassen van
vrije koeling, eventueel in combinatie met het toepassen van
gangen voor het scheiden van warme en koude luchtstromen, en
bestaande uit: warmtewisselaar, (eventueel) aquifer, (eventueel)
(hybride) droge koeler, (eventueel) koeltorens, (eventueel)
afsluiting van toegangen van serverstraten middels zelfsluitende
deuren, (eventueel) dakpanelen van serverstraten, (eventueel)
afsluitplaten voor lege serveropeningen in serverracks.
2. Vermindering van de warmte- of
koellast door:
2.1.A. Thermische isolering.
2.1.B. Energieschermen voor
a. het verminderen van het
warmteverlies in tuinbouwkassen, door het aanbrengen van
horizontaal beweegbare schermen aan de binnenzijde van de
lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek
dat voor tenminste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen
van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2
en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend
licht groter is dan 10%, mechanisch bedieningsmechanisme,
(eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen (eventueel)
scherm(kier)regeling, (eventueel) meetbox boven het
energiescherm.
Voor
Energie-investeringsaftrek komt in aanmerking:
in een kas(afdeling) zonder
belichting: het tweede en/of derde scherm van de boven
elkaar gelegen, horizontaal en elk op een eigen dradenbed
beweegbare schermen, of
in een kas(afdeling) met
belichting: het derde scherm van de boven elkaar gelegen,
horizontaal en elk op een eigen dradenbed beweegbare
schermen.
b. het verminderen van het
warmteverlies in tuinbouwkassen door het aanbrengen van
beweegbare gevelschermen aan de binnenzijde van de
lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek
dat voor ten minste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen
van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2
en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend
licht groter is dan 10%, mechanisch bedieningsmechanisme,
(eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen.
c. het weren van een teveel
aan zoninstraling en het verminderen van het warmteverlies
uit tuinbouwkassen door het aanbrengen van beweegbare
schermen aan de buitenzijde, boven de lichtdoorlatende
gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor ten
minste 50% dicht is, waarbij de maasopeningen van het
weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 10 mm2 en
waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht
groter is dan 15%, mechanisch bedieningsmechanisme,
(eventueel) afdichtingsvoorzieningen.
2.1.C. Isolatie van gevels van
bestaande tuinbouwkassen, en bestaande uit: isolatiemateriaal
waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R = Σ(Rm)
= Σ(d/λ) toeneemt met ten minste 1,50 m2K/W ten
opzichte van de oude situatie. Het maximum investeringsbedrag
dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt
€ 20 per m2 te isoleren oppervlak. De warmteweerstand moet
bepaald zijn conform NEN 1068 (mei 1997).
3. Warmtehergebruik door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
3.1.B.
1. Systeem voor het koelen en
verwarmen van (semi-)gesloten kassen door het afwisselend
onttrekken en toevoeren van warmte, waarbij de overtollige
warmte tijdelijk wordt opgeslagen om op momenten van
warmtebehoefte weer ingezet te worden, en bestaande uit:
warmtewisselaar(s) met geïntegreerde toerengeregelde
ventilator, pomp, (eventueel) dagbuffer.
2. Voor het bijbehorend
verwarmingsnet (exclusief warmtewisselaar(s) met
geïntegreerde ventilator) geldt een maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt van € 200 per geïnstalleerd kW thermisch
vermogen van het verwarmingsnet.
Onder een verwarmingsnet wordt
verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van
warmteafgifte.
3.2.A. Systeem voor benutting van
afvalwarmte voor het verwarmen van processen, en bestaande uit:
warmtewisselaar bij de afvalwarmtebron, (eventueel)
afvalwarmtetransportleiding, exclusief warmtedistributienetten
en verwarmingsnetten. Het systeem voor benutting van afvalwarmte
dient voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik te maken
van afvalwarmte of voor tenminste 70% van de energie-inhoud
gebruik te maken van afvalwarmte gecombineerd met duurzame
warmte.
Onder een warmtetransportleiding
wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt
overgegaan naar een lokale verdeling naar eindverbruiker(s).
Onder een warmtedistributienet
wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de
transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de
eindverbruikers.
Onder een verwarmingsnet hier
wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve
van warmteafgifte voor het proces.
Onder afvalwarmte wordt verstaan:
warmte die in de bestaande situatie niet nuttig wordt aangewend.
Onder duurzame warmte wordt hier
verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven onder D.
4. Efficiënte verlichting door:
4.1.A. Toepassing van
automatische meet- en regelapparatuur.
4.2.A. Toepassing van
efficiëntere apparatuur.
4.2.B.
1. LED-belichtingssysteem
voor:
a. het belichten van
tuinbouwgewassen in daglichtdichte ruimten of bij
meerlagenteelt in tuinbouwkassen met een afstand tussen de
teeltlagen van maximaal 2,0 meter, en bestaande uit: systeem
van topbelichting met LED-lichtbron met een specifieke
lichtstroom van ten minste 1,3 micromol fotonen per seconde
per Watt;
b. het belichten van
tuinbouwgewassen in tuinbouwkassen, anders dan genoemd onder
a., en bestaande uit: systeem van belichting met
LED-lichtbron met een specifieke lichtstroom van ten minste
1,8 micromol fotonen per seconde per Watt.
2. De specifieke lichtstroom
dient gemeten te zijn conform LM-79-08 of gelijkwaardige
protocollen. Onder de specifieke lichtstroom wordt hier
verstaan de verhouding tussen de lichtstroom van het
belichtingssysteem (in micromol fotonen per seconde) en het
daartoe opgenomen elektrische vermogen (in Watt). Metingen
op grond van LM-79-08 of gelijkwaardige protocollen dienen
verricht te worden door geaccrediteerde instellingen,
waarbij elektrische- en fotometrische metingen specifiek in
de accreditatie-scope van de betreffende instelling dient te
zijn opgenomen. De lichtterugval in micromol fotonen per
seconde van het belichtingssysteem gedurende de eerste
15.000 branduren bedraagt maximaal 10% van de
oorspronkelijke lichtstroom, gemeten conform LM-80-08 of
gelijkwaardige protocollen.
4.3.A. Additionele
efficiency-verhogende voorzieningen.
C. Investeringen ten behoeve van
energiebesparing bij transportmiddelen
Technische voorzieningen in of aan
voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen bij de binnenvaart
of bij railgebonden voertuigen ten behoeve van energiebesparing. Deze
voorzieningen moeten er toe leiden dat het transportmiddel zelf
energie-efficiënter wordt. Technische voorzieningen die het
transportmiddel zelf niet energie-efficiënter maken, maar indirect
energie besparen door het kunnen gaan toepassen van intermodaal vervoer
of routeoptimalisatie zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.
1. Verbetering van de
energie-efficiëntie door:
1.1.A. Toepassing van
automatische meet- en regelapparatuur.
1.2.A. Toepassing van
efficiëntere apparatuur.
1.2.B. Energiezuinige
scheepsmotor voor,
a. de hoofdvoortstuwing van
een bestaand binnenvaartschip, met een nominaal
motorvermogen van tenminste 250 kW, en bestaande uit:
scheepsdieselmotor, waarvan het brandstofverbruik minder
bedraagt dan 198 g/kWh, gemeten volgens norm NEN-ISO
3046-1:2002.
Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt is €125/kW nominaal vermogen;
b. de voortstuwing van een
bestaand binnenvaartschip, met een nominaal motorvermogen
van tenminste 250 kW, waarbij meerdere scheepsdieselmotoren
op één schroefas zijn gekoppeld en waarbij afhankelijk van
het gevraagde vermogen één of meer scheepsdieselmotoren
uitgeschakeld kunnen worden, en bestaande uit:
scheepsdieselmotoren waarvan het brandstofverbruik per
scheepsdieselmotor minder bedraagt dan 198 g/kWh, gemeten
volgens norm NEN-ISO 3046-1:2002, koppeling waarbij de
kracht van meerdere scheepsdieselmotoren op één schroefas
wordt overgebracht. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt is €175/kW
nominaal vermogen.
1.2.C. Lichtgewicht composieten
kipperbak voor het vervoer van bulkgoederen over de weg, en
bestaande uit: composieten kipperbak, (eventueel)
schaarcilinder, (eventueel) kipframe.
1.2.D. Energiezuinige opbouw voor
koelwagen, koelaanhangwagen of koeloplegger voor gekoeld
transport, en bestaande uit: geïsoleerde opbouw met een
K-waarde< 0,35 W/m2K, bepaald conform de Europese A.T.P.-voorschriften
voor transport van gekoelde producten van 2 januari 2011,
verplaatsbare schotten die de gekoelde ruimte kunnen verkleinen,
cryogene CO2 koelinstallatie. Het maximumbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt€ 45.000
per voertuig.
1.2.E. Cryogene transportkoeling
voor het koelen van goederen tijdens transport, en bestaande
uit: cryogene koelinstallatie met CO2 als koelmiddel, opslagtank
voor vloeibare CO2. Andere cryogene transportkoeling komt niet
in aanmerking voor Energie-investeringsaftrek.
1.2.F. Hoogrendementmotor
bestaande uit:
elektromotor met een nominaal
vermogen kleiner of gelijk aan 375 kW, die voldoet aan de IE3 of
IE4 efficiency-klasse gemeten conform IEC. Alleen de
elektromotor zelf komt voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking.
1.3.A. Additionele
efficiency-verhogende voorzieningen.
1.3.B. Zij-afscherming voor het
verminderen van de aerodynamische weerstand van voertuigen ten
behoeve van goederenwegtransport door middel van panelen ter
afsluiting van de open ruimte aan de zijkant van motorwagens,
aanhangers, trekkers en opleggers die tevens voldoen aan de
eisen voor de verkeersveiligheid conform EEG-richtlijn 89/297,
en bestaande uit: zijafscherming.
1.3.C. Spudpalen voor het
stilleggen van bestaande binnenvaartschepen, en bestaande uit
spudpaal. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt€ 20.000
per spudpaal.
1.3.D. Hydrodynamische
ankerkluizen en ankers voor het verlagen van de vaarweerstand
van een binnenvaartschip, en bestaande uit: anker, ankerkluis.
Het maximumbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt €
20.000 per combinatie van ankerkluis en anker. Het betreft een
anker die in ingetrokken toestand het kluisgat volledig afdicht
en één geheel vormt met de huid van het schip.
2. Vermindering van de warmte- of
koellast door:
2.1.A. Thermische isolering.
2.2.A. Beperking van ventilatie-
of tochtverlies.
3. Warmtehergebruik door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
4. Efficiënte verlichting door:
4.1.A. Toepassing van
automatische meet en regelapparatuur.
4.2.A. Toepassing van
efficiëntere apparatuur.
4.3.A. Additionele
efficiency-verhogende voorzieningen.
D. Investeringen ten behoeve van het
aanwenden of toepassen van duurzame energie
Technische voorzieningen die er toe
strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te
maken van:
1. Zonne-energie door:
1.1.A. Conversie naar
elektriciteit of warmte (met uitzondering van het gebruik van
passieve zonne-energie).
1.1.B. Fotovoltaïsch
zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie
uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en bestaande uit:
panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een gezamenlijk
piekvermogen van ten minste 90 Watt, (eventueel) actief
zonvolgsysteem, (eventueel) stroom/spanningsomvormer,
(eventueel) accumulator, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet.
1.1.C. Zonnecollectorsysteem voor
het verwarmen van water of lucht, en bestaande uit:
zonnecollector, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel)
warmtewisselaar, (eventueel) in het vat geïntegreerde
naverwarmer, (eventueel) in luchtverwarmer geïntegreerde
fotovoltaïsche zonnecellen, (eventueel) ab- of
adsorptiekoelmachine die hoofdzakelijk werkt op zonne-energie.
2. Windenergie door:
2.1.A. Windturbine met een
nominaal vermogen > 25 kW voor het opwekken van elektrische
energie, en bestaande uit: windturbine, (eventueel) aansluiting
op het elektriciteitsnet, (eventueel) uitsluitend voor plaatsing
en onderhoud van de windmolen bestemde ontsluitingsweg. Het
maximum investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt bedraagt voor windturbines die:
a. op Nederlands grondgebied,
anders dan in het niet gemeentelijk ingedeelde deel van de
territoriale zee of de Exclusieve Economische Zone, worden
geplaatst € 600/kW;
b. in het niet gemeentelijk
ingedeelde deel van de territoriale zee of in de Exclusieve
Economische Zone worden geplaatst€ 1000/kW.
Het vermogen (kW) is gedefinieerd
als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.
2.1.B. Windturbine met een
nominaal vermogen ≤ 25 kW voor het opwekken van
elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, (eventueel)
aansluiting op het elektriciteitsnet.
Het maximum investeringsbedrag
dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt€
3000/kW; Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale
elektrische vermogen van de windturbine.
3. Energie uit waterkracht door:
3.1.A. Conversie naar elektrische
of mechanische energie,
3.1.B. Waterkrachtinstallatie
voor:
a. het benutten van
waterstroming of het verval van waterstromen voor het
opwekken van elektrische of mechanische energie, en
bestaande uit: waterkrachtinstallatie, (eventueel)
aansluiting op het elektriciteitsnet, of
b. het opwekken van kracht of
elektrische energie uit het verschil in zoutgehalte van
water en bestaande uit: membranen, (eventueel)
voorzuivering, (eventueel) turbine, (eventueel) aansluiting
op het elektriciteitsnet.
4. Benutten of opslaan van
omgevingswarmte door:
4.1.A. Aardwarmtewinningssysteem
voor het winnen van warmte uit diepe aardlagen voor het opwekken
van elektriciteit of het verwarmen en/of koelen van gebouwen of
processen, en bestaande uit: aardwarmtewinningsinstallatie,
(eventueel) stoomturbine, (eventueel) Organic Rankine Cycle,
(eventueel) Kalinacyclus, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet, (eventueel) ab-of adsorptiekoelmachine,
(eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel)
warmteopslagvat. Het verwarmingsnet komt niet in aanmerking. De
elektriciteitsopwekking dient uitsluitend plaats te vinden door
benutting van aardwarmte.
Onder een verwarmingsnet wordt
verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van
warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker
4.1.B. Grondwarmtewisselaar voor:
a. het koelen of verwarmen
van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen, collectieve
systemen voor woningen of processen, met behulp van een
warmtewisselaar, die zich in het grondwater bevindt, en
bestaande uit: ondergrondse warmtewisselaar, pomp,
(eventueel) water-lucht warmtewisselaar in stallen die de
warmte of koude rechtstreeks uit de bodem afgeeft,
(eventueel) restwarmteopslagvat.
b. het verwarmen van water
voor gebruik in bedrijfsgebouwen, collectieve systemen voor
woningen of processen met behulp van een in de wegverharding
liggende warmtewisselaar, en bestaande uit: pomp(en),
ondergrondse warmtewisselaar of warmtevoerende buizen in de
wegverharding exclusief de wegverharding zelf, (eventueel)
restwarmteopslagvat.
c. het voorkoelen of
voorverwarmen van buitenlucht voor het gebruik in gebouwen
met behulp van ondergrondse buizen als warmtewisselaar, en
bestaande uit: luchtgrondbuizen met een diameter van
maximaal 40 cm, (eventueel) luchtplenum, (eventueel)
automatisch geregelde centrale bypass.
d. het koelen van
elektronische inrichtingen en bestaande uit: ondergrondse
warmtewisselaar, (eventueel) pomp, water-lucht
warmtewisselaar die de koude uit de bodem rechtstreeks
afgeeft, (eventueel) ventilator.
Indien een grondwarmtewisselaar
wordt gebruikt voor het koelen of verwarmen van één woning is
er geen sprake van een collectief systeem en komt deze niet in
aanmerking.
4.1.C. Warmte- of koude-opslag in
de bodem (aquifer) voor het opslaan van warmte of koude in de
bodem met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve
van het koelen of verwarmen van bedrijfsgebouwen of processen of
het collectief koelen of verwarmen van woningen, en bestaande
uit: een gesloten systeem met grondwaterbronnen die voor
onttrekking en injectie worden gebruikt en waarbij de jaarlijkse
netto thermische balans van de bodem nagenoeg neutraal is,
grondwaterpompen, (eventueel) warmtewisselaar die direct is
gekoppeld aan de grondwaterbron, (eventueel) warmtewisselaar die
de grondwaterbron regenereert met koude of warmte uit
buitenlucht of oppervlaktewater, (eventueel)
warmtetransportleiding.
Onder een warmtetransportleiding
wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt
overgegaan naar een lokale verdeling naar eindverbruiker(s).
Indien een aquifer wordt gebruikt
voor het koelen of verwarmen van één woning is er geen sprake
van een collectief systeem en komt deze niet in aanmerking.
5. Benutten van warmte of kracht uit
biomassa door:
5.1.A. Warmtekrachtinstallatie
met behulp van een zuigermotor gestookt met biomassa of uit
biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor
het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de
voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op
jaarbasis ten minste 60% bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) rookgascondensor,
(eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) rookgasreiniginger,
(eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel)
warmtetransportleiding. Warmtedistributienetten en
verwarmingsnetten komen niet in aanmerking.
Onder een warmtetransportleiding
wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt
overgegaan naar een lokale verdeling naar eindverbruiker(s).
Onder een warmtedistributienet
wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de
transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de
eindverbruikers.
Onder een verwarmingsnet wordt
verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van
warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker.
Onder een warmtekrachtinstallatie
wordt verstaan: de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een
brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan
voor de productie van elektriciteit.
Onder het totaal energetisch
rendement wordt verstaan: de som van het energetisch rendement
van de opwekking van kracht en tweederde deel van het
energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden
warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder biomassa wordt verstaan:
materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare
componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit
koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij
geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige
koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus
onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen
sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van
kunststoffen.
Bijvoorbeeld de volgende
materiaalstromen:
– houtafval, sloophout,
snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;
– stro, bermmaaisel, riet,
mest en overige agrarische residuen;
– residuen van de
papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;
– oud papier en karton;
– steekvast papierslib of
steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
– specifiek voor het
inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen
daarvan;
– organische residuen uit
de voedings- en genotmiddelenindustrie.
5.1.B. Warmtekrachtinstallatie
anders dan met behulp van een zuigermotor gestookt met biomassa
of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers
voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de
voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op
jaarbasis ten minste 55% bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) rookgascondensor,
(eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) rookgasreiniginger,
(eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel)
warmtetransportleiding. Warmtedistributienetten en
verwarmingsnetten komen niet in aanmerking.
Onder een warmtetransportleiding
wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt
overgegaan naar een lokale verdeling naar eindverbruiker(s).
Onder een warmtedistributienet
wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de
transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de
eindverbruikers.
Onder een verwarmingsnet wordt
verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van
warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker.
Onder een warmtekrachtinstallatie
wordt verstaan: de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een
brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan
voor de productie van elektriciteit.
Onder het totaal energetisch
rendement wordt verstaan: de som van het energetisch rendement
van de opwekking van kracht en tweederde deel van het
energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden
warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder biomassa wordt verstaan:
materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare
componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit
koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij
geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige
koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus
onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen
sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van
kunststoffen.
Bijvoorbeeld de volgende
materiaalstromen:
– houtafval, sloophout,
snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;
– stro, bermmaaisel, riet,
mest en overige agrarische residuen;
– residuen van de
papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;
– oud papier en karton;
– steekvast papierslib of
steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
– specifiek voor het
inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen
daarvan;
– organische residuen uit
de voedings- en genotmiddelenindustrie.
5.1.C. Ketel gestookt met
biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare
energiedragers voor het verwarmen van gebouwen of processen
onder de voorwaarde dat het warmterendement gemiddeld op
jaarbasis ten minste 80% bedraagt, en bestaande uit: ketel,
(eventueel) rookgasreiniger, (eventueel) rookgascondensor,
(eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel)
warmtetransportleiding. Warmtedistributienetten en
verwarmingsnetten komen niet in aanmerking.
Onder een warmtekrachtinstallatie
wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een
brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan
voor de productie van elektriciteit.
Onder het totaal energetisch
rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement
van de opwekking van kracht en tweederde deel van het
energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden
warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder het warmterendement wordt
verstaan: het energetisch rendement van de productie van nuttig
aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde
van de ingezette brandstof.
Onder biomassa wordt verstaan:
materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare
componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit
koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij
geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige
koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus
onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen
sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van
kunststoffen.
Bijvoorbeeld de volgende
materiaalstromen:
– houtafval, sloophout,
snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;
– stro, bermmaaisel, riet,
mest en overige agrarische residuen;
– residuen van de
papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;
– oud papier en karton;
– steekvast papierslib of
steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
– specifiek voor het
inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen
daarvan;
– organische residuen uit
de voedings- en genotmiddelenindustrie.
5.1.D. Opwaarderen van uit
biomassa verkregen gasvormige energiedragers naar:
a. gas van
aardgasnetkwaliteit, en bestaande uit:
biogasopwaardeerinstallatie, aansluiting op het aardgasnet,
(eventueel) gasleiding(en) van
biogasproductie-installatie(s) naar opwaardeerinstallatie,
(eventueel) gasvoorreinigingsinstallatie, (eventueel)
compressor;
b. nagenoeg zuiver vloeibaar
biomethaan, en bestaande uit: biogasopwaardeerinstallatie,
(eventueel) gasleiding(en) van
biogasproductie-installatie(s) naar opwaardeerinstallatie,
(eventueel) gasvoorreinigingsinstallatie, (eventueel)
compressor. Op- en overslagvoorzieningen komen niet in
aanmerking.
Onder biomassa wordt verstaan:
materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare
componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit
koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij
geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige
koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus
onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen
sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van
kunststoffen.
Bijvoorbeeld de volgende
materiaalstromen:
– houtafval, sloophout,
snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;
– stro, bermmaaisel, riet,
mest en overige agrarische residuen;
– residuen van de
papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;
– oud papier en karton;
– steekvast papierslib of
steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
– specifiek voor het
inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen
daarvan;
– organische residuen uit
de voedings- en genotmiddelenindustrie.
5.1.E. Conversie naar vloeibare,
gasvormige of vaste energiedragers uit houtachtige of
cellulose-achtige verbindingen in biomassa, waarbij de
energiedrager wordt gebruikt voor het opwekken van warmte of
kracht of als transportbrandstof door: pyrolyse, vergassing,
torrefactie, thermische ontleding, chemische ontleding of
enzymatische ontleding, en bestaande uit: reactor waarin één
van de hiervoor genoemde processen plaatsvindt, (eventueel)
fermentatiereactor voor fermentatie van C5 en C6 suikers.
Nabehandelingsapparatuur voor het verder verwerken van de
reactorproducten en op- en overslagvoorzieningen komt niet in
aanmerking voor Energie-investeringsaftrek.
Onder biomassa wordt verstaan:
materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare
componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit
koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij
geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige
koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus
onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen
sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van
kunststoffen.
Bijvoorbeeld de volgende
materiaalstromen:
– houtafval, sloophout,
snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;
– stro, bermmaaisel, riet,
mest en overige agrarische residuen;
– residuen van de
papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;
– oud papier en karton;
– steekvast papierslib of
steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
– specifiek voor het
inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen
daarvan;
– organische residuen uit
de voedings- en genotmiddelenindustrie.
5.1.F. Aerobe biomassa-reactor
voor het verwarmen van gebouwen of processen door gebruik te
maken van warmte die vrijkomt bij biologische omzetting van
houtachtige biomassa naar compost, en bestaande uit: aerobe
biomassa-reactor, warmtewisselaar, warmtetransportleiding,
(eventueel) restwarmteopslagvat, exclusief
warmtedistributienetten en verwarmingsnetten.
Onder een warmtetransportleiding
wordt verstaan: leiding tussen warmtebron en het punt waar wordt
overgegaan naar een lokale verdeling naar eindverbruiker(s).
Onder een warmtedistributienet
wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling vanaf de
transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de
eindverbruikers.
Onder een verwarmingsnet wordt
verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van
warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker.
5.1.G. Vergistingsinstallatie
voor droge biomassa voor het produceren van biogas door
vergisting van biomassa, waarbij de biomassa een
drogestofgehalte heeft van minimaal 25%, en bestaande uit:
installatie waarin droge biomassa batchgewijs anaeroob wordt
vergist.
6. Conversie van duurzame warmte naar
elektriciteit door:
6.1.A. Organic Rankine Cycle of
Kalinacyclus voor het omzetten van warmte naar mechanische of
elektrische energie waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzame
warmte, en bestaande uit: condensor, verdamper, pomp, turbine,
(eventueel) separator, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel)
generator.
Onder duurzame warmte wordt hier
verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven onder D.
E. Energie-advies of een maatwerkadvies
zoals dit is vastgelegd in ISSO 75.2.
Een energie-advies ter verbetering van de
energie-efficiency van objecten door middel van een verkenning van de
mogelijkheden om maatregelen te treffen, en bestaande uit:
a. een rapportage waarin de
mogelijkheden om maatregelen te treffen ter verbetering van de
energie-efficiency zijn vastgelegd. Deze rapportage bevat in ieder
geval:
1. Beschrijving van het object;
2. Een overzicht van de totale
energiehuishouding van het bestaande totale object;
3. Een energiebalans van de
relevante onderdelen van het bestaande totale object;
4. Een overzicht van de
mogelijkheden en de kwantificering tot energiebesparing;
5. Een overzicht van de
noodzakelijke organisatorische en administratieve aanpassingen;
6. Een raming van de te
verwachten investeringskosten en de te verwachten baten.
Voor afnemers met een
energiegebruik van meer dan 25.000 m3 aardgas (of
aardgasequivalent) of 50.000 kWh elektriciteit per jaar gelden
de volgende aanvullende eisen:
7. Inzicht in alle maatregelen
met een terugverdientijd tot en met vijf jaar;
8. Van de energiebalans dient 90%
van het totale energiegebruik te worden gespecificeerd, tenzij
daar gemotiveerd van afgeweken kan worden;
9. Helder en eenvoudig plan voor
het uitvoeren van de energiebesparende maatregelen, of
b. een actieplan als omschreven in
het EU Motor Challenge Programme.
Het maatwerkadvies zoals dat neergelegd
is in ISSO 75.2 is afgestemd op de BRL9500 deel 4 EPA-maatwerkadvies
voor bestaande utiliteitsgebouwen.
Dit EPA-maatwerkadviesrapport bevat ten
minste de volgende gegevens:
1. Projectgegevens;
2. Huidige situatie;
3. Uitgangspunten en overwegingen;
4. Lijst van enkelvoudige maatregelen
met hun standaardterugverdientijd;
5. Maatregelpakketten met hun
terugverdientijd en een indicatie van hun gevolgen voor de kwaliteit
van de binnenlucht, het thermisch comfort en de kans op condensatie
op en in de constructie;
6. Huidige energieverbruik;
7. Verwacht energieverbruik;
8. De terugverdientijd van de
voorgestelde maatregelpakketten.
Artikel 2
1. Bij de investeringen voor de
technische voorzieningen als omschreven in artikel 1 dient de
energiebesparing voor de investeringen onder:
A.1.1.A, A.1.2.A, A.1.3.A, A.2.2.A,
A.3.1.A, A.4.1.A, A.4.2.A en A.4.3.A ten minste 0,2 Nm3
aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen,
maar niet meer dan 1,0 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per
geïnvesteerde euro en aantoonbaar het directe gevolg te zijn van het
gebruik van het bedrijfsmiddel waarin is geïnvesteerd;
B.1.1.A, B.1.2.A, B.1.3.A, B.2.1.A,
B.3.1.A, B.4.1.A, B.4.2.A en B.4.3.A ten minste 0,6 Nm3
aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen,
maar niet meer dan 1,5 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per
geïnvesteerde euro en aantoonbaar het directe gevolg te zijn van het
gebruik van het bedrijfsmiddel waarin is geïnvesteerd;
C.1.1.A, C.1.2.A, C.1.3.A, C.2.1.A,
C.2.2.A, C.3.1.A, C.4.1.A, C.4.2.A en C.4.3.A ten minste 0,2 Nm3
aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen,
maar niet meer dan 0,8 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per
geïnvesteerde euro en aantoonbaar het directe gevolg te zijn van het
gebruik van het bedrijfsmiddel waarin is geïnvesteerd.
2. De in lid 1 gestelde
energiebesparing is ook van toepassing indien een besparing
plaatsvindt op de fossiele brandstoffen, aardgas, aardolie of
steenkool die als grondstof worden ingezet, De in lid 1 gestelde
energiebesparing is ook van toepassing indien een besparing op
fossiele brandstoffen plaatsvindt door waterstof dat als grondstof of
hulpstof wordt ingezet.
De in lid 1 gestelde energiebesparing
is ook van toepassing indien een besparing op fossiele brandstoffen
plaatsvindt door vloeibare- of gasvormige zuurstof of vloeibare- of
gasvormige stikstof of vloeibare CO2 die als hulpstof worden ingezet.
3. Bij het berekenen van de
energiebesparing per geïnvesteerde euro voor technische voorzieningen
dient geen rekening te worden gehouden met verkregen subsidies of
andere bijdragen van derden.
4. Als referentie voor de berekening
van de energiebesparing dient bij aanpassingen aan bestaande
bedrijfsgebouwen, aanpassingen aan of vervanging van bestaande
processen en aanpassingen aan of vervanging van bestaande
transportmiddelen het historisch energiegebruik. Bij nieuwe processen,
nieuwe bedrijfsgebouwen en nieuwe transportmiddelen dient het in de
betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij soortgelijke
nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie.
Indien er sprake is van uitbreiding van
een bestaand proces, wordt het uitbreidingsgedeelte gezien als een
nieuw proces waarvoor als referentie voor de berekening van de
energiebesparing het in de betreffende branche gemiddeld gangbare
energiegebruik bij soortgelijke nieuwe investeringen bij vergelijkbare
toepassingen dient te worden genomen.
Onder het historisch energiegebruik
wordt verstaan het totale energiegebruik gemeten over een
representatieve periode, voorafgaand aan het moment van investeren,
waarin het bedrijfsmiddel onder ontwerpomstandigheden is gebruikt, en
gebaseerd op de oorspronkelijke specificaties van het bedrijfsmiddel.
5. Bij de berekening van de
energiebesparing wordt de besparing door verlaging van het primaire
energiegebruik per eenheid product door toepassing van
groeibevorderende stoffen of groeibevorderende voorzieningen voor
levende organismen en de besparing door een gewijzigde product- of
grondstofspecificatie buiten beschouwing gelaten.
6. Wanneer de energiebesparing bij een
aanpassing aan een bestaand proces het rechtstreekse gevolg is van een
significant gewijzigde product- of grondstofspecificatie dan dient
niet het historische energiegebruik, maar het in de betreffende
branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij soortgelijke nieuwe
investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie te worden
genomen.
7. Onder bedrijfsgebouwen omschreven
onder A wordt verstaan gebouwen die gebruikt worden voor
bedrijfsdoeleinden, met uitzondering van (recreatie)woningen en
tuinbouwkassen. Investeringen in of voor tuinbouwkassen moeten voldoen
aan de vereisten genoemd onder B voor investeringen ten behoeve van
processen.
8. Ten aanzien van de investeringen
omschreven onder D moeten deze voorzieningen er toe strekken de inzet
van fossiele brandstoffen te beperken door voor ten minste 70% van de
energie-inhoud gebruik te maken van duurzame energie. Onder duurzame
energie valt: zonne-energie, windenergie, waterkracht, het benutten of
opslaan van omgevingswarmte en biomassa.
9. Voor investeringen, die naar aard,
toepassing en gebruik overeenkomen met een nader omschreven
investering, zijn de eisen die worden gesteld aan zo’n nader
omschreven investering van toepassing.
Dit geldt voor:
A.1.2.B tot en met A.1.2.O; A.2.1.A tot
en met A.2.1.D; A.3.1.B.; A.4.2.B tot en met
A.4.2.F;
B.1.2.B tot en met B.1.2.Q.;B.1.3.B.
tot en met B.1.3.D.; B.2.1.B.; B.2.1.C.; B.3.1.B; B.4.2.B;
C.1.2.B tot en met C.1.2.F.; C.1.3.B
tot en met C.1.3.D;
D.1.1.B; D.1.1.C; D.2.1.A; D.2.1.B;
D.3.1.B; D.4.1.A tot en met D.4.1.C; D.5.1.A tot en met D.5.1.G;
D.6.1.A..
10. Indien bij de in lid 9 genoemde
nader omschreven investeringen de omschrijving zich beperkt tot de
bestaande situatie, zijn investeringen die geen betrekking hebben op
de bestaande situatie, uitgesloten van Energie-investeringsaftrek.
11. Een warmtebuffer of (rest)warmteopslagvat
die niet hoofdzakelijk bestemd is voor het opslaan van (rest)warmte
vrijkomend bij bedrijfsmiddelen genoemd onder A.1.2.B., A.1.2.C.,
A.1.2.D., B.1.2.D., B.3.1.B., D.1.1.C., D.4.1.A., D.4.1.B., D.5.1.A.,
D.5.1.B., D.5.1.C. en D.5.1.F. is uitgesloten van
Energie-investeringsaftrek.
Artikel 3
Bij de berekening van de besparing gelden
de volgende omrekenfactoren:
– 1 kWh elektrische energie komt
overeen met 0,26 Nm3aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter huisbrandolie komt
overeen met 1,2 Nm3aardgasequivalent (a.e.);
– 1 ton stookolie komt overeen met
1300 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);
– 1 ton steenkool komt overeen met
925 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter vloeibaar propaan komt
overeen met 0,73 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter LPG ten behoeve van
wegvervoer komt overeen met 0,95 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter diesel ten behoeve van
wegvervoer komt overeen met 1,13 Nm3aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter benzine ten behoeve van
wegvervoer komt overeen met 1,04 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);
– 1 kilogram gasvormig waterstof
komt overeen met 4,0 Nm3 aardgasequivalent (a.e.);
– 1 ton gasvormige zuurstof komt
overeen met 104 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)
– 1 ton gasvormige stikstof komt
overeen met 65 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)
– 1 ton vloeibare zuurstof komt
overeen met 260 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)
– 1 ton vloeibare stikstof komt
overeen met 208 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)
– 1 ton vloeibare kooldioxide (CO2)
komt overeen met 49 Nm3 aardgasequivalent (a.e.)
– 1 Nm3 niet-Gronings aardgas komt
overeen met X Nm3 aardgasequivalenten (a.e.)
Hierbij wordt X berekend door de onderste
verbrandingswaarde in MJ/Nm3 van het ingezette aardgas te delen door
31,65 MJ/Nm3.
Indien wordt bespaard op een brandstof
die niet is genoemd in de voorgaande opsomming, dient de omrekenfactor
bepaald te worden door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in
MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm3.
Artikel 4
1. De voorwaarden als bedoeld in
artikel 3.42, vijfde lid, van de wet waaronder de kosten van een daar
bedoeld advies inzake energiebesparende maatregelen kunnen worden
begrepen onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een
energie-investering, zijn:
a. de energie-investering vindt
plaats binnen 24 maanden na het tijdstip waarop de opdracht tot
het advies is verstrekt;
b. de energie-investering is
aanbevolen in het advies;
c. de kosten van het advies worden
niet tevens toegerekend aan andere energie-investeringen; en
d. artikel 3.46, eerste lid,
onderdeel a, b, en d van de wet en artikel 8, zevende lid,
onderdeel b en c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Bij een gecombineerd
energie-milieuadvies wordt 50% van de totale advieskosten toegerekend
aan het energie-advies.
3. Bij de berekening van de
energiebesparing per geïnvesteerde euro voor investeringen als
bedoeld in artikel 2, blijven bij het geïnvesteerde bedrag de kosten
van het energie-advies buiten beschouwing.
4. Een object is een bestaand totaal
bedrijfsgebouw of een bestaand totaal proces dat apart bemeterd is
voor energiedragers.
Artikel 5
Voor investeringen onder A.5
Energieprestatieverbetering van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op
het moment van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen,
waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd onder A.5 moeten
zijn aangegaan.
|