|
De
Staatssecretaris van Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de artikelen 1.5, 2.2, 2.5, 2.14,
3.10, 3.13, 3.16, 3.17, 3.20, 3.27, 3.48, 3.49, 3.63, 3.83, 3.86, 3.87,
3.104, 3.138, 3.140, 3.141, 3.143, 3.145, 3.152, 3.154, 4.7, 4.14, 4.51,
5.14, 5.15, 5.17, 5.18, 6.8, 6.14, 6.15, 6.17, 6.23, 6.26, 6.37 en 7.2
van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (hoofdstuk 1 van de wet)
Artikel 1. Reikwijdte en definitie
1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 1.5, 1.7, 2.2,
2.5, 2.14a, 3.10, 3.13, 3.16, 3.17, 3.20, 3.22, 3.27, 3.55, 3.56,
3.57, 3.63, 3.83, 3.87, 3.104, 3.119a, 3.138, 3.152, 3.154, 4.7, 4.14,
4.17a, 4.17b, 4.17c, 4.41, 4.51, 5.14, 5.15, 5.17, 5.18, 5.18a, 6.14,
6.15, 6.17, 6.23, 6.26, 6.31, 6.33, 7.2, 8.9a, 8.14a, 8.14b, 9.2, 9.4,
9.6 en 10a.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 14 en
14a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en artikel
XXXIII van het Belastingplan 2010.
2. Deze regeling verstaat onder:
a. wet: Wet inkomstenbelasting 2001;
b. inhoudingsplichtige: de inhoudingsplichtige als bedoeld in
de Wet op de loonbelasting 1964;
c. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram, metro,
veerpont of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.
Artikel 2. In belangrijke mate onderhouden van kinderen
Een kind wordt in belangrijke mate op kosten van de ouder onderhouden
indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud
van het kind ten minste € 408 per kwartaal beloopt. De ouder wordt
geacht een kind in belangrijke mate op zijn kosten te onderhouden indien
hij voor het kind recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en
strekking met de Algemene Kinderbijslagwet overeenkomende buitenlandse
regeling.
Artikel 2a. Ingegane lijfrenten waarvan de termijnen niet in
geldeenheden, maar in units zijn vastgesteld
1.Een aanspraak op periodieke uitkeringen waarvan de uitkeringen
zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de uitkeringen niet voor de
gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, wordt op
grond van artikel 1.7, derde lid, van de wet gelijkgesteld met een
aanspraak op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen indien wordt
voldaan aan de hierna opgenomen regels.
2.Met betrekking tot de uitkeringen en de administratieve
vormgeving daarvan gelden de volgende regels:
a. de termijnen van een oudedagslijfrente of een tijdelijke
oudedagslijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid,
onderdeel a, respectievelijk onderdeel c, van de wet worden op de
ingangsdatum uitgedrukt in een vast aantal beleggingseenheden
(units) per jaar;
b. indien bij een of meer van de onder a genoemde lijfrenten
een nabestaandenlijfrente als bedoeld in artikel 3.125, onderdeel
b, van de wet is meeverzekerd, dient deze op de ingangsdatum van
de lijfrente waarbij deze is meeverzekerd te worden uitgedrukt in
een vast aantal beleggingseenheden per jaar; in plaats daarvan kan
op die ingangsdatum voor de nabestaandenlijfrente een kapitaal
worden bepaald dat dient als rekengrootheid voor de vaststelling
van de hoogte van de termijnen van de nabestaandenlijfrente in
beleggingseenheden of euro’s; indien de nabestaandenlijfrente
niet een lijfrente in beleggingseenheden of een gerichte lijfrente
is, maar is verzekerd als een recht op uitkeringen in euro’s,
wordt de nabestaandenlijfrente geadministreerd als een zelfstandig
recht ten opzichte van de in onderdeel a genoemde lijfrenten;
c. de hoogte van de uiteindelijk in euro’s uit te keren
termijnen van lijfrente dient uitsluitend te worden beïnvloed
door het verschil tussen het feitelijk behaalde
beleggingsrendement en de rekenrente die ten tijde van het ingaan
van de lijfrente als rekenrendement is gehanteerd. Daartoe wordt
de contante waarde van de termijnen in beleggingseenheden
actuarieel bijgehouden overeenkomstig de wijze waarop dat
geschiedt voor termijnen van lijfrenten in euro’s.
3.Met betrekking tot de tariefgrondslagen voor het berekenen van de
uitkeringen gelden de volgende regels:
a. de verzekeraar van de lijfrente gaat op de ingangsdatum van
de lijfrente uit van sterftegrondslagen die passen bij de
sterfterisico’s van de verzekerde rechten;
b. de verzekeraar van de lijfrente gaat ter berekening van het
op jaarbasis uit te keren vaste aantal beleggingseenheden uit van
ten hoogste het netto rekenrendement dat hij op de ingangsdatum
hanteert voor soortgelijke lijfrenten in euro’s of van het op de
ingangsdatum van de lijfrente geldende u-rendement zoals dat
periodiek wordt gepubliceerd door het Centrum voor
Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars; gedurende
de looptijd vindt geen herberekening plaats van het aantal
jaarlijks uit te keren beleggingseenheden;
c. in de hoogte van de termijnen van lijfrente in
beleggingseenheden wordt geen inflatie-element verdisconteerd.
4.Jaarlijks verwerkt de verzekeraar, overeenkomstig de bij
lijfrenteverzekeringen met uitkeringen in euro’s te hanteren
handelwijze, de actuariële gevolgen van de op de ingangsdatum
veronderstelde tariefgrondslagen in de administratie van de contante
waarde van de uitkeringen in beleggingseenheden en in de administratie
van de beleggingswaarde zelf.
5.Met betrekking tot de peildatum en de periode van vaststellen van
de uitkeringen in euro’s gelden de volgende regels:
a. bij de berekening van de per vervallen termijn verschuldigde
uitkering in euro’s kan worden uitgegaan van de waarde van de
beleggingseenheid op een vaste peildatum in de kalendermaand van
betaling of in de daaraan voorafgaande kalendermaand;
b. gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden
(herrekenperiode) kunnen de in de herrekenperiode uit te keren
termijnen bij aanvang daarvan in euro’s worden vastgesteld; de
hoogte van de uitkeringen in euro’s dient daarbij te worden
bepaald op basis van de werkelijke waarde van de beleggingseenheid
per een vaste peildatum gelegen in de kalendermaand waarin de
herrekenperiode ingaat of in een van de twee daaraan voorafgaande
kalendermaanden; slechts eenmalig kan worden gekozen voor een
datum van ingang van de herrekenperiode.
6.Met betrekking tot meeverzekerde nabestaandenlijfrenten en tot de
wijze van rekening houden met het overlijden van verzekerden gelden de
volgende regels:
a. in de in het tweede lid, onderdeel b, genoemde gevallen
waarin een of meer nabestaandenlijfrenten zijn meeverzekerd, dient
bij de vaststelling van de hoogte van de termijnen van de
lijfrenten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voor iedere
meeverzekerde nabestaandenlijfrente op actuarieel verantwoorde
wijze rekening te worden gehouden met het feit dat die
nabestaandenlijfrente is meeverzekerd;
b. indien een meeverzekerde nabestaandenlijfrente op de
ingangsdatum van een van de in het tweede lid, onderdeel a,
genoemde lijfrenten is uitgedrukt in een jaarlijks vast aantal
beleggingseenheden, wordt bij overlijden van een verzekerde zowel
de contante waarde van de beleggingseenheden als de totale
beleggingswaarde herrekend. Het overlijden dient daarbij geen
invloed te hebben op de waarde per beleggingseenheid. Een vrijval
van de beleggingswaarde bij overlijden komt, overeenkomstig de bij
uitkeringen in euro’s te hanteren handelwijze, ten goede aan de
verzekeraar in verband met het door deze gelopen langlevenrisico.
Artikel 2b. Ingegane lijfrentespaarrekeningtermijnen of
lijfrentebeleggingsrechttermijnen waarvan de omvang niet in
geldeenheden, maar in units is vastgesteld
1. Een aanspraak op termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde
en zesde lid, van de wet waarvan de termijnen zijn ingegaan en waarvan
de hoogte van de termijnen niet voor de gehele uitkeringsperiode in
geldeenheden is vastgesteld, wordt op grond van artikel 3.126a,
zevende lid, in verbinding met artikel 1.7, derde lid, van de wet
gelijkgesteld met een aanspraak op vaste en gelijkmatige termijnen
indien wordt voldaan aan de hierna opgenomen regels.
2. Met betrekking tot de termijnen en de administratieve vormgeving
daarvan gelden de volgende regels:
a. de termijnen worden op de ingangsdatum uitgedrukt in een
vast aantal beleggingseenheden (units) per jaar;
b. de hoogte van de uiteindelijk in euro’s uit te keren
termijnen dient uitsluitend te worden beïnvloed door het verschil
tussen het feitelijk behaalde beleggingsrendement en de rekenrente
die ten tijde van het ingaan van de termijnen als rekenrendement
is gehanteerd.
3. Met betrekking tot de grondslagen voor het berekenen van de
termijnen gelden de volgende regels:
a. de bank of beheerder, bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid,
van de wet, gaat ter berekening van het op jaarbasis uit te keren
vaste aantal beleggingseenheden uit van ten hoogste het netto
rekenrendement dat hij op de ingangsdatum hanteert voor
soortgelijke termijnen in euro’s of van het op de ingangsdatum
van de termijnen geldende u-rendement zoals dat periodiek wordt
gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het
Verbond van Verzekeraars; gedurende de looptijd vindt geen
herberekening plaats van het aantal jaarlijks uit te keren
beleggingseenheden;
b. in de hoogte van de termijnen in beleggingseenheden wordt
geen inflatie-element verdisconteerd.
4. Met betrekking tot de peildatum en de periode van vaststellen
van de termijnen in euro’s gelden de volgende regels:
a. bij de berekening van de verschuldigde termijn in euro’s
kan worden uitgegaan van de waarde van de beleggingseenheid op een
vaste peildatum in de kalendermaand van betaling of in de daaraan
voorafgaande kalendermaand;
b. gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden
(herrekenperiode) kunnen de in de herrekenperiode uit te keren
termijnen bij aanvang daarvan in euro’s worden vastgesteld; de
hoogte van de termijnen in euro’s dient daarbij te worden
bepaald op basis van de werkelijke waarde van de beleggingseenheid
per een vaste peildatum gelegen in de kalendermaand waarin de
herrekenperiode ingaat of in een van de twee daaraan voorafgaande
kalendermaanden; slechts eenmalig kan worden gekozen voor een
datum van ingang van de herrekenperiode.
Hoofdstuk 2. Raamwerk (hoofdstuk 2 van de wet)
Artikel 3. Woonplaatsfictie; keuzerecht voor buitenlandse
belastingplichtigen; aanwijzing mogendheid
Voor de toepassing van artikelen 2.2, eerste lid, en 2.5, eerste lid
van de wet, worden, voorzover het niet gaat om lidstaten van de Europese
Unie, als de in die bepalingen bedoelde mogendheden aangewezen alle
mogendheden waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele
belasting is overeengekomen, waarvan de bepalingen van toepassing zijn.
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4a. Toerekening afgezonderd particulier vermogen
1. Degene die als begunstigde een juridisch afdwingbaar recht heeft
ten laste van een afgezonderd particulier vermogen, wordt in zoverre
in de belastingheffing betrokken.
2. Indien aan twee of meer personen de bezittingen en schulden
alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier
vermogen worden toegerekend, wordt bij deze toerekening aangesloten
bij de waarde van hetgeen ten tijde van de afzondering door ieder van
de bedoelde personen of hun rechtsvoorgangers is afgezonderd in de zin
van artikel 2.14a, derde lid, van de wet. Met uitkeringen uit het
vermogen van het afgezonderd particulier vermogen wordt op
overeenkomstige wijze rekening gehouden.
3. Ingeval bij een afzondering van vermogen in een afgezonderd
particulier vermogen niet bekend is welk vermogen door iemand is
afgezonderd, vindt toerekening van dit vermogen plaats naar rato van
het aantal personen dat vermogen daarin heeft afgezonderd.
4. Onder het onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke
voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect, afzonderen
van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen,
bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, onderdeel a, van de wet, wordt
mede verstaan:
a. het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een
afgezonderd particulier vermogen tegen een prijs die afwijkt van
de waarde in het economische verkeer;
b. het bedingen van voorwaarden bij het vervreemden van
vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen die
niet overeenkomen met voorwaarden die in het maatschappelijk
verkeer gebruikelijk zijn;
c. het inbrengen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd
particulier vermogen waarbij de inbreng en daarmee samenhangende
rechtshandelingen gericht zijn op of direct of indirect verband
houden met het ontgaan of uitstellen van de toerekening, bedoeld
in artikel 2.14a, eerste lid, van de wet.
5. Bezittingen en schulden van een afgezonderd particulier vermogen
worden in aanmerking genomen naar de waarde in het economisch verkeer
die zou gelden als deze bezittingen en schulden deel zouden uitmaken
van het vermogen van degene aan wie de bezittingen en schulden van het
afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend.
6. De erfgenaam die gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling,
bedoeld in artikel 2.14a, zesde lid, van de wet, dient ten minste de
volgende gegevens aan de inspecteur over te leggen:
a. een beschrijving van het soort afgezonderd particulier
vermogen en land van vestiging;
b. de oprichtingsakte van het afgezonderd particulier vermogen
inclusief bijlagen (zoals instructies, reglementen, letter of
wishes, statuten);
c. de meest actuele jaarstukken van het afgezonderd particulier
vermogen over minimaal drie jaren;
d. naam- en adresgegevens van de inbrenger van het vermogen en
van de overige erfgenamen;
e. alle overige stukken waaruit blijkt dat de bedoelde
erfgenaam geen begunstigde is van het afgezonderd particulier
vermogen en dit in de toekomst ook nooit kan worden.
Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning (hoofdstuk 3 van de
wet)
Artikel 5. Belastbare winst uit onderneming; verliezen uit de
aanloopfase van een onderneming
Bij het bepalen van de winst van het eerste kalenderjaar als
ondernemer komt mede in aftrek het totale bedrag van de kosten en lasten
die zijn gemaakt in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren en die
verband houden met het starten van de onderneming, voorzover:
a. er in die periode geen opbrengsten tegenover hebben gestaan en
b. zij niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en
woning kunnen of konden worden gebracht.
Artikel 6. Belastbare winst uit onderneming; overige vrijstellingen;
gedeeltelijke vrijstelling van bos en natuur
1. Als regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding
van bos en natuur of overeenkomsten die op die regelingen vooruitlopen
als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel g, van de wet
worden aangewezen:
a. de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer zoals die
luidde tot 1 januari 2000;
b. de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zoals die luidde tot 1
januari 2007;
c. de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden
provincies;
d. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer zoals die luidde
tot 1 januari 2007, voor zover betrekking hebbende op de
landschapssubsidie, bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b,
van die regeling;
e. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de
onderscheiden provincies, voor zover betrekking hebbende op de
landschapssubsidie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, van die regeling;
f. de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer van de
onderscheiden provincies, voor zover betrekking hebbende op de
subsidie natuurbeheer, bedoeld in artikel 3.1 van die verordening,
en de subsidie landschapsbeheer, bedoeld in artikel 5.1.1.1 van
die verordening;
g. de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap van
de onderscheiden provincies, voor zover betrekking hebbende op de
investeringssubsidie, bedoeld in artikel 8, eerste, derde en
vierde lid, van die regeling, en de subsidie functieverandering,
bedoeld in artikel 15 van die regeling;
h. de overeenkomsten met het Bureau Beheer Landbouwgronden:
1°. met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende
nummer: 005/9001 van 29 mei 1996;
2°. met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende
nummer: 008/9001 van 30 mei 1996;
3°. met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende
nummer: 004/9001 van 27 oktober 1997;
4°. met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende
nummer: 003/9001 van 15 december 1997;
i. de beschikkingen van de Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie van 18 april 1998 met de beschikkingnummers
kaderwet/pnb/01, kaderwet/pnb/02 en kaderwet/pnb/03.
2. Van de voordelen die worden genoten op grond van de in het
eerste lid, onderdelen a, h en i, bedoelde regelingen en
overeenkomsten behoort 90% niet tot de winst. Van de voordelen die
worden genoten op grond van de in het eerste lid, onderdelen b tot en
met g, bedoelde regelingen en overeenkomsten behoort 100% niet tot de
winst.
Artikel 6a. Belastbare winst uit onderneming; overige vrijstellingen;
vrijstelling mobiliteitsprojecten
Als mobiliteitsprojecten in het kader van het project Anders betalen
voor mobiliteit of het programma Beter Benutten als bedoeld in artikel
3.13, eerste lid, onderdeel i, van de wet worden aangewezen:
a. Spitsmijden A15 als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant
Spitsmijden A15 (Stcrt. 2009, 14);
b. Mobiliteitsproject‘Prijsprikkels door Bedrijven voor de
Bereikbaarheid van Haaglanden’ als bedoeld in het
Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject ‘Prijsprikkels door
Bedrijven voor de Bereikbaarheid van Haaglanden’(Stcrt. 2009,
10581);
c. Mobiliteitsproject regio Eindhoven-’s-Hertogenbosch als
bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject regio
Eindhoven-’s-Hertogenbosch (Stcrt. 2009, 11790);
d. Mobiliteitsprojecten SLIM Prijzen en SLIM Prijzen Waalbrug als
bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsprojecten SLIM
Prijzen en SLIM Prijzen Waalbrug (Stcrt. 2009, 18102);
e. Mobiliteitproject Beloningsmaatregel Utrecht Oost als bedoeld
in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject Beloningsmaatregel
Utrecht Oost (Stcrt. 2009, 18120);
f. Mobiliteitsproject Spitsmijden A12-corridor.
Artikel 7. Belastbare winst uit onderneming; van aftrek uitgesloten
kosten ten behoeve van de belastingplichtige; werkkleding
Voor de toepassing van artikel 3.16, tweede lid, onderdeel c, van de
wet wordt kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt
is om bij het behalen van de winst te dragen, slechts als werkkleding
aangemerkt indien zij is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare,
aan de onderneming gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen
ten minste 70 cm2.
Artikel 8. Belastbare winst uit onderneming; in aftrek beperkte
kosten ten behoeve van de belastingplichtige; verhuizing in kader van
onderneming
1. Voor de toepassing van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel a,
onder 1°, van de wet verhuist de ondernemer in ieder geval in het
kader van de onderneming ingeval hij binnen twee jaar na de
verplaatsing van de onderneming door verhuizing de afstand tussen zijn
woning en de vestigingsplaats van de onderneming met ten minste 60%
verkleint terwijl tot die verhuizing de afstand tussen zijn woning en
de vestigingsplaats van de onderneming ten minste 25 kilometer
bedroeg.
2. Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de
afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.
Artikel 9. Belastbare winst uit onderneming; bijtelling
privé-gebruik auto
De rittenregistratie als bedoeld in artikel 3.20 van de wet bevat ten
minste de volgende gegevens:
a. merk, type en kenteken van de auto;
b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;
c. per rit:
10. datum;
20. beginstand en eindstand van de kilometerteller;
30. beginadres en eindadres;
40. de gereden route indien deze afwijkt van de meest
gebruikelijke;
50. het karakter van de rit.
Artikel 9a. Constatering van het niet afgenomen zijn van het aandeel
van de netto-tonnage van bepaalde schepen
Met betrekking tot het kalenderjaar 2012 wordt voor de toepassing van
artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, van de wet vastgesteld dat op
landelijk niveau de netto-tonnage van kwalificerende schepen die de vlag
voeren van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte als percentage van de netto-tonnage van kwalificerende schepen in
de periode 2008 tot en met 2010 ten opzichte van de periode 2007 tot en
met 2009 niet is afgenomen.
Artikel 10. Belastbare winst uit onderneming; loon- en
prijswijzigingen na afloop jaar en betaling
1.In afwijking van artikel 3.27, tweede lid, van de wet is het
eerste lid van dat artikel mede van toepassing op de betaling van
premies voor risicoverzekeringen voor weduwen- en wezenpensioenen,
voorzover het in de premies begrepen bestanddeel voor toekomstige
wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen niet meer bedraagt dan
nodig is voor een aanpassing aan een zodanige wijziging van 4% per
jaar.
2.In afwijking van artikel 3.27, derde lid, van de wet is het
eerste lid van dat artikel mede van toepassing op de betaling van
premies of koopsommen aan een pensioenlichaam waarvan het doel en de
feitelijke werkzaamheden overeenkomen met die van een pensioenfonds
als bedoeld in de Pensioenwet en waarvan de winst uitsluitend kan
worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ander pensioenfonds
met overeenkomstige doelstelling, of een algemeen maatschappelijk
belang.
3.Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing voorzover de
betalingen het vermogen van de onderneming onherroepelijk hebben
verlaten.
Artikel 11. Aangewezen staten bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte
Voor de toepassing van de artikelen 3.55, tweede en vijfde lid, 3.56,
tweede lid, 3.57, tweede lid, en 4.41, tweede en derde lid, van de wet
en de artikelen 14, derde lid, en 14a, tweede lid, van het
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 worden van de staten die
partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2004]
Artikel 13a. Belastbare winst uit onderneming; verkorting
driejaarstermijn bij doorschuiving naar ondernemers of werknemers
1.Aan de in artikel 3.63, vierde lid en vijfde lid, van de wet
bedoelde termijn van 36 maanden wordt geacht te zijn voldaan indien
zich na het aangaan van het samenwerkingsverband respectievelijk de
dienstbetrekking een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede
lid.
2.Het eerste lid is van toepassing indien de belastingplichtige:
a. door ziekte of gebreken gedurende ten minste één jaar niet
in staat is, of vermoedelijk niet in staat zal zijn, om ten minste
55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde
personen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen
verdienen;
b. in staat van faillissement wordt verklaard;
c. surséance van betaling heeft aangevraagd;
d. onder curatele wordt gesteld;
e. vóór het aangaan van het samenwerkingsverband
respectievelijk de dienstbetrekking met degene die de onderneming
gaat voortzetten nog wel, maar vanaf enig moment daarna niet meer
kan kiezen voor kwalificatie als partner van de voortzetter, of
f. overlijdt en de onderneming spoedig daarna aan de in artikel
3.63, vierde lid respectievelijk vijfde lid, van de wet, bedoelde
voortzetter wordt overgedragen.
Artikel 14. Belastbaar loon; pensioen in grensoverschrijdende
situaties
(GERESERVEERD)
Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 16. Belastbaar loon; reisaftrek
1. De openbaar-vervoerverklaring, bedoeld in artikel 3.87, negende
lid van de wet, is gedagtekend en bevat ten minste de volgende
gegevens:
a. naam en adres van de belastingplichtige;
b. de route waarvoor de plaatsbewijzen geldig zijn;
c. het tijdvak van geldigheid van de plaatsbewijzen.
2. De verklaring, bedoeld in artikel 3.87, negende lid, van de wet
(de reisverklaring) bevat ten minste de volgende gegevens:
a. naam en adres van de inhoudingsplichtige;
b. naam en adres van de belastingplichtige;
c. een door de inhoudingsplichtige ondertekende verklaring, die
vermeldt het aantal dagen per week dat de belastingplichtige met
het openbaar vervoer naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden
heeft gereisd.
3. Op verzoek van de inspecteur doet de belastingplichtige de
reisverklaring, alsmede de plaatsbewijzen, aan hem toekomen.
Artikel 17. Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen;
vrijstellingen publiekrechtelijke uitkeringen
1. Als uitkeringen welke niet tot de inkomsten in de vorm van
bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren, bedoeld in
artikel 3.104, onderdeel h, van de wet worden aangewezen:
a. uitkeringen ingevolge de Wet op de huurtoeslag;
b. uitkeringen ingevolge de Wet bevordering eigenwoningbezit;
c. uitkeringen ingevolge de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten;
d. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Regeling opvang
asielzoekers;
e. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Regeling
verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen
2005;
f. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Wet gemeentelijke
zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf;
g. uitkeringen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit
taakverlichting alleenstaande werkenden/AAW;
h. inkomensondersteunende uitkeringen ingevolge artikel 108,
eerste lid, van de Gemeentewet, die overeenkomen met bijstand ter
bestrijding van bepaalde noodzakelijke kosten;
i. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke
regeling verstrekkingen gerepatrieerden Libanon;
j. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke
regeling voortzetting verstrekkingen gerepatrieerden Libanon.
2. Als uitkeringen tot bestrijding van onderhoudskosten van
thuiswonende gehandicapte kinderen, bedoeld in artikel 3.104,
onderdeel i, van de wet, worden aangewezen: uitkeringen ingevolge de
Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte
kinderen 2000.
3. Als voorzieningen voor militaire oorlogs- of dienstslachtoffers
die verband houden met invaliditeit als bedoeld in artikel 3.104,
onderdeel o, van de wet worden aangewezen: voorzieningen in de zin van
de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en
dienstslachtoffers.
Artikel 17bis. Verdeling spaarrekening eigen woning en
beleggingsrecht eigen woning bij meer dan één gerechtigde
1.Ingeval een spaarrekening eigen woning meer dan één
rekeninghouder heeft, wordt het tegoed van de rekening in gelijke
delen toegerekend aan die rekeninghouders.
2.Ingeval een beleggingsrecht eigen woning meer dan één eigenaar
heeft, wordt de waarde van het recht in gelijke delen toegerekend aan
die eigenaren.
Artikel 17a. Aanvullende bepalingen met betrekking tot de
eigenwoningreserve
1. Voor de toepassing van artikel 3.119a van de wet:
a. wordt de eigenwoningreserve die is gevormd voor het ontstaan
van een algehele huwelijksgemeenschap bij ontbinding van die
gemeenschap op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en
zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot verdeeld in de onderlinge
verhouding waarin zij tot de gemeenschap gerechtigd zijn. Het
verzoek wordt uiterlijk gedaan bij de aangifte over het jaar
waarin de algehele huwelijksgemeenschap wordt ontbonden. Op dit
verzoek kan niet worden teruggekomen;
b. wordt een woning zolang deze ten aanzien van de echtgenoot
van de belastingplichtige als eigen woning wordt aangemerkt ten
aanzien van de belastingplichtige mede als eigen woning aangemerkt
indien de woning tot een huwelijksgemeenschap behoort of gaat
behoren.
2. Indien in de overeenkomst ter zake van de verwerving van een
eigen woning, ten behoeve van de uitvoering van het woonbeleid van de
rijksoverheid of een gemeente, een clausule is opgenomen op grond
waarvan bij niet nakoming van die clausule een bedrag verschuldigd is,
kan bij de vervreemding van die woning het bedrag dat terzake van het
niet nakomen van de clausule is betaald in mindering worden gebracht
op het vervreemdingssaldo eigen woning.
Artikel 18. Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen;
verminderingen en voorkoming dubbeltellingen
(GERESERVEERD)
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 23. Verliesverrekening; formalisering achterwaartse
verliesverrekening
1.Een voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 3.152,
vijfde lid, van de wet kan worden verleend indien het verlies over een
kalenderjaar wordt aangegeven door de in de uitnodiging tot het doen
van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere
gegevensdragers of de inhoud daarvan duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud in te vullen en te ondertekenen en de gevraagde bescheiden
of andere gegevensdragers in te leveren of toe te zenden.
2.Bij de berekening van de voorlopige verliesverrekening wordt het
vermoedelijke verlies voor 80 percent in aanmerking genomen.
Artikel 24. Middeling
Bij het in artikel 3.154, eerste lid, van de wet bedoelde verzoek om
middeling wordt een berekening gevoegd van de middelingsteruggaaf.
Artikel 24a [Vervallen per 25-06-2005]
Artikel 24b [Vervallen per 25-06-2005]
Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang (hoofdstuk 4
van de wet)
Artikel 25. Aanmerkelijk belang; soortbenadering; aandelen verkregen
in het kader van een premiespaarregeling of spaarloonregeling
Ten aanzien van de belastingplichtige die geen andere aandelen in een
vennootschap houdt dan die welke hij heeft verkregen in het kader van
een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de
loonbelasting 1964 zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, worden
die aandelen voor de toepassing van artikel 4.7 van de wet aangemerkt
als aandelen van dezelfde soort als die waarin het grootste gedeelte van
het geplaatste kapitaal van de vennootschap is uitgedrukt.
Artikel 26. Reguliere voordelen; forfaitair voordeel uit buitenlandse
beleggingslichamen; aanwijzing effectenbeurzen
De ingevolge artikel 4.14, achtste lid, onderdeel a, van de wet aan
te wijzen effectenbeurzen zijn de effectenbeurzen in de lidstaten van de
Europese Gemeenschappen, alsmede de effectenbeurzen te Zürich, New York
en Tokio.
Artikel 26a. Verzoek om toepassing doorschuifregelingen bij
vererving, bij verdeling van de nalatenschap binnen twee jaar of bij
schenking
1. Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, artikel
4.17b, tweede lid, of artikel 4.17b, derde lid, van de wet wordt
schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de
aanslagregeling van de erflater.
2. Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, of artikel
4.17c, eerste lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de
inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de vervreemder.
Artikel 26b. In het kader van een bedrijfsoverdracht uitgegeven
preferente aandelen
1. Onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen
als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt
ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een
aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet, een juridische
splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische
fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet.
2. Aan het gestelde in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van
de wet wordt ook geacht te zijn voldaan indien de daar bedoelde
preferente aandelen worden verkregen van een rechtsopvolger krachtens
erfrecht of huwelijksvermogensrecht van degene die de aandelen heeft
omgezet als bedoeld in genoemd onderdeel.
3. Indirect gehouden preferente aandelen zijn uitgegeven in het
kader van een bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde
lid, laatste volzin, van de wet indien:
a. de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder
door de erflater gehouden indirect belang van gewone aandelen als
bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, onderdelen a en b, van de
wet;
b. de omzetting in preferente aandelen gepaard is gegaan met
het toekennen van gewone aandelen aan een ander;
c. ten tijde van de omzetting in preferente aandelen de
vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een
onderneming dreef als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid,
onderdeel a, van de wet, of een medegerechtigdheid hield als
bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel b, van de wet, en
d. de verkrijger van de indirect gehouden preferente aandelen
reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of
indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in
onderdeel b.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder een omzetting van gewone
aandelen in preferente aandelen als bedoeld in de eerste volzin ook
begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een
aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet, een juridische
splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische
fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet. Voorts wordt daaronder
ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een
bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969.
4. Indien preferente aandelen zijn ontstaan in het kader van een
gefaseerde bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid
of vijfde lid, van de wet, dan behouden deze aandelen het karakter dat
zij in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 4.17a,
eerste lid, onderdeel c, van die wet voor zover de houder van deze
preferente aandelen ook houder is van de gewone aandelen die bij het
ontstaan van de preferente aandelen zijn toegekend aan de
bedrijfsopvolger.
5. Voor de bepaling of de verkrijger van de preferente aandelen
voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d,
van de wet worden de preferente aandelen niet gerekend tot het
geplaatste kapitaal. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing voor de toepassing van het derde lid, eerste volzin,
onderdeel d.
Artikel 26c. Verkorting termijn 36 maanden uit de doorschuifregeling
bij schenking
1. Aan de in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de wet
bedoelde termijn van 36 maanden wordt geacht te zijn voldaan indien
zich na het aangaan van de aldaar bedoelde dienstbetrekking een
omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid.
2. Het eerste lid is van toepassing indien de vervreemder:
a. door ziekte of gebreken gedurende ten minste één jaar niet
in staat is, of vermoedelijk niet in staat zal zijn, om ten minste
55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde
personen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen
verdienen;
b. in staat van faillissement is verklaard;
c. surséance van betaling heeft aangevraagd, of
d. onder curatele is gesteld.
Artikel 26d. Werknemer bij een werkmaatschappij in geval van
schenking van aandelen in een holding
Aan de in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde
voorwaarde wordt geacht ook te zijn voldaan indien:
a. de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking
hebben, een belang heeft in een ander lichaam;
b. dat andere lichaam een onderneming drijft of een
medegerechtigdheid houdt, een en ander als bedoeld in artikel 4.17c,
eerste lid, onderdeel a, van de wet, en
c. de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk
voorafgaan aan het tijdstip van de vervreemding in dienstbetrekking
is van dat andere lichaam.
Artikel 27. Verliesverrekening; formalisering achterwaartse
verliesverrekening
1.Een voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 4.51,
vijfde lid, van de wet kan worden verleend indien het verlies over een
kalenderjaar wordt aangegeven door de in de uitnodiging tot het doen
van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere
gegevensdragers of de inhoud daarvan duidelijk, stellig en zonder
voorbehoud in te vullen en te ondertekenen en de gevraagde bescheiden
of andere gegevensdragers in te leveren of toe te zenden.
2.Bij de berekening van de voorlopige verliesverrekening wordt het
vermoedelijke verlies voor 80 percent in aanmerking genomen.
Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (hoofdstuk 5
van de wet)
Artikel 28. Reikwijdte en definities
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. inspecteur: de voorzitter van het managementteam van de
Belastingdienst/Amsterdam;
b. groenproject: een project waarvoor ingevolge de Regeling
groenprojecten 2010, de Regeling groenprojecten buitenland 2002
dan wel de Regeling groenprojecten Nederlandse Antillen en Aruba
2002 een verklaring als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, van de
wet is afgegeven;
c. sociaal-ethisch project: een project waarvoor ingevolge de
Regeling sociaal-ethische projecten 2005 een verklaring als
bedoeld in artikel 5.15, derde lid, van de wet is afgegeven;
d. cultureel project: een project waarvoor ingevolge de
Regeling cultuurprojecten 2004 een verklaring als bedoeld in
artikel 5.18a, derde lid, van de wet is afgegeven;
e. project: groenproject, sociaal-ethisch project of cultureel
project;
f. groenfonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de
voorwaarden van artikel 5.14, tweede lid, van de wet en die door
de inspecteur ingevolge artikel 5.14, eerste lid, van de wet is
aangewezen;
g. sociaal-ethisch fonds: bank of beleggingsinstelling die
voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.15, tweede lid, van de
wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.15, eerste lid,
van de wet is aangewezen;
h. cultuurfonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan
de voorwaarden van artikel 5.18a, tweede lid, van de wet en die
door de inspecteur ingevolge artikel 5.18a, eerste lid, van de wet
is aangewezen;
i. fonds: een groenfonds, een sociaal-ethisch fonds of een
cultuurfonds;
j. participatiemaatschappij: een rechtspersoon die voldoet aan
de voorwaarden van artikel 5.18, tweede lid, van de wet en die
door de inspecteur ingevolge artikel 5.18, eerste lid, van de wet
is aangewezen;
k. hoofdzakelijkheidscriterium: de voorwaarde inzake
hoofdzakelijk als bedoeld in artikel 5.14, tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 5.15, tweede lid, artikel 5.18, tweede
lid, of artikel 5.18a, tweede lid, van de wet;
l. aanloopperiode: de periode, bedoeld in artikel 5.14, vierde
lid, onderscheidenlijk artikel 5.15, vierde lid, artikel 5.18,
vierde lid, of artikel 5.18a, vierde lid, van de wet;
m. ingroeiperiode: de periode, bedoeld in artikel 5.14, vijfde
lid, onderscheidenlijk artikel 5.15, vijfde lid, artikel 5,18,
vierde lid, of artikel 5.18a, vijfde lid, van de wet.
Artikel 29. Inhoud verzoek om aanwijzing als groenfonds,
sociaal-ethisch fonds of cultureel fonds, en afhandeling verzoek
1. Een verzoek om aanwijzing als fonds wordt schriftelijk gedaan
bij de inspecteur onder overlegging van:
a. de statuten van het fonds;
b. een afschrift van de inschrijving in het register, bedoeld
in artikel 1:107 van de Wet op het financieel toezicht, dan wel,
ingeval artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, van die wet van
toepassing is, een afschrift van de in dat lid bedoelde
bankgarantie, en
c. een opgave van de feitelijke werkzaamheden en voorgenomen
werkzaamheden van het fonds.
2. Bij een verzoek om aanwijzing als fonds met een ingroeiperiode
worden tevens overgelegd:
a. een ingroeiplan op grond waarvan het aannemelijk is dat
binnen drie maanden na de aanwijzing ten minste 30 percent van het
vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit
kredieten ten behoeve van projecten;
b. een ingroeischema op grond waarvan het aannemelijk is dat
uiterlijk twee jaren na de aanwijzing ten minste 70 percent van
het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat
uit kredieten ten behoeve van projecten.
3. De inspecteur beslist op het verzoek tot aanwijzing bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
4. De aanwijzing vindt plaats met ingang van de datum waarop het
verzoek is ingediend, dan wel met ingang van een latere datum indien
daarom is verzocht.
5. De inspecteur maakt het aanwijzen als een fonds als bedoeld in
artikel 28, onderdeel i, op een daartoe geschikte wijze publiek
bekend. Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die
intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Artikel 29a. Informatievoorziening en administratieplicht
1. Een aangewezen fonds overlegt binnen vier maanden na afloop van
ieder boekjaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en
schulden naar de waarde in het economische verkeer aan het einde van
het boekjaar.
2. Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode,
verstrekt het fonds onmiddellijk na afloop van die periode aan de
inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de
actuele waarde in het economische verkeer.
3. Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode,
verstrekt het fonds in die periode elk half jaar aan de inspecteur een
overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in
het economische verkeer.
4. Indien een fonds indirect een krediet verstrekt ten behoeve van
een project, blijkt uit de administratie van de inlenende
rechtspersoon ten behoeve van welk project het krediet is verstrekt.
5. Indien een fonds een krediet verstrekt ten behoeve van een
project door tussenkomst van een ander fonds, elimineert het inlenende
fonds het kredietbedrag uit het overzicht van zijn bezittingen en
schulden, bedoeld in het eerste lid.
6. Indien een aangewezen fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden
voor aanwijzing, doet het fonds daarvan onverwijld schriftelijk
mededeling aan de inspecteur.
Artikel 29b. Intrekking aanwijzing
1.De inspecteur trekt de aanwijzing in:
a. op verzoek van het fonds;
b. indien het fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor
aanwijzing; dan wel
c. indien het fonds de in dit hoofdstuk opgenomen
informatieverplichtingen jegens de inspecteur niet nakomt.
2.De intrekking van de aanwijzing geschiedt bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
3.De inspecteur bepaalt in de beschikking het tijdstip waarop de
intrekking van de aanwijzing in werking treedt, met dien verstande dat
de intrekking terugwerkende kracht heeft tot en met de dag waarop het
eerste lid, onderdeel b of c, van toepassing is.
4.Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode en na
afloop van die periode niet wordt voldaan aan het
hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht
tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.
5.Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode en na
afloop van die periode niet wordt voldaan aan het
hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht
tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.
6.Indien het fonds de in artikel 29a, vierde lid, bedoelde
mededeling onverwijld heeft gedaan, heeft de intrekking geen
terugwerkende kracht.
7.Indien het fonds de in artikel 29a, vierde lid, bedoelde
mededeling onverwijld heeft gedaan en voorts aannemelijk maakt dat het
niet meer voldoen aan de voorwaarden niet langer dan drie maanden zal
voortduren, een incidenteel karakter heeft en niet in strijd is met
doel en strekking van de regeling, trekt de inspecteur de aanwijzing
niet in. Het besluit de aanwijzing niet in te trekken, neemt de
inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking; daarbij kan hij
nadere voorwaarden stellen.
8.Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die
intrekking op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Artikel 30. Beleggingen in durfkapitaal; vrijstelling directe
beleggingen in durfkapitaal; beginnende ondernemer-natuurlijke persoon
Met betrekking tot een kalenderjaar wordt als beginnende ondernemer
als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel a, van de wet
aangemerkt de natuurlijke persoon die naar verwachting met betrekking
tot dat jaar of het daaropvolgende jaar in aanmerking komt voor
zelfstandigenaftrek en ten aanzien van wie deze aftrek over nog niet
meer dan zeven jaren is toegepast, dan wel, ingeval hij in het
kalenderjaar een onderneming of een gedeelte van een onderneming
overneemt, over nog niet meer dan veertien jaren is toegepast.
Artikel 31. Beleggingen in durfkapitaal; vrijstelling directe
beleggingen in durfkapitaal; beginnende ondernemer-rechtspersoon
De beginnende ondernemer als bedoeld in artikel 5.17, derde lid,
onderdeel b, van de wet, is een rechtspersoon die ten tijde van het
verstrekken van de achtergestelde lening aan hem, onderscheidenlijk het
nemen van een deelneming in hem moet voldoen aan de volgende
voorwaarden:
a. de rechtspersoon is een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid of naamloze vennootschap, die niet langer dan acht
jaren geleden tot stand is gekomen, dan wel een rechtspersoon met
een in aandelen verdeeld kapitaal die:
1°. is opgericht naar het op Aruba, Curaçao, Sint Maarten
of de BES eilanden geldende recht, of naar het recht van een
lidstaat van de Europese Unie of een staat in de relatie waarmee
een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele
belasting van toepassing is waarin een bepaling is opgenomen die
discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor rechtspersonen
die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren als een naar
Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid of naamloze vennootschap;
2°. naar aard en inrichting vergelijkbaar is met de besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze
vennootschap; en
3°. niet langer dan acht jaren geleden tot stand is gekomen;
b. voor rekening van de rechtspersoon wordt in Nederland een
onderneming gedreven van een zodanige omvang dat de bij hem in
dienst zijnde personen te zamen naar verwachting daaraan jaarlijks
ten minste 1225 uren besteden;
c. de voor rekening van de rechtspersoon gedreven onderneming is
geen voortzetting van een onderneming die, of een gedeelte van een
onderneming, dat meer dan acht jaren geleden direct of indirect is
gedreven voor rekening van een persoon die thans onmiddellijk of
middellijk aandeelhouder is in de rechtspersoon;
d. de rechtspersoon voldoet aan ten minste twee van de in artikel
396, eerste lid, onderdelen a, b, en c, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek vermelde vereisten;
e. de feitelijke werkzaamheid van de rechtspersoon bestaat niet
in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee
overeenkomende werkzaamheid.
Artikel 32. Beleggingen in durfkapitaal; vrijstelling directe
beleggingen in durfkapitaal; voorwaarden geldlening
Onder een geregistreerde, achtergestelde geldlening als bedoeld in
artikel 5.17, eerste lid juncto artikel 5.17 vierde lid, van de wet
wordt verstaan een geldlening:
a. met een hoofdsom van ten minste € 2269 ter zake waarvan een
rente wordt vergoed welke niet uitgaat boven de wettelijke rente,
bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek;
b. ter zake waarvan in de overeenkomst is vermeld:
1°. indien de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon
is: het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van de beginnende ondernemer en het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van degene die de geldlening verstrekt;
2°. indien de beginnende ondernemer een rechtspersoon is als
bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de wet: het
omzetbelastingnummer van de beginnende ondernemer en het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer van degene die de geldlening verstrekt;
c. ter zake waarvan in de overeenkomst is opgenomen dat:
1°. de lening jegens andere schuldeisers, gedurende ten
minste de eerste acht jaren na het overeenkomen van de
geldlening, een lagere rang inneemt dan is bepaald in artikel
277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. indien de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon
is, de lening dient ter financiering van bestanddelen die
behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van de
beginnende ondernemer, dan wel, indien de beginnende ondernemer
een rechtspersoon is, de lening dient ter financiering van
bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden
behoren zo de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van
een natuurlijk persoon zou worden gedreven;
3°. de lening door degene die de geldlening verstrekt niet
is gefinancierd met geleend geld, en
4°. de lening is verstrekt met het oog op het bepaalde in de
artikelen 6.8 en 5.17, van de wet, waarvan melding wordt gemaakt
in het opschrift van de overeenkomst;
d. waarvan de overeenkomst daartoe is ondertekend door de
beginnende ondernemer en degene die de geldlening verstrekt, en
e. welke binnen vier weken na het overeenkomen daarvan is
geregistreerd op de voet van de Registratiewet 1970.
Artikel 33. Participatiemaatschappij; omvang en karakter van het
vermogen, alsmede aanwijzing van de participatiemaatschappij en
intrekking van de aanwijzing
1.Het in een participatiemaatschappij gestorte kapitaal en het door
die maatschappij aangetrokken vreemd vermogen dienen te zamen ten
minste € 4 537 802 te bedragen.
2.De door een participatiemaatschappij verstrekte, achtergestelde
geldlening, bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de
wet en de door haar gehouden deelneming, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, van dat artikel, bedragen te zamen ten hoogste € 226
890 per beginnende ondernemer. De in de eerste volzin bedoelde
leningen en deelnemingen kunnen voor geen langere periode dan voor de
duur van acht jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van verstrekking
van de lening, onderscheidenlijk de verwerving van de deelneming,
worden aangemerkt als achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel
5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet, onderscheidenlijk als
deelneming als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van
de wet.
3.Als een achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.18,
tweede lid, onderdeel a, van de wet wordt aangemerkt de geldlening ter
zake waarvan in de overeenkomst is opgenomen dat de lening jegens
andere schuldeisers, gedurende ten minste de eerste acht jaren na het
overeenkomen van de geldlening, een lagere rang inneemt dan is bepaald
in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en
die, in geval de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon is,
dient ter financiering van bestanddelen die bij de beginnende
ondernemer behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van die
onderneming en, in geval de beginnende ondernemer een rechtspersoon
is, bij de rechtspersoon dient ter financiering van bestanddelen die
tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren indien de
onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk
persoon zou worden gedreven.
4.Als een deelneming als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid,
onderdeel a, van de wet wordt aangemerkt de deelneming waarbij het in
de rechtspersoon te storten kapitaal dient ter financiering van
bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden
behoren indien de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van
een natuurlijk persoon zou worden gedreven.
5.Met betrekking tot het verzoek om aanwijzing als
participatiemaatschappij, de afhandeling van dat verzoek, de
informatieverstrekking , de intrekking, alsmede het publiek bekend
maken van de aanwijzing en intrekking van de aanwijzing zijn de
artikelen 29 tot en met 29b van overeenkomstige toepassing.
Artikel 33a [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 33b. Aanwijzing prijscourant
Als prijscourant als bedoeld in artikel 5.21 van de wet wordt
aangewezen de Officiële Prijscourant uitgegeven door Euronext Amsterdam
N.V.
Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek
Artikel 34 [Vervallen per 01-07-2011]
Artikel 35. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen; beperkingen
1.Artikel 6.14, eerste lid, onderdeel a, van de wet geldt niet
voor:
a. de belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren tegen
één of meer volksverzekeringen door de Sociale verzekeringsbank
een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 64 van de Wet
financiering sociale verzekeringen, ingeval noch hij, noch zijn
echtgenoot het recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet geldend maakt;
b. de belastingplichtige die op grond van de regelen ter
voorkoming van samenloop van kinderbijslag ingevolge de
Kinderbijslagwet zijn recht op kinderbijslag voor dat kind niet
geldend kan maken en geen huishouden vormt met degene die het
recht op kinderbijslag voor dat kind wel geldend kan maken.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt dat:
a. de in artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag
bedoelde persoon wiens recht op kinderbijslag niet wordt
uitbetaald, zijn recht op kinderbijslag niet geldend maakt, en
b. de in artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag
bedoelde persoon wiens recht op kinderbijslag aan hem geheel of
gedeeltelijk wordt uitbetaald, zijn recht op kinderbijslag geheel
geldend maakt.
3.Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing
indien de belastingplichtige recht heeft op een tegemoetkoming volgens
een naar aard en strekking met de Algemene Kinderbijslagwet
overeenkomende buitenlandse regeling.
Artikel 36. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen; omvang in
aanmerking te nemen uitgaven
1. De in artikel 6.15 van de wet bedoelde uitgaven voor
levensonderhoud van een kind worden, indien de kosten van dat
onderhoud in belangrijke mate op de belastingplichtige drukken, in
aanmerking genomen tot een bedrag van:
a. € 295 per kalenderkwartaal indien het kind jonger dan 6
jaar is;
b. € 355 per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder
doch jonger dan 12 jaar is;
c. € 415 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of
ouder doch jonger dan 18 jaar is;
d. € 355 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of
ouder is.
2. Het in het eerste lid, onderdeel d, vermelde bedrag wordt
verhoogd tot:
a. € 710, indien de op de ouder drukkende bijdrage in de
kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 710 per
kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind
tevens grotendeels op de belastingplichtige drukken;
b. € 1065, indien het kind niet tot het huishouden van de
belastingplichtige behoort, de op de ouder drukkende bijdrage in
de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 1065 per
kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind
tevens geheel of nagenoeg geheel op de belastingplichtige drukken.
3. Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner uitgaven
voor levensonderhoud van kinderen in aanmerking nemen, worden de in
aanmerking te nemen bedragen gesteld op de helft van de bedragen
vermeld in het eerste en tweede lid, zonodig naar boven af te ronden
op een geheel getal.
4. Voor de toepassing van de vorige leden is beslissend de toestand
bij het begin van het kalenderkwartaal.
Artikel 37. Uitgaven voor specifieke zorgkosten; dieetkosten
1. De extra kosten van een op voorschrift
van een arts of een diëtist gehouden dieet als bedoeld in artikel 6.17,
eerste lid, onderdeel f, en zevende lid, van de wet, worden bepaald aan
de hand van de navolgende tabel:
|
Voor het dieet bij
het ziektebeeld en de aandoening |
|
op welk dieet de in
deze kolom genoemde typering van toepassing is |
bedragen de extra
uitgaven |
|
Algemene symptomen |
groeiachterstand bij kinderen |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
| |
|
energieverrijkt |
€ 600 |
| |
ondervoeding |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
| |
|
energieverrijkt |
€ 600 |
| |
decubitus |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
|
Hartziekten |
decompensatio cordis, hartfalen |
natriumbeperkt |
€ 100 |
|
Infectieziekten |
aids |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
|
Luchtwegen |
chronische obstructieve longziekten
(COPD) |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
| |
|
energieverrijkt |
€ 600 |
|
Maag-,darm- en leverziekten |
dumping syndroom |
lactosebeperkt/lactosevrij |
€ 100 |
| |
chronische pancreatitis |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
| |
cystic fibrosis |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
| |
|
energieverrijkt |
€ 600 |
| |
coeliakie en ziekte van Dühring |
glutenvrij |
€ 1300 |
| |
|
glutenvrij in combinatie met
lactosebeperkt/lactosevrij |
€ 1400 |
| |
overige |
energieverrijkt met
vitaminepreparaat |
€ 650 |
| |
|
energieverrijkt |
€ 600 |
| |
|
energieverrijkt in combinatie met
MCT-vetverrijkt (met en zonder vitaminepreparaat) |
€ 1350 |
| |
|
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
| |
|
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt en lactosebeperkt/lactosevrij |
€ 1000 |
|
Metabole ziekten |
hypercholesterolemie |
verzadigd vetbeperkt in combinatie
met fyto/plantensterolenverrijkt |
€ 100 |
| |
vetstofwisselingsstoornis |
vetbeperkt in combinatie met
MCT-vetverrijkt |
€ 850 |
| |
fructose-intolerantie |
fructosebeperkt |
€ 50 |
| |
galactosemie |
galactosevrij |
€ 50 |
| |
sacharase isomaltase deficiëntie |
sterk sacharosebeperkt in
combinatie met (iso)maltosebeperkt |
€ 3550 |
| |
eiwitstofwisselingsstoornis (zoals
PKU en hyperlysinemie) |
sterk eiwitbeperkt |
€ 2700 |
|
Nierziekten |
nierziekten |
natriumbeperkt |
€ 100 |
| |
chronische nierinsufficiëntie met
hemodialyse/peritoneale dialyse |
eiwitverrijkt in combinatie met
natriumbeperkt |
€ 250 |
| |
nefrotisch syndroom |
natriumbeperkt |
€ 100 |
|
Oncologie |
oncologie |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
| |
|
energieverrijkt |
€ 600 |
|
Overige |
voedselovergevoeligheid |
koemelkeiwitvrij |
€ 100 |
| |
|
soja-eiwitvrij |
€ 50 |
| |
|
kippenei-eiwitvrij |
€ 50 |
| |
|
lactosebeperkt/lactosevrij |
€ 100 |
| |
|
tarwevrij |
€ 900 |
| |
|
tarwevrij in combinatie met
kippenei-eiwitvrij |
€ 1000 |
| |
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met
kippenei-eiwitvrij |
€ 150 |
| |
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met
soja-eiwitvrij |
€ 300 |
| |
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met
kippenei-eiwitvrij en soja-eiwitvrij |
€ 350 |
| |
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met
kippenei-eiwitvrij, soja-eiwitvrij en tarwevrij |
€ 1150 |
| |
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met
glutenvrij |
€ 1300 |
| |
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met
glutenvrij en tarwevrij |
€ 1300 |
| |
brandwonden |
energieverrijkt in combinatie met
eiwitverrijkt |
€ 850 |
| |
lymfe lekkage |
eiwitverrijkt in combinatie met
sterk (LCT-)vetbeperkt en MCT-vetverrijkt |
€ 1100 |
| |
Epilepsie |
sterk eiwitbeperkt en
koolhydraatbeperkt in combinatie met vetverrijkt en
MCT-vetverrijkt |
€ 600 |
Voor overige diëten worden de extra
kosten gesteld op nihil.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. referentievoeding: een gezonde voeding conform een Nederlands
voedingspatroon, gebaseerd op de Richtlijnen Goede Voeding en
Richtlijnen Voedselkeuze;
b. energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt: een
voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van
de referentievoeding en een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten
minste 15% van de hoeveelheid energie;
c. energieverrijkt: een voorgeschreven energiebehoefte van ten
minste 125% ten opzichte van de referentievoeding;
d. natriumbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 2000
milligram natrium per etmaal;
e. lactosebeperkt/lactosevrij: een voorgeschreven
lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;
f. glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt/lactosevrij:
glutenvrij en een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per
etmaal;
g. energieverrijkt in combinatie met MCT-vetverrijkt: een
voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van
de referentievoeding en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van
ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;
h. energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en
lactosebeperkt/lactosevrij: een voorgeschreven energiebehoefte van
ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding, een
voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de
hoeveelheid energie en een voorgeschreven lactosebeperking tot 5
gram per etmaal;
i. verzadigd vetbeperkt in combinatie met fyto/plantensterolenverrijkt:
een voorgeschreven hoeveelheid verzadigd vet die voorziet in niet
meer dan 10% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven
hoeveelheid plantaardige stanolen of van plantaardige sterolen van
ten minste 2 gram per etmaal;
j. vetbeperkt in combinatie met MCT-vetverrijkt: een
voorgeschreven hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 15% van
de hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van
ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;
k. fructosebeperkt:een voorgeschreven fructosebeperking tot 2
gram per etmaal;
l. sterk eiwitbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 10 gram
eiwit per etmaal;
m. eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt: een
voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de
hoeveelheid energie en een voorgeschreven beperking tot 2000
milligram natrium per etmaal;
n. eiwitverrijkt in combinatie met sterk (LCT-)vetbeperkt en
MCT-vetverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste
15% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven hoeveelheid vet
die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie en een
voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van ten minste 12% van de
hoeveelheid energie per etmaal;
o. sterk eiwitbeperkt en koolhydraatbeperkt in combinatie met
vetverrijkt en MCT-vetverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid eiwit
die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie, een
voorgeschreven hoeveelheid koolhydraten die voorziet in niet meer
dan 20% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven hoeveelheid
vet van ten minste 70% van de hoeveelheid energie ten opzichte van
de referentievoeding waarvan een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet
van 25% van de hoeveelheid energie.
3. Voor de toepassing van het eerste lid geldt voor:
a. eenzelfde dieettypering die meerdere keren in aanmerking zou
komen éénmaal het bedrag behorende bij die dieettypering;
b. verschillende dieettyperingen die in aanmerking zouden komen
bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening elk van de bij die
dieettyperingen behorende bedragen;
c. deels overeenkomende dieettyperingen bij eenzelfde ziektebeeld
en aandoening, alleen het hoogste van de voor het van toepassing
zijnde ziektebeeld en aandoening geldende bedragen.
4. Ingeval extra uitgaven voor een op voorschrift van een arts of
diëtist gehouden dieet niet gedurende het gehele kalenderjaar worden
gedaan, worden de met toepassing van het eerste lid bepaalde bedragen
naar tijdsgelang herrekend.
5. Een voorschrift als bedoeld in artikel 6.17, achtste lid, van de
wet bevat ten minste:
a. gegevens waaruit blijkt dat degene die het voorschrift afgeeft
medicus of diëtist is;
b. naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de
medicus of diëtist die het voorschrift afgeeft;
c. naam, adres en burgerservicenummer van de persoon aan wie het
dieet is voorgeschreven;
d. het ziektebeeld en de aandoening van de persoon, bedoeld in
onderdeel c, en de dieettypering van het voorgeschreven dieet;
e. de dagtekening van het voorschrift, de ingangsdatum van het te
volgen dieet en indien van toepassing de einddatum van het te volgen
dieet.
Artikel 38. Uitgaven voor specifieke zorgkosten; extra kleding en
beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven
1. Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee
samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid,
onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen voor een bedrag
van € 310 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 620 te boven
gaan, voor een bedrag van € 775, indien:
a. de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit
van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het
huishouden van de belastingplichtige behoort; en
b. de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd
of vermoedelijk zal duren.
2. Ingeval aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet
gedurende het gehele kalenderjaar is voldaan, wordt dat lid naar
tijdsgelang toegepast.
Artikel 39. Uitgaven voor specifieke zorgkosten; paramedici met
directe toegang
1. Als paramedicus als bedoeld in artikel 6.17, negende lid,
onderdeel c, van de wet wordt aangewezen de persoon die bevoegd is tot
het voeren van de titel:
a. fysiotherapeut;
b. diëtist;
c. ergotherapeut;
d. logopedist;
e. oefentherapeut;
f. orthoptist;
g. podotherapeut;
h. mondhygiënist; of
i. huidtherapeut.
2. Een verklaring als bedoeld in artikel 6.17, negende lid,
onderdeel c, van de wet bevat ten minste:
a. gegevens waaruit blijkt dat degene die de verklaring afgeeft
een paramedicus als bedoeld in het eerste lid is;
b. naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de
paramedicus die de verklaring afgeeft;
c. naam, adres en burgerservicenummer van de persoon die onder
behandeling is van de paramedicus;
d. de aandoening van de persoon, bedoeld in onderdeel c, die
aanleiding is voor de behandeling;
e. het aantal behandelingen dat voortvloeit uit ziekte of
invaliditeit;
f. de dagtekening van de verklaring.
Artikel 40. Weekenduitgaven voor gehandicapten; het in aanmerking te
nemen bedrag
1. De ingevolge artikel 6.26 van de wet bedoelde weekenduitgaven
voor gehandicapten worden gesteld op:
a. € 10 per dag van verzorging van de gehandicapte door de
belastingplichtige, alsmede
b. € 0,19 per kilometer voor het vervoer per auto van de
gehandicapte door de belastingplichtige over de reisafstand tussen
de plaats waar de gehandicapte doorgaans verblijft en de plaats
waar de belastingplichtige doorgaans verblijft.
Dagen van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige
zijn de dagen waarop de gehandicapte bij de belastingplichtige
verblijft, met inbegrip van de dagen waarop de gehandicapte wordt
gehaald of gebracht.
2. Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner
weekenduitgaven voor een gehandicapte in aanmerking nemen, wordt het
voor die gehandicapte in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de
helft van het volgens het eerste lid, onderdelen a en b, berekende
bedrag, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal.
Artikel 40a. Scholingsuitgaven; afgifte EVC-verklaringen
De verklaring, bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, van de wet, wordt
afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 41a. Aan te merken instellingen voor aftrekbare giften
1. Een uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut
beogende instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een
instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van
de wet, indien en zolang:
a. uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke
werkzaamheid blijkt dat de instelling geen winstoogmerk heeft;
b. uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke
werkzaamheid blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend het algemeen belang dient;
c. uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat
een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen
van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen;
de inspecteur kan, zonodig onder door hem te stellen voorwaarden,
toestaan dat een steunstichting en de instelling of instellingen
welke door deze stichting worden ondersteund, over en weer kunnen
beschikken over elkaars vermogen als ware het eigen vermogen;
d. de instelling niet meer vermogen aanhoudt dan is aangegeven
in artikel 41b;
e. de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid
bepaalt, ter zake van de door hen voor de instelling verrichte
werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding
voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld;
f. de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat
inzicht geeft in de door de instelling te verrichten
werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het
vermogen van de instelling en de besteding daarvan;
g. de kosten van werving van gelden en de beheerkosten van de
instelling in redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten
behoeve van het doel van de instelling;
h. uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij
opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo moet worden
besteed ten behoeve van een instelling als bedoeld in artikel
6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, dan wel op enigerlei
andere wijze waarmee het algemeen belang wordt gediend, en
i. de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat
daaruit duidelijk blijkt:
1°. de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden
van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt,
toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden;
2°. de aard en omvang van de kosten die door de instelling
zijn gemaakt ten behoeve van de werving van gelden en het
beheer van de instelling, alsmede de aard en omvang van de
andere uitgaven van de instelling;
3°. de aard en omvang van de inkomsten van de instelling;
4°. de aard en omvang van het vermogen van de instelling.
2. Het tijdstip van aanmerken van een instelling als een instelling
als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan
zijn gelegen voor de dagtekening van de beschikking van dat aanmerken.
3. De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een
instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van
de wet op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Het niet meer
als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek
bekend gemaakt.
Artikel 41b. Plafond vermogen van een aangemerkte instelling
1.Een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel
b, van de wet houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is
voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van
de doelstelling van de instelling.
2.Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de
voorziene werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid wordt begrepen:
1°. vermogen of bestanddelen daarvan welke krachtens uiterste
wilsbeschikking of schenking door de instelling zijn verkregen, al
dan niet in reële termen in stand te houden, voor zover die
instandhouding voortvloeit uit de aan die uiterste wilsbeschikking
of schenking verbonden voorwaarden;
2°. vermogensbestanddelen aan te houden voor zover de
instandhouding daarvan voortvloeit uit de doelstelling van de
instelling;
3°. activa aan te houden en vermogen voor de voorziene
aanschaf van die activa op te bouwen, voor zover een instelling
die activa ten behoeve van de doelstelling van de instelling
redelijkerwijs nodig heeft.
3.Een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel
b, van de wet vermeldt in haar financiële administratie het doel
waarvoor het vermogen wordt aangehouden, alsmede een motivering voor
de omvang van dat vermogen.
Artikel 41c. Bij één beschikking meer instellingen aanmerken
1.Bij een verzoek een categorie instellingen dan wel een groep van
met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare
beschikking aan te merken als instellingen als bedoeld in artikel
6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet (gemeenschappelijke
aanwijzing), wordt in het verzoek aangegeven op welke instellingen het
verzoek betrekking heeft.
2.Een instelling waarop een verzoek voor een gemeenschappelijke
aanwijzing betrekking heeft doch die niet voldoet aan de voorwaarden
voor aanmerking als een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste
lid, onderdeel b, van de wet, wordt niet in de gemeenschappelijke
aanwijzing opgenomen.
3.Een beschikking inzake een gemeenschappelijk aanwijzing kan ten
aanzien van ieder van de aldus aangemerkte instellingen afzonderlijk
worden ingetrokken, met ingang van het tijdstip waarop die instelling
niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanmerking als een
instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van
de wet.
Artikel 41d. Aangewezen mogendheden buiten de EU, Aruba, Curaçao,
Sint Maarten en de BES eilanden
Als mogendheid als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b
en onderdeel c, van de wet wordt aangewezen elke mogendheid waarmee in
de relatie met Nederland voor de heffing van inkomstenbelasting,
vennootschapsbelasting, successie- en schenkingsrecht zonder beperkingen
of voorbehouden de uitwisseling is geregeld van gegevens, inlichtingen
en gegevensdragers.
Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen
(hoofdstuk 7 van de wet)
Artikel 42. Belastbaar inkomen uit werk en woning
(GERESERVEERD)
Artikel 43. Belastbaar inkomen uit werk en woning
(GERESERVEERD)
Artikel 44. Belastbaar inkomen uit werk en woning
(GERESERVEERD)
Hoofdstuk 8. Heffingskorting
Artikel 44a. Bijzondere verhoging heffingskorting voor niet inwoners;
aanwijzing mogendheid
Voor de toepassing van artikel 8.9a van de wet worden, voorzover het
niet gaat om lidstaten van de Europese Unie, als de in die bepalingen
bedoelde mogendheden aangewezen alle mogendheden waarmee Nederland een
regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen, waarvan
de bepalingen van toepassing zijn.
Artikel 44b. Inkomensafhankelijke combinatiekorting voor co-ouders
Voor de toepassing van artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel b, van de
wet, wordt een kind dat niet op hetzelfde woonadres als de
belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens, beschouwd toch op hetzelfde woonadres als de
belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisadministratie
persoonsgegevens gedurende de periode van het kalenderjaar dat het kind
tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort en het
kind op hetzelfde woonadres als diens andere ouder staat ingeschreven in
de basisadministratie persoonsgegevens. Voor de toepassing van de eerste
volzin behoort een kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens
beide ouders indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per week
in elk van beide huishoudens verblijft.
Artikel 44c. Bedrag ouderschapsverlofkorting
1.De ouderschapsverlofkorting bedraagt per uur ouderschapsverlof
1/8 van 50% van het wettelijke minimumloon per werkdag, zoals bepaald
bij of krachtens artikel 8 van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag. Eerst nadat voor het totaal aantal uren
ouderschapsverlof in het kalenderjaar aldus het bedrag aan korting is
bepaald, wordt de regel toegepast dat de korting niet meer kan
bedragen dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare
loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon.
2.Voor de toepassing van de wet en het eerste lid wordt uitgegaan
van het wettelijke minimumloon zoals dat per 1 januari van het
kalenderjaar waarin de ouderschapsverlofkorting geldt, is vastgesteld.
3.Indien de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar
eveneens gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof als
bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg, kan voor de
toepassing van artikel 8.14b, tweede lid, van de wet in plaats van het
in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon worden
uitgegaan van het in het kalenderjaar voorafgaand aan het
ouderschapsverlof genoten belastbare loon.
Artikel 44d. Verklaring ouderschapsverlof
1. Voor de toepassing van de ouderschapsverlofkorting beschikt de
werknemer over een door de werkgever ondertekende verklaring dat
ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg
is opgenomen.
2. Deze verklaring bevat ten minste:
a. naam, adres en woonplaats van de werkgever;
b. het loonheffingennummer van de werkgever;
c. naam en burgerservicenummer of, bij het ontbreken van dat
nummer, sociaal-fiscaalnummer van de belastingplichtige;
d. de periode in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige
gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof;
e. het totaal aantal uren in het kalenderjaar waarin de
belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van zijn recht op
ouderschapsverlof.
Hoofdstuk 9. Wijze van heffing (hoofdstuk 9 van de wet)
Artikel 45. Termijn voor het doen van niet-verplichte aangifte
1.De aangifte, bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel b, van
de wet, wordt gedaan binnen vijf jaren na afloop van het kalenderjaar.
2.Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een
uitnodiging tot het doen van aangifte is uitgereikt of toegezonden,
hetzij de inspecteur is verzocht om een uitnodiging tot het doen van
aangifte, wordt die termijn verlengd tot het einde van de door de
inspecteur ingevolge artikel 9, eerste tot en met derde lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde of verleende termijn.
Artikel 45a. Voorheffingen; vaststelling hoogte van bedrag aan te
verrekenen loonbelasting ingevolge compensatieregeling uit het Verdrag
met België
1.Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van
wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wet bedoelde
maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt,
wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 1,
van het in artikel 9.2 van de wet genoemde verdrag wordt aangemerkt
als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse
inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in
de Wet financiering sociale verzekeringen dat de belastingplichtige
verschuldigd zou zijn geweest indien hij de in artikel 27, paragraaf
1, van dat verdrag bedoelde beloningen uit Nederland zou hebben
verkregen, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de
wet, van de gecombineerde heffingskorting waarop zijn partner recht
zou hebben gehad, indien hij bedoelde beloningen daadwerkelijk uit
Nederland zou hebben verkregen en Nederland daarover belasting en
premie zou hebben geheven.
2.Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van
wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wet bedoelde
maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt,
wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 2,
van het in het eerste lid bedoelde verdrag wordt aangemerkt als
ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse
inkomstenbelasting dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn
geweest indien de in artikel 27, paragraaf 2, van dat verdrag bedoelde
beloningen uitsluitend in Nederland zouden zijn belast, verminderd met
de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de gecombineerde
heffingskorting, waarop zijn partner recht zou hebben gehad indien
uitsluitend in Nederland over de bedoelde beloningen belasting zou
zijn geheven.
3.De in het eerste en het tweede lid bedoelde verminderingen zijn
niet van toepassing voorzover de partner van de belastingplichtige:
a. uit hoofde van hoofdstuk 8 van de wet recht heeft op
verhoging van de gecombineerde heffingskorting; of
b. recht zou hebben gehad op de gecombineerde heffingskorting
als bedoeld in hoofdstuk 8 van de wet indien beloningen die hij
heeft genoten krachtens regelen als bedoeld in hoofdstuk VII van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet zouden zijn
vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting of premie voor
de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale
verzekeringen.
Artikel 45aa. Bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen
De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een
te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:
a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar
waarop de belastingaanslag betrekking heeft;
b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit
jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag
onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van
Financiën anders heeft bepaald;
c. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit
beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn
uitgevaardigd nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is
komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft
bepaald;
d. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit de
omstandigheid dat eerst nadat die belastingaanslag onherroepelijk
vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale
faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of
op een ander wettelijk voorgeschreven moment; of
e. sprake is van enig feit waardoor ten onrechte
inkomstenbelasting is geheven en als gevolg van die heffing een
andere belasting, al dan niet van dezelfde belastingplichtige, ter
zake van datzelfde feit niet is geheven en ook niet meer kan worden
geheven, met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve
vermindering plaatsvindt voor zover het bedrag van de eerstgenoemde
belasting het bedrag van de andere belasting te boven gaat.
Hoofdstuk 10. Overgangsrecht
Artikel 45b
Vóór 1 januari 2005 vastgestelde lijfrenten die niet in
geldeenheden luiden:
1. Op een lijfrente waarvan vóór 1 januari 2005 de hoogte van
de termijnen in beleggingseenheden (units) met de verzekeraar is
overeengekomen, blijft artikel 2a buiten toepassing en kan de
lijfrente-overeenkomst worden tenuitvoergelegd zoals is
overeengekomen.
2. Indien ter zake van een lijfrente als bedoeld in het eerste
lid op of na 1 januari 2005 met de verzekeraar een wijziging van
methode van berekening van de termijnen in units of in euro’s
wordt overeengekomen, is met ingang van de datum van die wijziging
art. 2a wel van toepassing.
3. Indien een lijfrente als bedoeld in het eerste lid op of na 1
januari 2005 wordt omgezet in een andere lijfrente, is artikel 2a
van toepassing op de laatstgenoemde lijfrente.
Artikel 45c. Continuering na 1 januari 2008 van aanwijzingen als
fonds of participatiemaatschappij van vóór die datum
1. Een fonds dat voor 1 januari 2008 is aangewezen als fonds als
bedoeld in artikel 5.14, onderscheidenlijk artikel 5.15 of artikel
5.18a van de wet, zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang
van 1 januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn
aangewezen op de voet van de wet zoals die thans luidt.
2. Een participatiemaatschappij die voor 1 januari 2008 is
aangewezen als participatiemaatschappij als bedoeld in artikel 5.18
van de wet, zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang van 1
januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn aangewezen op
de voet van de wet zoals die thans luidt.
Artikel 45d. Overgangsrecht eigenwoningregeling en leegstaande woning
Met betrekking tot gevallen waarin het genereren van inkomen uit
sparen en beleggen uit de woning bedoeld in artikel 3.111, tweede lid,
tweede volzin, van de wet reeds is aangevangen vóór 1 januari 2010,
blijft artikel 3.111, tweede lid, van de wet, zoals dit luidde op 31
december 2009, van toepassing, tenzij de belastingplichtige ermee
instemt dat:
a. het gaan genereren van inkomsten uit sparen en beleggen,
bedoeld in artikel 3.111, tweede lid, tweede volzin, van de wet niet
wordt aangemerkt als een vervreemding als bedoeld in artikel 3.119a
van de wet;
b. indien op grond van artikel 3.119b, eerste lid, van de wet een
beschikking eigenwoningreserve is of wordt afgegeven, die
beschikking wordt herzien;
c. indien de woning vanaf enig moment weer belastbare inkomsten
uit eigen woning genereert, dit niet wordt aangemerkt als een
verwerving als bedoeld in artikel 3.119a van de wet.
Artikel 45e. Overgangsrecht verliezen op geldleningen aan beginnende
ondernemers; verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Artikel 34, zoals dat artikel op 31 december 2010 luidde, blijft van
toepassing op verliezen op vóór 1 januari 2011 verstrekte geldleningen
als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, van de wet, zoals dat lid op 31
december 2010 luidde.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 11 van de wet)
Artikel 46. Guldensbedragen
[Wijzigt deze regeling.]
Artikel 47. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Artikel 48. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001.
Deze
regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris
van Financiën,
W. Bos.
|