| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
UITVOERINGSREGELING
WILLEKEURIGE AFSCHRIJVING EN INVESTERINGSAFTREK
NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA 2001
Tekst zoals deze geldt op
17 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
De Staatssecretaris van Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken
en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 3.34, 3.36, 3.38, 3.42,
3.42a, 3.52 en 10.10
van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3.42, 3.42a,
3.52 en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2. Deze regeling verstaat onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.
Hoofdstuk 2. [Vervallen]
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2003]
Hoofdstuk 3. Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
Artikel 6
1. Investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het
vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse
Antillen of Aruba komen slechts in aanmerking voor
kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als bedoeld in artikel 3.41,
eerste lid, van de wet indien de belastingplichtige met betrekking tot
die vaste inrichting in de Nederlandse Antillen of Aruba zonder
keuzemogelijkheid, zonder ervan te zijn vrijgesteld en zonder
toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan een aldaar
geheven belasting naar de winst.
2. Bij de in artikel 3.41, eerste lid, van de wet bedoelde keuze
wordt aangegeven tot welke bedragen de investeringen betrekking hebben
op bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een
vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba.
Hoofdstuk 4 . Energie-investeringsaftrek
Artikel 7
1. Met betrekking tot investeringen in bedrijfsmiddelen die worden
toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is
in de Nederlandse Antillen of Aruba, worden als energie-investeringen
als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet aangewezen: de
investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen
in bijlage I bij de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek
2001 met dien verstande dat voor investeringen in categorie B,
apparatuur en processen, een energiebesparingsnorm van ten minste 0,3
Nm3 aardgasequivalenten per jaar per geďnvesteerde € 0,45 geldt,
mits:
a. het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is
met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet
eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde
bestanddelen; en
b. - voor zover een bouwvergunning noodzakelijk is - door het
bevoegde gezag voor het bedrijfsmiddel of onderdeel daarvan een
bouwvergunning is afgegeven ten tijde van de aanmelding, bedoeld
in artikel 3.42, zesde lid, van de wet;
c. – voor zover het bedrijfsmiddel of het onderdeel
uitsluitend bestemd is voor toepassing in of bij een nieuw op te
richten opstand van een glastuinbouwbedrijf en een bouwvergunning
noodzakelijk is, – door het bevoegde gezag voor die opstand een
bouwvergunning is afgegeven ten tijde van de aanmelding, bedoeld
in artikel 3.42, zesde lid, van de wet;
d. – voor zover voor het bedrijfsmiddel ten behoeve van het
aanwenden of toepassen van duurzame energie een milieuvergunning
of soortgelijke vergunning noodzakelijk is – de
belastingplichtige ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel
3.42, zesde lid, van de wet, houder is van een door het bevoegde
gezag voor dat bedrijfsmiddel afgegeven milieuvergunning of
vergelijkbare vergunning.
2. De in het eerste lid bedoelde investeringen in bedrijfsmiddelen
komen slechts in aanmerking voor de energie-investeringsaftrek indien
de belastingplichtige met betrekking tot de vaste inrichting waaraan
deze bedrijfsmiddelen worden toegerekend, in de Nederlandse Antillen
of Aruba zonder keuzemogelijkheid, zonder ervan te zijn vrijgesteld en
zonder toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan een
aldaar geheven belasting naar de winst.
Artikel 8
1. De aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet,
van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten
ter zake van investeringen in bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel
7 vindt plaats binnen een termijn van drie maanden. Deze termijn vangt
aan:
a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de
verplichtingen;
b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van
het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt
of, indien het bedrijfsmiddel of het onderdeel ter zake waarvan de
kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen,
bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het
onderdeel.
2. Indien artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet
toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de
termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling
indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op
grond van het eerste lid.
Artikel 9
De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte
voortbrengingskosten geschiedt door middel van het door de inspecteur
uitgereikte of toegezonden formulier. Terzake wordt een ontvangstbewijs
afgegeven.
Artikel 10
1. De aanmelding van investeringen in bedrijfsmiddelen als bedoeld
in artikel 7 wordt aangemerkt als een verzoek om een verklaring van de
Minister van Economische Zaken als bedoeld in artikel 3.42, eerste
lid, van de wet.
2. De verklaring van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in
het eerste lid, vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of
onderdelen is geďnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven
terzake.
3. De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van
een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van
Economische Zaken daarom verzoekt, een berekening van de
energiebesparing over.
4. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling
nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid,
indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een kopie
van de afgegeven bouwvergunning over indien artikel 7, eerste lid,
onderdeel b respectievelijk onderdeel c, van toepassing is.
5. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling
nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid,
indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een kopie
van de afgegeven milieuvergunning of vergelijkbare vergunning over
indien artikel 7, onderdeel d, van toepassing is.
6. De Minister van Economische Zaken neemt een verzoek om een
verklaring niet in behandeling indien niet is voldaan aan artikel 7,
onderdelen b, c en d.
Artikel 11
1. De Minister van Economische Zaken kan de in artikel 10 bedoelde
verklaring wijzigen of intrekken indien de door of namens
belastingplichtige verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist
of onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing
zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of
volledige gegevens bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of
onvolledigheid van gegevens of bescheiden die de Minister van
Economische Zaken bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn,
kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een
verklaring.
2. De bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van een verklaring
op grond van het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na de
dagtekening van de verklaring.
Hoofdstuk 5. Milieu-investeringsaftrek
Artikel 12
1. Met betrekking tot investeringen in bedrijfsmiddelen die worden
toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is
in de Nederlandse Antillen of Aruba, worden als milieu-investeringen
als bedoeld in artikel 3.42a, tweede lid, van de wet aangewezen: de
investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen
in bijlage 1 van de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en
investeringsaftrek milieu-investeringen, mits het bedrijfsmiddel of
het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voorzover
aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de
in die bijlage genoemde bestanddelen.
2. Met betrekking tot een advies als bedoeld in artikel 3.42a,
vierde lid, van de wet (milieu-advies) is artikel 3a van de
Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001 van toepassing.
3. De in het eerste lid bedoelde investeringen in bedrijfsmiddelen
komen slechts in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek indien
de belastingplichtige met betrekking tot de vaste inrichting waaraan
deze bedrijfsmiddelen worden toegerekend, in de Nederlandse Antillen
of Aruba zonder keuzemogelijkheid, zonder ervan te zijn vrijgesteld en
zonder toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan een
aldaar geheven belasting naar de winst.
Artikel 13
1. De aanmelding, bedoeld in artikel 3.42a, zevende lid, van de
wet, van de aangegane verplichtingen of de gemaakte
voortbrengingskosten ter zake van investeringen in bedrijfsmiddelen
als bedoeld in artikel 12 vindt plaats binnen een termijn van drie
maanden. Deze termijn vangt aan:
a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de
verplichtingen;
b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van
het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt
of, indien het bedrijfsmiddel of het onderdeel ter zake waarvan de
kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen,
bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het
onderdeel.
2. Indien artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet
toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de
termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling
indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op
grond van het eerste lid.
Artikel 14
De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte
voortbrengingskosten geschiedt door middel van het door de inspecteur
uitgereikte of toegezonden formulier. Terzake wordt een ontvangstbewijs
afgegeven.
Hoofdstuk 6 Controle op naleving voorschriften
Artikel 15
De artikelen 3.40 tot en met 3.44 van de wet in verbinding met
artikel 10.10, eerste en tweede lid, van de wet zijn slechts van
toepassing indien de belastingplichtige uiterlijk bij het doen van de
aangifte over het jaar waarin de investering is gedaan doch desgevraagd
eerder, er schriftelijk mee instemt dat de verplichtingen, bedoeld in
hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
ook gelden ten behoeve van de controle op de naleving van de
voorschriften in deze regeling op het grondgebied van de Nederlandse
Antillen of Aruba en wel jegens de inspecteur en iedere op de voet van
artikel 56 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aangewezen andere
ambtenaar van de rijksbelastingdienst.
Hoofdstuk 7. Inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling willekeurige
afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Financiën,
W.J. Bos.
|
|
|