|
REGELING van de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Financiën van
15 maart 2010, nr. VROM/DGM/K&L 2010006954, houdende regels inzake
de aanwijzing van en verklaring voor in Nederland gelegen projecten
welke in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder
natuur en bos (Regeling groenprojecten 2010)
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Financiën, na
overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en na
overleg met de Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 5.14, derde lid, onderdeel a,
en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluiten:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. accountantsverklaring: verklaring,
afgegeven door een registeraccountant of een
accountant-administratieconsulent;
b. bedrijventerrein: ruimtelijk
aaneengesloten of functioneel verbonden terrein dat bestemd en
geschikt is voor gebruik door vestigingen ten behoeve van handel,
nijverheid, commerciële dienstverlening en industrie, daaronder
niet begrepen een terrein in overwegende mate bestemd voor kantoren,
detailhandel of horeca;
c.
1°. project als bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°,4°, 8° en 9°, b,
c, d, e, f, g, h onder 7°, i, j, en k, waarvoor ten minste zes
maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een
verklaring wordt ingediend een aanvang met de uitvoering van de
werkzaamheden is gemaakt;
2°. project als bedoeld in
artikel 2, onderdeel h, onder 1°, 2°, 5° en 6°, waarvoor op
de dag van indiening van een aanvraag tot afgifte van een
verklaring een aanvang met de uitvoering van de werkzaamheden is
gemaakt;
3°. project als bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, onder 5°, 6° en 7°, dat ten minste
zes maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een
verklaring wordt ingediend, reeds voldeed aan een van de
projectomschrijvingen in het betreffende onderdeel;
4°. projecten als bedoeld in
artikel 2, onderdeel h, onder 3° en 4°, waarvoor meer dan acht
maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een
verklaring wordt ingediend, de hypotheekakte werd gepasseerd dan
wel de leenovereenkomst werd gesloten;
d. Bouwbesluit: Bouwbesluit 2003;
e. bruto vloeroppervlak: oppervlakte
conform NEN 2580 gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van
opgaande scheidingsconstructies die de desbetreffende ruimte of
groep van ruimten omsluiten;
f. duurzaam geproduceerd hout: hout
waarvoor een door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieu erkend certificaat is afgegeven waaruit blijkt
dat het voldoet aan de Nederlandse eisen en waarvan het gebruik is
aangetoond door middel van certificaten en afleverbewijzen of
facturen;
g. duurzame melkveehouderij: het
bedrijfsmatig houden van melkkoeien op een duurzame wijze met een
integraal duurzaam veehouderijsysteem dat in uitvoering overeenstemt
met een Duurzame melkveestal die op grond van artikel 3.31 of
artikel 3.42a, tweede lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 door de
Minister is aangewezen als bedrijfsmiddel dat in het belang is van
het Nederlandse milieu;
h. eigenaar-bewoner: natuurlijk
persoon die een woning als bedoeld in onderdeel z in eigendom heeft
danwel verkrijgt en daarin zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben,
danwel de erfpachter, vruchtgebruiker of gerechtigde tot een
appartementsrecht als bedoeld in artikel 106 van Boek 5 van het
Burgerlijk Wetboek, voorzover deze rechten betrekking hebben op een
woning zoals hiervoor bedoeld;
i. Energie-index: maat voor de
energieprestatie van bestaande woningen aan de hand van een
berekeningsmethode die voldoet aan de BRL 9501 zoals vastgesteld op
6 december 2006;
j. energieklasse: gestandaardiseerde
omzetting van de Energie-index in een als onderdeel van het
energieprestatiecertificaat opgenomen energieklasse;
k. energielabel: gestandaardiseerde
omzetting van de energieklasse in een label met de waardes A tot en
met G;
l. Energieprestatiecoëfficiënt:
coëfficiënt die de energieprestatie van een nieuwbouwwoning of
-utiliteitsgebouw aangeeft aan de hand van een genormeerde
berekening;
m. energieprestatiecertificaat: een
op een gebouw toegesneden certificaat dat niet ouder is dan tien
jaar waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de
hoeveelheid energie die nodig wordt geacht voor de verschillende
behoeften die verband houden met een gestandaardiseerd gebruik van
dat gebouw, waaronder verwarming, warmwatervoorziening, koeling,
ventilatie en verlichting, waarin referentiewaarden zijn vermeld
waarmee de energieprestatie van het gebouw kan worden vergeleken en
beoordeeld, en dat vergezeld gaat van aanbevelingen voor
kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie;
n. gemeenschappelijk visserijbeleid:
het geheel van Europese regels voor de visserij en de aquacultuur;
o. Groen Label Kas: tuinbouwkas als
teeltruimte die wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig telen van
tuinbouwgewassen met een lagere milieubelasting, en die in
technische uitvoering overeenstemt met een Groen Label Kas die op
grond van artikel 3.31 of artikel 3.42a lid 2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 door de Minister is aangewezen als
bedrijfsmiddel dat in het belang is van het Nederlandse milieu;
p. labelstap: verandering van de
Energie-index van een gebouw, waardoor het gebouw in een andere
energieklasse valt en zodoende een ander energielabel krijgt;
q. landbouwgrondstoffen: producten
van de bodem, van de veefokkerij en van de visserij, met
uitzondering van producten die een eerste be- of verwerking hebben
ondergaan;
r. natuur- en milieueducatie: het
organiseren van leersituaties om inzicht in en betrokkenheid bij het
milieu en ecologische verbanden en processen te vergroten, en
waarbij aandacht wordt geschonken aan mogelijkheden om de opgedane
kennis in het dagelijkse leven toe te passen;
s. project: in Nederland gelegen
technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van activa
en werkzaamheden;
t. projectbeheerder: degene voor
wiens rekening en risico het project wordt ontwikkeld en in stand
wordt gehouden;
u. projectvermogen: vermogen dat
nodig is voor de financiering van vaste activa en de werkzaamheden
om de vaste activa te plaatsen, voor zover noodzakelijk voor en
uitsluitend dienstbaar aan de totstandbrenging van een project;
v. projectvermogen eigen woning:
projectvermogen als bedoeld in artikel 6, lid 9 en lid 11 voor
projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° en 3°
voor zover uitgevoerd door een eigenaar-bewoner;
w. utiliteitsgebouw: gebouw waarvoor
in het Bouwbesluit een energieprestatie-eis is vastgelegd, met
uitzondering van woningen;
x. verbeterproject: project gericht
op een wezenlijke verandering van een bestaand project, waardoor dit
naar inrichting, aard of omvang een wijziging ondergaat welke het
aanmerkelijk waardevoller maakt voor het milieu, waaronder natuur en
bos;
y. verklaring: schriftelijk besluit
van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, onderdeel a,
van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin wordt verklaard dat een
project in het belang is van de bescherming van het milieu,
waaronder natuur en bos;
z. woning: gebouw, bedoeld voor
bewoning, dat voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zal
staan aan een of meer natuurlijke personen en per wooneenheid ten
minste is voorzien van een eigen toegang, een eigen toilet, een
eigen bad- of douchevoorziening, alsmede van een energieaansluiting,
bedoeld voor een kooktoestel om een maaltijd te kunnen bereiden.
Artikel 2
De Minister van Volkshuisvesting
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de
Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat, een
verklaring afgeven voor:
a. projecten in de categorie natuur,
die zijn gericht op:
1°. de ontwikkeling en
instandhouding van bos, met uitzondering van vruchtbomen,
windsingels, wegbeplantingen, bomen die bestemd zijn om te
dienen als kerstbomen en kweekgoed of voor de opwekking van
energie en commercieel gebruik van bos. De projecten bestaan uit
aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf
hectare;
2°. de ontwikkeling van
additioneel stedelijk groen, mits er een toename is van het
oppervlak aan groen en dat groen ten minste gedeeltelijk een
opgaand karakter heeft. Het betreft de aanleg van stedelijk
groen gelegen binnen de bebouwde kom of binnen een zone van 500
meter om de bebouwde kom. Indien het project wegbeplantingen
betreft, kan dit alleen nieuw te realiseren wegbeplanting zijn
bij bestaande wegen. Tevens mag de aanleg van openbaar groen
niet het uitvoeren van achterstallig onderhoud betreffen;
3°. de ontwikkeling en
instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in
gebieden die als Natura 2000-gebied, Beschermd Natuurmonument of
Wetland zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet
1998, of in Nationale Parken of gebieden die onderdeel zijn van
de Nationale of Provinciale Ecologische Hoofdstructuur inclusief
robuuste ecologische verbindingszones;
4°. de ontwikkeling en
instandhouding van natuur- en natuurlijke gebiedseigen
landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen de
begrenzing van de Nationale Landschappen, zoals uitgewerkt in de
Nota Ruimte (Kamerstukken II 2003−2004, 29 435, nrs.1−2),
met uitzondering van opstallen;
5°. de ontwikkeling en
instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden
van opengestelde landgoederen als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, van de Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van
opstallen;
6°. de ontwikkeling en
instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en
in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de
Provinciale Subsidieregeling natuurbeheer, en in geval van
projecten met bos en houtopstanden bestaan uit aaneengesloten
gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare;
7°. de ontwikkeling en
instandhouding van nieuwe natuur en landschappelijke waarden en
in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de
Provinciale Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of hoofdstuk
4 dan wel afdeling 5.1.3 van de provinciale Subsidieverordening
Natuur en Landschapsbeheer, en in geval van projecten met bos en
houtopstanden bestaan uit aaneengesloten gebieden met een
oppervlakte van ten minste vijf hectare;
8°. het bevorderen en in stand
houden van biodiversiteit door de aanleg van:
a. visgeleidingssystemen voor
het opheffen van kunstmatige barrières;
b. landdiergeleidingssystemen
voor het opheffen van kunstmatige barrières;
c. vogelwaarschuwingssystemen
of alarmeringsystemen ter voorkoming dat vogels zich
doodvliegen tegen niet natuurlijke obstakels;
9°. natuur- en milieueducatie
gericht op inheemse natuur, mits educatie een primair en
aantoonbaar doel is van de projecten en deze educatie geen
onderdeel uitmaakt van het reguliere onderwijs curriculum.
b. projecten in de categorie
biologische landbouw, die zijn gericht op:
1°. het produceren of door
kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1
Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus
2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke
markt verenigbaar worden verklaard (Pb L 214) verwerken van
biologische plantaardige landbouwproducten overeenkomstig het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;
2°. het produceren of door
kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1
Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus
2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke
markt verenigbaar worden verklaard (Pb L 214) verwerken van
biologische dierlijke landbouwproducten overeenkomstig het
Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.
c. projecten in de categorie
landbouw, die zijn gericht op:
1°. het bedrijfsmatig telen van
gewassen in een Groen label kas, die voldoet aan de volgende
basiseisen:
– er zijn geen
voorzieningen aanwezig voor het wegkoelen van opgewekte
warmte, en
– ten minste 10% van het
totale energiegebruik van de kas bestaat uit zelf
opgewekte/gewonnen duurzame energie als omschreven in
categorie f.2°, f.3°, f.4°, f.5°, f.6° en g.1°, of
– ten minste 50% minder
energie gebruikt wordt dan in een referentiekas.
Indien een kas wordt
gerealiseerd in een landbouwontwikkelingsgebied glastuinbouw
of in een greenport krijgt deze 10 punten als keuzemaatregel
binnen het vigerende Certificatiesysteem Groen Label Kas;
2°.
a. het door kleine,
middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling
2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de
definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU
L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk
visserijbeleid diervriendelijk kweken van zeevis of
zoetwatervis, bestemd voor menselijke consumptie, in een
nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een
verversing van ten hoogste 0,5 kubieke meter water per
kilogram verstrekt voer per dag, waarbij de juveniele vis
verkregen wordt van gekweekte oudervissen en waarbij het
verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt of geheel van
plantaardige oorsprong is of afkomstig is van reststromen
uit de levensmiddelenindustrie, of
b. het door kleine,
middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling
2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de
definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU
L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk
visserijbeleid diervriendelijk broeden en opkweken en/of
diervriendelijk kweken van gebiedseigen schaal- en
schelpdieren uit gekweekte ouderdieren en/of gekweekte
juveniele dieren, bestemd voor menselijke consumptie, in een
nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een maximum
verversingsgraad van 0,5% van het dagelijks debiet, waarbij
het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt;
3°. duurzame melkveehouderij
overeenkomstig de eisen van het certificatiesysteem van de
vigerende Maatlat Duurzame Veehouderij en Aquacultuur, onderdeel
MDV – melkveestallen, certificaat A.
d. projecten in de categorie duurzame
grondstoffen, die zijn gericht op de industriële verwerking van
landbouwgrondstoffen, of reststoffen van natuurbeheer tot producten
die niet geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie, met
uitzondering van de verwerking van genoemde stoffen tot energie of
energiedragers. Voorwaarde daarbij is dat die producten in Nederland
nog niet gangbaar zijn en dat deze leiden tot een vermindering van
de aantasting van het milieu.
e. projecten in de categorie
terugwinning en hergebruik, die zijn gericht op:
1°. vermindering van milieudruk
en op vermindering van de inzet van primaire grondstoffen voor
producten door:
a. nog niet gangbare
processen voor terugwinning van materialen of producten of
grondstoffen (anders dan energie of energiedragers), uit
stromen waarvoor een laagwaardigere verwerking gangbaar is,
waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan
worden;
b. processen gericht op de
verwerking van baggerspecie, die gestort zou mogen worden,
tot grondstoffen waardoor de inzet van primaire grondstoffen
beperkt kan worden;
2°. een inrichting voor het
detoxificeren van te ontmantelen schepen en het ontmantelen van
schepen, met een aantoonbaar en gegarandeerd sociaal en
milieuverantwoord proces in een gesloten systeem. In dit systeem
treden geen emissies naar bodem, lucht en water op en worden
afvalstoffen gedetoxificeerd en op een gecontroleerde wijze
beheerd. Tevens wordt bescherming van medewerkers gerealiseerd
en zal hergebruik van de materialen plaatsvinden;
3°.
a. het in ondergrondse lagen
opslaan van koolstofdioxide, afkomstig van
verbrandingsinstallaties voor het opwekken van energie of
afkomstig van industriële processen;
b. het realiseren van
infrastructuur voor ondergronds transport, ten behoeve van
aanwending in kassen of in andere inrichtingen, van
koolstofdioxide afkomstig van verbrandingsinstallaties met
een minimaal vermogen van 20 MW voor het opwekken van
energie of afkomstig van industriële processen en bestaande
uit investeringen voor het afvangen, het voorbehandelen en
transport van deze gassen.
f. projecten in de categorie duurzame
energie, die zijn gericht op:
1°.
a. het realiseren van een
biogasopwaardeerinstallatie, bestemd voor het produceren van
gas van aardgasnetkwaliteit, waarbij uitsluitend uit
biomassa of uit mest verkregen gassen als energie-input
mogen dienen;
b. het realiseren van een
biobrandstofproductie-installatie, bestemd voor het
produceren van vloeibare of gasvormige duurzame brandstoffen
uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in
biomassa door hoge druk of hoge temperatuur thermische
ontleding of Fischer-Tropsch proces (of een vergelijkbaar
proces) of cellulose fermentatie, met uitzondering van
mesofiele en thermofiele mestvergisting;
2°. het opwekken van elektrische
energie door middel van een windturbine die is gecertificeerd
volgens de Europese veiligheidsnormen ‘IEC 61400-1, Ed. 3’
en ‘IEC WT01’, voorzover deze normen daarop van toepassing
zijn;
3°. het opwekken van elektrische
energie met behulp van fotovoltaïsche cellen;
4°. het gebruik van thermische
zonne-energie door middel van zonnecollectoren, eventueel in
combinatie met een van de volgende warmtepompen:
a. een warmtepomp met voor
water/water-systemen een coëfficiënt of performance van
ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform
NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor
brine/water-systemen een coëfficiënt of performance van
ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform
NEN-EN 14511;
5°. het winnen van aardwarmte;
6°. het opwekken van elektrische
energie uit water of waterkracht, mits voorzien van maatregelen
ter bescherming van de biodiversiteit, en uitgezonderd het
opwekken van energie met behulp van stoomturbines.
g. projecten in de categorie
energiebesparing, die zijn gericht op:
1°. het met behulp van
warmtepompen en een gesloten bodemwarmtewisselaar of aquifer
opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte op
een zodanige wijze dat de hoogwaardige warmte nuttig wordt
aangewend, door middel van:
a. een warmtepomp met voor
water/water systemen een coëfficiënt of performance van
ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform
NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor
brine/water systemen een coëfficiënt of performance van
ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform
NEN-EN 14511;
2.°
a. het aanleggen van
energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten
van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen,
bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde
bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen,
planten en sportaccommodaties, en bestaande uit masten,
led-lampen en specifiek voor die lampen geschikte armaturen,
eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende
verlichtingsmanagementsystemen;
b. het aanleggen van
energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten
van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen,
bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde
bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen,
planten en sportaccommodaties, waarbij aantoonbaar een
energiebesparing wordt gerealiseerd door een toename van het
systeemrendement in lumen/Watt van ten minste 30% ten
opzichte van het gemiddeld energiegebruik bij soortgelijke
gangbare installaties, en bestaande uit masten, lampen en
armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en
bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
3°. het aanleggen van
warmtedistributienetten en het bouwen van bijstookketels en
warmtebuffers, waarbij het distributieverlies van de warmte
minder is dan 20% en de hulpenergie bijstook minder is dan 20%
van het jaargemiddelde, ten behoeve van de benutting van
restwarmte van:
a.
afvalverbrandingsinstallaties voor stedelijk afval en
installaties in de industrie waarbij geen elektriciteit
wordt opgewekt;
b.
elektriciteitsopwekkingsinstallaties met een elektrisch
rendement van ten minste 30% en een minimaal vermogen van 20
MW;
4°. het door een
eigenaar-bewoner uit één gasvormige energiebron gelijktijdig
opwekken van warmte en elektriciteit in een
micro-warmtekrachtkoppeling, met een geproduceerd elektrisch
vermogen van minimaal 0,8 kWe en maximaal 5 kWe, bestemd voor
ruimteverwarming van een woning, waarbij een bivalent rendement
voor ruimteverwarming geldt van minimaal 107% op onderwaarde,
gemeten volgens NEN-EN 677 op enig moment van de
rendementscurve;
5°. het door een
eigenaar-bewoner plaatsen van een warmtepomp die bestemd is voor
ruimteverwarming van een woning met water als distributiemedium,
eventueel gecombineerd met een hoogrendementsketel voor
naverwarming met een rendement voor ruimteverwarming van
minimaal 107% op onderwaarde gemeten volgens NEN-EN 677.
h. projecten in de categorie duurzaam
bouwen, die zijn gericht op:
1°. het realiseren van nieuw te
bouwen woningen, die voldoen aan de volgende criteria:
– de
Energieprestatiecoëfficiënt van de woningen is niet hoger
dan 65% van de eis die geldt in het Bouwbesluit; én
– regenwaterafvoer is
afgekoppeld van het rioleringsstelsel, én
– indien hout wordt
toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
2°. het door herbestemming van
kantoorpanden realiseren van nieuwe woningen, die voldoen aan de
volgende criteria:
– de Energie-index van de
gerealiseerde woningen moet ten minste gelijk zijn aan het
niveau dat voor nieuwbouwwoningen wordt geëist, én
– indien hout wordt
toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
3°. het renoveren van bestaande
woningen door de eigenaar-bewoner, die voldoen aan de volgende
criteria:
– indien hout wordt
toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– er worden
energiebesparende maatregelen doorgevoerd, en die voldoen
aan één van de volgende niveau’s:
a. de Energie-index van de
woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager
dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een
B-label;
b. de Energie-index van de
woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager
dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een
A-label;
4°. het renoveren van bestaande
woningen door tussenkomst van een onderneming. j indien er hout
wordt toegepast dit duurzaam geproduceerd hout is, en waarbij
voldaan wordt aan één van de volgende niveau’s:
a. de Energie-index van de
woning is na renovatie ten minste twee labelstappen lager
dan ervoor of de woning verkrijgt na renovatie minimaal een
B-label;
b. de Energie-index van de
woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager
dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een
B-label;
c. de Energie-index van de
woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen dan
ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een
A-label;
5°. het realiseren van zeer
duurzame utiliteitsgebouwen, die voldoen aan bijlage 1 bij deze
regeling.
6°. het renoveren van bestaande
utiliteitsgebouwen, en die voldoen aan bijlage 2 van deze
regeling en aan één van de volgende niveaus:
I. de Energie-index van het
utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 0,6 lager dan
ervoor;
II. de Energie-index van het
utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,2 lager dan
ervoor;
III. de Energie-index van het
utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,8 lager dan
ervoor;
7°. de herstructurering van
verouderde bedrijventerreinen door overheden of kleine en
middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 Verordening
(EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij
bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88
van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar
worden verklaard (Pb L 214) die de totale kwaliteit van het
bedrijventerrein ten goede komen en bestaan uit de renovatie van
bestaande gebouwen, opknappen van private buitenruimte van
bedrijven en verbeteren van de openbare ruimte.
i. Projecten in de categorie duurzame
mobiliteit, die zijn gericht op:
1°. de realisatie van:
a. vrijliggende of verhoogde
fietspaden die verhard zijn met asfalt en die woon- of
verblijfsgebieden verbinden met werkgebieden of woonkernen
met meer dan 50 000 inwoners, of die de bereikbaarheid per
fiets van Transferia, P&R terreinen, OV-stations of
OV-halteplaatsen, kantoren- of bedrijventerreinen, scholen,
medische- en zorginstellingen of toeristische attracties
vergroten, of die onderdeel uitmaken van het landelijk
fietsroutenetwerk (zoals aangegeven in de Nota Ruimte,
Kamerstukken II 2004-2005, 29435, nrs.1-2), of
b. overdekte
fietsenstallingen of de aanschaf van fietsen voor
niet-commercieel gemeenschappelijk gebruik;
2°. de aanschaf van:
a. niet-railgebonden duurzame
voertuigen voor goederenvervoer over de openbare weg en voor
openbaar personenvervoer voor meer dan 8 passagiers, die
voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een
brandstofcelsysteem voor aandrijving, of uitsluitend rijden
op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan
10% waterstof);
b. duurzame vaartuigen voor
openbaar personenvervoer voor meer dan 8 personenop
binnenwateren, die voorzien zijn van een hybride of
elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor
aandrijving of uitsluitend varen op waterstof of een
waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
3°. investeringen in geluid- en
emissiearme mobiele werktuigen die voorzien zijn van
hydraulische systemen met biologisch afbreekbare, niet-toxische
olie, en bestaande uit:
a. geluid- en emissiearme
mobiele machines zoals omschreven in de categorie A5000 van
de vigerende Milieulijst, en met een geluidsvermogen van ten
minste 1dB(A)/1pW lager dan gesteld in de Milieulijst; of
b. vuilniswagens, met een
hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen
voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de
vigerende Milieulijst en, met in beide gevallen een
geluidsvermogen van maximaal 96 dB(A)/1 pW; of
c. kolkenzuigers waarvan de
pomp wordt aangedreven door de aftakas, met een hybride
aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor
emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende
Milieulijst en, in beide gevallen met een geluidsvermogen
van maximaal 98 dB(A) /1 pW; of
d. zelfrijdende
straatveegmachines, met een hybride aandrijving, of indien
het voertuig een dieselmotor heeft, deze is voorzien van een
roetfilter en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van
maximaal 83+11logP;
4°. het realiseren van
vulstations voor alternatieve milieuvriendelijke brandstoffen,
te weten aardgas, biogas, waterstof en een waterstof/aardgas
mengsel, met meer dan 10% waterstof, voor de afgifte aan
voertuigen en vaartuigen;
5°. nieuwe binnenvaartschepen
die bestemd zijn voor het vervoer van goederen of personen en
die voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de bijlage 3 van
deze regeling.
j. projecten in de categorie duurzame
waterketens:
1°. die gericht zijn op het:
a. gescheiden afvoeren en
infiltreren, met uitzondering van diepte-infiltratie, van
regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de
bebouwde kom;
b. gescheiden afvoeren en
opslaan voor gebruik als proceswater, met uitzondering van
gebruik in de land- en tuinbouw, van regenwater, gevallen op
verharde oppervlakken;
c. gescheiden afvoeren voor
lozing op oppervlaktewater van regenwater, gevallen op
verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
2°. die zijn gericht op
waterbehandeling op innovatieve en duurzame wijze en bestemd
voor:
a. de bereiding van
drinkwater uitgaande van afvalwaterstromen;
b. de bereiding van
drinkwater;
c. de behandeling van
afvalwater ter realisatie van een gesloten watersysteem
binnen de inrichting, met uitzondering van de gangbare
technieken voor voedingswater in de tuinbouw ter vervanging
van niet gesloten systemen;
d. de behandeling van
afvalwater gericht op het terugwinnen en hergebruik van de
in het afvalwater aanwezige stoffen, ter vervanging van een
bestaand systeem dat werkt zonder een dergelijke
terugwinning en hergebruik;
e. de behandeling van
afvalwater, dan wel bereiding van drinkwater waarbij een
reductie van ten minste 50% in het energiegebruik wordt
gerealiseerd ten opzichte van de bestaande of te vervangen
installatie, bij gelijkblijvende of verbeterde
zuiveringsresultaten;
f. de behandeling van
afvalwater verontreinigd met prioritaire stoffen waarbij een
reductie van ten minste 50% van de effluentwaarde van deze
stoffen wordt gerealiseerd ten opzichte van de
effluentwaarde van deze stoffen van de bestaande of te
vervangen installatie.
k. andere innovatieve en hoogwaardige
projecten die naar zijn oordeel in het belang zijn van de
bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.
Artikel 3
1. Een verklaring kan slechts worden
aangevraagd door en afgegeven worden aan een kredietinstelling of een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001, die voornemens is in belangrijke mate bij
te dragen aan het verstrekken van kredieten ten behoeve van het
project dan wel het direct of indirect beleggen van vermogen in het
project.
2. Een aanvraag voor projecten als
bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met d, wordt ingediend bij
de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit en voor andere projecten bij Agentschap NL.
3. De aanvraag wordt ingediend met
gebruikmaking van een formulier, en in overeenstemming met de
procedurele voorwaarden vermeld bij dit formulier, dat door de
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op
aanvraag beschikbaar wordt gesteld.
4. Aan een aanvrager kan worden
verzocht een accountantsverklaring over te leggen, waaruit de
juistheid of aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens
blijkt.
Artikel 4
1. Een verklaring wordt niet afgegeven
op aanvragen voor:
a. een bestaand project;
b. een project, waarvan het
projectvermogen minder bedraagt dan € 25.000;
c. een project, indien dit tot
gevolg zou hebben dat op een woning gelijktijdig een verklaring op
grond van artikel 2, onderdeel h, onder 3° en een verklaring op
grond van artikel 2, onderdeel h, onder 4° van toepassing zou
zijn;
d. een project, indien dit tot
gevolg zou hebben dat op een bouwwerk gelijktijdig een verklaring
op grond van artikel 2, onderdeel h, onder 5° en een verklaring
op grond van artikel 2, onderdeel g of k, van toepassing zou zijn;
e. een project in artikel 2,
onderdeel h, onder 7° met een investeringsomvang van minder dan
€ 100 000;
f. een project waarvoor, vanwege
toekenning van een financieel of ander voordeel door de overheid
of de Commissie van de Europese Gemeenschappen uit andere hoofde
dan op grond van deze regeling, een zodanig voordeel ontstaat dat
het totale toegestane voordeel op grond van communautaire
regelgeving zou overschrijden;
g. een project waarvan het niet
aannemelijk is dat het enig eigen rendement heeft, subsidies van
overheden en convenantsmiddelen daaronder begrepen;
h. een project waarvan het te
verwachten economisch rendement van het project in verhouding tot
het risico zodanig is dat het zonder toepassing van de regeling
tot stand kan komen.
2. Geen verklaring wordt afgegeven
indien de aanvrager, na daartoe een verzoek ontvangen te hebben, niet
binnen de gestelde termijn de gegevens verstrekt die van belang kunnen
zijn voor de beoordeling van een project.
3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet
van toepassing op projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel b,
onder 1° en 2°.
4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing op projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel f.3°,
f.4°, g.1°, g4° of g5°, die worden uitgevoerd op of aan een woning
en die worden uitgevoerd voor rekening en risico van de
eigenaar-bewoner.
Artikel 5
1. De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslist, in overeenstemming met
de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat,
op een volledige aanvraag binnen acht weken na de indiening ervan.
2. Een volledige aanvraag is een
aanvraag waarbij geen aanvullende informatie nodig is voor de
beoordeling van het project.
3. Een afschrift van het besluit wordt
gezonden aan de projectbeheerder.
Artikel 6
1. De verklaring geldt ten hoogste voor
de levensduur van een project en heeft een duur van ten hoogste:
a. dertig jaren, indien het een
project betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°
tot en met 7°;
b. tien jaren voor alle andere
projecten;
c. vijftien jaren, indien het een
project betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder 3°
of 4°, of onderdeel g, onder 1°, 4° of 5°, die worden
uitgevoerd op of aan een woning en die worden uitgevoerd voor
rekening en risico van de eigenaar-bewoner.
2. De verklaring kan maximaal negen
maanden na de afgifte van de verklaring in werking treden.
3. De verklaring vermeldt de aard van
het project, het projectvermogen, de datum waarop de verklaring in
werking treedt en de periode waarvoor de verklaring geldt.
4. De verklaring voor een project als
bedoeld in artikel 2, met uitzondering van onderdeel a onder 6° en
onder 7° vervalt indien binnen twee jaar na de dag van afgifte van
een verklaring geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van de
werkzaamheden.
5. In de verklaring kunnen nadere
voorwaarden worden opgenomen.
6. Ter zake van een project als bedoeld
in artikel 2, onderdeel a, onder 7°, komt voor een verklaring in
aanmerking een bedrag van:
a. ten hoogste € 4.538 per
hectare voor projecten als bedoeld in de bijlagen 15 tot en met
17, 24a tot en met 30, 32 en 45 bij de Provinciale
Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, onderscheidenlijk in de
pakketten A01.01.01a tot en met A01.01.01g, A01.01.02a,
A01.01.02b, A01.01.03a tot en met A01.01.03d, A01.01.04a1 tot en
met A01.01.4b, A01.01.05, A01.01.06, A01.02.01a1 tot en met
A01.02.01c2, A01.02.02a, A01.02.02b, A01.02.03a, A01.02.03b,
A01.03.01a tot en met A01.03.01d, A01.03.02a Lb tot en met
A01.03.02d Lb, A02.01.01, A02.02.01a tot en met A02.02.01c,
A02.02.02a tot en met A02.02.02c, A02.02.03, L01.02.01, L01.14.01a
en L01.14.01b van de provinciale Subsidieverordening Natuur- en
Landschapsbeheer;
b. ten hoogste € 6.808 per
hectare voor projecten als bedoeld in de bijlagen 6 tot en met 14,
18, 23 en 41 tot en met 43 bij de Provinciale Subsidieregeling
agrarisch natuurbeheer, onderscheidenlijk in de pakketten
A02.01.01, A02.01.02, A02.01.03a, A02.01.03b, L01.02.03 en
L01.09.01 van de provinciale Subsidieverordening Natuur- en
Landschapsbeheer;
7. Het projectvermogen met betrekking
tot een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, onder 1°, is
gemaximeerd op € 100 per vierkante meter kasoppervlak, exclusief de
kosten voor gelijktijdig opwekken van warmte/kracht of de kosten van
een warmtepomp en/of warmte en koudeopslag.
8. Het projectvermogen met betrekking
tot een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, onder 3° van
de duurzame melkveehouderij is gemaximeerd tot € 1 000 000 per stal.
9. Ter zake van een project als bedoeld
in artikel 2, onderdeel h, onder 1° komt voor een verklaring in
aanmerking een bedrag van € 100 000 indien het een grondgebonden
woning betreft, en een bedrag van € 65 000 indien het een niet
grondgebonden woning betreft.
10. Ter zake van een project als
bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 2°, komt voor een verklaring
in aanmerking een bedrag van € 1 000 per vierkante meter bruto
vloeroppervlak van het gedeelte van een pand met woonbestemming, tot
een maximum van € 100 000 per gerealiseerde woning.
11. Voor een woning als bedoeld in
artikel 2, onderdeel h, onder 3°, komt voor een verklaring in
aanmerking:
a. een bedrag van maximaal € 50
000 voor projecten die voldoen aan de eisen zoals bedoeld in
artikel 2, onderdeel h, onder 3°, onder a;
b. een bedrag van maximaal € 100
000 voor projecten die voldoen aan de eisen zoals bedoeld in
artikel 2, onderdeel h, onder 3°, onder b.
12. Voor een woning als bedoeld in
artikel 2, onderdeel h, onder 4°, komt voor een verklaring in
aanmerking een bedrag dat niet hoger is dan het voorgefinancierde
vermogen voor de renovatie van de betreffende woning:
a. maximaal € 25 000 voor
projecten die voldoen aan de eisen zoals bedoeld in artikel 2,
onderdeel h, onder 4°, onder a;
b. maximaal € 50 000 voor
projecten die voldoen aan de eisen zoals bedoeld in artikel 2,
onderdeel h, onder 4°, onder b;
c. maximaal € 100 000 voor
projecten die voldoen aan de eisen zoals bedoeld in artikel 2,
onderdeel h, onder 4°, onder c.
13. Ter zake van een project als
bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 5°, komt voor een verklaring
in aanmerking een bedrag van ten hoogste € 600 per vierkante meter
bruto vloeroppervlak.
14. Ter zake van een project met
betrekking tot een utiliteitsgebouw als bedoeld in artikel 2,
onderdeel h, onder 6°, komt voor een groenverklaring in aanmerking:
a. maximaal € 300 per vierkante
meter bruto vloeroppervlak indien het project voldoet aan niveau
I;
b. maximaal € 450 per vierkante
meter bruto vloeroppervlak indien het project voldoet aan niveau
II;
c. maximaal € 600 per vierkante
meter bruto vloeroppervlak indien het project voldoet aan niveau
III.
15. Voor projecten als bedoeld in
artikel 2, onderdeel i, onder 2°, geldt voor alle voer- en vaartuigen
in deze categorie dat een verklaring wordt beperkt tot 50% van het
projectvermogen.
16. Het projectvermogen van een project
onder artikel 2, onderdeel a tot en met j, kan, indien het meer
bedraagt dan € 35 000 000, tot dat bedrag worden beperkt.
17. Het projectvermogen van een project
onder artikel 2, onderdeel k, wordt, indien het meer bedraagt dan €
25 000 000, beperkt tot dat bedrag, tenzij bij besluit van de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in
overeenstemming met de Minister van Financiën anders is bepaald.
Artikel 7
1. Indien het bedrag dat met de
verklaring, bedoeld in artikel 2, mogelijk als een financieel of ander
voordeel kan worden verworven, meer bedraagt dan € 7 500 000 per
onderneming meldt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer het project overeenkomstig artikel 88, derde
lid, van het EG-verdrag aan bij de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
2. Indien het projecten betreft als
bedoeld in artikel 2, onder e, onder 2° en 3°, en onder k, meldt de
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
het project overeenkomstig artikel 88, derde lid, van het EG-verdrag
aan bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen, tenzij het
project op grond van een verordening van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen is vrijgesteld van deze aanmeldingsverplichting.
Artikel 8
1. De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de
Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat,
de verklaring intrekken indien:
a. de ter zake verstrekte gegevens
zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een
andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan
de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;
b. blijkt dat de uitvoering van het
project in aanzienlijke mate afwijkt van het project op grond
waarvan de verklaring is afgegeven;
c. blijkt dat de projectbeheerder
de vermogenstoestand van het project niet afzonderlijk
administreert;
d. niet wordt voldaan aan de
voorwaarden die in de verklaring zijn opgenomen;
e. de melding, bedoeld in artikel
9, niet onverwijld is geschied;
f. bij projecten als bedoeld in
artikel 2, onder h, onder 3°, de werkzaamheden niet zijn
beëindigd binnen twee jaar na de dag waarop de aanvraag tot
afgifte van een verklaring wordt ingediend.
2. Het besluit tot intrekking kan
terugwerkende kracht hebben.
3. Het besluit tot intrekking wordt
gezonden aan de aanvrager.
4. Een afschrift van het besluit wordt
gezonden aan de projectbeheerder en aan de inspecteur van de
Belastingdienst.
Artikel 9
Indien de uitvoering van een project
wordt gewijzigd, doet de instelling die kapitaal verschaft ten behoeve
van een project waarvoor een verklaring is afgegeven, daarvan onverwijld
melding aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer.
Artikel 10
Ten behoeve van de vaststelling van een
verklaring is ten aanzien van de krediet- of beleggingsinstelling,
bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
en de projectbeheerder, hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, van overeenkomstige toepassing inzake de
verstrekking van de van belang zijnde gegevens en de daaraan verbonden
rechten en plichten. Hierbij gelden de aan de inspecteur opgelegde
verplichtingen eveneens voor de door de minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen personen.
Artikel 11
Aan de in deze regeling bedoelde normen,
meetvoorschriften, tests, verklaringen en certificaten worden
gelijkgesteld:
a. normen, meetvoorschriften en tests
welke ten minste een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden;
b. verklaringen en certificaten welke
zijn afgegeven op basis van onderzoekingen en een beschermingsniveau
bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de
nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Artikel 12
1. De Regeling groenprojecten 2005
wordt ingetrokken.
2. De regeling, genoemd in het eerste
lid, blijft van toepassing op projecten waarvoor voor de datum van
inwerkingtreding van deze regeling een aanvraag voor een verklaring is
ingediend.
3. Een verklaring, afgegeven op grond
van de regeling genoemd in het eerste lid, voor een project als
bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 7°, waarvoor
a. subsidie is verstrekt op grond
van de Provinciale Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer voor
een tijdvak dat eindigt op 31 december 2009, en
b. voor bovengenoemde datum een
aanvraag tot subsidieverlening is ingediend voor de in artikel 2,
onderdeel a, onder 7°, bedoelde onderdelen van de provinciale
Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer, behoudt voor de
toepassing van deze regeling en de regeling genoemd in het eerste
lid zijn gelding tot de datum waarop op de aanvraag tot
subsidieverlening wordt beslist. Indien de aanvraag tot
subsidieverlening wordt afgewezen trekt de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in
overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de
Minister van Verkeer en Waterstaat, de verklaring in met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010.
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking met
ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant, waarin zij
wordt gepubliceerd.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling groenprojecten 2010.
Deze regeling
zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 15 maart 2010.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
De Minister van Financiën.
Bijlage 1, behorende bij artikel 2,
onderdeel h, onder 5°, van de Regeling groenprojecten 2010
(Maatregelen zeer duurzame
utiliteitsbouw)
Algemeen
1. Deze bijlage wordt aangehaald als:
Maatregelen realiseren zeer duurzame utiliteitsbouw 2010.
2. Met het Nationaal pakket wordt
bedoeld de uitgave ‘Duurzaam bouwen: Nationaal pakket utiliteitsbouw’
(uitgave van de Stichting Bouwresearch, bestelnummer 461.S).
3. Om voor een groenverklaring in
aanmerking te komen, moet een project aan alle 8 maatregelen van de
tabel voldoen.
4. In de kolom ‘NPU’ geven de
U-nummers de specificatiebladen aan zoals deze zijn opgenomen in de
CD-ROM-versie van het Nationaal pakket. In dit pakket worden de in
deze kolom vaak summier omschreven maatregelen verder geconcretiseerd.
5. In de kolom ‘NPU’ geeft ‘nvt’
aan dat het om een maatregel gaat die (nog) niet is opgenomen of
afwijkt van het Nationaal pakket.
6. Als de aanvrager kan aantonen dat er
sprake is van overmacht waardoor niet volledig aan maatregel 4
(gesloten grondbalans) kan worden voldaan, maar er wel een andere
nuttige toepassing is van de grond, kan hiermee worden voldaan aan
deze eis.
7. Als de aanvrager kan aantonen dat er
sprake is van overmacht ingeval de vergunning wordt afgewezen om het
hemelwater te infiltreren in de bodem of op het oppervlaktewater te
lozen (maatregel 7), kan hiermee worden voldaan aan deze eis.
8. Bij maatregel 5 moet het hout
voldoen aan de in artikel 1 lid f opgenomen definitie voor duurzaam
geproduceerd hout.
Tabel 1: maatregelen zeer duurzame
utiliteitsgebouwen
|
|
Maatregel/toetsingscriterium |
Hoe te toetsen |
NPU |
|
1 |
Het ontwerp niet hoger zijn dan 70%
van de eisen in het Bouwbesluit |
Controleer of Qpres;tot/Qpres.toel.
≤ 0.7 |
Nvt |
|
2 |
Het ontwerp moet aandacht hebben
voor vervuilende bronnen |
Controleer of aparte ruimten voor
rokers, printers en kopieermachines zijn gemaakt met een eigen
effectieve afzuiging |
U678 én U677 |
|
3 |
Het ontwerp moet flexibel zijn |
4 van onderstaande 8 items moeten
in het ontwerp zitten: |
|
| |
* installatietechnisch |
a. installaties uitgelegd op
maximaal 1.8 m i.p.v. 3.6 m |
– Nvt |
| |
* bouwkundig |
b. installaties opgedeeld in
bouwdelen |
– U618 |
| |
|
c. meer kleine ketels in plaats van
één grote |
– U615 |
| |
|
d. demontabele binnenwanden |
– U146 |
| |
|
e. plafondstructuur die veranderd
kan worden |
– U637 |
| |
|
f. bemetering per bouwdeel in
plaats voor het hele gebouw |
– U024 én U378 |
| |
|
g. bereid gebouw voor op
functionele aanpassingen |
– U419 |
| |
|
h. demontabele draagconstructies |
– U057 |
|
4 |
In het ontwerp moet sprake zijn van
een gesloten grondbalans |
Vraag de aanvrager om een
onderbouwing middels een berekening van de grondstromen (wat wordt
afgegraven/aangevuld; wat gebeurt er met een tekort/overschot van
de grond) |
Nvt |
|
5 |
In het ontwerp wordt uitsluitend
duurzaam geproduceerd hout toegepast |
Gebruik van duurzaam geproduceerd
hout zal moeten worden aangetoond door middel van certificaten en
aflever- bewijzen of facturen. |
Art. 1 lid f |
|
6 |
In het ontwerp zijn waterbesparende |
Controleer of minimaal zijn
opgenomen: |
U383 én |
| |
maatregelen opgenomen |
– toiletten met 4 literreservoir; |
U385 |
| |
|
– waterbesparende kranen/douches |
|
|
7 |
In het ontwerp is de
hemelwaterafvoer afgekoppeld van het rioleringsstelsel en gebruik
waar mogelijk halfverharding |
Controleer of hemelwaterafvoer is
losgekoppeld van het rioleringsstelsel en controleer of
halfverharding is toegepast |
U734
U098 |
|
8 |
Het ontwerp moet maatschappelijk
verantwoord zijn |
Laat de aanvrager aangeven wat er
duurzaam is aan het ontwerp en vraag de aanvrager om concreet aan
te tonen dat duurzaam bouwen wordt uitgedragen, bijvoorbeeld door
ruchtbaarheid aan het project te geven middels brochures,
lezingen, rondleidingen, kennisoverdracht, etc. |
Nvt |
Bijlage 2, behorende bij artikel 2,
onderdeel h, onder 6°, van de Regeling groenprojecten 2010
(Maatregelen duurzame renovatie
utiliteitsbouw)
Algemeen
1. Deze bijlage wordt aangehaald als:
Maatregelen duurzame renovatie utiliteitsbouw 2010.
2. Met het Nationaal pakket wordt
bedoeld de uitgave ‘Duurzaam bouwen: nationaal pakket utiliteitsbouw’
(uitgave van de Stichting Bouwresearch, bestelnummer 461.S).
3. Om voor een groenverklaring in
aanmerking te komen, moet een project aan alle 10 maatregelen van de
tabel voldoen.
4. In de kolom ‘NPU’ geven de
U-nummers de specificatiebladen aan zoals deze zijn opgenomen in de
CD-ROM-versie van het Nationaal pakket. In dit pakket worden de in
deze kolom vaak summier omschreven maatregelen verder geconcretiseerd.
5. In de kolom ‘NPU’ geeft ‘nvt’
aan dat het om een maatregel gaat die (nog) niet is opgenomen of
afwijkt van het Nationaal pakket.
6. Bij maatregel 2 moet het hout
voldoen aan de in artikel 1 lid f opgenomen definitie voor duurzaam
geproduceerd hout.
Tabel 2: maatregelen duurzame renovatie
utiliteitsbouw
|
|
Maatregel/toetsingscriterium |
Hoe te toetsen |
NPU |
|
1 |
Verbeter de Energie-index van het
gebouw met minimaal:
a. 0,60 voor niveau I;
b. 1,20 voor niveau II;
c. 1,80 voor niveau III. |
Controleer of er berekeningen van
de Energie-index voor de bestaande en nieuwe situatie zijn,
opgesteld door een hiertoe gecertificeerd bureau. Controleer of de
maatregelen zijn opgenomen in het bestek. |
N.v.t |
|
2 |
Pas bij de renovatie uitsluitend
gebruikt of duurzaam geproduceerd nieuw hout toe. |
Gebruik van duurzaam geproduceerd
hout zal moeten worden aangetoond door middel van certificaten en
aflever- bewijzen of facturen. |
Art. 1 lid f |
|
3 |
Maak maximaal gebruik van aanwezige
constructies en materialen door zo weinig mogelijk te slopen en
zoveel mogelijk materialen her te gebruiken. |
Vraag een schriftelijke
onderbouwing van de gemaakte keuzes ten aanzien van fundering,
draagconstructie, gevels, indeling en installaties. |
|
|
4 |
Indien de binnenwanden, plafonds en
installaties vervangen moeten |
Minimaal 3 van de 7 onderstaande
items moeten in het ontwerp zitten: |
|
| |
worden, zorg dan voor een flexibel |
• installaties uitgelegd op
maximaal 1.8 m |
– Nvt |
| |
ontwerp. |
• installaties opgedeeld in
bouwdelen |
– U618 |
| |
|
• meerdere kleine ketels ipv
één grote |
– U615 |
| |
|
• demontabele binnenwanden |
– U146 |
| |
|
• veranderbare plafondstructuur |
– U637 |
| |
|
• bemetering per bouwdeel |
– U024 én U378 |
| |
|
• gebouw geschikt voor
functionele veranderingen. |
– U419 |
|
5 |
Tref waterbesparende maatregelen. |
Controleer of minimaal zijn
opgenomen: toiletten met 4 literreservoir en waterbesparende
kranen/douches. |
U383 énU385 |
|
6 |
Draag bij aan maatschappelijke
verantwoording |
Laat de aanvrager aangeven wat er
duurzaam is aan het ontwerp en vraag de aanvrager om concreet aan
te tonen dat duurzaam bouwen wordt uitgedragen, bijvoorbeeld door
ruchtbaarheid aan het project te geven middels brochures,
lezingen, rondleidingen, kennisoverdracht etc. |
Nvt |
|
7 |
Zorg ervoor dat geluidwerende
eigenschappen van de gevel voldoen aan de nieuwbouweisen voor
bescherming tegen geluid van buiten. Bouwbesluit, afdeling 3.1 ‘Bescherming
tegen geluid van buiten, nieuwbouw’. |
Vraag een schriftelijke verklaring
(met handtekening van aanvragende partij + betrokken
bouwfysica/akoestiek adviseur erop) waarin staat dat voldaan zal
worden aan de gevel geluidwerings-eisen voor nieuwbouw uit het
Bouwbesluit. |
|
|
8 |
Zorg ervoor dat de hoeveelheid
verse luchttoevoer minimaal overeen komt met de nieuwbouw-eisen.
Bouwbesluit. Afdeling 3.10 / par. 3.10.1 ‘Luchtverversing van
een verblijfsgebied, verblijfsruimte, ...; nieuwbouw’. |
Vraag een schriftelijke verklaring
(met handtekening van aanvragende partij + betrokken
bouwfysica/installatie adviseur erop) waarin staat dat voldaan zal
worden aan de nieuwbouw ventilatie-eisen uit het Bouwbesluit. |
|
|
9 |
Zorg ervoor dat de
daglicht-toetreding voldoet aan de nieuwbouweisen t.a.v.
equivalente daglichtoppervlakte in het Bouwbesluit. Afdeling 3.20
/ par. 3.20.1 ‘Daglicht; nieuwbouw’. |
Vraag een schriftelijke verklaring
(met handtekening van aanvragende partij + betrokken
bouwfysica-adviseur erop) waarin staat dat voldaan zal worden aan
de nieuwbouw eisen t.a.v. daglichttoetreding uit het Bouwbesluit. |
|
|
10 |
Zorg voor voldoende maatregelen ter
voorkoming van oververhitting ‘s zomers (oriëntatie en grootte
beglazing, zonwering, bouwmassa, actieve koeling etc.). |
Vraag een schriftelijke verklaring
(met handtekening van aanvragende partij + betrokken bouwfysica/installatie-adviseur
erop) waarin staat dat voldaan zal worden aan de klasse B eis
(direct of adaptief) uit NEN-EN 15251 ‘Binnenmilieu gerelateerde
input parameters voor ontwerp en beoordeling van energieprestatie
van gebouwen voor de kwaliteit van binnenlucht, het thermisch
comfort, de verlichting en akoestiek’. |
|
Bijlage 3, behorende bij artikel 2,
onderdeel i, onder 5°, van de Regeling groenprojecten 2010
(Eisen ten behoeve van nieuwe duurzame
binnenvaartschepen)
Algemeen
De maatregelen en voorzieningen die in de
bijlage staan vermeld zijn cumulatief vereist, tenzij uit de tekst
duidelijk blijkt dat er sprake is van keuze uit de daar aangegeven
alternatieven.
De eigenaar van het schip dient met
behulp van meetrapporten of certificaten aan te tonen dat aan de
vereiste specificaties wordt voldaan.
Eisen
Onderdeel 1: Hoofdmotor
De hoofdmotor dient te bestaan uit één
van de volgende alternatieven:
1.a, elektromotor, of vloeibaar
aardgasmotor (LNG) of samengeperst aardgasmotor (CNG), die indien
het een verbrandingsmotor betreft is voorzien van NoNOx systeem;
1.b, dual fuel motor: een motor die
werkt op basis van een mengsel van diesel (5%) en aardgas (95% als
brandstof);
1.c, motor die voldoet aan de eisen
gesteld aan motoren van de CCR fase 2 en voorzien is van een
nageschakeld systeem voor deeltjesverwijdering (roetfilter) met een
rendement van ten minste 90% en een SCR-DeNOx-systeem ter reductie
van NOx uitworp met een rendement van ten minste 75%;
1.d, motor die voldoet aan de eisen
gesteld aan de motoren van de CCR fase 3;
1.e, diesel-geïntegreerd elektrisch
systeem voor voorstuwing en de overige vermogensbehoefte.
Onderdeel 2: Hulpvermogen
2.1, Indien het hulpvermogen niet
gegenereerd wordt door een diesel-geïntegreerd electrisch systeem
dient het te worden opgewekt door een systeem als genoemd onder
onderdeel 1 onder 1.a of 1.b of 1.c of 1.d van deze bijlage.
2.2, Ten behoeve van het hulpvermogen
dient aansluitvoorziening voor het betrekken van walstroom aanwezig te
zijn.
Onderdeel 3: Rompmaatregelen
De romp van het schip dient te zijn
voorzien van:
3.a, milieuvriendelijke antifouling
welke biocidevrij en niet-toxisch is voor waterorganismen en waarbij
de PEC/PEN-ratio, Predicted Environmental Concentration / Predicted
No Effect Concentration, voor ten minste 2 voor het eco-systeem
maatgevende waterorganismen bepaald volgens de Biocidenrichtlijn
(98/8/EC) niet meer dan 1 bedraagt. De PEC/PEN-ratio staat
gedefinieerd in de genoemde Biocidenrichtlijn (98/8/EC);
3.b, glad afgewerkte ankers en
kluizen,
3.c, beschermingssystemen tegen
corrosie die geen zinkhoudende offeranodes bevatten.
Onderdeel 4: Aandrijving/voortstuwing
De aandrijving/voortstuwing:
4.a, dient as-loos te zijn te of de
afdichting van de schroefaskoker dient te geschieden met een
watergesmeerde afdichtingsinstallatie of te werken met een
afdichting van een systeem dat gesmeerd wordt met biologisch
afbreekbare smeermiddelen;
4.b, ten behoeve van de aandrijving
dient één van de volgende technieken te worden toegepast:
– roerpropellor: constructie,
waarbij de schroef is bevestigd aan een verticale as, die 360
graden gedraaid kan worden, of
– een contraroterende
roerpropellor, of
– een straalbuis: schroef die
aangebracht is in een koker, of
– een Vector
oppervlakteschroef, of
– een aangepaste keerkoppeling
bij dubbele scheepsschroef die het mogelijk maakt dat bij het
varen met één aangedreven schroef de niet aangedreven schroef
vrij kan meedraaien;
Onderdeel 5: Stuurwerk
Het stuurwerk dient te voldoen aan de
volgende eisen:
5.a, de afdichting van de
hennegatkoker dient te geschieden met een watergesmeerde
afdichtinginstallatie, danwel met een afdichtingssysteem dat
gesmeerd wordt met biologisch afbreekbare smeermiddelen;
5.b, energiebesparend roersysteem
bestaande uit:
– een spoilersysteem (per
schroef twee roerensysteem met vaste spoiler, of
– een drie-roerensysteem,
waarbij de spoiler of het kleine middenroer is geplaatst op de
hartlijn van de schroefas), of
– een dolfijnroer, of
– een roerpropellor of
contraroterende roerpropellor systeem.
Onderdeel 6: Afval en preventieve
bedrijfsvoering
Het schip dient te zijn voorzien van de
onderstaande maatregelen:
6.1, gescheiden opvangsysteem en
opslagsysteem voor lekwater en lekolie;
6.2, indien het schip is voorzien van
meerdere brandstofbunkers dienen deze bunker voorzien te zijn van
een overvulbeveiliging die de trimpomp buiten werking stelt.
Het schip dient tevens te zijn
voorzien van ten minste één van de volgende maatregelen:
6.3, standtijdverlengingssysteem voor
de olie van de hoofdmotor met behulp van een oliereinigingssysteem
dat aan de motor is gekoppeld
6.4, automatisch vetsmeersysteem;
6.5, Y-shaped hull
6.6, een van de volgende systemen
voor de behandeling van afvalwater:
a. vuilwatertank met koppeling
voor walafgifte indien er geen sprake is van een gesloten
systeem;
b. gesloten
vuilwaterbehandelingsysteem
Onderdeel 7: Gedragsondersteuning.
Eén van de onderstaand maatregelen:
7.1, een geautomatiseerd
routeplanningssysteem dat een snelheid adviseert die leidt tot een
minimaal brandstofverbruik, afhankelijk van de vaaromstandigheden en
het gewenste aankomsttijdstip, of
7.2, een geautomatiseerd
routeplanningssysteem dat de snelheid van het schip aanpast aan de
vaaromstandigheden en aan het gewenste aankomsttijdstip, leidend tot
een minimaal brandstofverbruik
|