| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet instelling van de
Orde van de Nederlandse Leeuw
REGLEMENT
OP DE ORDE VAN DE NEDERLANDSE
LEEUW EN DE ORDE VAN ORANJE-NASSAU
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 10 mei 1995, houdende nadere regels met
betrekking tot de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van
Oranje-Nassau
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 10 maart 1994,
Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur;
Gelet op artikel 14 van de wet van 29 september
1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw (Stb.
1994, 352) en artikel 13 van de wet van 4 april 1892, houdende
instelling van de Orde van Oranje-Nassau (Stb. 1994, 351);
Gezien het advies van het
Kapittel voor de civiele orden;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord
(advies van 13 april 1995, nr. W04.95.0151/K);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 8 mei 1995, Stafafdeling Constitutionele Zaken en
Wetgeving;
De bepalingen van het Statuut voor het
Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben goedgevonden
en verstaan:
Hoofdstuk I. Verleningscriteria
Artikel 1
1.De Orde van de Nederlandse Leeuw strekt tot onderscheiding van
personen wegens bijzondere verdiensten van zeer exceptionele aard
jegens de samenleving.
2.Van verdiensten als bedoeld in het eerste lid is sprake, indien:
a. iemand een verantwoordelijkheid heeft gedragen of een
bekwaamheid heeft getoond die aanmerkelijk groter is dan de
samenleving van hem mocht verwachten;
b. iemand op uitstekende wijze werkzaamheden heeft verricht
waarbij de samenleving in zeer belangrijke mate is gebaat, en in
het bijzonder indien de maatschappelijke waardering daarvoor niet
op andere wijze tot uitdrukking is gekomen of
c. iemand alleen of samen met anderen, al dan niet in opdracht,
een zeer uitzonderlijke prestatie heeft verricht.
Artikel 2
1.De Orde van Oranje-Nassau strekt tot onderscheiding van personen
wegens bijzondere verdiensten jegens de samenleving.
2.Van verdiensten als bedoeld in het eerste lid is sprake, indien:
a. iemand zich geruime tijd ten bate van de samenleving heeft
ingespannen of anderen heeft gestimuleerd;
b. iemand een of meer opvallende prestaties heeft geleverd of
werkzaamheden heeft verricht die voor de samenleving een
bijzondere waarde hebben.
3.Bij de vaststelling van de bijzondere verdiensten, bedoeld in het
tweede lid, kan in aanmerking worden genomen dat iemand geruime tijd
werkzaamheden heeft verricht op een wijze die betrokkene onderscheidt
van anderen en die getuigt van een karaktervolle en voorbeeldige
plichtsvervulling.
Hoofdstuk II. Onderscheidingstekens
§ 1. De onderscheidingstekens van de Orde van de Nederlandse Leeuw
Artikel 3
In de artikelen 4 en 5 worden onder versiersel en lint verstaan het
versiersel en het lint, zoals omschreven in artikel 7 van de wet van 29
september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw
(Stb. 1994, 352).
Artikel 4
De uit te reiken onderscheidingstekens zijn voor de onderscheiden
graden van:
a. Ridder Grootkruis:
1°. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van
60 millimeter, hangende aan het lint, opgemaakt in de vorm van
een sjerp, die wordt gedragen van de rechterschouder naar de
linkerheup. Het lint voor mannen is 101 millimeter en voor
vrouwen 68 millimeter breed;
2°. de ster, bestaande uit het versiersel zonder kroon met
een diameter van 73 millimeter, bevestigd op een achtpuntige,
uit achtenveertig stralen bestaande, licht bolvormige gouden
ster met een diameter van 85 millimeter. De stralen van de ster
zijn om en om geschubd en alle aan de uiteinden geknopt. De ster
wordt direct boven het middel gedragen op de linkerzijde van de
kleding. De ster en het onder 1° bedoelde onderscheidingsteken
worden uitsluitend tezamen gedragen;
3°. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint
waarachter een balk van goudgalon is bevestigd. Het geheel is
bevestigd op een strik. Het draagteken wordt gedragen in plaats
van de onder 1° en 2° genoemde onderscheidingstekens.
b. Commandeur:
1°. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van
60 millimeter, hangende aan het lint, dat door mannen om de hals
en door vrouwen opgemaakt in de vorm van een strik op
borsthoogte op de linkerzijde van de kleding wordt gedragen. Het
lint is voor mannen 55 millimeter en voor vrouwen 37 millimeter
breed;
2°. de ster, bestaande uit het versiersel waarvan het kruis
een diameter heeft van 79 millimeter, dat direct boven het
middel wordt gedragen op de linkerzijde van de kleding. De ster
en het onder 1° bedoelde onderscheidingsteken worden
uitsluitend tezamen gedragen;
3°. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint,
waarachter een balk van zilvergalon is bevestigd. Het geheel is
bevestigd op een strik. Het draagteken wordt gedragen in plaats
van de onder 1° en 2° genoemde onderscheidingstekens.
c. Ridder:
1°. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van
46 millimeter, hangende aan het lint, dat op borsthoogte wordt
gedragen op de linkerzijde van de kleding. Het lint voor mannen
is 37 millimeter breed. Het lint voor vrouwen is 27 millimeter
breed en is opgemaakt in de vorm van een strik;
2°. het draagteken, opgemaakt in de vorm van een strik. Het
wordt gedragen in plaats van het onder 1° genoemde
onderscheidingsteken.
Artikel 5
1.De in artikel 4 genoemde versierselen met lint kunnen in een
verkleinde vorm worden gedragen in plaats van de in artikel 4 genoemde
onderscheidingstekens.
2.Leden van de Orde die een uniform dragen kunnen het draagteken in
de vorm van een bâton van 27 bij 11 millimeter dragen. Indien de
graad van Ridder Grootkruis of Commandeur is verleend, wordt op de
bâton een rozet met daarachter een balk als bedoeld in artikel 4,
respectievelijk onderdeel a, onder 3°, en onderdeel b, onder 3°,
bevestigd.
§ 2. De onderscheidingstekens van de Orde van Oranje-Nassau
Artikel 6
In de artikelen 7 en 8 worden onder versiersel en lint verstaan het
versiersel en lint, zoals omschreven in artikel 7 van de wet van 4 april
1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau (Stb. 1994,
351).
Artikel 7
De uit te reiken onderscheidingstekens zijn voor de onderscheiden
graden van:
a. Ridder Grootkruis:
1°. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van
60 millimeter, hangende aan het lint, opgemaakt in de vorm van
een sjerp, die wordt gedragen van de rechterschouder naar de
linkerheup. Het lint voor mannen is 101 millimeter en voor
vrouwen 68 millimeter breed;
2°. de ster, bestaande uit een blauw geëmailleerd rond
schild, omgeven door een wit geëmailleerde rand, beide met goud
omlijst met een diameter van 48 millimeter, bevestigd op een
achtpuntige, uit achtenveertig stralen bestaande zilveren ster
met een diameter van 85 millimeter. Op het schild staan
afgebeeld de Leeuw en de omschrift, zoals omschreven in artikel
7, eerste lid, van de wet. Op de witte rand is aan de onderzijde
een laurierkrans aangebracht. Voor militairen bevinden zich
achter het schild twee schuin gekruiste zwaarden, zoals
omschreven in artikel 7, tweede lid, van de wet. De ster wordt
direct boven het middel gedragen op de linkerzijde van de
kleding. De ster en het onder 1° bedoelde onderscheidingsteken
worden uitsluitend tezamen gedragen;
3°. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint
waarachter een balk van goudgalon is bevestigd. Het geheel is
bevestigd op een strik. Het draagteken wordt gedragen in plaats
van de onder 1° en 2° genoemde onderscheidingstekens.
b. Grootofficier:
1°. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van
60 millimeter, hangende aan het lint, dat door mannen om de hals
en door vrouwen opgemaakt in de vorm van een strik op
borsthoogte op de linkerzijde van de kleding wordt gedragen. Het
lint voor mannen is 55 millimeter en voor vrouwen 37 millimeter
breed;
2°. de ster, bestaande uit het schild, zoals omschreven in
onderdeel a, onder 2°, bevestigd op een vierpuntige, uit
achtenveertig stralen bestaande zilveren ster met een diameter
van 85 millimeter. De ster wordt direct boven het middel
gedragen op de linkerzijde van de kleding. De ster en het onder
1° bedoelde onderscheidingsteken worden uitsluitend tezamen
gedragen;
3°. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint,
waarachter een balk van goudgalon aan de ene zijde en een balk
van zilvergalon aan de andere zijde is bevestigd. Het geheel is
bevestigd op een strik. Het draagteken wordt gedragen in plaats
van de onder 1° en 2° genoemde onderscheidingstekens.
c. Commandeur:
1°. het onderscheidingsteken, zoals omschreven in onderdeel
b, onder 1°;
2°. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint,
waarachter een balk van zilvergalon is bevestigd. Het geheel is
bevestigd op een strik. Het draagteken wordt gedragen in plaats
van het onder 1° genoemde onderscheidingsteken.
d. Officier:
1°. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van
46 millimeter, hangende aan het lint, voorzien van een rozet in
de kleuren van het lint, dat op borsthoogte op de linkerzijde
van de kleding wordt gedragen. Het lint voor mannen is 37
millimeter en voor vrouwen 27 millimeter breed. Vrouwen dragen
het lint opgemaakt in de vorm van een strik;
2°. het draagteken, zijnde het in rozetvorm opgemaakte lint.
Het geheel is bevestigd op een strik. Het draagteken wordt
gedragen in plaats van het onder 1° genoemde
onderscheidingsteken.
e. Ridder:
1°. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van
46 millimeter, hangende aan het lint, dat op borsthoogte op de
linkerzijde van de kleding wordt gedragen. Het lint voor mannen
is 37 millimeter en voor vrouwen 27 millimeter. Vrouwen dragen
het lint opgemaakt in de vorm van een strik;
2°. het draagteken, zijnde het lint, opgemaakt in de vorm
van een strik, waaraan is toegevoegd een kleine zilveren kroon.
Het draagteken wordt gedragen in plaats van het onder 1°
genoemde onderscheidingsteken.
f. Lid:
1°. het versiersel waarvan het kruis een diameter heeft van
35 millimeter, hangende aan het lint met een breedte van 27
millimeter, dat op borsthoogte op de linkerzijde van de kleding
wordt gedragen. Vrouwen dragen het lint opgemaakt in de vorm van
een strik;
2°. het draagteken, zijnde het lint, opgemaakt in de vorm
van een strik. Het draagteken wordt gedragen in plaats van het
onder 1° genoemde onderscheidingsteken.
Artikel 8
1.De in artikel 7 genoemde versierselen met lint kunnen in een
verkleinde vorm worden gedragen in plaats van de in artikel 7 genoemde
onderscheidingstekens.
2.Leden van de Orde die een uniform dragen kunnen het draagteken in
de vorm van een bâton van 27 bij 11 millimeter dragen. Indien de
graad van Ridder Grootkruis, Grootofficier of Commandeur is verleend,
wordt op de bâton een rozet met daarachter een balk als bedoeld in
artikel 7, respectievelijk onderdeel a, onder 3°, onderdeel b, onder
3°, en onderdeel c, onder 2°, bevestigd. Indien de graad van
Officier, dan wel Ridder is verleend, wordt op de bâton een rozet
respectievelijk een kleine zilveren kroon bevestigd.
Hoofdstuk III. Procedure
Artikel 9
1. Een voorstel tot verlening van een onderscheiding wordt gericht
aan de burgemeester of de gezaghebber van de woonplaats van de te
onderscheiden persoon.
2. De burgemeester of de gezaghebber zendt het voorstel met zijn
advies aan de commissaris van de Koning onderscheidenlijk de
Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba.
3. De commissaris van de Koning of de Rijksvertegenwoordiger voor
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zendt het
voorstel met zijn advies en het advies van de burgemeester
onderscheidenlijk de gezaghebber aan het Kapittel voor de civiele
orden, genoemd in artikel III van de rijkswet van 15 april 1994 tot
wijziging van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde
van Oranje Nassau, en de wet van 29 september 1815, houdende
instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw, alsmede instelling
van het Kapittel voor de civiele orden (Stb. 1994, 350).
4. Het Kapittel zendt het voorstel met zijn advies aan Onze
Minister wie het aangaat. Het Kapittel houdt de stukken die betrekking
hebben op de voorbereiding van zijn adviezen ter beschikking van Onze
Minister wie het aangaat.
5. Onze Minister wie het aangaat doet de voordracht voor het
koninklijk besluit tot verlening van de onderscheiding. Indien de
voordracht meer dan een minister aangaat, wordt het koninklijk besluit
tot verlening van de onderscheiding gezamenlijk voorgedragen.
6. Indien Onze Minister wie het aangaat het advies van het Kapittel
niet overneemt, legt deze het voorstel met het advies van het Kapittel
voor aan de ministerraad, die over de voordracht besluit.
7. Van elk besluit omtrent een voorstel tot verlening van een
onderscheiding wordt door Onze Minister wie het aangaat opgave gedaan
aan het Kapittel.
Artikel 10
1.Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een
burgemeester wordt gericht aan de commissaris van de Koning van de
provincie waarin de burgemeester woont. De commissaris zendt het
voorstel met zijn advies aan het Kapittel. Artikel 9, vierde tot en
met zevende lid, is van toepassing.
2.Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een
commissaris van de Koning wordt gericht aan de burgemeester van de
woonplaats van de commissaris. De burgemeester zendt het voorstel met
zijn advies aan het Kapittel. Artikel 9, vierde tot en met zevende
lid, is van toepassing.
Artikel 10a
1. Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een
gezaghebber wordt gericht aan de Rijksvertegenwoordiger voor de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De
Rijksvertegenwoordiger zendt het voorstel met zijn advies aan het
Kapittel. Artikel 9, vierde lid tot en met zevende lid, is van
toepassing.
2. Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan de
Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba wordt gericht aan de gezaghebber van Bonaire. De
gezaghebber van Bonaire zendt het voorstel met zijn advies aan het
Kapittel. Artikel 9, vierde tot en met zevende lid, is van toepassing.
Artikel 11
1.Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een in
Nederland verblijvende buitenlandse diplomaat of buitenlandse militair
of een in het buitenland verblijvende persoon, wordt gericht aan Onze
Minister van Buitenlandse Zaken. Deze zendt het voorstel voor advies
aan het Kapittel. Artikel 9, vierde tot en met zevende lid, is van
toepassing, met dien verstande dat in het geval van een buitenlandse
militair de voordracht geschiedt door Onze Minister van Buitenlandse
Zaken in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.
Artikel 12
Onverminderd artikel 9, eerste lid, kan een voorstel tot verlening
van een onderscheiding aan een actief dienende Nederlandse militair aan
Onze Minister van Defensie worden gericht. Onze Minister van Defensie
zendt het voorstel aan de burgemeester van de woonplaats van de
betrokken militair. Artikel 9, tweede tot en met zevende lid, is van
toepassing.
Artikel 13
1. Een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan een
persoon, woonachtig in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, wordt gericht
aan de raad van ministers van Aruba, Curaçao, respectievelijk Sint
Maarten.
2. De raad van ministers zendt het voorstel aan de Gouverneur.
3. De Gouverneur zendt het voorstel met zijn advies aan het
Kapittel voor de civiele orden, genoemd in artikel III van de rijkswet
van 15 april 1994 tot wijziging van de wet van 4 april 1892, houdende
instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en de wet van 29 september
1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw,
alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden (Stb. 1994,
350).
4. Het Kapittel zendt het voorstel met zijn advies aan Onze
Minister wie het aangaat. Het Kapittel houdt de stukken die betrekking
hebben op de voorbereiding van zijn adviezen ter beschikking van Onze
Minister wie het aangaat.
5. Onze Minister wie het aangaat doet de voordracht voor het
koninklijk besluit tot verlening van de onderscheiding. Indien de
voordracht meer dan een minister aangaat, wordt het koninklijk besluit
tot verlening van de onderscheiding gezamenlijk voorgedragen.
6. Indien Onze Minister wie het aangaat het advies van het Kapittel
niet overneemt, legt deze het voorstel met het advies van het Kapittel
voor aan de rijksministerraad, die over de voordracht besluit.
7. Van elk besluit omtrent een voorstel tot verlening van een
onderscheiding wordt door Onze Minister wie het aangaat opgave gedaan
aan het Kapittel.
Artikel 14
1. De volgende personen worden geacht aan een of meer van de in
artikel 2 genoemde criteria te voldoen:
a. de leden van de Staten-Generaal en van de Staten van Aruba,
Curaçao of Sint Maarten die ten minste tweemaal zijn herkozen en
ten minste tien jaren zitting hebben gehad;
b. de Nederlandse leden van het Europees Parlement die ten
minste een maal zijn herkozen en ten minste tien jaren zitting
hebben gehad;
c. de leden van provinciale staten, van gemeenteraden en de
leden van een commissie als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van
de Gemeentewet en de leden van de eilandsraden die ten minste
twaalf jaren zitting hebben gehad;
d. de ministers en staatssecretarissen van de landen van het
Koninkrijk die hun ambt ten minste een jaar hebben bekleed.
2. Indien personen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b
en c, niet voldoen aan de daarin gestelde vereisten, worden zij geacht
aan een of meer van de in artikel 2 genoemde criteria te voldoen,
indien zij ten minste twaalf jaren zitting hebben gehad in twee of
meer verschillende van de in de onderdelen a, b of c genoemde organen.
3. Een voordracht tot verlening van een onderscheiding aan een
persoon die ingevolge het eerste lid, onderdeel a, b of c, dan wel het
tweede lid, geacht wordt aan een of meer van de in artikel 2 genoemde
criteria te voldoen, wordt niet eerder gedaan dan nadat de te
onderscheiden persoon is afgetreden.
4. Een voordracht tot verlening van een onderscheiding aan een
minister of staatssecretaris die ingevolge het eerste lid, onderdeel
d, geacht wordt aan een of meer van de in artikel 2 genoemde criteria
te voldoen, wordt gedaan door Onze Minister-President. De voordracht
wordt niet eerder gedaan dan nadat de te onderscheiden persoon zijn
ambt heeft neergelegd.
Artikel 9, zevende lid, is van toepassing.
5. Een voordracht tot verlening van een onderscheiding aan een
minister of staatssecretaris van Aruba, Curaçao of Sint Maarten die
ingevolge het eerste lid, onderdeel d, geacht wordt aan een of meer
van de in artikel 2 genoemde criteria te voldoen, wordt gedaan door
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties na overleg
met Onze Minister-President van Aruba, Curaçao respectievelijk Sint
Maarten. De voordracht wordt niet eerder gedaan dan nadat de te
onderscheiden persoon zijn ambt heeft neergelegd. Artikel 9, zevende
lid, is van toepassing.
Artikel 15
Ten aanzien van de verlening van een onderscheiding bij koninklijk
besluit aan een lid van het koninklijk huis, alsmede aan buitenlandse
staatshoofden, is artikel 9, zevende lid, van toepassing.
Artikel 16
1. De uitreiking van de onderscheiding geschiedt door de
burgemeester, de gezaghebber, de commissaris van de Koning, de
Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba of Onze Minister wie het aangaat.
2. Indien de onderscheiding namens de burgemeester, de gezaghebber,
de commissaris van de Koning, de Rijksvertegenwoordiger voor de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of Onze Minister wie
het aangaat, wordt uitgereikt, geschiedt dit door een daartoe
aangewezen ambtenaar of door een ander bestuursorgaan, mits het
bestuursorgaan daarmee instemt.
3. De uitreiking van de onderscheiding geschiedt in Aruba, Curaçao
en Sint Maarten door of namens de Gouverneur.
Artikel 17
De verlening van een onderscheiding wordt binnen een maand na
verlening gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 18
1.Bij de onderscheiding behoort een oorkonde die wordt ondertekend
door de Kanselier van de Orde van de Nederlandse Leeuw.
2.Modellen van de in de artikelen 4, 5, 7 en 8 beschreven
onderscheidingstekens worden gedeponeerd bij de Kanselier van de Orde
van de Nederlandse Leeuw.
Hoofdstuk IV. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 19
1.De hoofdstukken I en III zijn niet van toepassing op de
behandeling van een voorstel tot verlening van een onderscheiding
indien daarmee wordt beoogd een onderscheiding uit te doen reiken op
een tijdstip gelegen voor de uitreiking ter gelegenheid van de dag
waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd in 1996.
2.Indien omtrent een voorstel als bedoeld in het eerste lid
besloten wordt dat de datum van uitreiking zal zijn gelegen op of na
de uitreiking ter gelegenheid van de dag waarop de verjaardag van de
Koning wordt gevierd in 1996, wordt het voorstel overeenkomstig de
hoofdstukken I en III behandeld.
Artikel 20
De richtlijnen voor het verlenen van koninklijke onderscheidingen,
zoals vastgesteld door de ministerraad op 27 september 1948, worden
ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op
voorstellen als bedoeld in artikel 19, eerste lid.
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement op de Orde van de
Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 mei 1995
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de zestiende mei 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|