REGELING van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport van 31 januari 2005, nr. GMT/MT2551254, houdende
voorschriften inzake de bloedvoorziening (Regeling voorschriften
bloedvoorziening)
De Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op Richtlijn 2002/98/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van
kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken,
opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke
oorsprong en tot wijziging van Richtlijn 2001/38/EG (PbEU L 33)
alsmede de artikelen 3, derde lid, 5, tweede lid, en 9, tweede lid, van
de Wet inzake bloedvoorziening;
Besluit:
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. bloed: volbloed dat bij een donor is afgenomen en behandeld is
met het oog op transfusie of verdere verwerking;
b. bloedbestanddeel: een therapeutisch bestanddeel van bloed, te
weten rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes, plasma, dat
door middel van verschillende methoden kan worden bereid;
c. ziekenhuisbloedbank: een ziekenhuisafdeling die bloed en
bloedbestanddelen, alleen bestemd voor gebruik in ziekenhuizen, onder
meer voor transfusieactiviteiten in een ziekenhuis, opslaat en
distribueert, en daar compatibiliteitstests op mag uitvoeren;
d. ernstig ongewenst voorval: een ongewenst voorval in verband met
het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en
bloedbestanddelen dat voor een patiënt overlijden, levensgevaar,
invaliditeit of arbeidsongeschiktheid tot gevolg kan hebben, dan wel
leidt tot opname in een ziekenhuis of de duur van de ziekte verlengt;
e. ernstige ongewenste bijwerking: een onbedoelde reactie bij de
donor of de patiënt in verband met het inzamelen of de transfusie van
bloed of bloedbestanddelen, die dodelijk is, levensgevaar oplevert,
invaliditeit of arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, dan wel leidt tot
opname in een ziekenhuis of de duur van de ziekte verlengt;
f. vrijgave van een bloedbestanddeel: een proces dat ertoe leidt
dat de quarantainestatus van een bloedbestanddeel wordt opgeheven door
middel van het gebruik van systemen en procedures waarmee gewaarborgd
wordt dat het eindproduct voldoet aan de specificaties voor vrijgave;
g. uitsluiting: permanente of tijdelijke opschorting van iemands
geschiktheid voor het doneren van bloed of bloedbestanddelen;
h. distributie: het leveren van bloed en bloedbestanddelen aan
producenten van uit bloed en plasma verkregen producten. Het uitgeven
van bloed of bloedbestanddelen voor transfusie valt hier niet onder;
i. autologe transfusie: een transfusie waarbij de donor tevens de
ontvanger is en waarbij eerder afgegeven bloed en bloedbestanddelen
worden gebruikt;
j. Richtlijn: Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 27 januari 2003, tot vaststelling van kwaliteits- en
veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en
distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong
en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG van de Raad (PbEU L 33).
2. Deze regeling is niet van toepassing op bloedstamcellen.
Artikel 2
1. De Bloedvoorzieningsorganisatie deelt de Minister de
gegevens mede, bedoeld in Bijlage I.
2. De Bloedvoorzieningsorganisatie behoeft voor ingrijpende
wijziging in haar werkzaamheden de schriftelijke toestemming van de
Minister.
Artikel 3
1. De Bloedvoorzieningsorganisatie zorgt ervoor dat:
– bij het inzamelen en testen van elke eenheid bloed of
bloedbestanddelen, ongeacht het beoogde gebruik, en bij het bewerken,
opslaan en distribueren ervan indien zij voor transfusie bestemd zijn,
de daarvoor geldende regels worden nageleefd;
– de Minister ter zake van de aanwijzingsprocedure, bedoeld in
artikel 3 van de Wet inzake bloedvoorziening, de nodige informatie
ontvangt.
2. De Bloedvoorzieningsorganisatie draagt de uitvoering van de in
het eerste lid genoemde taken op aan een persoon die ten minste:
a. houder is van een diploma, certificaat of ander bewijsstuk ter
afsluiting van een universitaire opleiding op het gebied van
geneeskunde of biologie, of van een door de Minister als gelijkwaardig
erkende opleiding;
b. na het behalen van het diploma tenminste twee jaar
praktijkervaring op relevante gebieden heeft opgedaan in een of meer
instellingen die activiteiten mogen verrichten met betrekking tot het
inzamelen of testen van bloed en bloedbestanddelen van menselijke
oorsprong of met betrekking tot het bewerken, opslaan en distribueren
daarvan.
3. De in het tweede lid bedoelde persoon kan zijn taken delegeren
aan andere personen die door hun opleiding of ervaring gekwalificeerd
zijn om die taken uit te voeren.
4. De Bloedvoorzieningsorganisatie deelt de Minister de naam van
de in het tweede lid bedoelde persoon en de in het derde lid bedoelde
personen mee, onder opgave van de specifieke taken waarmee zij zijn
belast.
5. Wanneer de personen, bedoeld in het tweede of derde lid,
tijdelijk of definitief vervangen worden, deelt de
Bloedvoorzieningsorganisatie de Minister onmiddellijk de naam van de
nieuwe persoon en de datum van diens infunctietreding mee.
Artikel 4
Het personeel dat rechtstreeks is betrokken bij het inzamelen,
testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen
van menselijke oorsprong, beschikt over de nodige kwalificaties om die
taken uit te voeren en krijgt tijdig een geschikte opleiding en
regelmatige bijscholing.
Artikel 5
Het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 6 van de Wet inzake
bloedvoorziening, wordt toegepast op basis van de beginselen van goede
praktijken. De Bloedvoorzieningsorganisatie neemt daarbij de normen en
specificaties, bedoeld in artikel 29, onder h, van de Richtlijn in acht.
Artikel 6
1. De Bloedvoorzieningsorganisatie houdt documentatie bij over
de operationele procedures, richtsnoeren, handboeken en handleidingen,
alsmede rapportageformulieren.
2. De Bloedvoorzieningsorganisatie houdt een administratie bij
van de gegevens, genoemd in de bijlagen II en IV en in artikel 29, onder
b, c en d, van de Richtlijn. Deze gegevens worden ten minste 15 jaar
bewaard.
Artikel 7
1. Teneinde bloed en bloedbestanddelen die worden ingezameld,
getest, bewerkt, opgeslagen, vrijgegeven of gedistribueerd, van de
donor tot de ontvanger en omgekeerd te kunnen traceren, past de
Bloedvoorzieningsorganisatie een systeem toe voor het identificeren
van iedere bloeddonatie en iedere afzonderlijke bloedeenheid en de
bestanddelen daarvan. Het systeem moet elke unieke donatie en elk
uniek type bloedbestanddeel ondubbelzinnig identificeren. Het systeem
wordt tot stand gebracht overeenkomstig de voorschriften, bedoeld in
artikel 29, onder a, van de Richtlijn.
2. Ten aanzien van bloed en bloedbestanddelen die uit derde
landen zijn ingevoerd, past de Bloedvoorzieningsorganisatie een
donoridentificatiesysteem toe dat een gelijke mate van traceerbaarheid
mogelijk maakt.
3. Het systeem dat de Bloedvoorzieningsorganisatie gebruikt voor
het etiketteren van bloed en bloedbestanddelen die door haar worden
ingezameld, getest, bewerkt, opgeslagen, vrijgegeven of gedistribueerd,
voldoet aan het in het eerste lid bedoelde identificatiesysteem en de in
bijlage III opgenomen etiketteringsvoorschriften.
4. Gegevens die noodzakelijk zijn voor volledige traceerbaarheid
overeenkomstig dit artikel, worden ten minste 30 jaar bewaard.
Artikel 8
1. De Bloedvoorzieningsorganisatie meldt aan de met het
toezicht op de naleving van de Wet inzake bloedvoorziening belaste
ambtenaar ernstige ongewenste voorvallen in verband met het inzamelen,
testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en
bloedbestanddelen die de kwaliteit en de veiligheid ervan kunnen
beïnvloeden, alsook ernstige ongewenste bijwerkingen die tijdens of
na een transfusie worden geconstateerd en die kunnen worden
toegeschreven aan de kwaliteit en de veiligheid van het bloed en de
bloedbestanddelen. De melding vindt plaats volgens de procedure,
bedoeld in artikel 29, onder i, van de Richtlijn en op de daar
bedoelde wijze.
2. De Bloedvoorzieningsorganisatie beschikt over een nauwkeurige,
snelle en verifieerbare procedure om bloed en bloedbestanddelen die met
een melding als bedoeld in het eerste lid in verband worden gebracht,
aan de distributie te onttrekken.
Artikel 9
1. De Bloedvoorzieningsorganisatie verstrekt aspirant-donors de
gegevens, bedoeld in artikel 29, onder b, van de Richtlijn.
2. De Bloedvoorzieningsorganisatie verlangt van donors, nadat zij
zich hebben bereid verklaard om bloed of bloedbestanddelen te doneren,
de gegevens, bedoeld in artikel 29, onder c, van de Richtlijn.
Artikel 10
1. De Bloedvoorzieningsorganisatie zorgt ervoor dat er
keuringsprocedures zijn voor alle donoren van bloed en
bloedbestanddelen en dat daarbij wordt voldaan aan de criteria,
bedoeld in artikel 29, onder d, van de Richtlijn.
2. De resultaten van de donorkeuring en de uitgevoerde tests
worden vastgelegd en de donor wordt op de hoogte gesteld van relevante
afwijkende bevindingen.
Artikel 11
Elke donatie van bloed of bloedbestanddelen wordt voorafgegaan door
een onderzoek van de donor, dat onder meer een gesprek omvat. Een
gediplomeerde gezondheidswerker is inzonderheid verantwoordelijk voor
het verstrekken aan, en inwinnen bij, de donor van informatie die
noodzakelijk is om te oordelen of de donor voor het doneren geschikt is
en besluit op basis daarvan of de donor kan worden toegelaten.
Artikel 12
1. De Bloedvoorzieningsorganisatie zorgt ervoor dat alle
donaties van bloed en bloedbestanddelen worden getest overeenkomstig
de voorschriften van bijlage IV.
2. Ingevoerd bloed en ingevoerde bloedbestanddelen worden getest
overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV.
Artikel 13
1. De Bloedvoorzieningsorganisatie zorgt ervoor dat de wijze
waarop bloed en bloedbestanddelen worden opgeslagen, vervoerd en
gedistribueerd, voldoet aan de voorschriften, bedoeld in artikel 29,
onder e, van de Richtlijn.
2. De Bloedvoorzieningsorganisatie zorgt ervoor dat de kwaliteits-
en veiligheidseisen voor bloed en bloedbestanddelen voldoen aan de
eisen, bedoeld in artikel 29, onder f, van de Richtlijn.
3. De Bloedvoorzieningsorganisatie zorgt ervoor dat bij autologe
transfusie wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in artikel 29,
onder g, van de Richtlijn.
Artikel 14
De Bloedvoorzieningsorganisatie zorgt ervoor dat de in het kader van
deze regeling verzamelde gegevens die door derden kunnen worden
geraadpleegd, met inbegrip van genetische informatie, geanonimiseerd
zijn zodat de donor niet meer te identificeren is. Daartoe:
– treft zij maatregelen met het oog op de gegevensbeveiliging
en schept garanties tegen ongeoorloofde toevoeging, schrapping of
wijziging in bestanden van donoren of uitsluitingen, alsmede tegen
overdracht van informatie;
– legt zij procedures vast om discrepanties tussen gegevens op
te heffen;
– voorkomt zij ongeoorloofde bekendmaking van dergelijke
informatie, waarbij de donaties echter wel traceerbaar moeten
blijven.
Artikel 15
De Regeling voorschriften bloedvoorziening van 21 december 2004
(Stcrt. 2004, 251) wordt ingetrokken.
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van 8 februari 2005.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voorschriften
bloedvoorziening.
Deze regeling zal met de bijlagen en de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst.