| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet inzake de
geldtransactiekantoren
REGELING
BEKOSTIGING FINANCIEEL TOEZICHT
Tekst zoals deze geldt op
17 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
REGELING van de Minister van Financiėn van 19
december 2003, Directie Financiėle Markten, FM 2003-1852, houdende
regels voor de bekostiging van het toezicht ingevolge enkele financiėle
toezichtwetten (Regeling bekostiging financieel toezicht)
De Minister
van Financiėn;
Gelet op de artikelen 28 van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen, 42 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995,
186, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, 91,
eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, 12
van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen
1996 en 7 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Financiėn;
b. de Autoriteit Financiėle Markten: de Stichting Autoriteit
Financiėle Markten;
c. de Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
d. Pensioen- & Verzekeringskamer: de Stichting Pensioen-
& Verzekeringskamer;
e. toezichthoudende autoriteit:
1°. de Autoriteit Financiėle Markten;
2°. de Nederlandsche Bank;
3°. de Pensioen- & Verzekeringskamer;
ieder voor zover het betreft de aan haar bij of krachtens wet
opgedragen toezichttaken;
f. houder van een effectenbeurs: een houder van een effectenbeurs
als bedoeld in artikel 22 of 25 van de Wet toezicht effectenverkeer
1995;
g. pensioenfonds: een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede
lid, onderdeel k, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
h. onder toezicht staande instelling:
1°. een beleggingsinstelling;
2°. een effecteninstelling;
3°. een verzekeraar;
4°. een houder van een effectenbeurs;
5°. een effectenuitgevende instelling te wier laste effecten
zijn uitgegeven die zijn toegelaten tot de notering aan een
effectenbeurs als bedoeld in artikel 22 van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
6°. een vennootschap als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
van de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde
vennootschappen 1996;
7°. een pensioenfonds;
8°. een natuurlijk persoon of rechtspersoon als bedoeld in
artikel 7, tweede lid, onderdeel l, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
9°. een geldtransactiekantoor;
i. exploitatiesaldo: het verschil tussen de aan het eind van een
jaar gerealiseerde baten en lasten van de toezichthoudende
autoriteit vormt het exploitatiesaldo, waarop voor zover het de
Autoriteit Financiėle Markten betreft, toevoegingen aan eventuele
bestemmingsreserves in mindering kunnen worden gebracht;
j. balanstotaal: het balanstotaal van een beleggingsinstelling
zoals dat blijkt uit de jaarlijks op grond van artikel 20 van het
Besluit toezicht beleggingsinstellingen openbaar te maken
jaarrekening.
§ 2. Rekening en verantwoording
Artikel 2
1. De toezichthoudende autoriteit stelt jaarlijks een begroting op
van de in het daarop volgende jaar te verwachten baten en lasten,
investeringsuitgaven alsmede inkomsten en uitgaven met betrekking tot
de uitvoering van de taken en bevoegdheden alsmede de daaruit
voortvloeiende werkzaamheden die haar zijn opgedragen bij of krachtens
de Wet inzake de geldtransactiekantoren, de Wet toezicht
beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet
toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993.
2. De begroting wordt op een zodanige wijze opgesteld dat de lasten
en uitgaven structureel worden gedekt door debaten en inkomsten.
3. De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.
4. Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft nog
niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met
de begroting van het lopende jaar en de laatste jaarrekening of
verantwoording waarmee de minister heeft ingestemd.
5. De toezichthoudende autoriteit zendt de begroting, vergezeld van
een toelichting, voor 1 december van het aan het begrotingsjaar
voorafgaande jaar ter instemming aan de minister.
6. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
7. De toezichthoudende autoriteit doet onverwijld mededeling in de
Staatscourant van de begroting waarmee is ingestemd en maakt deze
openbaar.
Artikel 3
1. Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of
dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en begrote baten en lasten
dan wel inkomsten en uitgaven, doet de toezichthoudende autoriteit
daarvan onverwijld mededeling aan de minister onder vermelding van de
oorzaak van de verschillen.
2. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de begrote en
gerealiseerde baten en lasten alsmede inkomsten en uitgaven die
verband houden met de uitvoering van opgedragen taken en toegekende
bevoegdheden uit hoofde van Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of
de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
Artikel 4
1. De Autoriteit Financiėle Markten en de Pensioen- &
Verzekeringskamer stellen jaarlijks een jaarrekening op, waarin
rekening en verantwoording wordt afgelegd van het financieel beheer en
van de geleverde prestaties over het verstreken boekjaar. De
jaarrekening wordt ingericht zoveel mogelijk met overeenkomstige
toepassing van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de Autoriteit Financiėle Markten
onderscheidenlijk de Pensioen- & Verzekeringskamer aangewezen
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
3. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede
lid, tevens een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatigheid
van de inning en besteding van de middelen door de Autoriteit
Financiėle Markten onderscheidenlijk de Pensioen- &
Verzekeringskamer uit hoofde van de in artikel 2, eerste lid, genoemde
wetten alsmede de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en de Wet
toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf. Dit verslag wordt voor
het eerst opgesteld over het jaar 2004.
4. De Autoriteit Financiėle Markten en de Pensioen- &
Verzekeringskamer zenden de jaarrekening voor 1 mei van het op het
boekjaar volgende jaar ter instemming aan de minister.
5. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
6. De Autoriteit Financiėle Markten en de Pensioen- &
Verzekeringskamer doen onverwijld mededeling in de Staatscourant van
de jaarrekening waarmee is ingestemd en maken deze openbaar.
Artikel 5
1. De Nederlandsche Bank stelt jaarlijks een verantwoording op van
de opgedragen taken en toegekende bevoegdheden en daaruit
voortvloeiende werkzaamheden uit hoofde van de in artikel 2, eerste
lid, genoemde wetten. De verantwoording wordt voor het eerst opgesteld
over het jaar 2004.
2. De verantwoording gaat vergezeld van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een door de Nederlandsche Bank aangewezen
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek.
3. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede
lid, tevens een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige
inning en besteding van de middelen door de Nederlandsche Bank uit
hoofde van de in artikel 2, eerste lid, genoemde wetten.
4. De Nederlandsche Bank zendt de verantwoording, bedoeld in het
eerste lid, voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter
instemming aan de minister.
5. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht
of het algemeen belang.
6. De Nederlandsche Bank doet onverwijld mededeling in de
Staatscourant van de verantwoording waarmee is ingestemd en maakt deze
openbaar.
Artikel 6
Indien in enig boekjaar een exploitatiesaldo is ontstaan en de
toezichthoudende autoriteit het exploitatiesaldo wil betrekken bij de in
rekening te brengen kosten als bedoeld in artikel 11, doet de
toezichthoudende autoriteit daaromtrent een voorstel in de jaarrekening
of de verantwoording.
§ 3. Bijdragen kosten uitoefening toezicht
Artikel 7
1. De toezichthoudende autoriteit kan eenmalig een bedrag in
rekening brengen aan een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van
de kosten van de behandeling van een aanvraag of verzoek om verlening,
uitbreiding of wijziging van:
a. een vergunning als bedoeld in:
1°. artikel 5, eerste lid, van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen;
2°. artikel 7, eerste, lid, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
b. een ontheffing als bedoeld in:
1°. artikel 14a van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen;
2°. artikel 4, eerste lid, 5, tweede lid, 6a, vijfde lid,
6c, eerste lid of 25, eerste lid, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
c. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16,
eerste lid of 26a, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer
1995.
d. een erkenning als bedoeld in artikel 22 van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
e. een inschrijving als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van
de Wet inzake de geldtransactiekantoren;
f. een goedkeuring van een prospectus als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
g. een goedkeuring van een document als bedoeld in artikel 3b,
eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
h. een goedkeuring van een biedingsbericht als bedoeld in 5,
eerste lid, van de Tijdelijke vrijstellingsregeling
overnamebiedingen;
i. het verstrekken van een verklaring als bedoeld in artikel 5,
vierde lid, van de Tijdelijke vrijstellingsregeling
overnamebiedingen aan een toezichthoudende instantie in een andere
lidstaat dat een biedingsbericht is goedgekeurd, en het verzenden
van een afschrift van het goedgekeurde biedingsbericht aan die
toezichthoudende instantie.
2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, kan worden vermeerderd
met een bedrag ter vergoeding van de kosten van een toetsing van de
deskundigheid of betrouwbaarheid van een beleidsbepaler,
medebeleidsbepaler of houder van een gekwalificeerde deelneming, voor
zover deze kosten niet reeds op basis van het eerste lid in rekening
zijn gebracht.
3. De toezichthoudende autoriteit kan eenmalig een bedrag in
rekening brengen ter vergoeding van de kosten van een toetsing van de
deskundigheid of betrouwbaarheid van een beleidsbepaler,
medebeleidsbepaler of houder van een gekwalificeerde deelneming, welke
toetsing wordt verricht naar aanleiding van:
a. een melding als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Wet
inzake de geldtransactiekantoren;
b. een melding als bedoeld in artikel 22 van het Besluit
effectenverkeer 1995;
c. een melding van een voorgenomen wijziging of aanvulling als
bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het Besluit toezicht
beleggingsinstellingen 2005;
d. een verstrekking of melding van wijziging van gegevens als
bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit
toezicht beleggingsinstellingen 2005.
4. De Autoriteit Financiėle Markten brengt geen bedrag als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, in rekening, indien de
aanvrager een in een andere lidstaat gevestigde effectenbemiddelaar
als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3°, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995 betreft die onder adequaat toezicht staat en in
of vanuit Nederland uitsluitend effectendiensten voor eigen rekening
verricht.
Artikel 8
De Autoriteit Financiėle Markten brengt eenmalig een bedrag in
rekening aan:
a. een effecteninstelling waarop een vrijstelling als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 van
toepassing is, ter vergoeding van de kosten van de inschrijving in
het register, bedoeld in artikel 21 van die wet, waarbij onderscheid
kan worden gemaakt naar effecteninstellingen als bedoeld in artikel
12, 14 of 15 van de Vrijstellingsregeling Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
b. een bieder:
1°. na het uitbrengen van een openbare mededeling als
bedoeld in artikel 9b, tweede lid, onderdeel a of b, van het
Besluit toezicht effectenverkeer 1995;
2°. na het toezenden van een biedingsbericht ingevolge
artikel 9v van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995;
3°. na gestanddoening van een openbaar bod;
c. een uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van
toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt,
ter vergoeding van de kosten van het verschaffen van inzage in het
register als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
d. een beheerder die op grond van artikel 17a, vierde lid, of
17b, tweede lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen tot de
verhandeling van haar rechten van deelneming mag overgaan, ter
vergoeding van de kosten van een inschrijving in het register als
bedoeld in artikel 18 van die wet;
e. een beheerder ter vergoeding van de kosten van een registratie
van een beleggingsinstelling naar aanleiding van een melding als
bedoeld in artikel 42 van het Besluit toezicht
beleggingsinstellingen 2005;
f. een beleggingsinstelling die op grond van artikel 17c, tweede
lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen tot de verhandeling
van haar rechten van deelneming mag overgaan, ter vergoeding van de
kosten van een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 18
van die wet;
g. een effecteninstelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid,
onderdeel i of j van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, ter
vergoeding van de kosten in verband met de in die onderdelen
bedoelde notificatie.
Artikel 9
De Autoriteit Financiėle Markten kan aan de betrokken onder toezicht
staande instelling een bedrag in rekening brengen ter vergoeding van de
kosten die zij maakt bij de toepassing van artikel 28, vierde lid,
onderdeel a, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 of artikel 21,
vierde lid, onderdeel a, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.
Artikel 10
1. Indien aan een onder toezicht staande instelling voor het niet
voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde eisen in het voorafgaande
jaar een aanwijzing is gegeven of een last onder dwangsom is opgelegd,
kan de toezichthoudende autoriteit een bedrag in rekening brengen aan
deze onder toezicht staande instelling ter vergoeding van de kosten in
verband met het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften,
voor zover deze kosten individueel zijn toe te rekenen aan deze onder
toezicht staande instelling en uitstijgen boven de kosten van het
toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die onder normale
omstandigheden ten aanzien van die onder toezicht staande instelling
zouden zijn gemaakt.
2. Een bedrag dat door de toezichthoudende autoriteit op grond van
het eerste lid bij een onder toezicht staande instelling in rekening
is gebracht en door deze onder toezicht staande instelling is betaald,
wordt onverwijld terugbetaald indien het besluit tot het geven van de
aanwijzing of tot het opleggen van de last onder dwangsom is
ingetrokken of in rechte is vernietigd.
Artikel 11
1. De toezichthoudende autoriteit brengt jaarlijks een bedrag in
rekening aan een onder toezicht staande instelling ter vergoeding van
kosten ter uitvoering van aan haar opgedragen taken of toegekende
bevoegdheden, voor zover deze kosten niet reeds op grond van de
artikelen 7 tot en met 10 in rekening worden gebracht.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden op basis van de
begroting waarmee is ingestemd geraamd voor het jaar waarop het in
rekening te brengen bedrag betrekking heeft, met dien verstande dat op
die kosten in mindering worden gebracht de kosten die voor dat jaar
ten laste komen van de rijksbegroting.
3. De geraamde kosten worden toegerekend aan categorieėn van onder
toezicht staande instellingen naar de mate van hun beslag op de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid. Per categorie vindt een
nadere toerekening plaats, indien subcategorieėn van onder toezicht
staande instellingen zijn aangewezen.
4. Op de per categorie of subcategorie toegerekende geraamde kosten
worden in mindering gebracht:
a. een positief exploitatiesaldo dat aan de desbetreffende
categorie of subcategorie valt toe te rekenen, indien een daartoe
strekkend voorstel als bedoeld in artikel 6 is opgenomen in de
jaarrekening of verantwoording waarmee is ingestemd;
b. de opbrengsten uit bestuurlijke boetes en verbeurde
dwangsommen, die aan de desbetreffende categorie of subcategorie
vallen toe te rekenen en die niet reeds zijn opgenomen in het
exploitatiesaldo, voor zover de hieraan ten grondslag liggende
besluiten van de toezichthoudende autoriteit in het voorafgaande
jaar onherroepelijk zijn geworden.
5. De per categorie of subcategorie toegerekende geraamde kosten
worden vermeerderd met een negatief exploitatiesaldo of een gedeelte
daarvan dat aan de desbetreffende categorie of subcategorie valt toe
te rekenen, indien een daartoe strekkend voorstel als bedoeld in
artikel 6 is opgenomen in de jaarrekening of verantwoording waarmee is
ingestemd.
6. Indien het kosten betreft ter uitvoering van aan de Pensioen-
& Verzekeringskamer opgedragen taken of toegekende bevoegdheden
uit hoofde van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of de Wet
toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, geschiedt de raming,
bedoeld in het tweede lid, op basis van de goedgekeurde begroting,
bedoeld in artikel 7a van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
7. Indien een onder toezicht staande instelling valt onder twee of
meer categorieėn of subcategorieėn, brengt de toezichthoudende
autoriteit aan die onder toezicht staande instelling voor elk van de
categorieėn of subcategorieėn een bedrag als bedoeld in het eerste
lid in rekening, met uitzondering van het deel van het bedrag dat
strekt ter vergoeding van de kosten ter uitvoering van artikel 18a van
de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Ten aanzien van laatstbedoelde
kosten wordt door de Autoriteit Financiėle Markten slechts voor één
categorie of subcategorie een bedrag in rekening gebracht.
8. Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste lid, strekt ter
vergoeding van de kosten ter uitvoering van het Besluit financiėle
bijsluiter wordt dit door de Autoriteit Financiėle Markten niet in
rekening gebracht, indien de desbetreffende onder toezicht staande
instelling geen complexe producten als bedoeld in artikel 1, onderdeel
c, van het Besluit financiėle bijsluiter aanbiedt.
§ 4. Onder toezicht van de Autoriteit Financiėle Markten staande
instellingen
Artikel 12
De in artikel 11, derde lid, bedoelde categorieėn van onder toezicht
staande instellingen, voor zover het uitoefening van taken en
bevoegdheden door de Autoriteit Financiėle Markten betreft, zijn:
a. beheerders;
b. effecteninstellingen;
c. houders van effectenbeurzen;
d. instellingen waarvan in of vanuit Nederland effecten zijn
aangeboden;
e. vennootschappen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de
Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen
1996;
f. verzekeraars;
g. pensioenfondsen;
h. natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel
7, tweede lid, onderdeel l, van de Wet toezicht effectenverkeer
1995;
i. kredietinstellingen en financiėle instellingen als bedoeld in
artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
j. instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
Vrijstellingsregeling Wet toezicht beleggingsinstellingen.
Artikel 13
De in artikel 11, derde lid, bedoelde subcategorieėn van onder
toezicht staande instellingen, voor zover het uitoefening van taken en
bevoegdheden door de Autoriteit Financiėle Markten betreft, zijn:
a. subcategorieėn van beheerders:
1°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een
beleggingsinstelling waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen,
niet zijnde beheerders als bedoeld onder 2°;
2°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6 van de Wet
toezicht beleggingsinstellingen, waaraan een vergunning is
verleend als bedoeld in artikel 5;
3°. beheerders waaraan een ontheffing is verleend als
bedoeld in artikel 14a van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen;
4°. beheerders als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van
de Wet toezicht beleggingsinstellingen die met inachtneming van
dat artikel zijn overgegaan tot aanbieding van rechten van
deelneming;
5°. beheerders als bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van
de Wet toezicht beleggingsinstellingen die met inachtneming van
dat artikel zijn overgegaan tot aanbieding van rechten van
deelneming;
6°. beheerders als bedoeld in artikel 17c, eerste lid, van
de Wet toezicht beleggingsinstellingen die met inachtneming van
dat artikel zijn overgegaan tot aanbieding van rechten van
deelneming.
b. subcategorieėn van effecteninstellingen:
1°. in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een
vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die uitsluitend voor eigen
rekening in of vanuit Nederland effectendiensten aanbieden of
verrichten;
2°. in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een
vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die niet of niet
uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland
effectendiensten aanbieden of verrichten;
3°. niet in Nederland gevestigde effecteninstellingen
waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die
uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland
effectendiensten aanbieden of verrichten;
4°. niet in Nederland gevestigde effecteninstellingen
waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die niet
uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland
effectendiensten aanbieden of verrichten;
5°. ondernemingen of instellingen als bedoeld in artikel 6
van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 7,
tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995 als effecteninstelling diensten mogen
aanbieden of verrichten;
6°. ondernemingen of instellingen als bedoeld in artikel 31
van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 7,
tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995 als effecteninstelling diensten mogen
aanbieden of verrichten;
7°. ondernemingen of instellingen als bedoeld in artikel 32
van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 7,
tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995 als effecteninstelling diensten mogen
aanbieden of verrichten;
8°. ondernemingen of instellingen als bedoeld in artikel 38
van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 7,
tweede lid, aanhef en onder h, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995 als effecteninstelling diensten mogen
aanbieden of verrichten;
9°. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 7, tweede
lid, aanhef en onder i, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995
ten aanzien waarvan een kennisgeving is ontvangen overeenkomstig
dat artikel;
10°. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 7, tweede
lid, aanhef en onder j, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995
die een kennisgeving hebben gezonden overeenkomstig dat artikel;
11°. effecteninstellingen waarop een vrijstelling van
toepassing is als bedoeld in artikel 12 van de
Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995;
12°. effecteninstellingen waarop een vrijstelling van
toepassing is als bedoeld in artikel 14 van de
Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995;
13°. effecteninstellingen waarop een vrijstelling van
toepassing is als bedoeld in artikel 15 van de
Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995;
c. subcategorieėn van houders van effectenbeurzen:
1°. houders van een effectenbeurs waaraan een erkenning is
verleend als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet
toezicht effectenverkeer 1995;
2°. houders van een gereglementeerde markt als bedoeld in
artikel 22, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer
1995;
3°. houders van effectenbeurzen waaraan ontheffing is
verleend als bedoeld in artikel 25 van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
d. subcategorieėn van instellingen waarvan in of vanuit
Nederland effecten zijn aangeboden:
1°. beleggingsmaatschappijen;
2°. instellingen waarvan schuldpapier is toegelaten tot de
handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam
is in Nederland of die schuldpapier hebben uitgegeven waarvoor
verzocht is om toelating tot de handel op een dergelijke markt;
3°. instellingen anders dan bedoeld onder 1° of 2° waarvan
effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde
markt die gelegen is of werkzaam is in Nederland of die effecten
hebben uitgegeven waarvoor verzocht is om toelating tot de
handel op een dergelijke markt;
e. subcategorieėn van vennootschappen als bedoeld in artikel 12,
onderdeel e:
1°. beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal als
bedoeld in artikel 76a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. vennootschappen anders dan bedoeld onder 1° waarvan
aandelen zijn toegelaten tot de notering aan een in een lidstaat
van de Europese Unie gelegen en werkzame effectenbeurs;
f. subcategorieėn van verzekeraars:
1°. schadeverzekeraars met een vergunning als bedoeld in
artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 die
uitsluitend grote risicos verzekeren;
2°. andere schadeverzekeraars dan bedoeld onder 1° die
uitsluitend grote risicos verzekeren;
3°. schadeverzekeraars met een vergunning als bedoeld in
artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 die niet
uitsluitend grote risicos verzekeren;
4°. andere schadeverzekeraars dan bedoeld onder 3° die niet
uitsluitend grote risicos verzekeren;
5°. levensverzekeraars met een vergunning als bedoeld in
artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
6°. andere levensverzekeraars dan bedoeld onder 5°;
7°. natura-uitvaartverzekeraars;
8°. onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel
2 van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen
1994;
9°. onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel
3 van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen
1994;
Artikel 14
1. Als maatstaf voor het in rekening te brengen bedrag, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, geldt, voor zover het de uitoefening van taken
en bevoegdheden door de Autoriteit Financiėle Markten betreft,
onderscheiden naar categorie of subcategorie, voor:
a. beheerders als bedoeld in artikel 13, onderdeel a,
onderdelen 1° en 2°: het gezamenlijke balanstotaal van de
beleggingsinstellingen waarover beheer wordt gevoerd;
b. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 13, onderdeel b,
onder 1°: het aantal in Nederland werkzame personen dat door die
instellingen belast is met het verrichten van transacties in
effecten;
c. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 13, onderdeel b,
onder 2° en 5°: het type vergunning voor het verlenen van
beleggingsdiensten en het aantal effectenrekeningen bij of in
beheer bij de desbetreffende instelling;
d. houders van effectenbeurzen als bedoeld in artikel 13,
onderdeel c, onder 1°: het aantal effectentransacties
totstandgekomen op de effectenbeurs;
e. schadeverzekeraars, levensverzekeraars en
natura-uitvaartverzekeraars: het bruto premie-inkomen in
Nederland;
f. pensioenfondsen: het beheerd vermogen;
g. instellingen als bedoeld in artikel 13, onderdeel d, onder
3°: de gemiddelde marktkapitalisatie van de instelling over de
eerste drie maanden van het lopende kalenderjaar.
2. De minister stelt jaarlijks voor 15 juli, op voorstel van de
Autoriteit Financiėle Markten, per categorie of subcategorie een
verdeelsleutel vast op basis van de maatstaf, bedoeld in het eerste
lid. De minister kan daarbij bandbreedtes bepalen en per bandbreedte
een verdeelsleutel vaststellen.
3. De Autoriteit Financiėle Markten baseert haar voorstel voor de
in het tweede lid bedoelde verdeelsleutel op de desbetreffende
maatstaf die betrekking heeft op gegevens van het voorafgaande jaar,
dan wel het tweede voorafgaande jaar indien de gegevens over het
voorafgaande jaar niet beschikbaar zijn.
§ 5. Onder toezicht van de Nederlandsche Bank staande instellingen
Artikel 15
De in artikel 11, derde lid, bedoelde categorieėn van onder toezicht
staande instellingen, voor zover het uitoefening van taken en
bevoegdheden door de Nederlandsche Bank betreft, zijn:
a. beheerders;
b. effecteninstellingen;
c. geldtransactiekantoren.
Artikel 16
De in artikel 11, derde lid, bedoelde subcategorieėn van onder
toezicht staande instellingen, voor zover het de uitoefening van taken
en bevoegdheden door de Nederlandsche Bank betreft, zijn:
a. subcategorieėn van beheerders:
1°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een
beleggingsinstelling waaraan een vergunning is verleend als
bedoeld in artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen,
niet zijnde beheerders als bedoeld onder 2°;
2°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een
beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van
de Wet toezicht beleggingsinstellingen, waaraan een vergunning
is verleend als bedoeld in artikel 5;
3°. beheerders waaraan een ontheffing is verleend als
bedoeld in artikel 14a van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen;
4°. beheerders als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van
de Wet toezicht belegginginstellingen die met inachtneming van
dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van
deelneming;
5°. beheerders als bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van
de Wet toezicht beleggingsinstellingen die met inachtneming van
dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van
deelneming;
6°. beheerders als bedoeld in artikel 17c, eerste lid, van
de Wet toezicht beleggingsinstellingen die met inachtneming van
dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van
deelneming.
b. subcategorieėn van effecteninstellingen:
1°. in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een
vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die uitsluitend voor eigen
rekening in of vanuit Nederland effectendiensten aanbieden of
verrichten;
2°. in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een
vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die niet of niet
uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland
effectendiensten aanbieden of verrichten;
3°. niet in Nederland gevestigde effecteninstellingen
waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die
uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland
effectendiensten aanbieden of verrichten;
4°. niet in Nederland gevestigde effecteninstellingen
waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die niet
uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland
effectendiensten aanbieden of verrichten;
5°. effecteninstellingen waarop een vrijstelling van
toepassing is als bedoeld in artikel 14 van de
Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 17
1. Als maatstaf voor het in rekening te brengen bedrag, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, geldt, voor zover het uitoefening van taken en
bevoegdheden door de Nederlandsche Bank betreft, onderscheiden naar
categorie of subcategorie, voor:
a. beheerders als bedoeld in artikel 16, onderdeel a,
onderdelen 1° en 2°: het gezamenlijke balanstotaal van de
beleggingsinstellingen waarover beheer wordt gevoerd;
b. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 16, onderdeel b,
onder 1°: het aantal in Nederland werkzame personen dat door die
instellingen belast is met het verrichten van transacties in
effecten;
c. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 16, onderdeel b,
onder 2°: het type vergunning voor het verlenen van
beleggingsdiensten en het aantal effectenrekeningen bij of in
beheer bij de desbetreffende instelling;
d. geldtransactiekantoren: de totale waarde van de
geldtransacties, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet
inzake de geldtransactiekantoren over een periode van twaalf
maanden, die geldtransactiekantoren ten behoeve van cliėnten
uitvoeren.
2. De minister stelt jaarlijks voor 15 juli, op voorstel van de
Nederlandsche Bank, per categorie of subcategorie een verdeelsleutel
vast op basis van de maatstaf, bedoeld in het eerste lid. De minister
kan daarbij bandbreedtes bepalen en per bandbreedte een verdeelsleutel
vaststellen.
3. De Nederlandsche Bank baseert haar voorstel voor de in het
tweede lid bedoelde verdeelsleutel op de desbetreffende maatstaf die
betrekking heeft op gegevens van het voorafgaande jaar.
§ 6. Onder toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer staande
instellingen
Artikel 18
Als categorieėn van onder toezicht staande instellingen als bedoeld
in artikel 11, derde lid, voor zover het uitoefening van taken en
bevoegdheden door de Pensioen- & Verzekeringskamer betreft, zijn
aangewezen:
a. zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Zorgverzekeringswet waaraan een vergunning is verleend als bedoeld
in artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
b. verzekeraars, niet zijnde zorgverzekeraars als bedoeld in
onderdeel a.
Artikel 19
1. Als maatstaf voor het in rekening te brengen bedrag, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, geldt, voor zover het uitoefening van taken en
bevoegdheden door de Pensioen- & Verzekeringskamer betreft:
a. voor zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 18, onderdeel
a, het aantal verzekerden;
b. voor verzekeraars als bedoeld in artikel 18, onderdeel b,
het bruto premie-inkomen.
2. De minister stelt jaarlijks voor 15 juli op voorstel van de
Pensioen- & Verzekeringskamer een verdeelsleutel vast op basis van
de maatstaf, bedoeld in het eerste lid. De minister kan daarbij
bandbreedtes bepalen en per bandbreedte een verdeelsleutel
vaststellen.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer baseert haar voorstel voor
de in het tweede lid bedoelde verdeelsleutel op de desbetreffende
maatstaf die betrekking heeft op gegevens van het voorafgaande jaar,
dan wel het tweede voorafgaande jaar indien de gegevens over het
voorafgaande jaar niet beschikbaar zijn.
§ 7. Hoogte bedrag, verstrekking gegevens en betaling
Artikel 20
De minister stelt jaarlijks voor 15 januari op voorstel van de
toezichthoudende autoriteit de hoogte van de onderscheiden eenmalig in
rekening te brengen bedragen, bedoeld in de artikelen 7 en 8, vast.
Artikel 21
1
2. Het bedrag wordt op zodanige wijze gespecificeerd dat daaruit
blijkt dat het gebaseerd is op de voor de desbetreffende onder
toezicht staande instelling werkelijk gemaakte kosten.
De hoogte van het bedrag, bedoeld in de artikelen 9 en 10, wordt per
geval vastgesteld door de toezichthoudende autoriteit.
Artikel 22
1. De hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 11, eerste lid,
bestaat uit een jaarlijks voor 15 juli door de minister, op voorstel
van de toezichthoudende autoriteit, per categorie of subcategorie vast
te stellen minimumbedrag, vermeerderd met een bedrag dat:
a. wordt gebaseerd op de kosten die per categorie of
subcategorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 11,
tweede tot en met zesde lid, onder aftrek van het totaal van het
aan de desbetreffende categorie of subcategorie in rekening te
brengen minimumbedragen, en
b. is doorberekend naar rato van de verdeelsleutel, bedoeld in
artikel 14, tweede lid, 17, tweede lid, of 19, tweede lid,
gerelateerd aan de gegevens met betrekking tot de desbetreffende
maatstaf van het voorafgaande jaar dan wel, indien deze gegevens
niet beschikbaar zijn, het lopende jaar of het tweede voorafgaande
jaar.
2. Voor de categorieėn of subcategorieėn van instellingen,
waarvoor niet in artikel 14, eerste lid, 17, eerste lid, of 19, eerste
lid, een maatstaf is bepaald, stelt de minister op voorstel van de
toezichthoudende autoriteit jaarlijks voor 15 juli de hoogte van het
bedrag, bedoeld in artikel 11, eerste lid, vast. De toezichthoudende
autoriteit baseert haar voorstel aan de minister op de kosten die aan
de desbetreffende categorie of subcategorie zijn toegerekend op de
wijze, bedoeld in artikel 11, tweede tot en met zesde lid.
3. Het bedrag, bepaald op basis van het eerste of tweede lid, voor
een onder toezicht staande instelling die niet eerder dan 1 februari
van het lopende jaar onder een categorie of subcategorie valt, wordt
in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden in het
jaar dat de onder toezicht staande instelling onder de categorie of
subcategorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als
volledige maand.
Artikel 23
De minister doet onverwijld mededeling in de Staatscourant van de
vastgestelde verdeelsleutels, bedoeld in de artikelen 14, tweede lid,
17, tweede lid, en 19, tweede lid, de vastgestelde bedragen, bedoeld in
de artikelen 20 en 22, tweede lid, en het vastgestelde minimumbedrag,
bedoeld in artikel 22, eerste lid.
Artikel 24
1. De onderneming of instelling waaraan het bedrag, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, in rekening wordt gebracht op grond van een
maatstaf als bedoeld in artikel 14, 17 of 19, kan binnen een door de
toezichthoudende autoriteit te stellen redelijke termijn in de
gelegenheid worden gesteld om opgave te doen van haar gegevens met
betrekking tot die maatstaf.
2. Indien een onder toezicht staande instelling na daartoe in de
gelegenheid te zijn gesteld geen opgave heeft gedaan dan wel een
kennelijk onjuiste of onvolledige opgave van gegevens met betrekking
tot de maatstaf heeft gedaan, kan de toezichthoudende autoriteit een
schatting doen van de gegevens van de onder toezicht staande
instelling met betrekking tot de desbetreffende maatstaf.
Artikel 25
1. De toezichthoudende autoriteit bepaalt de wijze en het tijdstip
van betaling van de bedragen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 11.
2. Indien als wijze van betaling automatische incasso is
overeengekomen, kan de toezichthoudende autoriteit bij het in rekening
brengen van het bedrag, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een korting
toepassen. Per onder toezicht staande instelling wordt jaarlijks
slechts eenmaal een korting toegepast.
Artikel 26
Aan een onder toezicht staande instelling die niet langer onder een
categorie of subcategorie valt, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 11,
eerste lid, terugbetaald naar evenredigheid van het aantal maanden van
het jaar dat de onder toezicht staande instelling niet langer onder de
categorie of subcategorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt
als volledige maand.
Artikel 27
Indien een onder toezicht staande instelling het vermogen heeft
verkregen van een onder toezicht staande instelling die in het lopende
jaar heeft opgehouden onder een categorie of subcategorie te vallen,
wordt het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 11,
eerste lid, die door de toezichthoudende autoriteit ten aanzien van
laatstbedoelde onder toezicht staande instelling zijn gemaakt, in
rekening gebracht bij de verkrijgende onder toezicht staande instelling,
voor zover deze kosten niet reeds bij de laatstbedoelde onder toezicht
staande instelling in rekening zijn gebracht.
§ 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 28
1. Een voor het jaar 2004 op grond van artikel 2 van de
Kostenregeling Wet toezicht beleggingsinstellingen, artikel 2 van de
Regeling toezichtskosten Wet toezicht effectenverkeer 1995 of artikel
2 van de Regeling kostenverhaal Wet melding zeggenschap 1996
opgestelde begroting wordt aangemerkt als een begroting als bedoeld in
artikel 2, eerste lid.
2. De voor het jaar 2004 door de Nederlandsche Bank opgestelde
begroting wordt, voor zover zij betrekking heeft op de uitoefening van
taken en bevoegdheden uit hoofde van de Wet inzake de
geldtransactiekantoren, aangemerkt als een begroting als bedoeld in
artikel 2, eerste lid.
Artikel 29
Onverminderd artikel 26 blijven bedragen, die in rekening zijn
gebracht op grond van de Kostenregeling Wet toezicht
beleggingsinstellingen, de Regeling toezichtskosten Wet toezicht
effectenverkeer 1995, de Kostenregeling verzekeringsbedrijf 1996, de
Regeling kostenverhaal Wet melding zeggenschap 1996 en de Regeling
kostenverhaal inzake de geldtransactiekantoren, verschuldigd en wordt op
bezwaar en beroep tegen besluiten die zijn genomen op grond van de
genoemde regelingen, beslist met inachtneming van die regelingen, zoals
zij luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling.
Artikel 30
Onverminderd artikel 11, vierde en vijfde lid, worden in 2005 de per
categorie of subcategorie toegerekende geraamde kosten die verband
houden met aan de Autoriteit Financiėle Markten opgedragen taken of
toegekende bevoegdheden tevens verrekend met het exploitatiesaldo over
het jaar 2003.
Artikel 31
De Kostenregeling Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Regeling
toezichtskosten Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Kostenregeling
verzekeringsbedrijf 1996, de Regeling kostenverhaal Wet melding
zeggenschap 1996 en de Regeling kostenverhaal inzake de
geldtransactiekantoren worden ingetrokken, met dien verstande dat de
artikelen 14 van de Kostenregeling Wet toezicht beleggingsinstellingen,
11 van de Regeling toezichtkosten Wet toezicht effectenverkeer 1995 en 4
van de Regeling kostenverhaal Wet inzake de geldtransactiekantoren van
toepassing blijven met betrekking tot het resultaat van de Nederlandsche
Bank over het jaar 2003.
Artikel 31a
Met betrekking tot de behandeling van aanvragen tot verlening van een
vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet toezicht
belegginginstellingen, ingediend door aanvragers die op het tijdstip van
inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2005 tot wijziging van de Wet
toezicht beleggingsinstellingen met het oog op modernisering van de wet
en implementatie van richtlijn nr. 2001/107/EG en richtlijn 2001/108/EG
van 21 januari 2002 (Stb. 401) over een vergunning beschikten of het
beheer voerden een belegginginstelling die op dat tijdstip over een
vergunning beschikte, stelt de minister op voorstel van de Autoriteit
Financiėle Markten een bedrag vast dat lager is dan het bedrag dat
ingevolge artikel 20 wordt vastgesteld voor de handeling, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°.
Artikel 31b
1. Met betrekking tot het jaar 2005 wordt aan een beheerder als
bedoeld 13, onderdeel a, (nieuw) of 16, onderdeel a, (nieuw) het
bedrag als bedoeld in artikel 11, eerste lid, slechts in rekening
gebracht voor zover het bedrag betrekking heeft op de periode in het
jaar 2005, gelegen na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van
16 juli 2005 tot wijziging van de Wet toezicht beleggingsinstellingen
met het oog op modernisering van de wet en implementatie van richtlijn
nr. 2001/107/EG en richtlijn 2001/108/EG van 21 januari 2002 (Stb.
401).
2. Het in het jaar 2005 op grond van artikel 11, eerste lid, in
rekening te brengen bedrag aan een beleggingsinstelling als bedoeld in
artikel 13, onderdeel a, (oud) of artikel 15 (oud) blijft na het
tijdstip van inwerkingtreding van de wet, bedoeld in het eerste lid,
verschuldigd, met uitzondering van het gedeelte van het bedrag dat
betrekking heeft op de periode in het jaar 2005, gelegen na dat
tijdstip.
3. Indien het bedrag, bedoeld in het tweede lid, reeds is geļnd
door de toezichthoudende autoriteit wordt het gedeelte van het bedrag
dat betrekking heeft op de periode in het jaar 2005, gelegen na het
tijdstip van inwerkingtreding van de wet, bedoeld in het eerste lid,
terugbetaald.
Artikel 31c
In 2005 worden de verdeelsleutels, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
en 17, tweede lid, en de minimumbedragen, bedoeld in artikel 22, eerste
lid, met betrekking tot beheerders als bedoeld in artikel 13, onderdeel
a, (nieuw) en artikel 16, onderdeel a, (nieuw) vastgesteld voor 1
oktober.
Artikel 31d
Degene die het beheer voert over een beleggingsinstelling als bedoeld
in artikel V van de wet van 16 juli 2005 tot wijziging van de Wet
toezicht beleggingsinstellingen met het oog op modernisering van de wet
en implementatie van richtlijn nr. 2001/107/EG en richtlijn 2001/108/EG
van 21 januari 2002 (Stb. 401) wordt na het tijdstip van
inwerkingtreding van die wet voor de toepassing van deze regeling
aangemerkt als beheerder als bedoeld in artikel 13, onderdeel a, onder 1
of 2, of 16, onderdeel a, onder 1 of 2.
Artikel 32
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Artikel 33
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bekostiging financieel
toezicht.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 19 december 2003.
De Minister van Financiėn
G. Zalm.
|
|
|