BESLUIT van 23 juni 1987 tot vaststelling van een
algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 20a van de Wet
inzake de luchtverontreiniging
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 11 september 1986, nr. MJZ1196017, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving en Directoraat-Generaal voor de
Milieuhygiëne, Directie Lucht;
Gelet op de artikelen 20a en 88, eerste,
derde en vierde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging (Stb.
1981, 411);
Gehoord de Centrale raad voor de milieuhygiëne
(advies van 12 december 1985, nr. 85/883);
De Raad van State gehoord (advies van 23
december 1986, nr. W08.86.0487);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 juni 1987,
nr. MJZ 1967007, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving
en Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne, Directie Lucht;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
wet: de Wet milieubeheer;
inrichting: een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 1.1,
derde lid, van de wet aangewezen categorie;
salpeterzuurfabriek: iedere produktie-eenheid, die een inrichting of
een onderdeel van een inrichting is, voor de bereiding van salpeterzuur
met een produktie-capaciteit van de inrichting ten aanzien van
salpeterzuur van ten minste 5 000 ton per jaar;
bestaande salpeterzuurfabriek: een salpeterzuurfabriek waarvoor voor
de datum van inwerkingtreding van dit besluit een vergunning krachtens
de wet is verleend of ingevolge artikel 98, vierde lid, van de wet
geacht wordt verleend te zijn;
afgas: het gas dat in een salpeterzuurfabriek ontstaat als gevolg van
de fabricage van salpeterzuur en dat, eventueel samen met andere gassen,
naar de buitenlucht wordt afgevoerd;
ppm: volumedelen per miljoen volumedelen;
bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning
krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de betrokken
inrichting te verlenen.
§ 2. Emissie-eisen
Artikel 2
De houder van een salpeterzuurfabriek draagt ervoor zorg, dat,
behoudens bij opstarten en stilleggen, geen afgas wordt uitgeworpen, dat
meer NOx, uitgedrukt als NO2, bevat dan 220 ppm gemiddeld per uur.
Artikel 3
1. Artikel 2 is niet van toepassing op een bestaande
salpeterzuurfabriek.
2. De houder van een bestaande salpeterzuurfabriek draagt ervoor
zorg, dat, behoudens bij opstarten en stilleggen, met ingang van het
vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit geen afgas
wordt uitgeworpen, dat meer NOx, uitgedrukt als NO2, bevat dan 600 ppm
gemiddeld per uur.
§ 3. Metingen en toezicht op de naleving
Artikel 4
1. De houder van een salpeterzuurfabriek is verplicht de
NOx-concentratie, uitgedrukt in tientallen ppm NO2, in het afgas te
meten en te registreren.
2. De meetinstallatie moet omvatten een monsternemingssysteem,
een meetapparaat dat ieder moment de NOx-concentratie bepaalt, en een
apparaat dat bij voortduring de NOx-concentratie vastlegt. Iedere dag
moeten ten minste éénmaal de uurgemiddelde concentraties over die dag
vastgesteld worden.
3. Het in het tweede lid bedoelde meetapparaat moet alle
NOx-concentraties in de afgassen tussen 0 en 1000 ppm kunnen meten.
4. Het aansluitingspunt van het monsternemingssysteem moet zich
bevinden in de afgasleiding en wel zo ver van een eventueel
stroomafwaarts gelegen injectiepunt van lucht in het afgas, dat de
gassamenstelling op het meetpunt geen invloed ondervindt van de
luchtinjectie.
5. De meetinstallatie moet zijn opgesteld in een deugdelijke,
afsluitbare instrumentenkast. De instrumentenkast moet onder normale
omstandigheden zijn afgesloten.
6. Het monsternemingssysteem moet een zodanige constructie
hebben, dat:
a. de samenstelling van het gasvormige gedeelte van het monster
hetzelfde is als die van het afgas of verdund is met lucht in een
bekende en constante verhouding;
b. er geen stof in het monster aanwezig is, dat het
monsternemingssysteem zou kunnen verstoppen en het functioneren van
het meetapparaat nadelig zou kunnen beïnvloeden;
c. geen condensatie van water of zuur kan optreden;
d. ijkgassen en gassen voor de nulpuntafstelling door de
meetinstallatie kunnen worden gestuurd voor de controle en afstelling
onder bedrijfscondities van het meetapparaat.
7. Bij in bedrijf zijn van een salpeterzuurfabriek moet éénmaal
per week een nulpuntafstelling plaatsvinden en het meetsysteem worden
gecalibreerd met ijkgassen waarin NOx aanwezig moet zijn in een
concentratie van 220 ppm. In afwijking van de eerste volzin moet bij
bestaande salpeterzuurfabrieken NOx in de ijkgassen aanwezig zijn in een
concentratie van 600 ppm dan wel in een concentratie die overeenkomt met
de volgens de vergunning voor de bestaande salpeterzuurfabriek maximaal
toegestane concentratie van NOx in het afgas. Indien meting plaatsvindt
met een systeem waarbij het gasmonster wordt verdund, moeten de
ijkgassen door de verdunningsapparatuur gestuurd worden.
8. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het
monsternemingssysteem, het meetapparaat en de calibratie.
Artikel 5
Het resultaat van de in artikel 4 voorgeschreven metingen, alsmede de
andere gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of in
overeenstemming met dit besluit wordt gehandeld, worden door de houder
van een salpeterzuurfabriek gedurende ten minste een jaar ter
beschikking gehouden van het bevoegd gezag ten behoeve van het toezicht
op de naleving van de betrokken voorschriften.
§ 4. Vergunningen
Artikel 6
1. Het bevoegd gezag kan in besluiten ten aanzien van een
vergunning met betrekking tot een salpeterzuurfabriek ter zake van de
uitworp van NOx slechts afwijken van het in § 2 bepaalde, voor zover
dat ingevolge het tweede of derde lid is toegestaan.
2. Het bevoegd gezag kan in een vergunning met betrekking tot een
bestaande salpeterzuurfabriek een strengere eis stellen dan de in
artikel 3, tweede lid, met betrekking tot de uitworp van NOx gestelde,
met dien verstande dat de eis niet lager wordt dan 220 ppm.
3. Het bevoegd gezag kan in een vergunning met betrekking tot een
salpeterzuurfabriek een strengere eis stellen dan een krachtens artikel
2 of artikel 3, tweede lid, geldende eis of dan met toepassing van het
tweede lid mogelijk is, indien de aanvrager of houder van een vergunning
bereid en in staat is om aan die strengere eis te voldoen en het bevoegd
gezag dientengevolge niet tot weigering of intrekking van de vergunning
behoeft over te gaan.
§ 5. Overgangs- en slotbepaling
Artikel 7
De aan een vergunning verbonden voorschriften blijven, met betrekking
tot onderwerpen waarin dit besluit voorziet, van kracht voor zover deze
niet in strijd zijn met het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
Artikel 8
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
2. Het kan worden aangehaald als: Besluit emissie-eisen NOx
salpeterzuurfabrieken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 23 juni 1987
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
E.H.T.M. Nijpels
Uitgegeven de veertiende juli 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes