|
BESLUIT van 2 maart
2004, houdende implementatie van Richtlijn nr. 2000/76/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december
2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332) (Besluit
verbranden afvalstoffen)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 17 januari 2003, nr. MJZ2003001473,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 9, achtste lid, van Richtlijn
nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding
van verontreiniging (PbEG L 257), Richtlijn nr. 2000/76/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG
L 332), de artikelen 8.5, 8.40, 8.44, 8.45, 12.1, tweede lid, en
21.8 van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet inzake de
luchtverontreiniging voor zover het betreft de artikelen 4 en 13;
De Raad van State gehoord (advies van
14 juli 2003, nr. W08.03.0036/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 25 februari 2004, nr. MJZ2004017 834,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan
onder:
a. afvalverbrandingsinstallatie:
technische eenheid waarin al dan niet de opgewekte warmte wordt
teruggewonnen en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd
voor:
1º. de verbranding door
oxidatie van afvalstoffen;
2º. een andere thermische
behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1° ingeval
de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of
3º. de verbranding van
producten die voortkomen uit thermische behandeling van
afvalstoffen;
b. meeverbrandingsinstallatie:
technische eenheid die in hoofdzaak is bestemd voor de opwekking
van energie of de vervaardiging van producten en waarin
afvalstoffen of de producten van thermische behandeling als
brandstof worden gebruikt of afvalstoffen thermisch worden
behandeld ten behoeve van verwijdering;
c. verbrandingsinstallatie:
afvalverbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie;
d. gemiddelde netto calorische
waarde: op de onderste verbrandingswaarde betrokken hoeveelheid
energie die bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid
brandstof vrijkomt;
e. vergunning:
omgevingsvergunning voor een inrichting;
f. stookinstallatie: technische
eenheid waarin brandstof wordt geoxideerd met als doel de aldus
opgewekte warmte te gebruiken, niet zijnde een:
1º. verbrandingsinstallatie
waarvan de daarin ontstane verbrandingsproducten
rechtstreeks in een productieproces worden gebruikt;
2º. zuigermotor;
3º. gasturbine die op
offshoreplatforms wordt gebruikt, en
4º. technische voorziening
voor de zuivering van rookgassen door verbranding die niet
als autonome stookinstallatie wordt geëxploiteerd;
g. emissiegrenswaarde: maximale
toegestane hoeveelheid emissie in de lucht gedurende een of meer
perioden, uitgedrukt in gewichtseenheid per volume-eenheid;
h. nominale capaciteit:
gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit de
verbrandingsinstallatie bestaat, met in achtneming van de
verbrandingswaarde van de afvalstoffen, uitgedrukt in de
hoeveelheid afvalstoffen die per uur kan worden verbrand;
i. dioxinen en furanen: stoffen
als bedoeld in onderdeel 2.15 van de bijlage bij dit besluit;
j. residuen: afvalstoffen die
worden geproduceerd door de verbrandingsinstallatie;
k. energetisch rendement:
elektrisch rendement vermeerderd met het equivalente
warmterendement, uitgedrukt in elektriciteitsequivalenten,
waarbij het equivalente warmterendement 0,67 maal het
warmterendement is;
l. biomassa: producten bestaande
uit plantaardige materialen afkomstig uit de land- of bosbouw,
die kunnen worden gebruikt om de daarin aanwezige energie-inhoud
terug te winnen, alsmede afvalstoffen als bedoeld in artikel 2,
onder a, onderdelen 1° tot en met 5°;
m. afvalstoffenlijst: bijlage bij
beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 3 mei 2000 houdende vaststelling van een
lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van
Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad
van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van
gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van
Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3);
n. afvalverbrandingsrichtlijn:
richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de
verbranding van afval (PbEG L 332);
o. accreditatie-instantie:
nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot
vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht
betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van
Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218).
o. afgewerkte olie: afgewerkte
olie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit
inzamelen afvalstoffen.
2. In dit besluit wordt onder
thermische behandeling mede verstaan pyrolyse, vergassing en
plasmaprocessen.
Artikel 2
Dit besluit is niet van toepassing op:
a. verbrandingsinstallaties waarin
uitsluitend de volgende afvalstoffen thermisch worden behandeld of
producten van thermische behandeling van uitsluitend de volgende
afvalstoffen worden verbrand:
1º. plantaardige afvalstoffen
die ontstaan zijn bij de uitoefening van land- of bosbouw;
2º. plantaardige afvalstoffen
die afkomstig zijn van de levensmiddelenindustrie indien de
als gevolg van de thermische behandeling van zodanige
afvalstoffen opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
3º. vezelachtige afvalstoffen
die ontstaan zijn bij de vervaardiging van ruwe pulp of de
vervaardiging van papier uit pulp, indien zodanige
afvalstoffen op de plaats waar zij zijn ontstaan, thermisch
worden behandeld en de als gevolg daarvan opgewekte warmte
wordt teruggewonnen;
4º. afvalstoffen bestaande uit
hout dat niet als gevolg van een behandeling met
houtbeschermingsmiddelen of aanbrenging van een
beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan
wel zware metalen kan bevatten;
5º. afvalstoffen bestaande uit
kurk;
6º. kadavers als bedoeld in
Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en
de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van
gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke
consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273);
7º. radioactieve afvalstoffen;
8º. afvalstoffen die ontstaan
zijn bij de exploratie en exploitatie van olie- en gasbronnen
vanaf een installatie in zee en die aan boord van die
installatie worden verbrand;
b. experimentele
verbrandingsinstallaties, bestemd voor onderzoek, ontwikkeling en
tests ter verbetering van het thermisch behandelingsproces waarin
per kalenderjaar minder dan 50 000 kilogram afvalstoffen wordt
verwerkt;
c. gasvormige afvalstoffen, met
uitzondering van gasvormige afvalstoffen die het resultaat zijn
van een thermische behandeling van afvalstoffen.
Artikel 3
Dit besluit is, voorzover het
voorschriften betreft die uitsluitend betrekking hebben op gevaarlijke
afvalstoffen, niet van toepassing op brandbare vloeibare afvalstoffen,
waaronder afgewerkte olie, voorzover:
a. het vloeipunt minder dan 30°C
bedraagt;
b. de gemiddelde netto calorische
waarde meer dan 30 MJ/kg bedraagt;
c. de concentratie aan
extraheerbare organische halogeenverbindingen en
polychloorbifenylen de in artikel 2, eerste lid, van het Besluit
organisch halogeengehalte van brandstoffen genoemde gehalten niet
overschrijdt;
d. deze uitsluitend op grond van
het gehalte aan alifatische en naftenische koolwaterstoffen,
polycyclische aromaten of (alk(en)yl)benzenen worden aangemerkt
als gevaarlijke afvalstof;
e. het zwavelgehalte gelijk is aan
of minder is dan het zwavelgehalte dat op grond van het Besluit
zwavelgehalte brandstoffen is toegestaan voor gasolie, en
f. het asgehalte lager is dan 0,01
gewichtsprocent.
§ 2. Algemene regels ten aanzien van
inrichtingen
Artikel 4
Het is verboden buiten een inrichting
een verbrandingsinstallatie in werking te hebben.
Artikel 5
1. Degene die een inrichting drijft
waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt, draagt er zorg
voor dat afvalstoffen niet in ontvangst worden genomen dan nadat:
a. ten minste de massa van de
afvalstoffen, voorzover mogelijk per categorie, genoemd in de
afvalstoffenlijst, is bepaald en geregistreerd;
b. voorzover het gevaarlijke
afvalstoffen betreft, ten minste van die afvalstoffen monsters
zijn genomen en die monsters zijn geanalyseerd, tenzij dit niet
dienstig is, en
c. voorzover het gevaarlijke
afvalstoffen betreft, hij van de ontdoener van die afvalstoffen
ten minste de volgende gegevens heeft ontvangen en daarvan de
gegevens, bedoeld onder 1° en 2°, heeft gecontroleerd:
1°. de gegevens die vereist
zijn op grond van de kaderrichtlijn afvalstoffen en, voor
zover van toepassing, op grond van de EG-verordening
overbrenging van afvalstoffen;
2º. de gegevens die vereist
zijn bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;
3º. gegevens over de
gevaarlijke eigenschappen van de gevaarlijke afvalstoffen;
4º. gegevens over de stoffen
waarmee zij niet mogen worden gemengd;
5º. gegevens over de bij de
behandeling van de gevaarlijke afvalstoffen te treffen
voorzorgsmaatregelen.
2. De monsters, bedoeld in het eerste
lid, onder b, worden ten minste gedurende een maand na het thermisch
behandelen van de partij waaruit de monsters zijn genomen, bewaard.
De omstandigheden waaronder de monsters worden bewaard, zijn zodanig
dat de fysische en chemische samenstelling ongewijzigd blijft.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste
lid, onder a en c, worden ten minste gedurende vijf jaren na het
thermisch behandelen van de partij waarop de gegevens betrekking
hebben, bewaard.
4. Het bevoegd gezag kan bij zijn
beslissing omtrent een vergunning afwijken van het bepaalde in het
eerste, tweede en derde lid, voorzover het verbrandingsinstallaties
betreft waarin uitsluitend afvalstoffen afkomstig uit de inrichting
waarbinnen de verbrandings-installatie zich bevindt, thermisch
worden behandeld.
Artikel 6
1. Het bevoegd gezag kan bij zijn
beslissing omtrent een vergunning afwijken van de voorschriften die
in de bijlage bij dit besluit zijn opgenomen of in de vergunning
nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage bij dit
besluit opgenomen voorschriften, voorzover dit uitdrukkelijk in die
bijlage is vermeld.
2. In afwijking van het eerste lid
stelt het bevoegd gezag, indien tot de inrichting een
gpbv-installatie behoort, voor een tot die gpbv-installatie
behorende verbrandingsinstallatie strengere emissie-eisen dan de in
de bijlage bij dit besluit voor die installatie opgenomen
emissie-eisen, indien met laatstbedoelde eisen niet wordt voldaan
aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.14 en 2.22 van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 7
Degene die een inrichting drijft
waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt, draagt er zorg
voor dat:
a. de in de bijlage bij dit besluit
opgenomen voorschriften worden nageleefd, voorzover van die
voorschriften bij de beslissing omtrent de vergunning niet is
afgeweken, en
b. de door het bevoegd gezag
krachtens de bijlage bij dit besluit gestelde nadere eisen worden
nageleefd.
§ 3. Voorschriften met betrekking tot
de vergunning
Artikel 8
Het bevoegd gezag geeft in de
vergunning voor een inrichting waarbinnen zich een
verbrandingsinstallatie bevindt aan:
a. welke afvalstoffen of voorzover
mogelijk categorieën van afvalstoffen overeenkomstig de
afvalstoffenlijst thermisch mogen worden behandeld;
b. de nominale capaciteit van de
verbrandingsinstallatie;
c. de slechtst denkbare
bedrijfsomstandigheden, bedoeld in voorschrift 2.5, onder b, van
de bijlage bij dit besluit, tenzij het een inrichting betreft als
bedoeld in artikel 17, en
d. de plaats in de inrichting waar
de bemonsterings- en meetpunten moeten zijn gelegen.
Artikel 9
Onverminderd artikel 8 geeft het
bevoegd gezag in de vergunning voor een inrichting waarbinnen zich een
verbrandingsinstallatie bevindt waarin gevaarlijke afvalstoffen
thermisch worden behandeld aan:
a. de hoeveelheid van de
gevaarlijke afvalstoffen en voorzover mogelijk van de categorieën
van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig de afvalstoffenlijst,
die thermisch mag worden behandeld;
b. de laagste en de hoogste
gemiddelde netto calorische waarde van de gevaarlijke afvalstoffen
die thermisch mogen worden behandeld, en
c. de maximale concentratiewaarde
van verontreinigende stoffen in de gevaarlijke afvalstoffen die
thermisch mogen worden behandeld.
Artikel 10
1.Het bevoegd gezag kan nadere eisen
stellen met betrekking tot de in de onderwerpen, geregeld in de
voorschriften die overeenkomstig de artikelen 8 en 9 aan een
vergunning voor een inrichting zijn of worden verbonden, met dien
verstande dat daarbij de eisen niet afwijken van de in de bijlage
bij dit besluit opgenomen voorschriften waarvan ingevolge artikel 6
niet kan worden afgeweken.
2.Het bevoegd gezag kan nadere eisen
als bedoeld in het eerste lid wijzigen, voorzover het belang van de
bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet en niet wordt
afgeweken van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen
voorschriften waarvan ingevolge artikel 6 niet kan worden afgeweken,
of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu
zich daartegen niet verzet.
3.Het bevoegd gezag draagt er zorg
voor dat op 28 december 2005 de voor de datum van inwerkingtreding
van dit besluit verleende vergunningen voor inrichtingen waarin zich
een verbrandingsinstallatie bevindt aan dit besluit voldoen.
§ 4. Wijziging algemene maatregelen
van bestuur
Artikel 11
[Wijzigt het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer]
Artikel 12
[Wijzigt het Besluit
milieuverslaglegging]
Artikel 13
[Wijzigt het Besluit emissie-eisen
stookinstallaties milieubeheer A]
Artikel 14
[Wijzigt het Besluit emissie-eisen
stookinstallaties milieubeheer B]
§ 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 15
Onze Minister draagt er zorg voor dat
zo spoedig mogelijk na de datum van inwerkingtreding van dit besluit
in de Staatscourant een overzicht wordt geplaatst van de in artikel
12, tweede lid, derde volzin, van de afvalverbrandingsrichtlijn
bedoelde verbrandingsinstallaties en meeverbrandingsinstallaties.
Artikel 16
1.Een wijziging van de
afvalverbrandingsrichtlijn of de richtlijn, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, onder c, gaat voor de toepassing van dit besluit gelden
met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
2.Een wijziging van de
afvalstoffenlijst gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met
ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 17
Ingetrokken worden:
a. het Besluit luchtemissies
afvalverbranding;
b. de Regeling verbranden
gevaarlijke afvalstoffen.
Artikel 18
In afwijking van artikel 17 blijven het
Besluit luchtemissies afvalverbranding, het Besluit emissie-eisen
stookinstallaties milieubeheer A, het Besluit emissie-eisen
stookinstallaties milieubeheer B en de Regeling verbranden gevaarlijke
afvalstoffen, zoals ze luidden voor de datum van inwerkingtreding van
dit besluit, tot 28 december 2005 van kracht voor inrichtingen
waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit een
vergunning is verleend voor het in werking hebben van:
a. een afvalverbrandingsinstallatie
die voor 29 december 2003 in werking is gebracht, of
b. een meeverbrandingsinstallatie
die voor 29 december 2004 in werking is of zal worden gebracht.
Artikel 19
Dit besluit wordt eerst van toepassing
op inrichtingen als bedoeld in artikel 18 met ingang van 28 december
2005.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking met
ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de dag van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als:
Besluit verbranden afvalstoffen.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 2 maart 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de achttiende maart
2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage behorend bij de artikelen 1, 6,
7, 8 en 10
§ 1. Emissie-eisen
1.1
1. Het rookgas van:
a.
afvalverbrandingsinstallaties;
b. meeverbrandingsinstallaties
voor de thermische behandeling van onbehandelde en
ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of van
bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling met
zodanige afvalstoffen overeenkomen, en
c. meeverbrandingsinstallaties
waarbij meer dan 40% van de opgewekte warmte afkomstig is van
gevaarlijke afvalstoffen,
voldoet aan de in de A-tabellen
van deze paragraaf gestelde emissie-eisen, met dien verstande
dat van de in die tabellen opgenomen emissiegrenswaarden de
100%-grenswaarde van de halfuurgemiddelden dan wel de
97%-grenswaarde van de halfuurgemiddelden niet mag worden
overschreden.
2. In het rookgas van
stookinstallaties die zijn aan te merken als een andere
meeverbrandingsinstallatie dan bedoeld in het eerste lid, mogen de
in de B-tabellen van deze paragraaf opgenomen emissiegrenswaarden
niet worden overschreden.
3. In het rookgas van cementovens
die zijn aan te merken als een andere meeverbrandingsinstallatie
dan bedoeld in het eerste lid, mogen de in de C-tabellen van deze
paragraaf opgenomen emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
4. In het rookgas van andere
meeverbrandingsinstallaties dan bedoeld in het eerste, tweede en
derde lid mogen de in de D-tabellen van deze paragraaf opgenomen
emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
1.2
Indien in de B- of D-tabellen van deze
paragraaf in plaats van een concrete emissie-eis het woord
«mengregel» staat, wordt voor de bepaling van de emissie-eis de
volgende formule gebruikt:
(Vafval x Cafval + Vproces x Cproces)/(Vafval
+ Vproces) = C
Vafval: Het volume van het rookgas ten
gevolge van uitsluitend de verbranding van afvalstoffen, bepaald op
basis van de in de vergunning gespecificeerde afvalstof of categorie
van afvalstoffen met de laagste gemiddelde netto calorische waarde en
herleid tot de emissieconcentratie bij een genormaliseerd
zuurstofgehalte overeenkomstig de in voorschrift 2.10 bepaalde formule
en tot de in voorschrift 2.11 genoemde temperatuur en druk alsmede tot
het in voorschrift 2.11 vermelde droog gas. Indien de warmte die
vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan
10% bedraagt van de totale in de verbrandingsinstallatie vrijkomende
warmte, wordt Vafval berekend op basis van een hoeveelheid
afvalstoffen die bij verbranding, bij de totale hoeveelheid
vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.
Cafval: Het in de A-tabellen van deze
paragraaf aangegeven daggemiddelde van de emissiegrenswaarde voor de
desbetreffende stof, met uitzondering van de som van antimoon, arseen,
chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium bij
meeverbrandingsinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1, vierde
lid. Voor de som van deze componenten geldt de in kolom I van de
A-tabellen opgenomen emissiegrenswaarde. De Cafval-emissiegrenswaarde
wordt omgerekend naar het zuurstofgehalte van de
meeverbrandingsinstallatie.
Vproces: Het volume van het rookgas ten
gevolge van het in de verbrandingsinstallatie plaatshebbende proces
van de verbranding van niet als afvalstoffen aan te merken
brandstoffen, bepaald bij een zuurstofgehalte overeenkomstig
voorschrift 2.12. Indien geen voorschriften gelden met betrekking tot
het volume van het rookgas van de verbrandingsinstallatie, wordt het
werkelijke zuurstofgehalte in het rookgas zonder verdunning door
toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht gebruikt.
Cproces: De emissie-eis die voor de
desbetreffende stof zou gelden op grond van de voor het desbetreffende
type verbrandingsinstallatie toepasselijke regelgeving wanneer daarin
andere brandstoffen dan afvalstoffen zouden worden gestookt. Bij het
ontbreken van zodanige regelgeving wordt de in de vergunning vermelde
emissie-eis gebruikt. Indien in de vergunning geen emissie-eis is
gesteld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt.
C: De totale emissiegrenswaarde die
geldt, indien in de B- of D-tabellen van deze paragraaf in plaats van
een concrete emissie-eis het woord «mengregel» staat, bepaald bij
een zuurstofgehalte overeenkomstig voorschrift 2.12.
1.3
1. Onder de in deze paragraaf
genoemde chemische elementen worden mede begrepen verbindingen
waarin die elementen voorkomen. Deze verbindingen worden voor de
bepaling of aan een emissie-eis is voldaan, uitgedrukt in
gewichtshoeveelheden van de desbetreffende elementen.
2. Stikstofmonoxide en
stikstofdioxide worden voor de bepaling of aan de in de tabellen
van deze paragraaf gestelde emissie-eis voor de desbetreffende
stof is voldaan, uitgedrukt als stikstofdioxide.
1.4
Met betrekking tot
verbrandingsinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1, eerste lid,
waarin de wervelbedtechnologie wordt gebruikt, kan het bevoegd gezag,
in afwijking van dat voorschrift, in de vergunning een van de
A-tabellen van deze paragraaf afwijkende emissiegrenswaarde voor
koolmonoxide opnemen van ten hoogste een uurgemiddelde van 100 mg/m3.
1.5
1. Met betrekking tot
stookinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1, tweede lid,
waarin afvalstoffen met vaste brandstoffen worden verbrand, kan
het bevoegd gezag in de vergunning een lagere emissiegrenswaarde
voor kwik opnemen dan de in de B-tabellen van deze paragraaf voor
die component opgenomen emissiegrenswaarde doch niet lager dan een
die overeenkomt met de emissie van kwik in de lucht bij
verbranding van uitsluitend vaste brandstoffen. Van de in de
eerste volzin opgenomen bevoegdheid kan slechts gebruik worden
gemaakt indien daarbij rekening wordt gehouden met de hoeveelheid
kooldioxide die in de lucht wordt geëmitteerd als gevolg van
verbranding van fossiele brandstoffen in de desbetreffende
stookinstallatie.
2. Met betrekking tot
stookinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1., tweede lid,
waarin afvalstoffen met biomassa worden verbrand, kan het bevoegd
gezag in de vergunning een lagere emissiegrenswaarde voor kwik
opnemen dan de in de B-tabellen van deze paragraaf voor die
component opgenomen emissiegrenswaarde doch niet lager dan een die
overeenkomt met de emissie van kwik in de lucht bij verbranding
van uitsluitend biomasssa. Van de in de eerste volzin opgenomen
bevoegdheid kan slechts gebruik worden gemaakt indien daarbij
rekening wordt gehouden met de hoeveelheid kooldioxide die in de
lucht wordt geëmitteerd als gevolg van verbranding van fossiele
brandstoffen in de desbetreffende stookinstallatie.
1.6
Met betrekking tot cementovens als
bedoeld in voorschrift 1.1, derde lid, kan het bevoegd gezag in
afwijking van voorschrift 1.1, derde lid, in de vergunning bepalen dat
de in de C-tabellen van deze paragraaf opgenomen emissiegrenswaarde
voor zwaveldioxide en vluchtige organische stoffen niet van toepassing
is indien de emissie van zodanige stoffen in de lucht niet het gevolg
is van de thermische behandeling van afvalstoffen.
1.7
1. Een verbrandingsinstallatie mag
de bij of krachtens dit besluit gestelde emissie-eisen slechts
overschrijden indien deze het gevolg zijn van technisch
onvermijdelijke storingen of stilleggingen van de
reinigingsapparatuur of meetapparatuur of defecten aan de
reinigingsapparatuur of meetapparatuur.
2. Een verbrandingsinstallatie mag
ingeval er sprake is van overschrijding van de bij of krachtens
dit besluit gestelde emissie-eisen in geen geval langer dan vier
uur ononderbroken met de thermische behandeling van afvalstoffen
voortgaan. De totale duur dat verbrandingstraten van een
verbrandingsinstallatie welke verbonden zijn met dezelfde
rookgasreinigingsinstallatie in werking mogen zijn, bedraagt
ingeval er sprake is van overschrijding van de bij of krachtens
dit besluit gestelde emissie-eisen en:
a. er sprake is van thermische
behandeling van afvalstoffen: minder dan 60 uur per
kalenderjaar;
b. er geen sprake is van
thermische behandeling van afvalstoffen: ten hoogste 120 uur
per kalenderjaar verminderd met het aantal uren in het
betreffende jaar dat de verbrandingstraten onder de in de
aanhef en onder a bedoelde omstandigheid in werking zijn.
3. De voorschriften 1.1 tot en met
1.6 en 2.1 tot en met 2.15 zijn gedurende de duur dat een
omstandigheid als bedoeld in het tweede lid zich voordoet, niet
van toepassing, met dien verstande dat:
a. het totale stofgehalte in de
rookgassen een halfuurgemiddelde van 150 mg/m3 niet mag
overschrijden;
b. de bij of krachtens dit
besluit gestelde emissie-eisen voor koolmonoxide en gasvormige
en vluchtige organische stoffen niet mogen worden
overschreden.
4. In geval van een defect van de
rookgasreinigingsinstallatie vermindert degene die de inrichting
drijft de activiteit van de verbrandingsinstallatie zo spoedig
mogelijk of legt hij de verbrandingsinstallatie stil totdat
normale werking opnieuw mogelijk is.
1.8
Indien uit metingen blijkt dat de bij
of krachtens dit besluit gestelde emissie-eisen worden overschreden,
stelt degene die de inrichting drijft het bevoegd gezag hiervan zo
spoedig mogelijk op de hoogte.
A-tabellen
afvalverbrandingsinstallaties,
meeverbrandingsinstallaties voor de thermische behandeling van
onbehandelde en ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen of van
bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling met zodanige
afvalstoffen overeenkomen, en meeverbrandingsinstallaties waarbij meer
dan 40% van de opgewekte warmte afkomstig is van gevaarlijke
afvalstoffen/resultaten van de metingen herleid tot een
zuurstofgehalte van 11%, behalve bij herleiding van de meetresultaten
van rookgas afkomstig van de verbranding van afgewerkte olie, hierbij
geldt een zuurstofpercentage van 3%
|
Component |
daggemiddelde |
100% van de
halfuurgemiddelden |
97% van de
halfuurgemiddelden in een kalenderjaar |
|
gasvormige en vluchtige
organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof |
10 mg/m3 |
20 mg/m3 |
10 mg/m3 |
| |
|
|
|
|
Zoutzuur |
10 mg/m3 |
60 mg/m3 |
10 mg/m3 |
| |
|
|
|
|
Waterstoffluoride |
1 mg/m3 |
4 mg/m3 |
2 mg/m3 |
| |
|
|
|
|
Zwaveldioxide |
50 mg/m3 |
200 mg/m3 |
50 mg/m3 |
| |
|
|
|
|
Het totaal aan stofdeeltjes |
5 mg/m3 |
15 mg/m3 |
5 mg/m3 |
|
Component |
berekend over |
I |
II |
|
Kwik |
bemonsteringsperiode van ten
minste 30 minuten en ten hoogste 8 uur |
0,05 mg/m3 |
0,05 mg/m3 |
|
de som van cadmium en thallium |
bemonsteringsperiode van ten
minste 30 minuten en ten hoogste 8 uur |
0,05 mg/m3 |
0,1 mg/m3 |
|
de som van antimoon, arseen,
chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium |
bemonsteringsperiode van ten
minste 30 minuten en ten hoogste 8 uur |
0,5 mg/m3 |
1 mg/m3 |
kolom II: tot 1 januari 2007 de
emissiegrenswaarden voor verbrandingsinstallaties die zich bevinden in
een inrichting waarvoor vóór 31 december 1996 een vergunning is
verleend voor het in werking hebben van de desbetreffende installatie
en waarin uitsluitend gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand
kolom I: emissiegrenswaarden in de
overige gevallen
|
Koolmonoxide |
|
97% van het daggemiddelde: 50
mg/m3 |
| |
|
alle halfuurgemiddelden in een
willekeurige periode van 24 uur: 100 mg/m3 of |
|
95% van alle
10-minutengemiddelden in een willekeurige periode van 24 uur:
150 mg/m3 |
|
dioxinen en
furanen |
|
|
de totale concentratie van
dioxinen en furanen, berekend over een bemonsteringsperiode van
ten minste zes uur en ten hoogste acht uur |
0,1 ng/m3 |
|
Stikstofoxiden |
|
|
|
|
| |
100% van de daggemiddelden |
100% van de maandgemiddelden |
100% van de halfuurgemiddelden |
97% van de halfuurgemiddelden in
een kalenderjaar |
|
verbrandingsinstallaties met een
vermogen ≥ 20 MWth * |
200 mg/m3 |
70 mg/m3 |
400 mg/m3 |
200 mg/m3 |
| |
|
|
|
|
|
verbrandingsinstallaties met een
vermogen < 20 MWth en een energetisch rendement ≥ 40% * |
200 mg/m3 |
130 mg/m3 |
400 mg/m3 |
200 mg/m3 |
| |
|
|
|
|
|
verbrandingsinstallaties met een
vermogen < 20 MWth en een energetisch rendement < 40% * |
200 mg/m3 |
200 mg/m3**
70 mg/m3 |
400 mg/m3 *** |
200 mg/m3*** |
* ingeval in de verbrandingsinstallatie
uitsluitend gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand, gelden de
emissiegrenswaarden vanaf 1 januari 2007 met uitzondering van de
maandgemiddelde waarde
** de emissiegrenswaarde voor de
verbrandingsinstallaties die zich bevinden in een inrichting
waarbinnen zich meerdere verbrandingsinstallaties als bedoeld in
voorschrift 1.1, eerste lid, bevinden waarvan het totaal opgesteld
vermogen ten minste 20 MWth bedraagt
*** de emissiegrenswaarde voor de
overige verbrandingsinstallaties
B-tabellen
stookinstallaties die zijn aan te
merken als een meeverbrandingsinstallatie en waarop de A-tabellen niet
van toepassing zijn/resultaten van de metingen herleid tot een
zuurstofpercentage van 6%, behalve bij de herleiding van de
meetresultaten van de emissie van zwaveldioxiden, stikstofoxiden en
stofdeeltjes in de lucht veroorzaakt door het stoken van vloeibare of
gasvormige brandstoffen, hierbij geldt een zuurstofpercentage van 3%
|
component/type
brandstof |
emissie-eisen |
|
zwaveldioxide/vaste brandstoffen,
anders dan biomassa |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarden gelden:
– vermogen < 100 MWth: 700
mg/m3
– vermogen ≥ 100 MWth:
200 mg/m3 |
|
zwaveldioxide/vloeibare
brandstoffen, anders dan biomassa |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarden gelden:
– vermogen < 100 MWth: 850
mg/m3
– vermogen 100 tot 300 MWth:
400 tot 200 mg/m3 (lineaire afname in bereik 100 tot 300 MWth)
– vermogen ≥ 300 MWth:
200 mg/m3 |
|
zwaveldioxide/biomassa |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde 200 mg/m3 geldt |
|
zwaveldioxide/gasvormige
brandstoffen |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarden gelden:
– gassen met een lage
calorische waarde uit cokesovens: 400 mg/m3
– gassen met een lage
calorische waarde uit hoogovens: 150 mg/m3
– vloeibaar gemaakt gas: 5
mg/m3
– overige gasvormige
brandstoffen: 35 mg/m3 |
|
stikstofoxiden/vaste brandstoffen
en biomassa |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarden gelden:
– vermogen < 300 MWth: 100
mg/m3
– vermogen ≥ 300 MWth:
200 mg/m3 |
|
stikstofoxiden/vloeibare
brandstoffen anders dan biomassa |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarde geldt: 120 mg/m3 |
|
stikstofoxiden/gasvormige
brandstoffen |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarde geldt: 70 mg/m3 |
|
het totaal aan stofdeeltjes/vaste
brandstoffen en biomassa |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarden gelden:
– voor verbrandingsinstallaties
die onderdeel uitmaken van een inrichting waarvoor vóór 15
september 1992 een vergunning is verleend voor het in werking
hebben van de desbetreffende installatie: 30 mg/m3;
– voor de overige
verbrandingsinstallaties: 20 mg/m3 |
|
het totaal aan
stofdeeltjes/vloeibare brandstoffen, anders dan biomassa |
mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarden gelden:
– vermogen < 100 MWth: 50
mg/m3
– vermogen ≥ 100 MWth: 30
mg/m3 |
|
– het totaal aan
stofdeeltjes/gasvormige brandstoffen |
– cokesovengas en oxygas: 20
mg/m3
– hoogovengas: 10 mg/m3
– overige gasvormige
brandstoffen: 5 mg/m3 |
|
Component |
emissie-eisen |
|
gasvormige en vluchtige
organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof |
Mengregel |
| |
|
|
Zoutzuur |
Mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarde geldt: 30 mg/m3 |
| |
|
|
Waterstoffluoride |
Mengregel, waarbij voor de
Cproces-waarde de volgende emissiegrenswaarde geldt: 10 mg/ m3 |
| |
|
|
Koolmonoxide |
Mengregel |
|
component/type
brandstof |
|
kwik/vaste brandstoffen en
biomassa
Er geldt voor de jaarlijkse
gemiddelde inzet van afvalstoffen een inputeis op jaarbasis:
– bij het meeverbranden van 10
massaprocent of minder afvalstoffen van de gemiddelde jaarlijkse
inzet van vaste brandstoffen: 0,4 mg kwik per kg afvalstof
(droge stof).
– bij het meeverbranden van
meer dan 10 massaprocent afvalstoffen van de gemiddelde
jaarlijkse inzet van vaste brandstoffen: (3,5/massaprocent +
0,05) mg kwik per kg afvalstof (droge stof) |
|
component/type
brandstof |
berekend over |
emissie-eis |
|
kwik/vloeibare brandstoffen
anders dan biomassa. |
bemonsteringsperiode van ten
minste dertig minuten en ten hoogste acht uur |
0,02 mg/m3 |
| |
|
|
|
kwik/gasvormige brandstoffen |
bemonsteringsperiode van ten
minste dertig minuten en ten hoogste acht uur |
0,02 mg/m3 |
|
Component |
berekend over |
emissie-eis |
|
de som van cadmium en thallium |
bemonsteringsperiode van ten
minste dertig minuten en ten hoogste acht uur |
0,015 mg/m3 |
| |
|
|
|
de som van antimoon, arseen,
chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium |
bemonsteringsperiode van ten
minste dertig minuten en ten hoogste acht uur |
0,15 mg/m3 |
| |
|
|
|
de totale concentratie van
dioxinen en furanen |
bemonsteringsperiode van ten
minste zes uur en ten hoogste acht uur |
0,1 ng/m3 |
C-tabellen
cementovens die zijn aan te merken als
een meeverbrandingsinstallatie en waarop de a- of B-tabellen niet van
toepassing zijn/resultaten van de metingen herleid tot een
zuurstofpercentage van 10%
|
component |
daggemiddelde
emissie-eis |
|
Het totaal aan stofdeeltjes |
15 mg/m3 |
| |
|
|
Zoutzuur |
10 mg/m3 |
| |
|
|
gasvormige en vluchtige
organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof |
10 mg/m3 |
| |
|
|
Waterstoffluoride |
1 mg/m3 |
| |
|
|
stikstofoxiden, uitgestoten door
een cementoven die onderdeel uitmaakt van een inrichting
waarvoor vóór 1 januari 2003 een vergunning is verleend voor
het in werking hebben van die installatie |
800 mg/m3 |
|
stikstofoxiden, uitgestoten door
een cementoven die onderdeel uitmaakt van een inrichting
waarvoor op of na 1 januari 2003 een vergunning is verleend voor
het in werking hebben van die installatie |
500 mg/m3 |
| |
|
|
Zwaveldioxide |
50 mg/m3 |
|
Component |
berekend over |
emissie-eis |
|
kwik |
bemonsteringsperiode van ten
minste 30 minuten en ten hoogste 8 uur |
0,05 mg/m3 |
| |
|
|
|
de som van cadmium en thallium |
bemonsteringsperiode van ten
minste 30 minuten en ten hoogste 8 uur |
0,05 mg/m3 |
| |
|
|
|
de som van antimoon, arseen,
chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium |
bemonsteringsperiode van ten
minste 30 minuten en ten hoogste 8 uur |
0,5 mg/m3 |
| |
|
|
|
de som van dioxinen en furanen |
bemonsteringsperiode van ten
minste 6 uur en ten hoogste 8 uur |
0,1 ng/m3 |
D-tabellen
overige
meeverbrandingsinstallaties/resultaten van de metingen herleid tot een
zuurstofpercentage dat optreedt in de meeverbrandingsinstallatie
|
Component |
emissie-eis |
|
gasvormige en vluchtige
organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof |
mengregel |
| |
|
|
Zoutzuur |
mengregel |
| |
|
|
Waterstoffluoride |
mengregel |
| |
|
|
Zwaveldioxide |
mengregel |
| |
|
|
Stikstofoxiden |
mengregel |
| |
|
|
Het totaal aan stofdeeltjes |
mengregel |
| |
|
|
Koolmonoxide |
mengregel |
| |
|
|
de som van antimoon, arseen,
chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en vanadium |
mengregel |
|
Component |
berekend over |
emissie-eis |
|
Kwik |
bemonsteringsperiode van ten
minste dertig minuten en ten hoogste acht uur |
0,05 mg/m3 |
| |
|
|
|
de som van cadmium en thallium |
bemonsteringsperiode van ten
minste dertig minuten en ten hoogste acht uur |
0,05 mg/m3 |
| |
|
|
|
de som van dioxinen en furanen |
bemonsteringsperiode van ten
minste 6 uur en ten hoogste 8 uur |
0,1 ng/m3 |
§ 2. Meetvoorschriften
2.1
1. Meetapparatuur wordt
geïnstalleerd en technieken worden gebruikt ter bewaking van de
parameters, de omstandigheden en de massaconcentraties, die
relevant zijn voor het verbrandingsproces van een
verbrandingsinstallatie. Bij regeling van Onze Minister kunnen met
betrekking tot de in de eerste volzin bedoelde meetapparatuur en
technieken nadere regels worden gesteld.
2. De ter controle van een
emissie-eis geïnstalleerde automatische apparatuur voor de
bewaking van de emissies in de lucht functioneert goed, tenzij er
sprake is van technisch onvermijdelijke storingen of stilleggingen
van die apparatuur of technisch onvermijdelijke defecten aan die
apparatuur. Er wordt jaarlijks een verificatietest op die
apparatuur uitgevoerd door middel van parallelmetingen. Om de drie
jaar wordt die apparatuur door middel van parallelmetingen
gekalibreerd.
2.2
1. In de rookgassen van de
verbrandingsinstallatie worden de volgende componenten continu
gemeten:
a. zwaveldioxide, gasvormige en
vluchtige organische stoffen, zoutzuur en het totaal aan
stofdeeltjes;
b. koolmonoxide en
stikstofoxiden, mits eisen gelden voor de emissies in de lucht
van die stoffen;
c. waterstoffluoride, tenzij
voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd die
waarborgen dat de in voorschrift 1.1. voor zoutzuur opgenomen
emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
2. In het geval voor zoutzuur
behandelingsstappen worden gevolgd die voldoen aan het bepaalde in
het eerste lid, onder c, wordt periodiek gemeten.
3. In afwijking van het eerste lid,
aanhef en onderdelen a en c, kan het bevoegd gezag in de
vergunning toestaan dat voor zoutzuur, waterstoffluoride of
zwaveldioxide periodieke metingen worden verricht, indien degene
die de desbetreffende inrichting drijft, kan aantonen dat de
emissie van de desbetreffende stof in de lucht nooit hoger kan
zijn dan de daarvoor in dit besluit opgenomen emissiegrenswaarde.
2.3
In de rookgassen van de
verbrandingsinstallatie worden de volgende stoffen periodiek gemeten:
antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, mangaan,
nikkel, thallium, vanadium, dioxinen en furanen.
2.4
1. De volgende procesparameters
worden continu gemeten:
a. de temperatuur van de
verbrandingskamer;
b. de zuurstofconcentratie;
c. de druk;
d. de temperatuur van het
rookgas;
e. het waterdampgehalte van het
rookgas, tenzij de als monster gebruikte rookgassen worden
gedroogd alvorens de emissies in de lucht worden geanalyseerd.
De temperatuur van de
verbrandingskamer wordt dicht bij de binnenwand gemeten. De
overige parameters worden gemeten nabij de plaats waar de
emissiemetingen worden verricht.
2. In afwijking van het eerste lid
kan het bevoegd gezag in de vergunning toestaan dat de temperatuur
van de verbrandingskamer wordt gemeten op een ander door het
bevoegd gezag daarin bepaald representatief punt.
2.5
De verblijftijd, de minimumtemperatuur
en het zuurstofgehalte van de rookgassen worden op passende wijze
gecontroleerd:
a. binnen één maand nadat de
verbrandingsinstallatie in werking is gesteld, en
b. binnen zes maanden nadat de
verbrandingsinstallatie in werking is gesteld onder de krachtens
artikel 8, onder c, in de vergunning aangegeven slechtst denkbare
bedrijfsomstandigheden.
2.6
1. Halfuurgemiddelden en
10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de
verbrandingsinstallatie in werking is, met uitzondering van de
voor de inwerkingstelling en stillegging van de
verbrandingsinstallatie benodigde tijd indien gedurende die tijd
geen afvalstoffen waarop dit besluit van toepassing is, worden
verbrand.
2. Maandgemiddelden en
daggemiddelden worden bepaald op basis van halfuurgemiddelden en
10-minutengemiddelden.
3. Bij de bepaling van het
daggemiddelde worden ten hoogste vijf halfuurgemiddelden wegens
defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen
buiten beschouwing gelaten. Per kalenderjaar worden ten hoogste
tien daggemiddelden wegens defecten of onderhoud van het systeem
voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.
4. Bij toetsing aan de
emissiegrenswaarde worden van gemiddelden als bedoeld in het
eerste en tweede lid de waarden van het betrouwbaarheidsinterval,
bedoeld in voorschrift 2.9, afgetrokken.
2.7
1. Periodieke metingen als bedoeld
in de voorschriften 2.2, tweede lid, en 2.3 worden gedurende de
eerste twaalf maanden dat een verbrandingsinstallatie in werking
is ten minste één maal in de drie maanden verricht en vervolgens
ten minste twee maal per kalenderjaar verricht.
2. Een periodieke meting als
bedoeld in het eerste lid bestaat uit een serie van ten minste
drie deelmetingen.
3. In afwijking van het eerste lid
kan het bevoegd gezag toestaan dat periodieke metingen van
antimoon, arseen, chroom, kobalt, koper, lood, mangaan, nikkel en
vanadium eenmaal in de twee jaar plaatsvinden en periodieke
metingen van dioxinen en furanen eenmaal per jaar plaatsvinden
indien:
a. de emissies in de lucht
minder dan 50% bedragen van de van toepassing zijnde
emissiegrenswaarden, en
b. de criteria, bedoeld in
artikel 11, zevende lid, eerste alinea, van de
afvalverbrandingsrichtlijn in werking zijn getreden en door
degene die de desbetreffende inrichting drijft worden
nageleefd.
4. Bij de toetsing aan de
emissiegrenswaarde worden van de meetwaarde, bepaald door metingen
als bedoeld in het eerste lid, de waarden van het door een
geaccrediteerde instantie als bedoeld in voorschrift 2.8, derde
lid, aangetoond 95%-betrouwbaarheidsinterval afgetrokken.
2.8
1. Ter bepaling van de concentratie
van stoffen in de rookgassen waarvoor bij of krachtens dit besluit
emissie-eisen zijn gesteld, worden representatieve metingen
verricht, tenzij het een concentratie van waterstoffluoride
betreft waarvoor geen verplichting als bedoeld in voorschrift 2.2,
eerste lid, geldt. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels
worden gesteld omtrent de representativiteit van metingen.
2. De bemonsteringen, analyses en
metingen van de parameters die nodig zijn voor de bepaling van de
concentraties, bedoeld in het eerste lid, alsmede de andere
metingen en berekeningen die in dit besluit verplicht zijn
gesteld, worden uitgevoerd volgens CEN-normen, dan wel, bij het
ontbreken daarvan, volgens andere normen die waarborgen dat
gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden
verstrekt. Bij regeling van Onze Minister kunnen normen worden
aangewezen die in ieder geval worden aangemerkt als normen die
voldoen aan het bepaalde in de eerste volzin. De eerste volzin
vindt geen toepassing voorzover zodanige normen in strijd zijn met
andere bepalingen van dit besluit.
3. Het uitvoeren van de periodieke
metingen en de parallelmetingen geschiedt door een instantie die
voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een
accreditatie-instantie.
4. Een in het tweede lid bedoelde
CEN-norm heeft betrekking op de laatst uitgegeven norm met de
daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven
norm, aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van
toepassing één jaar na de datum van uitgifte.
5. Onze Minister doet van de
uitgifte van CEN-normen als bedoeld in het tweede lid alsmede van
de uitgifte van aanvullingen en correctiebladen met betrekking tot
zodanige normen zo spoedig mogelijk na de uitgifte daarvan
mededeling door kennisgeving in de Staatscourant.
2.9
De waarden van de
95%-betrouwbaarheidsintervallen van individuele metingen, bepaald bij
de grenswaarden voor de dagelijkse emissie, mogen de volgende
percentages van de emissiegrenswaarden niet overschrijden:
a. koolmonoxide: 10%;
b. zwaveldioxide: 20%;
c. stikstofdioxide: 20%;
d. het totaal aan stofdeeltjes:
30%;
e. totaal organische koolstof: 30%;
f. zoutzuur: 40%;
g. waterstoffluoride: 40%.
2.10
De resultaten van de overeenkomstig dit
besluit verrichte metingen worden herleid tot een emissieconcentratie
bij een genormaliseerd zuurstofgehalte overeenkomstig de volgende
formule:
Es = (21-Os)/(21-Om) x Em
Es = berekende emissieconcentratie bij
genormaliseerd zuurstofgehalte
Em = gemeten emissieconcentratie
Os = genormaliseerd zuurstofgehalte
overeenkomstig voorschrift 2.12
Om = gemeten zuurstofgehalte
2.11
De resultaten van de overeenkomstig dit
besluit verrichte metingen worden herleid tot een temperatuur van 273
k, een druk van 101,3 kpa en droog gas.
2.12
1. De resultaten van de
overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf
verrichte metingen worden herleid tot:
a. ingeval het
verbrandingsinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1,
eerste lid, betreft:
1º. een zuurstofgehalte
van 3% ingeval het betreft de uitworp van rookgas,
afkomstig van de thermische behandeling van afgewerkte
olie;
2º. een zuurstofgehalte
van 11% in de overige gevallen;
b. ingeval het
verbrandingsinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1,
tweede lid, betreft:
1º. een zuurstofgehalte
van 3% ingeval het de emissie van stikstofoxiden,
zwaveldioxide en het totaal aan stofdeeltjes bij het
stoken van vloeibare en gasvormige brandstoffen betreft,
en
2º. een zuurstofgehalte
van 6% in de overige gevallen;
c. ingeval het
verbrandingsinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1, derde
lid, betreft: een zuurstofgehalte van 10%, en
d. ingeval het
verbrandingsinstallaties als bedoeld in voorschrift 1.1,
vierde lid, betreft: het feitelijke zuurstofgehalte.
2. In afwijking van het eerste lid
kan het bevoegd gezag ingeval afvalstoffen in een met zuurstof
verrijkte atmosfeer worden verbrand in de vergunning toestaan dat
meetresultaten herleid worden tot een door het bevoegd gezag in de
vergunning vastgesteld zuurstofgehalte dat de bijzondere
omstandigheden van het specifieke geval weerspiegelt.
2.13
Indien de emissies in de lucht van
stoffen waarvoor bij of krachtens dit besluit emissie-eisen zijn
gesteld, worden verminderd door behandeling van het rookgas in een
verbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden
behandeld, dan geschiedt herleiding naar de in voorschrift 2.12
vermelde zuurstofgehaltes alleen indien het in de desbetreffende
periode gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het zuurstofgehalte
waarnaar herleid dient te worden.
2.14
1. De resultaten van de
overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf
verrichte metingen en de gegevens die zijn verzameld ten behoeve
van de toepassing van de in voorschrift 1.2 bedoelde mengregel
worden uitgewerkt en geregistreerd alsmede gerapporteerd aan het
bevoegd gezag.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
uitwerking, registratie en rapportage nadere regels worden
gesteld.
2.15
Bij de bepaling van de totale
concentratie van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van
de in de hieronderstaande tabel genoemde dioxinen en dibenzofuranen
vóór het optellen met de in de tabel genoemde toxische
equivalentiefactoren (teq) vermenigvuldigd.
|
Stof |
Teq |
|
2,3,7,8 -tetrachloordibenzodioxine
(tcdd) |
1 |
|
1,2,3,7,8 -pentachloordibenzodioxine
(pecdd) |
0,5 |
|
1,2,3,4,7,8 -hexachloordibenzodioxine
(hxcdd) |
0,1 |
|
1,2,3,6,7,8 -hexachloordibenzodioxine
(hxcdd) |
0,1 |
|
1,2,3,7,8,9 -hexachloordibenzodioxine
(hxcdd) |
0,1 |
|
1,2,3,4,6,7,8 -heptachloordibenzodioxine
(hpcdd) |
0,01 |
|
octachloordibenzodioxine (ocdd) |
0,001 |
|
2,3,7,8 -tetrachloordibenzofuraan
(tcdf) |
0,1 |
|
2,3,4,7,8 -pentachloordibenzofuraan
(pecdf) |
0,5 |
|
1,2,3,7,8 –
pentachloordibenzofuraan (pecdf) |
0,05 |
|
1,2,3,4,7,8 -hexachloordibenzofuraan
(hxcdf) |
0,1 |
|
1,2,3,6,7,8 -hexachloordibenzofuraan
(hxcdf) |
0,1 |
|
1,2,3,7,8,9 -hexachloordibenzofuraan
(hxcdf) |
0,1 |
|
2,3,4,6,7,8 -hexachloordibenzofuraan
(hxcdf) |
0,1 |
|
1,2,3,4,6,7,8 -heptachloordibenzofuraan
(hpcdf) |
0,01 |
|
1,2,3,4,7,8,9 -heptachloordibenzofuraan
(hpcdf) |
0,01 |
|
octachloordibenzofuraan (ocdf) |
0,001 |
2.16
De voorschriften 2.1 en 2.4 zijn niet
van toepassing op verbrandingsinstallaties waarvan de exploitatie geen
emissies van stoffen in de lucht met zich brengt.
§ 3. Overige voorschriften
3.1
Afvalverbrandingsinstallaties worden op
een zodanige wijze geëxploiteerd dat een niveau van thermische
behandeling wordt bereikt waarbij:
a. de hoeveelheid organische
koolstof in de slakken en de bodemas minder bedraagt dan 3% van
het droge gewicht van het materiaal, of
b. het gloeiverlies van de slakken
en de bodemas minder bedraagt dan 5% van het droge gewicht van het
materiaal.
3.2
1. Afvalverbrandingsinstallaties
worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat
het bij het proces ontstane gas, na de laatste toevoer van
verbrandingslucht, gedurende twee seconden op beheerste en
homogene wijze wordt verhit tot ten minste 850° C, gemeten
dichtbij de binnenwand of op een door het bevoegd gezag in de
vergunning toegestaan ander representatief punt van de
verbrandingskamer.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt de temperatuur gedurende twee seconden tot ten minste 1100°
C opgevoerd, indien gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte van
meer dan 1% gehalogeneerde organische verbindingen, uitgedrukt in
chloor, thermisch worden behandeld.
3.3
1. Elke verbrandingsstraat van een
afvalverbrandingsinstallatie wordt uitgerust met ten minste één
hulpbrander. Deze brander wordt automatisch ingeschakeld wanneer
de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van
verbrandingslucht tot onder de op grond van voorschrift 3.2
vereiste temperatuur zakt. Deze hulpbrander wordt ook tijdens de
inwerkingstelling en de stillegging van de verbrandingsinstallatie
gebruikt teneinde ervoor te zorgen dat de op grond van voorschrift
3.2 vereiste temperatuur gedurende deze inwerkingtreding en
stillegging steeds wordt gehandhaafd zolang zich onverbrande
afvalstoffen in de verbrandingskamer bevinden.
2. Naar de hulpbrander worden onder
de in het eerste lid bedoelde omstandigheden geen brandstoffen
toegevoerd die hogere emissies kunnen veroorzaken dan bij het
stoken van gasolie als omschreven in artikel 1, derde lid, onder
d, van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen, vloeibaar gas of
aardgas het geval is.
3.4
1. Meeverbrandingsinstallaties
worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat
het door de meeverbranding van afvalstoffen ontstane gas altijd
gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt
verhit tot ten minste 850°C.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt de temperatuur gedurende twee seconden tot ten minste 1100°
C opgevoerd, indien gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte van
meer dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in
chloor, worden meeverbrand.
3.5
Bij de exploitatie van
verbrandingsinstallaties wordt gebruik gemaakt van een automatisch
systeem dat de toevoer van afvalstoffen zo spoedig mogelijk stopt:
a. indien bij het in werking
stellen van de verbrandingsinstallatie de op grond van dit besluit
vereiste temperatuur nog niet is bereikt;
b. indien de op grond van dit
besluit vereiste temperatuur niet gehandhaafd blijft;
c. indien de bij dit besluit
voorgeschreven continue metingen uitwijzen dat een bij of
krachtens dit besluit gestelde emissie-eis wordt overschreden als
gevolg van storingen of defecten in de reinigingsapparatuur.
3.6
Het bevoegd gezag kan in de vergunning
bepalen dat met betrekking tot bepaalde categorieën van afvalstoffen
of bepaalde thermische processen mag worden afgeweken van het bepaalde
in de voorschriften 3.1, onderdeel b, 3.2, 3.3, 3.4 en, wat de
temperatuur betreft, 3.5, onderdeel a, indien degene die de inrichting
drijft kan aantonen dat aan de overige voorschriften van dit besluit
zal worden voldaan, en:
a. ingeval het
afvalverbrandingsinstallaties betreft: indien door het afwijken
van de desbetreffende voorschriften niet meer residuen of residuen
met een hoger gehalte aan organische verontreinigende stoffen
zullen worden geproduceerd dan is te verwachten indien de
voorschriften waarvan wordt afgeweken van toepassing zouden zijn;
b. ingeval het
meeverbrandingsinstallaties betreft: indien voor gasvormige en
vluchtige organische stoffen en voor koolmonoxide aan de in de
A-tabellen opgenomen emissiegrenswaarden zal worden voldaan.
3.7
Verbrandingsinstallaties worden op een
zodanige wijze ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat
wordt voorkomen dat de emissies in de lucht:
a. tot overschrijding van de
krachtens dit besluit geldende emissiegrenswaarden leiden, en
b. tot overschrijding van de
krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer geldende
luchtkwaliteitseisen leiden.
3.8
De warmte die door het proces van
thermische behandeling in een verbrandingsinstallatie wordt opgewekt
wordt teruggewonnen, voorzover dit technisch en economisch haalbaar
is.
3.9
Specifiek ziekenhuisafval wordt
rechtstreeks en in hermetisch gesloten verpakking in de oven van een
verbrandingsinstallatie geplaatst, zonder eerst met andere
categorieën van afvalstoffen overeenkomstig de afvalstoffenlijst, te
worden vermengd.
3.10
Het beheer van een
verbrandingsinstallatie is in handen van een natuurlijke persoon die
competent is om de verbrandingsinstallatie te beheren.
3.11
1. Het ontstaan van residuen bij de
exploitatie van een verbrandingsinstallatie en de schadelijkheid
daarvan worden tot een minimum beperkt.
2. Vervoer en tussentijdse opslag
van residuen uit verbrandingsinstallaties geschieden op een
zodanige wijze dat voorkomen wordt dat deze in het milieu
terechtkomen.
3. Voordat de methoden van
verwijdering of recycling als materiaal van residuen uit
verbrandingsinstallaties worden vastgesteld, worden passende tests
uitgevoerd om na te gaan wat de fysische en chemische
eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de verschillende
residuen zijn. Deze analyse heeft betrekking op de totale
oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.
3.12
1. Een verbrandingsinstallatie is
voorzien van een vloeistofdicht bassin met voldoende capaciteit
voor de opvang van:
a. wegvloeiend verontreinigd
regenwater van het terrein van de verbrandingsinstallatie;
b. verontreinigd water dat
ontstaan is als gevolg van overlopen;
c. verontreinigd water dat
ontstaan is bij de brandbestrijding.
3. De capaciteit van een bassin als
bedoeld eerste lid is zodanig dat het water, alvorens het wordt
geloosd, getest en zo nodig gezuiverd kan worden.
3.13
De voorschriften 3.2 en 3.3 zijn niet
van toepassing op afvalverbrandingsinstallaties waarin geen
verbranding door oxidatie van afvalstoffen plaatsvindt.
|