| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet inzake de
luchtverontreiniging (Wet LUVO of WLV)
BESLUIT
ZWAVELGEHALTE BRANDSTOFFEN
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2011
Vervallen
m.i.v. 28 april 2011
|
|
|
BESLUIT van 27 september 1974, houdende vaststelling
van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van
28 mei 1974, DG MH/SL, nr. 135152, gedaan in overeenstemming met Onze
Ministers van Economische Zaken, van Landbouw en Visserij en van Verkeer
en Waterstaat;
Overwegende dat het wenselijk is ter beperking
van de emissie van zwaveldioxyde grenzen te stellen aan het
zwavelgehalte van brandstoffen;
Gelet op de artikelen 13, 73, eerste lid, en 89
van de Wet inzake de luchtverontreiniging (Stb. 1970, 580);
Gezien het advies van de Raad inzake de
luchtverontreiniging van 18 juli 1973;
De Raad van State gehoord (advies van 19 juni
1974, nr. 15);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 25 september 1974, DG MH/SL, nr.
138624;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Het is verboden als brandstof te gebruiken:
a. gasolie met een zwavelgehalte van meer dan 0,20%, en met
ingang van 1 januari 2008 gasolie met een zwavelgehalte van meer
dan 0,10%;
b. zware stookolie met een zwavelgehalte van meer dan 1%,
c. aan boord van een binnenschip met ingang van 1 januari 2010
scheepsbrandstof met een zwavelgehalte van meer dan 0,1%, en
d. andere brandstoffen, vast, vloeibaar of gasvormig, met
uitzondering van dieselolie voor de scheepvaart en gasolie voor de
scheepvaart, met een zwavelgehalte van meer dan 1,2%.
2. Het is voorts verboden stoffen als bedoeld in het eerste lid in
te voeren, ten verkoop aan te bieden, te verkopen of af te leveren
tenzij dit geschiedt aan een persoon of met een bestemming voor een
persoon,
a. die de stoffen, naar redelijkerwijs moet worden aangenomen,
anders dan als brandstof of niet in Nederland gebruikt;
b. die op grond van een krachtens artikel 3 verleende
ontheffing bevoegd is de stoffen als brandstof te gebruiken;
c. die op grond van artikel 2, derde tot en met zesde lid,
bevoegd is de stoffen als brandstof te gebruiken.
3. Het is voorts verboden in de handel te brengen:
a. dieselolie voor de scheepvaart met een zwavelgehalte van
meer dan 1,5%, en
b. gasolie voor de scheepvaart met een zwavelgehalte van meer
dan 0,1%.
4. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. Verdrag: het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door
schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975,
147), en met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen
Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978,
188);
b. richtlijn 1999/32/EG: richtlijn van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 26 april 1999 betreffende een
vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare
brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG (PbEG L
121), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr.
2005/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 6 juli 2005 (PbEU L 191);
c. zware stookolie: zware stookolie als bedoeld in artikel 2,
onder 1, van richtlijn 1999/32/EG;
d. gasolie: gasolie als bedoeld in artikel 2, onder 2, van
richtlijn 1999/32/EG;
e. scheepsbrandstof: scheepsbrandstof als bedoeld in artikel 2,
onder 3, van richtlijn 1999/32/EG;
f. dieselolie voor de scheepvaart: dieselolie voor de
scheepvaart als bedoeld in artikel 2, onder 3a, van richtlijn
1999/32/EG;
g. gasolie voor de scheepvaart: gasolie voor de scheepvaart als
bedoeld in artikel 2, onder 3b, van richtlijn 1999/32/EG;
h. binnenschip: binnenschip als bedoeld in artikel 2, onder 3j,
van richtlijn 1999/32/EG;
i. in de handel brengen: in de handel brengen als bedoeld in
artikel 2, onder 3k, van richtlijn 1999/32/EG;
j. brandstofleveringsnota: document als bedoeld in artikel 4
bis, zesde lid, tweede gedachtestreepje, van richtlijn 1999/32/EG
in samenhang met voorschrift 18, derde lid, van Bijlage VI van het
Verdrag;
k. emissiereductietechnologie: emissiereductietechnologie als
bedoeld in artikel 2, onder 3m, van richtlijn 1999/32/EG.
5. Het bevoegd gezag kan bij het nemen van een beslissing met
betrekking tot omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid,
aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:
a. een lagere waarde voor het zwavelgehalte voorschrijven dan
de in het eerste lid, onder d, opgenomen waarde, doch geen lagere
waarde dan 0,3%;
b. indien voor een brandstof onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 14a van de Wet inzake
de luchtverontreiniging reeds bij de vergunning een lagere waarde
voor het zwavelgehalte was voorgeschreven dan de in het eerste lid
opgenomen waarden, dat voorschrift handhaven.
6. Een wijziging van de artikelen genoemd in het vierde lid,
onderdelen b tot en met k, gaat voor de toepassing van die onderdelen
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
7. Een wijziging van het Verdrag, genoemd in het vierde lid,
onderdeel a, en van het Verdrag, genoemd in artikel 2, vijfde lid,
gaat voor de toepassing van dat onderdeel, respectievelijk dat
artikellid, gelden met ingang van de dag waarop de wijziging
internationaal in werking treedt, tenzij bij besluit van Onze Minister
anders wordt bepaald.
Artikel 2
1.Artikel 1, eerste lid, geldt niet voor het gebruik van
brandstoffen:
a. dat noodzakelijk is geworden ten gevolge van schade aan een
schip of aan de uitrusting daarvan, mits na het ontstaan van de
schade alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om te hoge
emissies te beperken, en mits er zo spoedig mogelijk maatregelen
worden genomen om de schade te herstellen. Dit artikellid is niet
van toepassing wanneer de eigenaar van het schip of de kapitein
handelde met de bedoeling schade te veroorzaken of roekeloos
handelde;
b. in een schip specifiek om de veiligheid van een schip zeker
te stellen of om mensenlevens op zee te redden.
2.Artikel 1, eerste lid, onder d, en tweede lid, geldt niet voor
stoffen aanwezig in de brandstoftank van een vaartuig, voertuig of
luchtvaartuig dat binnen het Nederlands grondgebied wordt gebracht.
3.Artikel 1, eerste lid, onder b en d, geldt niet voor zeeschepen.
4.Artikel 1, eerste tot en met derde lid, geldt niet voor:
a. brandstoffen die bestemd zijn voor onderzoek en testen;
b. brandstoffen die vóór hun definitieve verbranding nog een
processtap ondergaan;
c. brandstoffen die in de raffinage-industrie worden verwerkt;
d. brandstoffen bestemd voor het gebruik door oorlogsschepen en
andere vaartuigen die in militair verband worden gebruikt.
5.Artikel 1, eerste lid, onder c, is niet van toepassing op
binnenschepen met een certificaat waaruit blijkt dat zij voldoen aan
de voorschriften van het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen
Verdrag inzake de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157)
en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en
bijlagen, wanneer deze schepen op zee zijn.
6.Voor zover bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op
grond van artikel 8.40, onderscheidenlijk artikel 8.44 van de Wet
milieubeheer gestelde eisen met betrekking tot de uitworp van
zwaveloxiden als gevolg van het gebruik van een brandstof op een
stookinstallatie van toepassing zijn, geldt het in artikel 1, eerste
lid, gestelde verbod niet voor die brandstof.
7.Dit besluit geldt niet voor brandstoffen waarop het Besluit
kwaliteitseisen brandstoffen wegverkeer van toepassing is.
8.Bij ministeriële regeling kan Onze Minister bepalen dat artikel
1, eerste lid, onder c, niet geldt, indien gebruik wordt gemaakt van
een goedgekeurde emissiereductietechnologie. In de ministeriële
regeling worden regels gesteld met betrekking tot de keuring van een
emissiereductietechnologie.
Artikel 3
1. Onze Minister kan ontheffing van het in artikel 1, eerste lid,
onder d, gestelde verbod verlenen.
2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
toepassing op de aanvraag om een ontheffing.
3. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Van een beschikking, strekkende tot het verlenen van ontheffing,
wordt op de dag waarop zij aan de aanvrager wordt toegezonden
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 4
1.Overeenkomstig voorschrift 18, zesde lid, van Bijlage VI bij het
Verdrag wordt door de leverancier van alle scheepsbrandstoffen,
bestemd voor het gebruik door schepen als bedoeld in voorschrift 5,
eerste lid, aanhef, van Bijlage VI bij het Verdrag:
a. op de brandstofleveringsnota ten minste de informatie
vermeld die is opgenomen in Aanhangsel V van Bijlage VI van het
Verdrag;
b. een door de vertegenwoordiger van de leverancier
ondertekend, verzegeld representatief monster van de
scheepsbrandstof bijgeleverd;
c. een afschrift van de brandstofleveringsnota gedurende drie
jaar bewaard.
2.Het is verboden andere scheepsbrandstoffen te leveren dan vermeld
op de brandstofleveringsnota.
3.Het handelen in strijd met het bepaalde in het eerste lid is een
strafbaar feit.
Artikel 5
De methode voor de bepaling van het zwavelgehalte van brandstoffen
wordt vastgesteld:
a. indien het de in artikel 1, eerste lid, onder a tot en met c,
bedoelde brandstoffen betreft: overeenkomstig artikel 6 van
richtlijn 1999/32/EG;
b. indien het de in artikel 1, eerste lid, onder d, bedoelde
brandstoffen betreft: door Onze Minister.
Artikel 5a
1.Indien door een plotselinge verandering in de voorziening van
ruwe aardolie, olieproducten of andere koolwaterstoffen redelijkerwijs
niet kan worden gevergd dat aan de grenswaarden voor het
zwavelgehalte, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a of b, wordt
voldaan, kan Onze Minister na van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen verkregen toestemming als bedoeld in artikel 5 van
richtlijn 1999/32/EG, een hogere grenswaarde vaststellen van het
zwavelgehalte, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a of b.
2.Nadat het besluit van de Commissie is bekendgemaakt, beslist Onze
Minister onverwijld overeenkomstig het besluit van de Commissie.
Indien de Raad in het kader van artikel 5 van richtlijn 1999/32/EG een
andersluidend besluit neemt, beslist Onze Minister nadat het besluit
van de Raad is bekendgemaakt onverwijld overeenkomstig dat besluit,
onder gelijktijdige intrekking van het besluit dat hij in eerste
instantie heeft genomen.
Artikel 5b
De aan een vergunning verbonden voorschriften met betrekking tot het
zwavelgehalte van een brandstof blijven van kracht, voor zover zij niet
in strijd zijn met het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
Artikel 6
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit zwavelgehalte
brandstoffen.
2. Het treedt in werking een maand na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin het is geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 27 september 1974
JULIANA
De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
I. Vorrink
Uitgegeven de eerste oktober 1974
De Minister van Justitie,
Van Agt
|
|
|