|
De Minister van
Justitie;
Gelet op artikel 3, tweede lid, 48g,
tweede lid, 48h, tweede lid, 48i, tweede lid, 48j,
derde lid, 48l, tweede lid, en 48q, tweede lid, van de Wet
Justitie-subsidies;
Besluit:
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 1. Begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Halt-verwijzing: een voorstel van
een opsporingsambtenaar tot deelname aan een project als bedoeld in
artikel 77e Wetboek van Strafrecht.
b. Niet in behandeling genomen
verwijzing: Halt-verwijzing waarbij het Halt-bureau constateert dat
een verwijzing niet voldoet aan (een van) de twee voorwaarden als
bedoeld in artikel 77e Sr., namelijk toestemming van de Officier van
Justitie en instemming van de jeugdige met verwijzing naar Halt, of
waarin er na de verwijzing een andere aanleiding is voor het
Halt-bureau de verwijzing niet in behandeling te nemen. Deze komt
niet voor subsidie in aanmerking.
c. Afdoeningsvoorstel: een voorstel
aan de jeugdige waarin afspraken staan over het verrichten van taken
of werkzaamheden (aard en omvang), het vergoeden van schade en/of
andere activiteiten met een pedagogische strekking.
d. Gerealiseerde afdoening: een
afdoening is gerealiseerd als het veld `datum resultaat' in het
registratiesysteem AuraH is ingevuld. Dit is het moment waarop de
laatste handeling met betrekking tot de afdoening is verricht.
e. Niet gerealiseerde afdoening: een
afdoening die nadat het afdoeningsvoorstel is ondertekend voortijdig
wordt afgebroken. Deze komt wel voor subsidie in aanmerking.
f. AuraH: geautomatiseerd
bedrijfsprocessen en managementondersteunend systeem voor
Halt-bureaus waarin achtergrondgegevens, contacten en afspraken met
Halt-cliënten en de eventuele wettelijke vertegenwoordigers worden
vastgelegd.
g. Ondersteunende rechtspersoon:
stichting Halt Nederland die de Halt-bureaus ondersteunt; door de
Minister kunnen middels mandatering bevoegdheden aan deze
rechtspersoon worden overgedragen.
h. Voorlopige subsidie: het door de
Minister, na toetsing van de ingediende begroting, voorlopig
vastgestelde maximaal beschikbare bedrag voor het van toepassing
zijnde begrotingsjaar.
i. Definitieve subsidie: het door de
Minister, na toetsing van de jaarrekening, middels een
subsidiebeschikking definitief vastgestelde maximaal beschikbare
bedrag voor het boekjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
Artikel 2. Typen producten
Er zijn zes typen Halt-producten:
a. Vuurwerkdelict zonder
schaderegeling met externe begeleiding of eigen begeleiding t/m 5
uur
b. Vuurwerkdelict zonder
schaderegeling met eigen begeleiding meer dan vijf uur
c. Andere delicten zonder
schaderegeling met externe begeleiding of eigen begeleiding t/m 5
uur
d. Andere delicten zonder
schaderegeling met eigen begeleiding meer dan vijf uur
e. Alle delicten met schaderegeling
met externe begeleiding of eigen begeleiding t/m 5 uur
f. Alle delicten met schaderegeling
met eigen begeleiding meer dan vijf uur en als zevende product:
g. Stop-reactie (vuurwerk en andere
delicten)
Artikel 3. Vuurwerkdelict
Onder een vuurwerkdelict als bedoeld
onder artikel 2 wordt het volgende verstaan:
a. een overtreding(en) van artikel
1.2.2, 1.2.4 en 2.3.6 van het Vuurwerkbesluit (van 1 maart 2002) of
van vuurwerkovertreding(en) op grond van de in de betreffende
gemeente geldende Algemene Plaatselijke Verordening of op grond van
artikel 72 en 73 van de Wet Personenvervoer 2000;
b. de datum van ontvangst van het
proces-verbaal op het Halt-bureau dat de verwijzing voor het
vuurwerkdelict in behandeling neemt, ligt in de periode van 1
december tot en met 31 januari;
wanneer de afdoening van het
vuurwerkdelict buiten de genoemde periode valt wordt de afdoening
ingedeeld in categorie c of d.
Artikel 4. Eigen begeleiding
Onder een eigen begeleiding als bedoeld
onder artikel 2 wordt het volgende verstaan:
a. de uitvoering van de taak (werk-
of leeropdracht) waarbij een medewerker van het Halt-bureau aanwezig
is;
b. de eigen begeleiding vangt aan
zodra de jeugdige start met de uitvoering van de opdracht in
aanwezigheid van de Halt-medewerker;
c. de (eigen) begeleiding kan nooit
langer zijn dan de in het afdoeningsvoorstel aangegeven tijd die
door de jeugdige moet worden besteed aan de werk/leeropdracht;
indien de begeleiding op verschillende
dagen en tijdstippen plaatsvindt, mogen deze bij elkaar worden opgeteld.
Artikel 5. Nadere aanwijzing eigen
begeleiding
1.Wanneer bij omvangrijke leer- en/of
werkopdrachten vanuit pedagogische overwegingen een intensieve
begeleiding door medewerkers van het Halt-bureau plaatsvindt, kan
aanspraak gemaakt worden op een hogere vergoeding voor zover de eigen
begeleiding langer heeft geduurd dan vijf uur.
2.De afdoeningen met eigen begeleiding
meer dan 5 uur mogen niet meer bedragen dan 15% van het totaal aantal
afdoeningen van een Halt-bureau.
3.Teneinde te kunnen vaststellen of
sprake is van meer dan 5 uur begeleiding wordt van elke eigen
begeleiding een formulier opgemaakt, waarop het volgende aangegeven
staat:
- de datum waarop de begeleiding
daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en de begin- en eindtijd;
indien er meerdere bijeenkomsten zijn geweest, wordt van elke
bijeenkomst de datum en de begin- en de eindtijd aangegeven;
- de naam van de Halt-medewerker
die de begeleiding heeft uitgevoerd;
- de naam (namen) van de betrokken
jongere(n);
- een (kort) inhoudelijk verslag
van de inhoud en het resultaat van de begeleiding.
4.Het formulier wordt ondertekend door
of namens de coördinator van het Halt-bureau.
5.Het formulier wordt opgeborgen in het
Halt-dossier ten behoeve van de accountantscontrole.
Artikel 6. Schaderegeling
Van een schaderegeling als bedoeld onder
artikel 2 is sprake indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
a. er is sprake van schade die het
gevolg is van het strafbare feit waarvoor de jeugdige verwezen
wordt;
b. er is sprake van een schadeclaim;
dit blijkt uit een schriftelijke claim van de benadeelde of uit een
kopie van een uitgaande brief van een medewerker van het Halt-bureau
aan de benadeelde waarin een (mondelinge) schadeclaim en bemiddeling
door het Halt-bureau wordt bevestigd;
c. er is sprake van een afspraak over
het vergoeden van de schade aan benadeelde;
dit kan een geldelijke vergoeding
betreffen, ofwel een in natura geleverde prestatie; indien sprake is van
een in natura geleverde prestatie, dan dient uit het voorstel voor de
Halt-afdoening te blijken dat het gaat om werkzaamheden die komen in
plaats van schadevergoeding in geld; ook een schaderegeling die een
Halt-bureau treft tussen benadeelde en de ouders van een kind jonger dan
14, valt hieronder.
Artikel 7. Kostprijzen
De volgende kostprijzen gelden vanaf het
jaar 2009:
a. Vuurwerkdelict zonder
schaderegeling met externe begeleiding of eigen begeleiding t/m 5
uur
|
Personeelskosten |
€ 204 |
|
|
Materiële kosten |
€ 57 |
|
|
Totaal |
€ 261 |
|
b. Vuurwerkdelict zonder
schaderegeling met eigen begeleiding meer dan 5 uur
|
Personeelskosten |
€ 320 |
|
|
Materiële kosten |
€ 87 |
|
|
Totaal |
€ 407 |
|
c. Andere delicten zonder
schaderegeling met externe begeleiding of eigen begeleiding t/m 5
uur
|
Personeelskosten |
€ 304 |
|
|
Materiële kosten |
€ 86 |
|
|
Totaal |
€ 390 |
|
d. Andere delicten zonder
schaderegeling met eigen begeleiding meer dan 5 uur
|
Personeelskosten |
€ 432 |
|
|
Materiële |
€ 120 |
|
|
Totaal |
€ 552 |
|
e. Alle delicten (vuurwerkdelict en
andere) met schaderegeling met externe begeleiding of eigen
begeleiding t/m 5 uur
|
Personeelskosten |
€ 398 |
|
|
Materiële kosten |
€ 113 |
|
|
Totaal |
€ 511 |
|
f. Alle delicten (vuurwerkdelict en
andere) met schaderegeling met eigen begeleiding meer dan 5 uur
|
Personeelskosten |
€ 527 |
|
|
Materiële kosten |
€ 147 |
|
|
Totaal |
€ 674 |
|
g. Tijdelijke kostprijs Stop
(vuurwerk en andere delicten)
|
Personeelskosten |
€ 304 |
|
|
Materiële kosten |
€ 86 |
|
|
Totaal |
€ 390 |
|
Afdeling 2. Halt-bureaus
Artikel 8. Subsidieaanvraag
1.Voor uiterlijk 1 oktober in het jaar
voorafgaande aan het subsidiejaar dient een Halt-bureau aan de
Minister te doen toekomen:
a. de begroting voor het
subsidiejaar voor Halt-afdoeningen en Stop-reacties;
b. een raming van het aantal te
realiseren afdoeningen in het subsidiejaar, gespecificeerd in de
zes typen afdoeningen;
c. een raming van het aantal te
realiseren Stop-reacties in het subsidiejaar.
2.De begroting behelst een overzicht
van de voor het boekjaar geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover
deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt
gevraagd. De begrotingsposten dienen ieder afzonderlijk van een
toelichting te worden voorzien.
3.De raming van het aantal
Halt-afdoeningen dient gebaseerd te zijn op het gemiddeld aantal
gerealiseerde afdoeningen in de afgelopen drie jaar, vermeerderd met
maximaal 3%. Afwijkingen dienen te worden gemotiveerd. De verdeling
van het totaal naar de zes typen Halt-afdoeningen zullen als maatstaf
gelden bij de beoordeling van de ingediende begroting.
4.De raming van het aantal
Stop-reacties dient gebaseerd te zijn op de gegevens vanaf het jaar
(2000) dat Stop landelijk is ingevoerd.
5.Er is er een maximum gesteld voor de
categorieën met eigen begeleiding. Daarbij geldt dat de som van de
categorieën b, d en f niet meer mag bedragen dan 15% van het totaal
aantal afdoeningen. Middels een evaluatieonderzoek wordt nagegaan wat
de effecten zijn van eigen begeleiding. Dit kan leiden tot een
bijstelling van dit percentage.
Artikel 9. Subsidieverlening
1.De Minister geeft de beschikking tot
subsidieverlening uiterlijk vóór 31 december in het jaar voorafgaand
aan het subsidiejaar af.
2.Ten behoeve van de uitvoering van de
Halt-afdoeningen en Stop-reacties verstrekt de Minister ieder kwartaal
een voorschot op het bedrag van de subsidieverlening.
3.Het 3e (en zonodig 4e) deel van het
voorschot wordt overgemaakt na ontvangst van de jaarstukken
(financieel overzicht, opgave kwantitatieve productie
accountantverklaring) van het jaar vóórafgaande aan het
begrotingsjaar.
4.Indien het te laat indienen van de
jaarstukken niet te wijten is aan het Halt-bureau zelf kan de Minister
af wijken van lid 2.
Artikel 10. Subsidievaststelling
1.De vaststelling geschiedt op basis
van een opgave van de gerealiseerde afdoeningen, gespecificeerd in de
zes typen afdoeningen en de Stop-reactie.
2.De vaststelling geschiedt op basis
van een door het bestuur van het Halt-bureau ondertekend financieel
overzicht, waaruit de werkelijke kosten ten behoeve van de
Halt-afdoeningen en Stop-reacties blijken.
3.Van de Halt-bureaus zal jaarlijks een
accountantsverklaring worden verlangd over de kwantitatieve productie
met betrekking tot het aantal afdoeningen.
Artikel 11. Egalisatiereserve
1.De volgende voorwaarden gelden ten
aanzien van de egalisatiereserve:
a. de egalisatiereserve kan worden
opgebouwd uit het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de
werkelijke kosten;
b. de jaarlijkse toevoeging aan
deze reserve mag niet meer bedragen dan 5% van het definitieve
subsidie. Indien het verschil tussen de werkelijke kosten en het
definitieve subsidie meer bedraagt dan 5%, dan zal het meerdere
worden teruggevorderd;
c. het totaal van de
egalisatiereserve mag niet meer bedragen dan 10% van het
definitieve subsidie inzake het jaar waarover afgerekend wordt;
d. een subsidietekort komt ten
laste van de egalisatiereserve van het Halt-bureau. Is de
egalisatiereserve niet toereikend, dan wordt in het navolgend
boekjaar een plan van aanpak overgelegd om dit tekort op te
heffen.
Alsdan kan het subsidietekort ten laste
komen van het eigen vermogen.
Artikel 12. Controleprotocol
1.Ten behoeve van de accountantcontrole
is er een controleprotocol, dat wordt opgesteld onder
verantwoordelijkheid van de Minister.
2.De opgave van de kwantitatieve
productie van het Halt-bureau dient vergezeld te gaan van een
(goedkeurende) accountantsverklaring.
3.Indien er geen (goedkeurende)
accountantverklaring kan worden afgegeven en er bijvoorbeeld geen
adequate productregistratie plaatsvindt, kan er een sanctie worden
opgelegd aan het Halt-bureau van maximaal 10% van de definitieve
subsidie.
Afdeling 3. Stichting Halt Nederland
Artikel 13. Ontwerpbegroting en
meerjarenbeleidsplan
1.De ontwerpbegroting en het
meerjarenbeleidsplan met voorgenomen activiteiten van de stichting
geeft voor het komende subsidiejaar en indicatief voor de vier daarop
volgende jaren in ieder geval aan:
a. een visie in hoofdlijnen op de
te verwachten ontwikkelingen voor Halt als onderdeel van de
jeugdstrafrechtsketen;
b. de beleidsvoornemens met een
financiële vertaling en een prioriteitsstelling die bij de
uitvoering daarvan wordt aangehouden.
2.De in het eerste lid genoemde
ontwerpbegroting is gebaseerd op het besluit waarbij de subsidie met
betrekking tot het lopend subsidiejaar is verleend en het bedrag dat
volgens de meerjarenraming zoals aangegeven in de toelichting van de
rijksbegroting beschikbaar is voor Halt in het subsidiejaar.
Artikel 14. Definitieve begroting,
jaarplan en managementsafspraken
De definitieve begroting en het jaarplan
van de stichting bevatten in samenhang in ieder geval:
a. de beleidsvoornemens voor het
komende begrotingsjaar met een financiële vertaling en een
prioriteitsstelling die bij de uitvoering daarvan wordt aangehouden;
b. het totaal bedrag nodig voor de
bedrijfsvoering en een vergelijking met de begroting van het lopende
subsidiejaar;
c. de wijze waarop wordt voldaan aan
de door de Minister gestelde prioriteiten ten aanzien van de
voorgenomen werkzaamheden;
d. de te verwachten knelpunten bij de
uitvoering van het beleidsplan en de wijze waarop de stichting deze
wil oplossen;
e. de wijze waarop de Halt-bureaus
bij de vorming en uitvoering van de beleidsvoornemens van de
stichting betrokken zijn;
f. managementsafspraken met de
Minister (of een voorstel daartoe) ten aanzien van de activiteiten
in het jaarplan waarvoor subsidie wordt verleend.
Artikel 15. Subsidieverlening
1.Om de aan de stichting opgedragen
taken en bevoegdheden uit te voeren, verstrekt de Minister in ieder
geval ieder kwartaal aan de stichting een voorschot op het bedrag van
de subsidieverlening.
2.Het 3E (en zonodig 4e) deel van het
voorschot wordt overgemaakt na ontvangst van de jaarstukken
(financieel overzicht, opgave kwantitatieve productie,
accountantverklaring) van het jaar vóórafgaande aan het
begrotingsjaar.
3.Indien het te laat indienen van de
jaarstukken niet te wijten is aan de Stichting Halt Nederland zelf kan
de Minister af wijken van lid 2.
Artikel 16. Jaarrekening
1.De jaarrekening van de stichting
bestaat uit de balans en de exploitatierekening met toelichting.
2.De jaarrekening geeft in samenhang
met het jaarverslag een zodanig inzicht dat de minister een
verantwoord oordeel kan vormen omtrent:
a. de werkelijke uitgaven voor de
activiteiten uit het jaarplan waarvoor subsidie is verleend;
b. het vermogen en het
exploitatiesaldo;
c. de solvabiliteit en de
liquiditeit van de stichting, voor zover de aard van de
jaarrekening dit toelaat.
Artikel 17. Jaarverslag
Het jaarverslag van de stichting
beschrijft in samenhang met de jaarrekening in ieder geval:
a. de vergelijking tussen de
nagestreefde en gerealiseerde beleidsvoornemens en de eventueel
daarbij behorende prestatie-indicatoren en een toelichting op de
belangrijkste verschillen;
b. de vergelijking tussen de geplande
versus gerealiseerde besteding van de subsidie voor de reguliere
bedrijfsvoering;
c. eventuele verschuivingen van
subsidiegelden met betrekking tot Informatie en Automatisering
(I&A) binnen de reguliere bedrijfsvoering vergezeld van een
toelichting;
d. de uitvoering van de door de
Minister gestelde prioriteiten ten aanzien van de uitgevoerde
werkzaamheden;
e. de wijze waarop met de verwachte
knelpunten ten aanzien van de uitvoering van het jaarplan is
omgegaan;
f. de wijze waarop de Halt-bureaus
bij de vorming en uitvoering van de beleidsvoornemens van de
stichting zijn betrokken.
Artikel 18. Subsidievaststelling
1.De subsidievaststelling geschiedt aan
de hand van het jaarverslag en de jaarrekening.
2.De subsidievaststelling voor de
uitgevoerde activiteiten uit het jaarplan waarvoor subsidie is
verleend, geschiedt op basis van de gerealiseerde producten.
3.De subsidievaststelling over het
producten kan ten hoogste het bedrag zijn dat in de subsidieverlening
voor het boekjaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft, is
vermeld.
4.De subsidie voor de reguliere
bedrijfsvoering wordt afgerekend op werkelijke uitgaven. De niet
bestede gelden daarvan worden toegevoegd aan de egalisatiereserve
(maximalisering: zie artikel 20).
Artikel 19. Reserves/ voorzieningen
1.De stichting kan binnen het door de
Minister toegekende financiële kader reserves vormen.
2.De volgende typen reserveringen zijn
mogelijk:
a. egalisatiereserve;
b. voorziening groot onderhoud;
c. voorziening ziekengeld;
d. voorziening
vakantiegelden/-uren;
e. bestemmingsreserve
registratiesysteem AuraH.
3.Aan de reserves /voorzieningen zijn
de volgende algemene voorwaarden verbonden:
a. de met subsidies verkregen
reserves/voorzieningen dienen tegen een zo hoog mogelijke rente en
optimaal veilig te worden belegd. De daarmee gekweekte rente dient
aan de reserves te worden toegevoegd;
b. bij beëindiging van de subsidie
komen de dan aanwezige reserves aan de Staat toe;
c. de reserves en voorzieningen
dienen zichtbaar in de balans te worden verantwoord.
4.De opbouw van de
reserves/voorzieningen zal worden geëvalueerd.
Artikel 20. Egalisatiereserve
De volgende regels gelden ten aanzien van
de egalisatiereserve:
a. Per boekjaar mag de toevoeging aan
deze reserve niet meer bedragen dan 5% van de vastgestelde subsidie
(= beschikbaar structureel kader), inclusief genoten rente, waarbij
het totaal van de opgebouwde reserve niet meer mag bedragen dan 10%
van de subsidie van het desbetreffende boekjaar.
b. Deze reserve mag uitsluitend
worden aangewend voor uitgaven die in overeenstemming zijn met het
activiteitenplan en indien dat niet het geval is uitsluitend na
toestemming van de Minister.
c. Een exploitatietekort komt te
laste van deze reserve. Is deze reserve niet toereikend, dan dient
in het navolgend boekjaar een plan van aanpak te worden overlegd om
dit tekort op te heffen.
Artikel 21. Voorziening groot onderhoud
De volgende regels gelden ten aanzien van
de voorziening groot onderhoud:
a. per boekjaar wordt voor groot
onderhoud niet meer gereserveerd dan 3% van de subsidie (=
beschikbaar structureel kader) van dat boekjaar;
b. de reserve groot onderhoud gaat
een maximum van 15% van de subsidie (= beschikbaar structureel
kader) van het desbetreffende boekjaar niet te boven;
c. uitgaven voor groot onderhoud
dienen op de reserve groot onderhoud te worden afgeboekt.
Artikel 22. Voorziening ziekengeld
De voorwaarden tot het vormen van deze
voorziening luiden als volgt:
a. per jaar kan maximaal 2% van het
personele budget worden toegevoegd aan deze voorziening;
b. de onttrekkingen per jaar zijn de
salariskosten van de arbeidsongeschikte werknemers;
c. de omvang van de opgebouwde
reserve gaat een maximum van 5% van de personele uitgaven niet te
boven;
d. er kan geen negatieve reserve
ontstaan;
e. er kan alleen gereserveerd worden
als er geen tekort is op de exploitatie-uitgaven t.o.v. de subsidie;
f. deze reserve mag op geen enkele
wijze worden onttrokken uit de egalisatiereserve.
Artikel 23. Voorziening vakantiegelden/
-uren
De overlopende vakantieverplichting
(zijnde de vakantietoeslag over de periode 1 juni tot 31 december) wordt
in de balans aanvaard onder de volgende voorwaarden:
a. de bestaande verplichtingen dienen
te worden gewaardeerd tegen het bedrag van het per balansdatum
opgebouwde recht op vakantiegeld en bij de waardering dient tevens
rekening te worden gehouden met de beschuldigende sociale lasten;
b. deze verplichting dient als
overlopende passiva in de balans te worden vermeld;
c. ten aanzien van de verplichting
overlopende vakantie-uren dient in kaart te worden gebracht wat de
tegoeden aan vakantie-uren voor de medewerkers van Halt Nederland
zijn per 31 december. Het bedrag van de verplichting wordt bepaald
door het tegoed te vermenigvuldigen met het uurloon per medewerker
van Halt Nederland. Correctie van dit bedrag dient jaarlijks plaats
te vinden op 31 december.
Artikel 24. Bestemmingsreserve AuraH
1.Met ingang van het jaar 2001 is een
jaarlijkse reservering ten behoeve van het Aurah-systeem mogelijk ten
bedrage van ad. € 211.858,-. Dit bedrag is ontleend aan de afspraken
zoals deze zijn gemaakt in het periodiek overleg ministerie van
Justitie - Halt Nederland van 24 september 2001, die betrekking hebben
op het eindrapport platform informatisering van 11 september 2001.
2.Vervangingstermijn van AuraH is
vastgesteld op 3 jaar.
3.De maximale toegestane hoogte van de
bestemmingsreserve AuraH bedraagt ad. € 635.574,- (zijnde 3 x €
211.858,-).
4.Een eventuele overschrijding op de
jaarlijkse reservering AuraH of een overschrijding van de maximale
hoogte van de bestemmingsreserve AuraH zal leiden tot een
terugbetaling aan het Ministerie van Justitie.
Artikel 25. Verantwoording
1.De stichting informeert de Minister
uiterlijk vier weken na iedere vier maanden en na afloop van het
subsidiejaar over de uitvoering van de verschillende activiteiten die
in het jaarplan staan vermeld voor zover deze zijn vastgelegd in
managementsafspraken. Daartoe wordt in ieder geval een inhoudelijke en
financiële toelichting gegeven ten aanzien van de verschillen met de
vorige perioden van vier maanden en een planning voor het betreffende
jaar.
2.De stichting verstrekt de in het
eerste lid genoemde informatie aan de hand van het informatieprotocol
Halt en Stop. Het informatieprotocol is als bijlage bij de
ministeriële regeling gevoegd.
3.De stichting verstrekt uiterlijk twee
maanden na afloop van het subsidiejaar een intern controleverslag met
een cijfermatig overzicht van de geconstateerde fouten en
tekortkomingen alsmede een mededeling met betrekking tot de
ontwikkeling van de betrouwbaarheid van de productiecijfers van de
gelopen periode.
Artikel 26. Accountantcontrole
1.Ten behoeve van de accountcontrole is
er een controleprotocol vastgesteld (zie de bijlage). In dit protocol
wordt de accountant aanwijzingen gegeven ten aanzien van welke
gegevens in welke mate moeten worden gecontroleerd. Ook staan er
aanwijzingen voor een aanvullend onderzoek (review).
2.De inhoud van het protocol zal
periodiek worden geëvalueerd.
Artikel 27. Audits
1.Periodiek (eens per twee jaar) wordt
de stand van de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de Halt-afdoening
en Stop-reactie door de stichting Halt Nederland zelf in beeld
gebracht, door een zelfevaluatie. Daarbij wordt het model van het
Instituut Nederlandse Kwaliteit voor zelfevaluatie en audit gebruikt.
2.Onder verantwoordelijkheid van de
Minister kan een auditteam worden samengesteld, dat een toets op de
validiteit en betrouwbaarheid van deze zelfevaluatie uitvoert.
Artikel 28
Deze ministeriële regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2003.
De Minister
van Justitie,
J.P.H.
Donner.
Bijlage niet opgenomen
|