| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens
BESLUIT
JUSTITIËLE GEGEVENS
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 maart 2004 tot vaststelling van de
justitiële gegevens en tot regeling van de verstrekking van deze
gegevens alsmede tot uitvoering van enkele bepalingen van de Wet
justitiële gegevens (Besluit justitiële gegevens)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 februari 2004, nr.
5271210/04/6;
Gelet op de artikelen 2, tweede en derde lid,
4, vijfde lid, 8, vierde en vijfde lid, 9, eerste lid, 13, eerste lid,
25, 36, 39 en 49 van de Wet justitiële gegevens;
De Raad van State gehoord (advies van 24 maart
2004, nr. W03.04.0085/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 24 maart 2004, nr. 5278333/04/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
b. sepot: de beslissing van het openbaar ministerie tot niet
vervolging of niet verdere vervolging van de zaak;
c. centrale autoriteit: de centrale autoriteit, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van het Besluit nr. 2005/876/JBZ van de Raad
van de Europese Unie van 21 november 2005 inzake de uitwisseling van
gegevens uit het strafregister (PbEU L 322);
d. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie.
Hoofdstuk 2
Afdeling 1. De justitiële gegevens
Artikel 2
Met betrekking tot misdrijven worden als justitiële gegevens
aangemerkt de in de artikelen 6 en 7 vermelde gegevens van zaken waarvan
het proces-verbaal door het openbaar ministerie of de procureur-generaal
bij de Hoge Raad op grond van artikel 76 van de Wet op de rechterlijke
organisatie in behandeling is genomen.
Artikel 3
Met betrekking tot overtredingen worden als justitiële gegevens
aangemerkt:
a. de in de artikelen 6 en 7, eerste lid, vermelde gegevens van
zaken waarin het openbaar ministerie een beslissing tot afdoening
van de zaak heeft genomen met uitzondering van de beslissing tot
uitvaardiging van een strafbeschikking waarin uitsluitend een
geldboete wordt opgelegd die minder dan € 100,– beloopt alsmede
de beslissing tot niet verdere vervolging van de zaak, tenzij
voorwaarden zijn gesteld aan laatstgenoemde beslissing;
b. de in de artikelen 6 en 7, eerste lid, vermelde gegevens van
zaken waarin de rechter een al dan niet herroepelijke beslissing
heeft genomen voorzover een taakstraf of een vrijheidsstraf, anders
dan vervangende, is opgelegd of een geldboete van minimaal € 100,–
alsmede de zaken waarin een bijkomende straf is opgelegd.
Artikel 4
1. In afwijking van artikel 3 worden met betrekking tot de in het
tweede lid genoemde overtredingen als justitiële gegevens aangemerkt
de in de artikelen 6 en 7 vermelde gegevens van zaken waarvan het
proces-verbaal door het openbaar ministerie in behandeling is genomen.
2. De overtredingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. de overtredingen betreffende de algemene veiligheid van
personen en goederen, genoemd in Titel I van het Derde Boek van
het Wetboek van Strafrecht;
b. de overtredingen betreffende de openbare orde, genoemd in
Titel II van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht;
c. de overtredingen inzake fraude, bedoeld in de artikelen 447c
en 447d van het Wetboek van Strafrecht;
d. de overtreding betreffende de zeden, genoemd in Titel VI van
het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht;
e. de ambtsovertredingen, genoemd in Titel VIII van het Derde
Boek van het Wetboek van Strafrecht;
f. de overtredingen van de Wet op de economische delicten;
g. de overtreding van artikel 30, eerste, tweede en vierde lid,
juncto artikel 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen;
h. de overtreding van artikel 34, derde lid, juncto artikel 2
van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
i. de overtreding van artikel 107, eerste lid, van de
Wegenverkeerswet 1994;
j. de overtreding van artikel 110, eerste lid, van de
Wegenverkeerswet 1994, voor zover de overtreding is gepleegd met
een voertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist;
k. de overtreding van artikel 5.6.8, eerste lid, Regeling
voertuigen, indien de maximumconstructiesnelheid met meer dan 15
kilometer per uur is overschreden;
l. de overtreding van de artikelen 19, 20, aanhef en onder a en
b, 21, aanhef en onder a en b, 22, aanhef en onder a, b, d, e, f
en g en 62 juncto bord A1 of A3 van bijlage 1, van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990, voor zover voor de
overtreding geen administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd;
m. de overtreding van artikel 8.06, eerste lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement en artikel 5.01
Binnenvaartpolitiereglement juncto verkeersteken B6 of een
bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken als
bedoeld in artikel 13 Besluit administratieve bepalingen
scheepvaartverkeer voorzover het betreft kleine schepen, elk
indien de maximumsnelheid met meer dan vijfentwintig kilometer per
uur is overschreden;
n. de overtredingen van de Vreemdelingenwet 2000;
o. de overtredingen van de Wet op de kansspelen;
p. de overtredingen van de Wet wapens en munitie;
q. de overtredingen van de Drank- en Horecawet;
r. de overtredingen van de Flora- en faunawet;
s. de overtredingen, bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de
Scheepvaartverkeerswet.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op zaken die
door de procureur-generaal bij de Hoge Raad in behandeling zijn
genomen en waarvan de Hoge Raad ingevolge artikel 76 in eerste
instantie en tevens in hoogste ressort kennis neemt.
Artikel 5
1. Als justitiële gegevens worden aangemerkt de strafbeschikkingen
uitgevaardigd op grond van artikel 257b van het Wetboek van
Strafvordering, met uitzondering van de met betrekking tot
overtredingen uitgevaardigde strafbeschikkingen waarin een geldboete
wordt opgelegd die minder dan € 100 beloopt.
2. Als justitiële gegevens worden aangemerkt de strafbeschikkingen
terzake van misdrijven, uitgevaardigd krachtens de artikelen 76 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen en 10:15 van de Algemene
douanewet.
3. Artikel 7, eerste lid, onderdelen c en h, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6
1.Met betrekking tot natuurlijke personen worden als justitiële
gegevens aangemerkt:
a. de geslachtsnaam en voorvoegsels;
b. de voornaam of voornamen;
c. het adres;
d. de geboortegemeente of geboorteplaats alsmede het land van
geboorte;
e. de geboortedatum of, indien onbekend, het geboortejaar;
f. persoonsidentificerende nummers, en
g. de nationaliteit.
2.Met betrekking tot rechtspersonen worden als justitiële gegevens
aangemerkt:
a. de naam;
b. de rechtsvorm;
c. de statutaire vestigingsplaats;
d. de feitelijke plaats van vestiging, waaronder begrepen het
adres en het land, en
e. het nummer waaronder de onderneming overeenkomstig de
Handelsregisterwet 1996 in het handelsregister is ingeschreven.
Artikel 7
1. Voorzover van toepassing worden als justitiële gegevens als
bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 9 aangemerkt:
a. alle beslissingen die door het openbaar ministerie of de
rechter zijn genomen, met uitzondering van:
1°. de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken
persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt;
2°. de beslissing tot niet vervolgen na vaststelling van
een rechtmatige geweldsaanwending van een ambtenaar als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor
de politie, de Koninklijke marechaussee en andere
opsporingsambtenaren;
b. het parketnummer;
c. de strafbepalingen van het strafbare feit;
d. de kwalificatie van het strafbare feit;
e. de maatschappelijke classificatie van het strafbare feit;
f. de datum waarop of periode waarin het strafbare feit zich
heeft voorgedaan;
g. indien het feit is geseponeerd:
1º. de datum van de beslissing;
2º. de sepotcode en de bijkomende sepotgrond of
sepotgronden;
3º. de bij de beslissing tot voorwaardelijk seponeren
gestelde voorwaarden;
4º. de datum waarop aan alle gestelde voorwaarden is
voldaan;
h. indien over het feit bij strafbeschikking is beslist:
1°. de datum waarop de strafbeschikking is uitgevaardigd;
2°. de opgelegde straffen, maatregelen en aanwijzingen;
3°. de datum waarop de strafbeschikking onherroepelijk is
geworden;
4°. de datum waarop de strafbeschikking volledig ten
uitvoer is gelegd;
5°. de aanduiding dat de strafbeschikking kan worden
aangemerkt als een gegeven als bedoeld in de artikelen 10, 11
of 12 van de wet alsmede de datum waarop dat gegeven niet
langer als zodanig kan worden aangemerkt;
i. indien een voorlopige maatregel op grond van de Wet op de
economische delicten is opgelegd:
1º. de aanduiding van de voorlopige maatregel;
2º. de beëindiging, verlenging, wijziging, intrekking of
opheffing;
j. indien over het feit bij rechterlijke uitspraak is beslist:
1º. het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan;
2º. de datum van de uitspraak;
3º. de inhoud van de uitspraak, waaronder de kwalificatie
van het feit en de daarbij betrokken strafbepalingen;
4º. alle voorwaarden die bij een beslissing zijn opgelegd;
5º. de datum waarop de uitspraak onherroepelijk is
geworden;
6º. de datum van het vermoedelijke einde van een
proeftijd;
7º. de aanduiding of de uitspraak kan worden aangemerkt
als een gegeven als bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12 van
de wet alsmede de datum waarop dat gegeven niet langer als
zodanig kan worden aangemerkt;
k. indien de rechterlijke beslissing ten uitvoer is gelegd;
1º. de datum en de wijze waarop de tenuitvoerlegging is
beëindigd;
2º. de datum en de wijze waarop de taakstraf of
vrijheidsstraf is aangevangen en beëindigd;
3º. indien de volledige tenuitvoerlegging niet is
gerealiseerd, de datum van tenuitvoerlegging van de
vervangende straf;
l. de datum van invrijheidstelling.
2. Als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2 en 4,
worden voorts aangemerkt:
a. het arrondissementsparket of ressortsparket dat de zaak in
behandeling heeft genomen;
b. de datum van ontvangst van het proces-verbaal bij het
arrondissementsparket of ressortsparket;
c. de datum waarop de procureur-generaal bij de Hoge Raad op
grond van artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie de
zaak in behandeling heeft genomen.
Artikel 8
1.Indien gehele of gedeeltelijke gratie wordt verleend van de
opgelegde straf of maatregel, worden de volgende gegevens als
justitiële gegevens aangemerkt:
a. de datum en het nummer van het daartoe strekkende koninklijk
besluit;
b. de aan het besluit verbonden bepalingen;
c. de wijziging of de herroeping van een besluit tot het
verlenen van gratie.
2.Bij de toepassing van de Wet overdracht tenuitvoerlegging
strafvonnissen worden als justitiële gegevens tevens aangemerkt de in
een andere Staat dan Nederland genomen beslissing als gevolg waarvan
het recht tot tenuitvoerlegging in Nederland van een door de rechter
van die Staat gewezen veroordeling geheel of gedeeltelijk is komen te
vervallen. Artikel 7, eerste lid, onder j, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 9
1.Op grond van internationale verplichtingen worden beslissingen
die door andere dan Nederlandse rechters zijn gewezen als justitiële
gegevens aangemerkt.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
strafrechtelijke afdoeningen van andere bevoegde autoriteiten die ter
kennis zijn gekomen van Onze Minister en voorzover het feit waarvoor
de straf is opgelegd in Nederland kan worden aangemerkt als een
strafbaar feit.
3.Artikel 7, eerste lid, onder j, is van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 2. Afkomst justitiële gegevens
Artikel 10
De justitiële gegevens kunnen uitsluitend afkomstig zijn van:
a. het openbaar ministerie;
b. de gerechten;
c. buitenlandse gerechten;
d. Onze Minister;
e. het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1,
van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau;
f. opsporingsambtenaren.
Artikel 10a
1.De Justitiële Informatiedienst, bedoeld in artikel 30b, kan de
centrale autoriteit van een andere lidstaat verzoeken justitiële
gegevens te verstrekken.
2.Het verzoek wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier,
opgenomen in de bijlage bij het Besluit nr. 2005/876/JBZ van de Raad
van de Europese Unie van 21 november 2005 inzake de uitwisseling van
gegevens uit het strafregister (PbEU L 322).
3.Het formulier, bedoeld in het tweede lid, is gesteld in de
officiële taal of een van de officiële talen van de aangezochte
lidstaat dan wel, indien die lidstaat zulks heeft aangegeven in een
bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie
neergelegde verklaring, in een van de andere officiële talen van de
instellingen van de Europese Gemeenschappen.
4.Artikel 30f is van toepassing.
5.De op grond van een verzoek als bedoeld in het eerste lid
verkregen justitiële gegevens worden niet voor een ander doel
gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt.
Hoofdstuk 3. De verstrekking van justitiële gegevens
Afdeling 1. Verstrekking van bepaalde gegevens
Paragraaf 1. Verstrekking ten behoeve van het uitoefenen van de taak
Artikel 11
Justitiële gegevens, bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12 van de
wet, worden desgevraagd verstrekt aan de voorzitter van de commissie,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet schadefonds
geweldsmisdrijven ten behoeve van de werkzaamheden die de commissie bij
deze wet zijn opgedragen.
Artikel 11a
1. Ten behoeve van de handhaving van de openbare orde in verband
met de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij kan Onze
Minister, aan de burgemeester of de door hem aangewezen ambtenaar
justitiële gegevens als bedoeld in artikel 6, eerste lid, en artikel
7, eerste lid, onder a, b, c, d, f, j, k en l, verstrekken van
natuurlijke personen die onherroepelijk zijn veroordeeld tot:
a. een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf of
vrijheidsbenemende maatregel ter zake van een misdrijf bedoeld in
de volgende artikelen van het Wetboek van Strafrecht:
1° 240b, 242 tot en met 247, 248a tot en met 248e, 249,
250, 250a (oud), 252, tweede en derde lid, 273a (oud), 273f,
282, 282a, 282b, 287, 288, 288a en 289;
2° 141, tweede lid, 302 en 303, indien het
onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsbenemende
straf of maatregel een jaar of langer beloopt.
b. de maatregel bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van
Strafrecht;
c. de maatregel bedoeld in artikel 77s van het Wetboek van
Strafrecht, indien deze verlengd kan worden op grond van artikel
77t, derde lid, van deze wet.
2. Ten behoeve van het verstrekken van informatie aan de
burgemeester ten behoeve van de handhaving van de openbare orde in
verband met de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij kan Onze
Minister van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke personen de
justitiële gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en artikel 7,
eerste lid, onder a, b, c, d, f, j, k en l, verstrekken aan binnen het
Korps landelijke politiediensten aangewezen opsporingsambtenaren.
3. De justitiële gegevens worden niet eerder verstrekt dan drie
maanden voor het moment van de verwachte, al dan niet tijdelijke,
terugkeer van de betrokkene in de maatschappij.
4. De burgemeester vernietigt de op grond van het eerste lid
verstrekte justitiële gegevens uiterlijk negen maanden na de datum
van de verstrekking, indien niet tot het treffen van maatregelen is
besloten. Indien tot het treffen van maatregelen is besloten,
verwijdert de burgemeester de op grond van het eerste lid verstrekte
justitiële gegevens uiterlijk negen maanden na de datum van de
verstrekking. De verwijderde gegevens worden gedurende een termijn van
vijf jaar bewaard ten behoeve van het afleggen van verantwoording,
waarna de gegevens worden vernietigd.
5. Het eerste lid, onder a en b, is niet van toepassing op personen
op wie Titel VIIIA van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht
is toegepast.
Paragraaf 2. Verstrekking ten behoeve van advies
Artikel 12
1. Justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12
van de wet worden desgevraagd verstrekt aan:
a. Onze Minister ten behoeve van het geven van een positieve of
negatieve verklaring aan buitenlandse autoriteiten over te
verlenen visa;
b. Onze Minister ten behoeve van het verstrekken van bepaalde
inlichtingen aan buitenlandse autoriteiten over
aspirant-emigranten;
c. de burgemeesters voorzover dit noodzakelijk is voor de
uitoefening van een wettelijke verplichting tot het geven van
advies over een bepaald persoon aan een ander bestuursorgaan,
d. de burgemeesters, indien deze gegevens op grond van een
zwaarwegend algemeen belang noodzakelijk zijn ten behoeve van het
geven van advies aan een ander bestuursorgaan en het College
bescherming persoonsgegevens ontheffing heeft verleend.
2. Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan Onze
Minister ten behoeve van het geven van een positieve of negatieve
verklaring aan buitenlandse autoriteiten voor deelname aan programma’s
voor geautomatiseerde grenspassage van andere landen.
Paragraaf 3. Verstrekking ten behoeve van het nemen van
bestuursbesluiten
Artikel 13
1.Indien in een bij dit artikel aangewezen wet en de daarop
berustende bepalingen met het oog op het nemen van besluiten in de zin
van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
justitiële gegevens noodzakelijk zijn, worden aan de personen of
colleges, die op grond van die wetten zijn belast met het nemen van
die besluiten, desgevraagd justitiële gegevens verstrekt.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het
bestuursorgaan dat beslist in administratief beroep.
3.De wetten, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a. de Drank- en Horecawet;
b. de Flora-en faunawet;
c. de Wegenverkeerswet 1994;
d. de Wet explosieven voor civiel gebruik;
e. de Wet op de kansspelen;
f. de Kaderwet dienstplicht.
4.Indien in een algemene plaatselijke verordening in het kader van
de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het
bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele
handelingen met een derde tegen betaling gevolg wordt verbonden aan
bepaalde onherroepelijke afdoeningen, is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Verstrekking van de gegevens in algemene zin
Paragraaf 1. Verstrekking ten behoeve van het uitoefenen van de taak
Artikel 14
Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan het hoofd van
de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en het hoofd van de
Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten behoeve van de
taakvervulling van deze diensten.
Artikel 15
Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan het Bureau
bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld
in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur, ten behoeve van de uitoefening van zijn wettelijk
omschreven taak.
Artikel 16
Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:
a. Onze Minister ten behoeve van de controle van rechtspersonen
met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van
rechtspersonen, waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen
van financieel-economische aard door of door middel van deze
rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
controle op rechtspersonen;
b. Onze Minister en de burgemeesters voorzover dit noodzakelijk
is in het kader van de beoordeling van een verzoek tot verkrijging
van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het
Nederlanderschap;
c. Onze Minister voorzover dit noodzakelijk is voor het verwerken
van deze gegevens in het Cliënt-Volgsysteem Jeugdcriminaliteit;
d. Onze Minister en aan de korpschef van een regionaal
politiekorps voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de
Wet wapens en munitie, de Wet particuliere beveiligingsorganisaties
en recherchebureaus en van de Flora- en faunawet;
e. Onze Minister van Defensie en het hoofd van de
Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer voorzover
dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet wapens en munitie.
Artikel 17
1. Justitiële gegevens worden voorzover dit noodzakelijk is voor
de uitoefening van hun taken desgevraagd verstrekt aan:
a. de directeur van de stichting en de reclasseringsinstelling,
bedoeld in artikel 1, onder b en c, van de Reclasseringsregeling
1995;
b. de reclasseringswerkers, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
van de Reclasseringsregeling 1995;
c. de directeur of ressortsdirecteur van de raad voor de
kinderbescherming;
d. de gedragsdeskundigen die zijn belast met de opstelling van
rapporten of adviezen als bedoeld in de artikelen 37, tweede en
derde lid en 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen tevens kennis
nemen van de justitiële gegevens betreffende misdrijven tegen de
zeden, bedoeld in artikel 4 van de wet.
3. Justitiële gegevens worden voor zover dit nodig is voor de
uitvoering van het Interimbesluit forensische zorg verstrekt aan
zorgaanbieders die forensische zorg verlenen.
Artikel 18
Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan de directeuren
van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire
beginselenwet, artikel 1, onder b, van de Beginselenwet verpleging ter
beschikking gestelden en artikel 1, onder b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen, voorzover zij deze behoeven:
a. voor de selectie en bejegening van personen ten aanzien van
wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt;
b. voor het nemen van beslissingen over het verlaten van de
inrichting bij wijze van verlof.
Artikel 19
Justitiële gegevens worden ten behoeve van de uitvoering van de
Vreemdelingenwet 2000 desgevraagd verstrekt aan:
a. Onze Minister;
b. de personen, bedoeld in de artikelen 46 en 47 van de
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 20
Justitiële gegevens worden ten behoeve van de uitvoering van de
Paspoortwet desgevraagd verstrekt aan:
a. de autoriteiten, bedoeld in artikel 24 van die wet, in verband
met het doen van een verzoek tot weigering of vervallenverklaring
van een reisdocument;
b. de autoriteiten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van die
wet, in verband met het vermelden van een persoon in het op grond
van dat artikel bijgehouden register;
c. de autoriteiten, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van die
wet, in verband met het nemen van een beslissing tot weigering of
vervallenverklaring van een reisdocument.
Artikel 21
Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:
a. de hulpofficier van justitie ten behoeve van de daadwerkelijke
handhaving van de rechtsorde, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet
alsmede de hulpofficier van justitie van de Koninklijke marechaussee
ten behoeve van de politietaken, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
van de Politiewet;
b. het hoofd van de divisie Recherche van het Korps landelijke
politiediensten ten behoeve van het controleren van de juistheid van
de gegevens uit de politieregisters, die op grond van een verzoek om
rechtshulp door autoriteiten van een vreemde staat, als bedoeld in
artikel 552h van het Wetboek van Strafvordering, al dan niet namens
de officier van justitie worden verstrekt;
c. het hoofd van de divisie Recherche van het Korps landelijke
politiediensten, of ingeval van rechtstreekse verstrekking de
korpschef of de commandant van de Koninklijke marechaussee ten
behoeve van het controleren van de juistheid van de gegevens uit de
politieregisters, die zonder een daartoe strekkend verzoek op grond
van artikel 5:1 van het Besluit politiegegevens aan
politie-autoriteiten in een ander land worden verstrekt;
d. het hoofd van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties,
bedoeld in artikel 12 van de Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme, voorzover dit noodzakelijk is om te
kunnen beoordelen of de ongebruikelijke transacties van belang zijn
voor de voorkoming en opsporing van misdrijven;
e. de korpschef van het Korps landelijke politiediensten
voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van artikel 8 van
de Europol-Overeenkomst;
f. de commandant van de Koninklijke marechaussee voorzover dit
noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Artikel 22
Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:
a. de contactambtenaren bedoeld in artikel 58 van de Wet op de
economische delicten, ten behoeve van de hun als zodanig opgedragen
werkzaamheden;
b. de daartoe bevoegde buitengewone opsporingsambtenaren van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat, ter zake van overtreding:
1°. van artikel 2.6 van de Wet wegvervoer goederen,
2°. van artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, voor zover zij
deze gegevens nodig hebben voor de beoordeling van de eis van
betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 23 van het Besluit
personenvervoer 2000 en artikel 2.10 van de Wet wegvervoer
goederen,
3°. als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de
Scheepvaartverkeerswet,
4°. van de artikelen, genoemd in artikel 8:1, eerste lid, of
artikel 8:2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, of
5°. van artikel 5.3.15 juncto 5.1.1, eerste lid, onderdeel
c, van de Regeling voertuigen.
Artikel 22a
Justitiële gegevens van degene die in het bezit is van een
chauffeurskaart als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Besluit
personenvervoer 2000, worden ambtshalve verstrekt aan Onze Minister.
Onze Minister verstrekt de justitiële gegevens, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, en artikel 7, eerste lid, onder f, terzake van de strafbare
feiten die van belang zijn voor de beoordeling van een met het oog op
het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur aangevraagde verklaring
omtrent het gedrag, verder aan Onze Minister van Infrastructuur en
Milieu, met het oog op toepassing van artikel 82, vierde lid, van het
Besluit personenvervoer 2000.
Paragraaf 2. Verstrekking ten behoeve van het aannemen en ontslag van
personeel
Artikel 23
1.Justitiële gegevens worden met het oog op het bij wettelijk
voorschrift geregelde onderzoek naar de betrouwbaarheid en
geschiktheid van een persoon die in aanmerking wil komen voor een
functie bij een ambtelijke dienst voorzover de functie bijzondere
eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de
betrokkene, desgevraagd verstrekt aan:
a. het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor
een dienstbetrekking;
b. de korpsbeheerder van een regionaal politiekorps voorzover
het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een
dienstbetrekking bij dat korps;
c. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor
een dienstbetrekking bij het Korps landelijke politiediensten;
d. het bestuur van Politie Nederland voor zover het betreft
personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking
bij Politie Nederland;
e. de raad van toezicht van het Landelijk selectie- en
opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum,
voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor
een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
f. het college van bestuur van het Landelijk selectie- en
opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum,
voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor
een dienstbetrekking als ambtenaar als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het
politieonderwijs;
g. Onze Minister voorzover het betreft de personen die in
aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking als bijzondere
ambtenaar van politie;
h. Onze Minister van Buitenlandse Zaken voorzover het betreft
personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking
bij de Dienst Buitenlandse Zaken;
i. de directeur-generaal Belastingdienst, voorzover het betreft
de boete- en fraudecoördinator, de contactambtenaar Algemene wet
inzake rijksbelastingen, de medewerkers fraudeteam en de
autorisatiebeheerder en toepassingsbeheerder;
j. de voorzitter van het managementteam van de
Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst
Economische controledienst voorzover het betreft de personen die
in aanmerking willen komen voor de functie van
opsporingsambtenaar;
k. het hoofd van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorzover het betreft de
personen die in aanmerking willen komen voor de functie van
opsporingsambtenaar;
l. de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat voorzover het betreft de personen die in aanmerking
willen komen voor de functie van opsporingsambtenaar;
m. de directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onder b, van de Penitentiaire beginselenwet, de directeur van een
inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet
verpleging ter beschikking gestelden, de directeur van een
voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers, de directeur van een
grenslogies als bedoeld in artikel 2, aanhef, onder 1, van het
Reglement regime grenslogies alsmede de directeur van een
inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen voorzover het betreft personen die
in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien op grond
van een wettelijk voorschrift gedurende het dienstverband bij een
ambtelijke dienst een onderzoek naar de betrouwbaarheid en
geschiktheid van een persoon wordt gedaan.
Artikel 24
Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan Onze Minister
ten behoeve van:
a. het nemen van de beslissingen over de betrouwbaarheid van
buitengewone opsporingsambtenaren;
b. het nemen van de beslissingen over de betrouwbaarheid van de
opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, genoemd
in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
c. het onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van
personen die in aanmerking willen komen voor een functie bij de
rechtsprekende macht of als rechterlijk ambtenaar bij het openbaar
ministerie.
Artikel 25
Justitiële gegevens worden ten behoeve van de toelating tot de
inrichting van personen, die niet worden ingesloten in de inrichting
respectievelijk voorziening, voorzover dat noodzakelijk is voor de orde
of de veiligheid van de inrichting of de voorziening desgevraagd
verstrekt aan:
a. de directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onder b, van de Penitentiaire beginselenwet;
b. de directeur van een inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden als bedoeld in artikel 1, onder b, van de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
c. de directeur van een voorziening als bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers;
d. de directeur van een grenslogies als bedoeld in artikel 2,
aanhef, onder 1, van het Reglement regime grenslogies;
e. de directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 26
1.Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:
a. de directeur van het Nederlands Centraal Instituut voor
Giraal Effectenverkeer BV ten behoeve van het onderzoek naar de
betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die in aanmerking
willen komen voor een dienstbetrekking bij deze rechtspersoon of
bij het Nederlands Interprofessioneel Effectencentrum NIEC BV of
die al een dienstbetrekking bij een van deze rechtspersonen
vervullen, maar in aanmerking willen komen voor een andere
dienstbetrekking bij een van deze rechtspersonen alsmede ten
behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de
geschiktheid van personen die bij de hiervoor genoemde
rechtspersonen werkzaamheden gaan verrichten gedurende een zo
lange periode dat hun positie kan worden gelijkgesteld met die van
werknemers in dienstverband;
b. de President van De Nederlandsche Bank N.V. ten behoeve van
het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van
personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking
bij deze rechtspersoon of bij de Europese Centrale Bank of die
reeds een dienstbetrekking bij deze rechtspersoon of bij de
Europese Centrale Bank vervullen, maar in aanmerking willen komen
voor een andere dienstbetrekking bij die rechtspersoon of de
Europese Centrale Bank, alsmede ten behoeve van het onderzoek naar
de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die bij de
hiervoor genoemde rechtspersonen werkzaamheden gaan verrichten
gedurende een zodanige lange periode dat hun positie kan worden
gelijkgesteld met die van werknemers in dienstverband;
c. de President van De Nederlandsche Bank N.V. ten behoeve van
het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van
personen die naar aanleiding van een overeenkomst met De
Nederlandsche Bank N.V. worden belast met het vervoer van
bankbiljetten, munten of halffabrikaten die worden gebruikt bij de
vervaardiging van bankbiljetten of munten;
d. de directeur van Joh. Enschedé Facilities BV ten behoeve
van onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van personen
die belast zijn met het produceren van bankbiljetten en
waardepapieren;
e. de voorzitter van de Autoriteit Financiële Markten ten
behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de
geschiktheid van personen die in aanmerking willen komen voor een
dienstbetrekking bij dit bestuursorgaan of die reeds een
dienstbetrekking vervullen bij dit bestuursorgaan, maar die in
aanmerking willen komen voor een andere dienstbetrekking bij dit
bestuursorgaan, alsmede ten behoeve van het onderzoek naar de
betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die bij dit
bestuursorgaan werkzaamheden gaan verrichten gedurende een zo
lange periode dat hun positie kan worden gelijkgesteld met die van
werknemers in dienstverband.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met het oog op
het nemen van beslissingen over het ontslag van personeel.
Artikel 27
1. Justitiële gegevens worden ten behoeve van het onderzoek naar
de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die in aanmerking
willen komen voor een dienstbetrekking bij de genoemde organisaties
desgevraagd verstrekt aan:
a. het hoofd van de Dienst Bedrijfsbeveiliging van de
Koninklijke Luchtvaartmaatschappij NV;
b. de directeur van SAGEM Identification bv.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met het oog op
het nemen van beslissingen ten behoeve van het onderzoek naar de
betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die bij de
rechtspersonen, genoemd in het eerste lid, werkzaamheden gaan
verrichten gedurende een zodanig lange periode dat hun positie kan
worden gelijkgesteld met die van werknemers in dienstverband alsmede
met het oog op het nemen van beslissingen over het ontslag van
personeel.
Artikel 28
1.Er worden geen verstrekkingen als bedoeld in de artikelen 23 tot
en met 27 gedaan dan nadat de persoon, instantie, dienst of
organisatie die om de gegevens verzoekt een ondertekende verklaring
van betrokkene heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij toestemming
voor de verstrekking geeft en op de hoogte is van de wijze waarop met
de justitiële gegevens wordt omgegaan.
2.De persoon, instantie, dienst, college of organisatie die
overeenkomstig deze paragraaf justitiële gegevens heeft ontvangen
doet van deze gegevens en de gevolgen die de persoon, instantie,
dienst of organisatie voornemens is daaraan te verbinden schriftelijk
mededeling aan de betrokkene en stelt hem in het geval bedenkingen van
hem zijn te verwachten, in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren
te brengen.
Paragraaf 3. Verstrekking ten behoeve van advies, aanbeveling of
voordracht van personen
Artikel 29
1.Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:
a. de voorzitter van de commissies die zijn belast met de
selectie van personen die in aanmerking willen komen voor een
functie bij de rechtsprekende macht of als rechterlijk ambtenaar
bij het Openbaar Ministerie, ten behoeve van onderzoek naar de
betrouwbaarheid en geschiktheid van die personen;
b. de personen belast met het opmaken van een aanbeveling voor
de vervulling van het ambt van Nationale ombudsman of
substituut-ombudsman, ten behoeve van het opmaken van zodanige
aanbeveling;
c. de voorzitters van de kamers van toezicht ten behoeve van
het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van
personen die in aanmerking willen komen voor een benoeming tot
notaris;
2.Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30
1. Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:
a. de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie ten
behoeve van de voordracht die wordt gedaan met het oog op de
benoeming van een minister of staatssecretaris;
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
ten behoeve van de voordracht voor benoeming van de commissaris
van de Koningin en de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. de commissaris van de Koningin ten behoeve van het dienen
van advies:
1º. inzake de benoeming van burgemeesters;
2º. inzake de verlening van een koninklijke onderscheiding
aan een burgemeester op grond van het Reglement op de orde van
de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau;
3°. inzake de verlening van het predikaat Koninklijk, de
verlening van het recht tot het voeren van het Koninklijk
Wapen met de toevoeging «Bij Koninklijke Beschikking
Hofleverancier» alsmede de verlening van de Koninklijke
Erepenning;
d. de burgemeester ten behoeve van het dienen van advies:
1°. inzake de verlening van een koninklijke onderscheiding
op grond van het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw
en de Orde van Oranje-Nassau;
2°. inzake de verlening van het predikaat Koninklijk, de
verlening van het recht tot het voeren van het Koninklijk
Wapen met de toevoeging «Bij Koninklijke Beschikking
Hofleverancier» alsmede de verlening van de Koninklijke
Erepenning;
e. de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba ten behoeve van het dienen van advies
inzake de benoeming van gezaghebbers;
f. Onze Minister van Defensie met het oog op de toekenning van
bij koninklijk besluit te verlenen onderscheidingen.
2. Met het oog op de adviserende bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, onder c, onder 2° en onder d, kunnen justitiële gegevens
betreffende misdrijven tegen de zeden, bedoeld in artikel 4 van de wet
worden verstrekt.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b, onder c,
onder 1°, en onder e, is artikel 28 van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4. Verstrekkingen aan het buitenland
Artikel 30a
Ter uitvoering van een op een verdrag gegrond verzoek kunnen
justitiële gegevens door tussenkomst van de officier van justitie aan
de bevoegde buitenlandse autoriteiten worden verstrekt ten behoeve van
strafrechtelijke doeleinden.
Paragraaf 5. Verstrekkingen aan een lidstaat
Artikel 30b
Als centrale autoriteit is in Nederland aangewezen de Justitiële
Informatiedienst.
Artikel 30c
De Justitiële Informatiedienst stelt de centrale autoriteit van een
andere lidstaat onverwijld in kennis van de justitiële gegevens die
betrekking hebben op de veroordeling en van de nadien met betrekking tot
die veroordeling genomen maatregelen ten aanzien van de onderdanen van
die lidstaat wegens een strafbaar feit, voor zover vastgelegd bij de
Justitiële Informatiedienst. Indien de betrokkene de nationaliteit
bezit van twee of meer lidstaten, worden de mededelingen aan alle
betrokken lidstaten gedaan, tenzij de betrokkene mede de Nederlandse
nationaliteit bezit.
Artikel 30d
1.De Justitiële Informatiedienst kan door tussenkomst van de
officier van justitie desgevraagd justitiële gegevens aan de centrale
autoriteit van een andere lidstaat verstrekken ten behoeve van de
doeleinden die gelijk kunnen worden gesteld aan die genoemd in de wet
en in dit besluit.
2.Aan de verstrekking kunnen voorschriften worden gesteld in
verband met de verwerking en de verdere verwerking.
3.De Justitiële Informatiedienst zendt het antwoord op het verzoek
onverwijld maar in ieder geval binnen tien werkdagen na de dag waarop
het verzoek is ontvangen. Beantwoording van het verzoek geschiedt met
gebruikmaking van het formulier, opgenomen in de bijlage bij het
Besluit nr. 2005/876/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 21
november 2005 inzake de uitwisseling van gegevens uit het
strafregister (PbEU L 322).
4.Indien het antwoord op het verzoek niet in de Nederlandse taal
geschiedt, draagt de Justitiële Informatiedienst zorg voor de
vertaling.
Artikel 30e
1.De Justitiële Informatiedienst onderzoekt de volledigheid van de
bij de verzoeken, bedoeld in artikel 30d, eerste lid, verstrekte
gegevens met het oog op de verstrekking van de justitiële gegevens.
2.Indien de Justitiële Informatiedienst nadere gegevens nodig
heeft met het oog op de deugdelijke vaststelling van de identiteit van
de persoon op wie het verzoek betrekking heeft, pleegt hij onverwijld
overleg met de centrale autoriteit die het verzoek heeft gedaan
teneinde binnen tien werkdagen na de dag waarop de aanvullende
informatie is verkregen, een antwoord te kunnen verzenden.
Artikel 30f
De toezending van verzoeken, antwoorden en andere relevante gegevens
als bedoeld in de artikelen 30c, 30d en 30e kan plaatsvinden via elk
communicatiemiddel op elke wijze die de mogelijkheid biedt een
schriftelijk document over te leggen op grond waarvan de ontvangende
lidstaat de echtheid kan vaststellen.
Afdeling 3. Machtiging
Artikel 31
1.De personen, instanties of colleges, bedoeld in artikel 8, eerste
en tweede lid van de wet en in hoofdstuk 3, aan wie justitiële
gegevens worden verstrekt kunnen onder hen ressorterend personeel
machtigen tot het doen van een verzoek om justitiële gegevens. In dat
geval wordt de machtiging in het verzoek om inlichtingen vermeld.
2.In de gevallen waarin op grond van dit besluit de burgemeester
bevoegd is om justitiële gegevens te vragen, kan hij de korpschef in
wiens regio de gemeente is gelegen, machtigen tot het doen van een
verzoek om de betreffende gegevens.
Hoofdstuk 4. De verklaring omtrent het gedrag
Artikel 32
Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte
van de verklaring omtrent het gedrag kennis nemen van de justitiële
gegevens betreffende misdrijven tegen de zeden, bedoeld in artikel 4 van
de wet.
Artikel 33
1.Onze Minister neemt bij zijn onderzoek als bedoeld in artikel 36
van de wet in het kader van de beoordeling van de eis van
betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het Besluit
goederenvervoer over de weg en artikel 22, eerste lid, 23, eerste lid,
en 30, vierde lid, 76.1 van het Besluit personenvervoer 2000
uitsluitend kennis van de gegevens bedoeld in de artikelen 10, 11 en
12 van de Wet.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op de beoordeling van de
afgifte van de verklaring omtrent het gedrag in het kader van de
beoordeling van de eis van betrouwbaarheid van de vervoerder of
bestuurder van één of meer taxi's.
Hoofdstuk 5. Afkomst van de rapporten die persoonsdossiers vormen
Artikel 34
De rapporten die het persoonsdossier vormen zijn afkomstig van:
a. een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 4 van de
Reclasseringsregeling 1995;
b. de raad voor de kinderbescherming;
c. een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg bij de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onder c en d, van de Wet op de jeugdzorg;
d. een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onder
b, van de Penitentiaire beginselenwet;
e. een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
f. een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
g. Onze Minister.
Artikel 35. De verstrekking van afschriften van rapporten uit
persoonsdossiers
Afschriften van rapporten uit een persoonsdossier worden verstrekt
aan:
a. de directeur van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg ten behoeve van het verlenen van hulp
en steun aan jeugdigen die worden verdacht van of zijn veroordeeld
wegens een strafbaar feit of ten aanzien van wie op grond van
bepalingen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van
Strafvordering voorwaarden zijn gesteld;
b. Onze Minister ten behoeve van het voorbereiden van enig
rapport met het oog op een juiste toepassing van het strafrecht.
Hoofdstuk 6. Kosten
Artikel 36
1.Voor een mededeling als bedoeld in artikel 18, 19, 43 of 44 van
de wet is een vergoeding van € 4,54 verschuldigd.
2.Onze Minister neemt een aanvraag tot afgifte van een verklaring
omtrent het gedrag eerst in behandeling nadat de bij ministeriële
regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling
is ontvangen.
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 37
De volgende besluiten, regelingen en beschikkingen worden
ingetrokken:
a. het Besluit registratie justitiële gegevens;
b. het Besluit inlichtingen justitiële documentatie;
c. het Besluit inlichtingen strafregisters;
d. het Besluit van 30 januari 1956 betreffende
uitvoeringsvoorschriften ten aanzien van de verklaringen omtrent het
gedrag;
e. het Besluit van 20 februari 1958 betreffende de samenstelling
van de commissies van advies inzake de afgifte van verklaringen
omtrent het gedrag;
f. de Regeling van 10 december 1993, Stcrt. 250;
g. de Regeling van 23 maart 1994, Stcrt. 65, houdende de
aanwijzing van de beheerder van de afdeling van de justitiële
documentatiedienst ten departementen;
h. de beschikking van de Minister van Justitie van 16 april 1951,
Stcrt. 76.
i. de beschikking van de Minister van Justitie van 10 november
1958, Stcrt. 221
j. de beschikking van de Minister van Justitie van 10 november
1958, Stcrt. 223;
k. de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken,
Bezitsvorming en Publieke Bedrijfsorganisaties van 15 januari 1959,
Stcrt. 24;
l. de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18
december 1972, Stcrt. 250.
Artikel 38
[Wijzigt het Algemeen Rijksambtenarenreglement]
Artikel 39
[Wijzigt het Ambtenarenreglement Staten-Generaal]
Artikel 40
[Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie]
Artikel 41
[Wijzigt het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken]
Artikel 42
[Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie]
Artikel 43
[Wijzigt het Besluit rechtspositie vrijwillige politie]
Artikel 44
[Wijzigt het Besluit politieregisters]
Artikel 45
[Wijzigt het Besluit goederenvervoer over de weg]
Artikel 46
[Wijzigt het Besluit personenvervoer 2000]
Artikel 47
[Wijzigt de Penitentiaire maatregel]
Artikel 48
[Wijzigt het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel WPO/WEC]
Artikel 49
[Wijzigt het Reglement verpleging ter beschikking gestelden]
Artikel 50
[Wijzigt de Afgifte bewijzen van betrouwbaarheid en non-faillisement]
Artikel 51
[Wijzigt het Besluit afgifte bewijzen van betrouwbaarheid ex artikel
37 Eerste richtlijn van de Raad voor de Europese Gemeenschappen van 5
maart 1979.]
Artikel 52
De gegevens die voor de inwerkingtreding van de wet overeenkomstig
een wettelijk voorschrift door de justitiële documentatiedienst waren
geregistreerd worden op het moment van inwerkingtreding aangemerkt als
justitiële gegevens.
Artikel 53
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
justitiële gegevens in werking treedt met uitzondering van artikel 7,
eerste lid, onder k, dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip.
Artikel 54
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit justitiële gegevens.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 maart 2004
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de eenendertigste maart 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|