|
De Minister van
Binnenlandse Zaken;
Gelet op artikel 4, vijfde lid, van de Wet
kaderregeling vut overheidspersoneel;
Gezien de brief van 30 september 1997
(PK97.01003) van de pensioenkamer uit de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder instelling: een instelling als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet kaderregeling vut
overheidspersoneel, dan wel een instelling waarop artikel 3 van die wet
van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 2
1. De instelling die, of het onderdeel
daarvan dat ophoudt te bestaan of ophoudt als zodanig te bestaan, is aan
de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel
voor de dekking van de financiële lasten die vanaf dan ontstaan wegens
beëindiging van de gebondenheid aan een vut-overeenkomst van personen
die behoren of behoorden tot het personeel van de instelling, een
vergoeding verschuldigd.
2. Het bedrag van de vergoeding wordt door het bestuur van de
Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel
vastgesteld op het saldo van de contante waarde van de door die
stichting gemiste premie-inkomsten voor de in het eerste lid bedoelde
personen, verminderd met de contante waarde van de vervallen
verplichtingen van de stichting jegens die personen.
3. Het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd
uittreden overheidspersoneel stelt nadere regels omtrent de betaling van
de vergoeding.
Artikel 3
De plicht tot betaling van de vergoeding, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, rust mede op het publiekrechtelijk lichaam waarvan de
betrokken instelling onderdeel is of tot welk lichaam de instelling in
een relatie staat op grond van een financiële verhouding dan wel
doelstelling, mits dat lichaam op grond van die relatie de instelling
heeft doen of mede heeft doen ophouden te bestaan onderscheidenlijk als
zodanig te bestaan.
Artikel 4
Het gezag of bestuur van een instelling meldt aan het bestuur van de
Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel dat de
instelling zal ophouden te bestaan of ophouden als zodanig te bestaan en
tevens het tijdstip waarop dat zal gebeuren. De melding dient te
geschieden op een zo vroeg mogelijk tijdstip doch uiterlijk zes weken
voorafgaande aan het tijdstip waarop de instelling zal ophouden te
bestaan of ophouden als zodanig te bestaan.
Artikel 5
In het geval dat bij een instelling de omvang van taken wordt
verminderd zodanig dat dit gepaard gaat met een vermindering van het
arbeidsvolume en daarmee een situatie ontstaat die naar het oordeel van
het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
overheidspersoneel niet wezenlijk verschilt van de situatie waarin die
instelling ophoudt te bestaan of ophoudt als zodanig te bestaan, zijn de
artikelen 2, 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing ten aanzien van een
instelling die ophoudt te bestaan en waarvan de activiteit en het
daarbij behorende arbeidsvolume overgaan naar een andere instelling,
tenzij binnen één jaar na het tijdstip waarop het arbeidsvolume is
overgegaan een naar het oordeel van het bestuur van de Stichting fonds
vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel wezenlijke
vermindering van het arbeidsvolume optreedt.
Artikel 7
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal.
|