| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet kinderopvang (Wk)
BELEIDSREGELS
WERKWIJZE TOEZICHTHOUDER KINDEROPVANG
Tekst zoals deze geldt op
18 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BELEIDSREGELS van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 10 november 2004, Directie Arbeidsverhoudingen, nr.
AV/KO/2004/69683, houdende werkwijze toezichthouder kinderopvang
(Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 64 en 101 van de Wet
kinderopvang;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Wet kinderopvang;
b. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in artikel 61 van
de wet;
c. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor
kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;
d. buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een
kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het
basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na
de dagelijkse schooltijd, alsmede gedurende vrije dagen of middagen
en in de schoolvakanties;
e. inspectierapport: het inspectierapport, bedoeld in artikel 63
van de wet;
f. college: college van burgemeester en wethouders;
g. innovatieve gastouderopvang: kinderopvang op grond van artikel
1 van het Tijdelijk besluit innovatieve kinderopvang.
Paragraaf 2. Werkwijze toezichthouder
Artikel 2. Werkzaamheden toezichthouder
De werkzaamheden van de toezichthouder bestaan uit:
a. het beoordelen van de kwaliteit van de kinderopvang bij een
kindercentrum respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden
van een gastouderbureau op basis van het verrichten van onderzoek
naar de naleving van de bij hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, van de
Wet kinderopvang gegeven voorschriften en de bij de Beleidsregels
kwaliteit kinderopvang gegeven voorschriften;
b. het bij de uitoefening van de onder a bedoelde werkzaamheden
voeren van overleg met betrokkenen van het betreffende kindercentrum
of gastouderbureau, met dien verstande dat bij een onderzoek als
bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de wet ten minste overleg
plaatsvindt met de houder of diens vertegenwoordiger, met personeel
en met één of meer vertegenwoordigers van de oudercommissie,
evenals het voeren van overleg met vertegenwoordigers van de
gemeente waar het betreffende kindercentrum of gastouderbureau is
gevestigd, tenzij dit naar het oordeel van de toezichthouder in
verband met de kwaliteit van de kinderopvang bij het betreffende
kindercentrum respectievelijk van de uitvoering van de werkzaamheden
van het betreffende gastouderbureau, niet noodzakelijk wordt geacht;
en
c. het rapporteren over de kwaliteit van de kinderopvang bij een
kindercentrum respectievelijk over de uitvoering van de
werkzaamheden bij een gastouderbureau.
Artikel 3. Toetsingskaders
1. De toezichthouder verricht een onderzoek als bedoeld in artikel
62, eerste, tweede of derde lid, van de wet aan de hand van een
toetsingskader.
2. Voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang,
daaronder mede begrepen innovatieve kinderopvang, daaronder mede
begrepen innovatieve gastouderopvang, wordt een toetsingskader
ingericht, overeenkomstig het model in bijlage 1, 2 en 3 bij deze
regeling.
Artikel 4. Voorselectie
1. Voordat de toezichthouder een onderzoek verricht als bedoeld in
artikel 3 stelt hij aan de hand van een selectieformulier,
overeenkomstig het model in bijlage 4, vast of sprake is van
kinderopvang, gastouderopvang of innovatieve gastouderopvang in de zin
van de wet en of deze opvang is gemeld in de zin van de wet.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat geen sprake is van
kinderopvang, gastouderopvang of innovatieve gastouderopvang in de zin
van de wet, dan vindt artikel 3 geen toepassing. In dat geval
informeert de toezichthouder het college van de gemeente waar de
opvang, anders dan kinderopvang, gastouderopvang of innovatieve
gastouderopvang, voorkomt.
3. Indien naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van
niet-gemelde kinderopvang of niet-gemelde gastouderopvang
onderscheidenlijk niet-gemelde innovatieve gastouderopvang die door
tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvindt, dan informeert de
toezichthouder het college van de gemeente waar de niet-gemelde
kinderopvang of niet-gemelde gastouderopvang onderscheidenlijk
niet-gemelde innovatieve gastouderopvang voorkomt.
Artikel 5. Onderzoek na aanvangsdatum exploitatie
Binnen drie maanden nadat een kindercentrum of gastouderbureau in
exploitatie is genomen, vindt een onderzoek als bedoeld in artikel 62,
tweede lid, van de wet plaats, behoudens bijzondere omstandigheden.
Artikel 6. Nader onderzoek
Onverminderd de artikelen 65 en 66, alsmede hoofdstuk 5, paragraaf 2,
van de wet verricht de toezichthouder, afhankelijk van de ernst van de
in het inspectierapport geconstateerde tekortkomingen, nader onderzoek,
indien is gebleken dat de houder van het desbetreffende kindercentrum of
gastouderbureau de kwaliteitsverbeteringen niet binnen de in het
inspectierapport gestelde termijn heeft gerealiseerd. Artikel 3 is van
toepassing.
Artikel 7. Procedure ontwerprapport
1. Binnen zes weken na afloop van een onderzoek als bedoeld in
artikel 62 van de wet ontvangt de houder het ontwerprapport.
2. Binnen twee weken na de ontvangst van het ontwerprapport,
bedoeld in het eerste lid, wordt door de GGD-ambtenaar met de houder
overleg gevoerd over de inhoud van het ontwerprapport.
3. In het geval er geen overeenstemming wordt bereikt over de
inhoud van het ontwerprapport, krijgt de houder twee weken de
gelegenheid zijn zienswijze schriftelijk daarover kenbaar te maken.
4. De toezichthouder stelt het inspectierapport binnen twee weken
na het tijdstip bedoeld in het tweede of derde lid, vast. De
toezichthouder stelt het college daarvan in kennis.
5. Indien ingevolge artikel 62, derde lid, tweede volzin, van de
wet geen openbaar inspectierapport wordt opgemaakt, stelt de
toezichthouder de houder en het college van de gemeente waar het
kindercentrum of gastouderbureau is gevestigd daarvan in kennis.
Artikel 8. Inspectierapport
1. Een inspectierapport bevat:
a. de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van het
kindercentrum of gastouderbureau waar een onderzoek is uitgevoerd,
evenals de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de
houder;
b. de soort opvang die is onderzocht;
c. de naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar
een onderzoek heeft uitgevoerd;
d. de naam van de GGD-ambtenaar die het onderzoek heeft
uitgevoerd, evenals de naam en het adres van de vestiging van de
GGD waar de betreffende ambtenaar werkzaam is;
e. de aanleiding voor een onderzoek;
f. de datum en tijdstip van een onderzoek;
g. de wijze waarop een onderzoek aan de hand van een
toetsingskader is uitgevoerd; en
h. een betekenisvolle beschouwing, waarin onderzoeksresultaten
en conclusies congrueren en een onderscheid is aangebracht tussen
de naleving van de wettelijke kwaliteitsvoorschriften en de
Beleidsregels kwaliteit kinderopvang.
2. Voorts bevat een inspectierapport zo nodig:
a. een opgave van de kwaliteitsvoorschriften waaraan niet of
niet in voldoende mate is voldaan, waarbij wordt aangegeven welk
voorschrift van de wet of van de Beleidsregels kwaliteit
kinderopvang het betreft, met dien verstande dat bij een onderzoek
na een melding als bedoeld in artikel 45 van de wet tevens wordt
aangegeven welke voorschriften vooralsnog niet kunnen worden
beoordeeld;
b. ingeval van afwijking van de Beleidsregels kwaliteit
kinderopvang tevens de redenen van de houder tot afwijking
daarvan;
c. een overzicht van gemaakte afspraken, daaronder mede
begrepen de vermelding van hersteltermijnen;
d. de aankondiging van een nader onderzoek; en
e. een advies aan het college van de gemeente waar het
betreffende kindercentrum of gastouderbureau is gevestigd,
daaronder mede begrepen voorstellen over mogelijk te treffen
maatregelen.
3. Voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang,
daaronder mede begrepen innovatieve gastouderopvang, wordt een
inspectierapport ingericht, overeenkomstig het model in bijlage 5, 6
en 7 bij dit besluit.
3. Voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang,
daaronder mede begrepen innovatieve kinderopvang, wordt een
inspectierapport ingericht, overeenkomstig het model in bijlage 5, 6
en 7 bij dit besluit.
Paragraaf 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
geldt voor kalenderjaren die aanvangen op of na 1 januari 2005.
Artikel 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels werkwijze
toezichthouder kinderopvang.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst. De bijlagen 1 tot en met 4 liggen met ingang van het
tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage bij de
bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Den Haag, 10 november 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
Bijlage 1 (artikel 3, tweede lid) .
Toetsingskader voor dagopvang
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap]
Bijlage 2 (artikel 3, tweede lid).
Toetsingskader voor buitenschoolse opvang
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap]
Bijlage 3 (artikel 3, tweede lid).
Toetsingskader voor gastouderopvang
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap]
Bijlage 4 (artikel 4). Selectieformulier
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap]
Bijlage 5
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap]
Bijlage 6
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap]
Bijlage 7
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap]
|
|
|