| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp)
REGELING
WET KINDEROPVANG EN KWALITEITSEISEN
PEUTERSPEELZALEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 28 september 2004, Directie Arbeidsverhoudingen, nr.
AV/KO/2004/65638, houdende nadere regels ter zake van enkele in de Wet
kinderopvang geregelde onderwerpen (Regeling Wet kinderopvang)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 24, 30, 35, vierde lid,
45, tweede lid, 46, vierde lid, 48, vijfde en negende lid, onderdeel a,
53, 56, tweede lid, 62, eerste lid, 67, tweede lid, van de Wet
kinderopvang;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
b. college: college van burgemeester en wethouders;
c. Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
d. vraagouder: ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt
door een gastouder.
Paragraaf 2. Tegemoetkoming van de gemeente en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Artikel 2. Duur tegemoetkoming
De maximale duur van de aanspraak van een ouder op een tegemoetkoming
van de gemeente respectievelijk op een tegemoetkoming van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 1.35
van de wet bedraagt zes maanden.
Artikel 3. Toeslag
Het vast te stellen bedrag, bedoeld in de artikelen 1.24, eerste tot
en met derde lid, en 1.30, eerste en tweede lid, van de wet komt overeen
met:
a. 4,5% van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7,
eerste lid, van de wet voor een eerste kind dat gebruik maakt van
kinderopvang; of
b. 3,5% van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7,
eerste lid, van de wet voor ieder tweede of volgende kind dat
gebruik maakt van kinderopvang.
Artikel 4. Voorkoming samenloop toeslag
Indien de ouder of zijn partner gedurende een berekeningsjaar een
persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c, e of f, van
de wet, terwijl de ander een persoon is als bedoeld in artikel 1.6,
eerste lid, onder h of i van de wet, wordt het bedrag, bedoeld in
artikel 3, uitsluitend uitbetaald aan de ouder die een persoon is als
bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, van de wet.
Paragraaf 3. Regels inzake registratie van voorzieningen
Artikel 5 [Vervallen per 29-05-2010]
Artikel 6 [Vervallen per 29-05-2010]
Artikel 7 [Vervallen per 29-05-2010]
Artikel 8 [Vervallen per 29-05-2010]
Artikel 9 [Vervallen per 29-05-2010]
Artikel 9a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 9b. Systeembeschrijving
De systeembeschrijving, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van het
Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, wordt vastgesteld
overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 1.
Artikel 9c. Taak Dienst Uitvoering Onderwijs
De Dienst Uitvoering Onderwijs wordt aangewezen als bewerker in de
zin van artikel 4 van het Besluit registers kinderopvang en
peuterspeelzaalwerk.
Paragraaf 4. Deskundigheidseisen gastouders en beroepskrachten
voorschoolse educatie
Artikel 10
1. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onder a, van het
Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang worden de volgende
beroepsopleidingen als beroepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2,
eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
aangewezen:
a. Helpende Zorg en Welzijn 2;
Helpende welzijn 2; en
b. Helpende breed 2;
Helpende sociaal agogisch werk 2;
Verzorgingsassistent(e).
2. In aanvulling op het eerste lid kan de minister op aanvraag
besluiten een beroepsopleiding, waarvan het curriculum voor ten minste
90% vergelijkbaar is met het curriculum van een van de
beroepsopleidingen, genoemd het eerste lid, onder a, of waarvan het
curriculum identiek is aan het curriculum van een van de
beroepsopleidingen, genoemd in het eerste lid, aan te wijzen als een
beroepsopleiding waarmee de aanvrager, indien hij in het bezit is van
een getuigschrift van deze beroepsopleiding, eveneens voldoet aan de
in artikel 2, onder a, van het Besluit deskundigheidseisen gastouders
kinderopvang opgenomen eis.
3. De minister stelt beleidsregels vast over de wijze waarop de
aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt.
Artikel 10a
1. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onder b, van het
Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, worden de
volgende beroepsopleidingen als beroepsopleiding, bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d, of e, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, aangewezen:
a. Gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang;
Onderwijsassistent;
Onderwijsassistent PO/SO (primair onderwijs/speciaal
onderwijs);
Pedagogisch medewerker 3 kinderopvang;
Pedagogisch Werker 3 Kinderopvang;
Pedagogisch Werker 4 Kinderopvang;
Pedagogisch Werker niveau 3;
Pedagogisch Werker niveau 4;
Sociaal-Cultureel Werker (SCW);
Sociaal Pedagogisch Werker 3 (SPW-3);
Sociaal Pedagogisch Werker 4 (SPW4);
Sport en Bewegen (niveau 3 en 4);
Sport- en bewegingscoördinator (niveau 4);
Sport- en bewegingsleider (niveau 3); en
en
b. A verpleegkundige;
Activiteitenbegeleider (AB);
Activiteitenbegeleiding (AB);
Agogisch Werk (AW);
akte hoofdleidster kleuteronderwijs;
akte Kleuterleidster A;
akte Kleuterleidster B;
Akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het
kleuteronderwijs;
Akte van bekwaamheid als leidster aan kleuterscholen;
Akte van bekwaamheid als leidster bij het kleuteronderwijs;
Arbeidstherapie (AT);
A-Verpleegkundige;
A-verpleger;
B Verpleegkundige;
B-Verpleegkundige;
B-verpleger;
Cultureel werk (CW);
Getuigschrift A (ziekenverpleging);
Getuigschrift B (ziekenverpleging);
Extramurale gezondheidszorg (EMGZ);
Inrichtingswerk (IW);
Kinderbescherming A;
Kinderbescherming B;
Kinderverzorging en Opvoeding;
Kinderverzorging/Jeugdverzorging (KV/JV);
Kinderverzorgster (KV);
Kinderverzorgster van de centrale raad voor de
kinderuitzending;
Kultureel werk (KW);
Leidster kindercentra (niet van OVDB);
Leidster Kindercentra van de OVDB;
Residentieel Werk (RW);
Sociaal Agogisch 2;
Sociaal Agogisch II;
Sociaal Cultureel Werk;
Sociaal Dienstverlener (SD);
Sociaal Pedagogisch Werker;
Sociale Arbeid (SA, SA2 of SAII);
Sociale Dienstverlening (SD, SA, SA1 of SAI);
SPW lang;
Vakopleiding Leidster kindercentra (conform de WEB);
Verdere Scholing in Dienstverband (VSID) richting
kinderdagverblijven;
Verpleegkunde;
Verpleegkunde A;
Verpleegkunde B;
Verpleegkunde Z;
Verpleegkundige;
Verplegende (VP);
Verpleging (VP);
Verpleging A;
Verpleging B;
Verzorgende (VZ niveau 3 of VZ lang);
Verzorgende beroepen (VZ);
Verzorgende Individuele Gezondheidszorg (VIG);
Verzorging (VZ);
Z Verpleegkundige;
Z-Verpleegkundige;
Zwakzinnigenzorg.
2. In aanvulling op het eerste lid kan de minister op aanvraag
besluiten een beroepsopleiding, waarvan het curriculum voor ten minste
90% vergelijkbaar is met het curriculum van een van de
beroepsopleidingen genoemd in het eerste lid, onder a, of waarvan het
curriculum identiek is aan het curriculum van een van de
beroepsopleidingen, genoemd in het eerste lid, aan te wijzen als een
beroepsopleiding waarmee de aanvrager, indien hij in het bezit is van
een getuigschrift van deze beroepsopleiding, eveneens voldoet aan de
in artikel 2, onder a, van het Besluit deskundigheidseisen gastouders
kinderopvang opgenomen eis.
3. De minister stelt beleidsregels vast over de wijze waarop de
aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt.
Artikel 10b
1. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onder c, van het
Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, worden de
volgende opleidingen als opleiding, bedoeld in artikel 7.3a, eerste of
tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, aangewezen;
a. Culturele en Maatschappelijke vorming (CMV);
Kunstzinnig vormende opleiding op HBO-niveau (docentenrichting
binnenkunstonderwijs of kunstzinnige richting binnen
lerarenopleiding);
Leraar basisonderwijs (aan Hogeschool, PABO of IPABO);
Leraar lichamelijke oefening (ALO);
Pedagogiek (HBO-bachelor);
Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH);
Sport en Bewegen; en
b. Akte Lager onderwijs zonder hoofdakte (oude
kweekschoolopleiding);
Akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer(es);
Akte van bekwaamheid als leidster of hoofdleidster bij het
kleuteronderwijs;
Akte van bekwaamheid als onderwijzer(es);
Akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer(es);
Akte van bekwaamheid N XI;
Akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in
de lichamelijke oefening;
Applicatiecursus leraar basisonderwijs (als vervolg op en in
combinatie met kleuterakte A/B);
Applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer(es);
Bachelor of Nursing;
Creatieve therapie (waaronder Mikojel);
Cultureel Werk (CW);
Docent Dans;
Docent Drama;
Docerend musicus;
Educatieve therapie (Mikojel);
Extramurale gezondheidszorg (EMGZ);
Hogere sociaal-pedagogische opleiding van leiders op het
terrein van jeugdvorming en volksontwikkeling;
Hoofdonderwijzer;
Inrichtingswerk (IW);
Jeugdwelzijnswerk;
Kinderverzorging en kinderopvoeding;
Kinderverzorging en opvoeding;
Kreatief Educatief Werk;
Kunstzinnige therapie;
Leraar voortgezet onderwijs van eerste graad in tekenen;
Lerarenopleiding Omgangskunde;
Lerarenopleiding Verzorging/Gezondheidskunde;
Lerarenopleiding Verzorging/Huishoudkunde;
Maatschappelijk Werk (MW);
Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD);
NXX (volgens de Wet op het voortgezet onderwijs);
Pedagogiek MO-A of kandidaatsexamen Pedagogiek;
Pedagogische Academie;
Verpleegkunde.
2. In aanvulling op het eerste lid kan de minister op aanvraag
besluiten een opleiding, waarvan het curriculum voor ten minste 90%
vergelijkbaar is met het curriculum van een van de opleidingen uit het
eerste lid, onder a, of waarvan het curriculum identiek is aan het
curriculum van een van de opleidingen, genoemd in het eerste lid, aan
te wijzen als een opleiding waarmee de aanvrager, indien hij in het
bezit is van een getuigschrift van deze opleiding, eveneens voldoet
aan de in artikel 2, onder a, van het Besluit deskundigheidseisen
gastouders kinderopvang opgenomen eis.
3. De minister stelt beleidsregels vast over de wijze waarop de
aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt.
Artikel 10c
Als opleiding, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het
Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, op tenminste
het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet educatie en beroepsonderwijs, worden aangewezen:
a. voor de beroepskracht voorschoolse educatie in een
kindercentrum: de beroepsopleidingen, genoemd in de artikelen 10a
en10b;
b. voor de beroepskracht voorschoolse educatie in een
peuterspeelzaal: de beroepsopleidingen, genoemd in artikel 10a,
onderdeel a, b, d, f, g, n, o, p, s, t, v, x, hh, ii, kk, mm, nn, pp
of ss, en de beroepsopleidingen, genoemd inartikel 10b, onderdelen
a, i, k, l, y, g of h, alsmede:
a. Branche Ervaren Peuterspeelzaalleidster (BEP),
b. Agogisch Werk/Residentieel Werk (AW/RW),
c. Agogisch Werk/Cultureel Werk (AW/CW),
d. Sociale Arbeid/Sociaal Dienstverlener (SA/SD),
e. Sociaal Pedagogisch Werker (SPW),
f. Kinderverzorging/Jeugdverzorging 2 (KV/JV 2),
g. Kinderverzorging/Jeugdverzorging 3 (KV/JV 3),
h. Leidster Kindercentra landelijke stg. OVDB;
i. Overgangsbewijs naar laatste jaar pedagogische academie,
j. Lerarenopleiding Omgangskunde,
k. Verpleegkundige A,
l. Verpleegkundige B,
m. Verpleegkundige Z,
n. HBO-bachelor-SPH, CMV, MWD,
o. 3e jaar deeltijd volgend Sociaal Pedagogisch Hulpverlener (SPH),
p. 3e jaar deeltijd volgend Cultureel Maatschappelijke vorming (CMV),
en
q. 3e jaar deeltijd volgend Maatschappelijk Werk en
Dienstverlening (MWD).
Artikel 10d. Bewijsstukken van met goed gevolg afgesloten onderricht
dat in elk geval omvat eerste hulp aan kinderen bij ongevallen
1. Voor de toepassing van artikel 4 van het Besluit
deskundigheidseisen gastouders kinderopvang worden de volgende
bewijsstukken aangewezen:
a. geregistreerd certificaat Eerste Hulp aan kinderen van het
Oranje Kruis,
b. geregistreerd certificaat Spoedeisende Hulpverlening bij
Slachtoffers (SEHSO) van NedCert,
c. geregistreerd certificaat Acute Zorg bij kinderen van NIKTA,
d. geregistreerd certificaat Acute Zorgverlener Module Kind en
Omgeving van NIKTA,
e. geregistreerd certificaat Eerstehulpverlener van NIKTA,
f. geregistreerd certificaat Spoedeisende Hulpverlening bij
Kinderen (SEHBK) van NedCert, of
g. [vervallen.]
2. In aanvulling op het eerste lid kan de minister een certificaat
aanwijzen waarmee eveneens wordt voldaan aan de in artikel 2, onder b,
van het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang opgenomen
eis.
3. Een aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, kan alleen
plaatsvinden indien het certificaat slechts wordt afgegeven indien ten
minste de volgende inhoudelijke criteria zijn getoetst:
a. aantoonbare kennis van en inzicht in de voor
eerstehulpverlening relevante fysieke verschillen tussen
zuigelingen, kinderen en volwassenen;
b. aantoonbare kennis van en inzicht in het gedrag van
zuigelingen en kinderen bij ongeval en ziekte alsmede aantoonbare
vaardigheid om daarop adequaat te reageren;
c. aantoonbare vaardigheid in het verlenen van eerste hulp aan
zuigelingen en kinderen bij veelvuldig voorkomende stoornissen in
de vitale functies en plaatselijke letsels;
d. aantoonbare kennis van en inzicht in de gevaren die in het
bijzonder zuigelingen en kinderen bedreigen; en
e. aantoonbare kennis van en inzicht in de wijze waarop
ongevallen bij zuigelingen en kinderen kunnen worden voorkomen.
4. Een aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, kan alleen
plaatsvinden indien naast de criteria, genoemd het derde lid, tevens
ten minste aan de volgende processuele criteria is voldaan:
a. de certificerende instantie is onafhankelijk;
b. de certificerende instantie verzorgt zelf geen onderwijs met
betrekking tot het te verlenen certificaat;
c. de certificerende instantie biedt zelf geen onderwijs aan
met betrekking tot het te verlenen certificaat;
d. de certificerende instantie schrijft geen onderwijsmethode
en onderwijsmateriaal voor met betrekking tot het te verlenen
certificaat;
e. de certificerende instantie geeft zelf het certificaat af
voor maximaal twee jaar;
f. de certificerende instantie ziet zelf toe op de kwaliteit
van het voor het verkrijgen van het certificaat af te leggen
examen; en
g. de certificerende instantie registreert zelf de behaalde
certificaten en de geldigheidsduur in een register.
Artikel 10e
1. Aan de Directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs
wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van
besluiten en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden,
waaronder het vaststellen en ondertekenen van stukken, ter uitvoering
van de bevoegdheid van de minister, genoemd in de artikelen 10, tweede
lid, 10a, tweede lid en 10b, tweede lid.
2. Aan de Directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs
wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot het nemen van
besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken, die
betrekking hebben op de afhandeling van administratieve stukken inzake
klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures, voor zover deze verband houden
met de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in het eerste lid en
met dien verstande dat de Directeur-generaal geen besluit op bezwaar
neemt met betrekking tot een bezwaarschrift tegen een besluit dat de
Directeur-generaal in mandaat heeft genomen.
3. De Directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs kan met
betrekking tot zijn bevoegdheden, genoemd in het eerste en tweede lid,
ondermandaat, volmacht en machtiging in een door hem te bepalen omvang
verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien
verstande dat de Directeur-generaal geen ondermandaat verleent aan de
functionaris aan wie door hem ondermandaat tot het nemen van het
besluit waartegen het bezwaar zich richt, is verleend.
Paragraaf 5. Administratie van gegevens bij kindercentra en
gastouderbureaus
Artikel 11. Inrichting administratie
1. De administratie van een kindercentrum of gastouderbureau is
zodanig ingericht dat op verzoek van:
a. de toezichthouder, bedoeld in artikel 1.61 van de wet,
tijdig de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met
f, respectievelijk in het derde lid, kunnen worden verstrekt die
voor de naleving van bij en krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3,
paragrafen 2 en 3, van de wet gegeven voorschriften van belang
zijn; of
b. de Belastingdienst/Toeslagen, het college of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tijdig, de gegevens
of inlichtingen over de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder
f en g, respectievelijk derde lid, eerste volzin, voor zover
betrekking hebbend op onderdeel f, en tweede volzin, onder c, d,
e, f of g kunnen worden verstrekt die voor de aanspraak van een
ouder op en de hoogte van de kinderopvangtoeslag, de hoogte van de
tegemoetkoming van de gemeente of de hoogte van de tegemoetkoming
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van belang
zijn.
2. De administratie van een kindercentrum bevat de volgende
gegevens:
a. een overzicht van alle bij dat kindercentrum werkzame
beroepskrachten, vermeldende in ieder geval naam, geboortedatum,
en de behaalde diploma’s en getuigschriften,
b. afschriften van alle afgegeven verklaringen omtrent het
gedrag, volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
dan wel volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de
verklaringen omtrent het gedrag van bij het kindercentrum werkzame
personen,
c. een afschrift van de risico-inventarisatie, bedoeld in
artikel 1.51 van de wet,
d. een overzicht van de omvang en de samenstelling van de
oudercommissie, bedoeld in artikel 1.58 van de wet,
e. een afschrift van het reglement van de oudercommissie,
bedoeld in artikel 1.59 van de wet,
f. een overzicht van alle ingeschreven kinderen, vermeldende
per kind: naam, geboortedatum, adres, postcode, woonplaats,
telefoonnummer en het adres en telefoonnummer van de ouders, en
g. afschriften van alle met ouders overeengekomen schriftelijke
overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de soort
kinderopvang waarop de overeenkomst betrekking heeft, de voor die
kinderopvang te betalen prijs per uur, naam, geboortedatum en
adres van het kind, het aantal uren kinderopvang per jaar en de
duur van de overeenkomst.
3. Het tweede lid, onder a tot en met f is van overeenkomstige
toepassing op de administratie van een gastouderbureau. De
administratie van een gastouderbureau bevat tevens de volgende
gegevens:
a. een overzicht van alle bij dat gastouderbureau aangesloten
gastouders, vermeldende in ieder geval naam en adres, postcode,
woonplaats, telefoonnummer,
b. afschriften van afgegeven verklaringen omtrent het gedrag,
volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens dan wel
volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de
verklaringen omtrent het gedrag van bij het gastouderbureau
aangesloten gastouders,
c. afschriften van alle met vraagouders overeengekomen
schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de
voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van
toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres,
postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren
gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de
overeenkomst,
d. bankafschriften waaruit de betalingen van de vraagouder aan
het gastouderbureau blijken,
e. bankafschriften waaruit de betalingen van het
gastouderbureau aan de gastouder blijken,
f. een jaaroverzicht per voorziening voor gastouderopvang, met
vermelding van het unieke registratienummer, de naam en de
geboortedatum van de gastouder, met daarin:
– het door het gastouderbureau aan de voorziening voor
gastouderopvang betaalde bedrag per jaar,
– het door het gastouderbureau aan de voorziening voor
gastouderopvang betaalde bedrag per kind per jaar, het aantal
uren afgenomen opvang per kind per jaar, de gemiddelde
uurprijs per kind per jaar, en
– de naam van de vraagouders die van de voorziening voor
gastouderopvang gebruik maken onder vermelding van het
burgerservicenummer van deze vraagouders,
g. een jaaroverzicht per vraagouder, met vermelding van de
naam, het burgerservicenummer en de geboortedatum van de
vraagouder, met daarin:
– het aan het gastouderbureau over dat jaar te betalen
bedrag per kind,
– opgave van aantal uren per jaar dat per kind is
afgenomen en de gemiddelde uurprijs per kind,
– de voorzieningen voor gastouderopvang waar de
vraagouder gebruik van maakt onder vermelding van het unieke
registratienummer van deze gastouders.
4. De houder van een kindercentrum of gastouderbureau kan de
gegevens, bedoeld in het tweede of derde lid, op een andere plaats
administreren dan op de plaats van vestiging van het kindercentrum of
van het gastouderbureau, mits de gegevens, bedoeld in het tweede lid,
onder a tot en met f, respectievelijk in het derde lid, op verzoek van
de toezichthouder, bedoeld in artikel 1.61 van de wet, bij een
onderzoek onverwijld beschikbaar komen op de plaats van vestiging van
het kindercentrum of van het gastouderbureau.
Paragraaf 5a. Bepalingen voor gastouderbureaus en vraagouders
Artikel 11a. Uitzondering op de kassiersfunctie
Een houder van een gastouderbureau geleidt de betalingen van
vraagouders aan gastouders niet door zolang de uitlooptermijn, bedoeld
in artikel 1.5, derde lid, van de wet van toepassing is. Binnen deze
uitlooptermijn vinden er geen contante betalingen plaats tussen
vraagouder en gastouder.
Artikel 11b. Kostenoverzicht
In de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 1.56, vierde
lid, van de wet, geeft het gastouderbureau de vraagouder inzicht in de
uitvoeringskosten en de kosten van gastouderopvang.
Artikel 11c. Schriftelijke in kennis stelling
Het gastouderbureau stelt de vraagouders schriftelijk in kennis van
de mededelingen op grond van artikel 3.2, tweede, derde en zevende lid,
van de wet.
Artikel 11d. Niet verschuldigde uitvoeringskosten
Het gastouderbureau brengt in kalenderjaar 2010 op basis van artikel
3.2, achtste lid, van de wet geen uitvoeringskosten in rekening bij de
vraagouder indien de gastouder niet uiterlijk op 31 december 2010 in het
register kinderopvang is ingeschreven.
Artikel 11e. Uniek registratienummer
In de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 1.56, vierde
lid, van de wet, wordt het unieke registratienummer van de gastouder
opgenomen.
Artikel 11f. Betalingstermijn vraagouder
De vraagouder betaalt periodiek de kosten voor gastouderopvang
uiterlijk binnen twee kalendermaanden na afloop van het tijdvak waarover
de kosten op grond van de overeenkomst worden berekend.
Paragraaf 5b. Administratie van gegevens peuterspeelzalen
Artikel 11g. Inrichting administratie peuterspeelzaal
1. De administratie van een peuterspeelzaal is zodanig ingericht
dat op verzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 2.19 van de
wet, tijdig de gegevens, bedoeld in het tweede lid, kunnen worden
verstrekt die voor de naleving van bij en krachtens hoofdstuk 2,
paragraaf 2 en 3 van de wet gegeven voorschriften van belang zijn.
2. De administratie van een peuterspeelzaal bevat de volgende
gegevens:
a. een overzicht van alle bij die peuterspeelzaal werkzame
beroepskrachten, vermeldende in ieder geval naam, geboortedatum,
en de behaalde diploma’s en getuigschriften;
b. afschriften van alle afgegeven verklaringen omtrent het
gedrag afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens van bij de peuterspeelzaal werkzame personen;
c. een afschrift van de risico-inventarisatie, bedoeld in
artikel 2.9 van de wet,
d. een overzicht van de omvang en de samenstelling van de
oudercommissie, bedoeld in artikel 2.15 van de wet;
e. een afschrift van het reglement van de oudercommissie,
bedoeld in artikel 2.16 van de wet; en
f. een overzicht van alle ingeschreven kinderen, vermeldende
per kind: naam, geboortedatum, adres, postcode, woonplaats,
telefoonnummer en het adres en telefoonnummer van de ouders en de
dagdelen waarvoor een kind is ingeschreven.
3. De houder van een peuterspeelzaal kan de gegevens, bedoeld in
het tweede lid, op een andere plaats administreren dan op de plaats
van vestiging van de peuterspeelzaal, mits de gegevens, bedoeld in het
tweede lid, op verzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 2.19
van de wet, bij een onderzoek onverwijld beschikbaar komen op de
plaats van vestiging van de peuterspeelzaal.
Paragraaf 6. Gemeentelijk jaarverslag
Artikel 12. Verslag
1. Het college stelt jaarlijks uiterlijk voor 1 juli een verslag
vast als bedoeld in artikel 1.67 van de wet.
2. Het verslag bevat een overzicht van en geeft inzicht in:
a. de door de toezichthouder, bedoeld in artikel 1.61 van de
wet, uitgevoerde onderzoeken, waarbij een onderscheid is gemaakt
tussen het aantal onderzoeken, bedoeld in artikel 1.62, eerste,
tweede en derde lid, van de wet,
b. de situaties in de uitvoering die aanleiding hebben gegeven
tot het instellen van onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, derde
lid, van de wet,
c. de wijze waarop onderzoeken door de toezichthouder, bedoeld
in artikel 1.61 van de wet, zijn uitgevoerd,
d. de onderzoeksresultaten, en
e. de wijze waarop handhaving van het bepaalde bij en krachtens
hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van de wet, heeft
plaatsgevonden, naar aanleiding van de onderzoeksresultaten,
bedoeld in onderdeel d van dit lid.
3. Het verslag dat het college ingevolge artikel 1.67, eerste lid,
van de wet aan de gemeenteraad en de Minister zendt, staat tevens ten
dienste van de Inspectie voor het Onderwijs.
4. Een verslag wordt ingericht overeenkomstig het als bijlage 2 bij
deze regeling opgenomen model.
Paragraaf 7. Kinderopvang buiten Nederland
Artikel 13. Aanvraag ten behoeve van opneming in het register
buitenlandse kinderopvang
1. Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 1.48, tweede lid, van de
wet, vermeldt een ouder die voornemens is gebruik te maken van
kinderopvang buiten Nederland en die op grond van de wet in aanmerking
kan komen voor kinderopvangtoeslag, de volgende gegevens:
a. een opgave van de soort kinderopvangvoorziening,
b. de naam, het adres, de plaats van vestiging en het
telefoonnummer van de kinderopvangvoorziening, en
c. de naam, het adres, de plaats van vestiging en het
telefoonnummer van de houder.
2. De ouder, bedoeld in het eerste lid, voegt bij de aanvraag
tevens een bewijsstuk waaruit blijkt dat de kwaliteit van de
betreffende kinderopvangvoorziening voldoet aan de geldende regels en
voorwaarden in het betreffende land.
3. Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in
artikel 1.48, tweede lid, van de wet, beschikt de minister op deze
aanvraag.
4. Indien de minister positief beschikt op deze aanvraag, vindt de
in artikel 1.48, eerste lid, van de wet bedoelde opname in het
register buitenlandse kinderopvang plaats per de datum waarop de
minister de aanvraag heeft ontvangen.
Artikel 14 [Vervallen per 01-10-2007]
Artikel 15. Kinderopvang in Duitsland
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Duitsland wordt gerekend een kindercentrum, waarbij de houder
beschikt over een geldige exploitatievergunning.
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een geldige exploitatievergunning verleend door het Jugendamt.
Artikel 15a. Kinderopvang in Zwitserland, kanton Genève en kanton
Zürich
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Zwitserland, kanton Genève, wordt gerekend een erkende
gastouder (‘maman de jour’).
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een geldige erkenning van de Republique et canton de Genève,
verleend door het Département de l’instruction publique, office de
la jeunesse.
3.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Zwitserland, kanton Zürich, wordt gerekend een erkend
kindercentrum.
4.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een geldige erkenning van de overheid, daartoe gerechtigd op
grond van de ‘Richtlinien über die Bewilligung von Kinderkrippen’.
Artikel 15b [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 15c. Kinderopvang in Oostenrijk, stad Wenen
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Oostenrijk, stad Wenen, wordt gerekend een erkend
kindercentrum.
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend:
a. een geldige erkenning verleend door de gemeente Wenen op
grond van het Wiener Tagesbetreuungsgesetz en de Wiener
Tagesbetreuungsverordnung, of
b. een geldige erkenning verleend door de gemeente Wenen op
grond van het Wiener Kindertagesheimgesetz en de Wiener
Kindertagesheimverordnung.
Artikel 15d. Kinderopvang in het Verenigd Koninkrijk/Engeland
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in het Verenigd Koninkrijk wordt gerekend:
a. een erkend kindercentrum: full day care, crèches, out of
school care;
b. geregistreerde gastouders (registered childminders).
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een document van registratie en inspectie verleend door
Ofsted (Office for Standards in Education).
Artikel 15e. Kinderopvang in het Verenigd Koninkrijk/Schotland
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Schotland wordt gerekend een erkend kindercentrum (full day
care).
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een geldige erkenning verleend door de Scottish Commission
for the Regulation of Care.
Artikel 15f. Kinderopvang in het Verenigd Koninkrijk/Noord Ierland
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Noord Ierland wordt gerekend een erkend kindercentrum (full
day care).
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een geldig Certificate of Registration.
Artikel 15g. Kinderopvang in Ierland
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Ierland wordt gerekend een erkend kindercentrum (full day
care).
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een registratie door de Health Services Executive.
Artikel 15h. Kinderopvang in Frankrijk/stad Parijs
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Frankrijk, stad Parijs, wordt gerekend een erkend
kindercentrum (etablissement d’accueil d’enfants).
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een registratie door L’action sociale, de l’enfance et de
la santé.
Artikel 15i. Kinderopvang in Spanje/Catalonië
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Spanje/Catalonië wordt gerekend een erkend kindercentrum.
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een erkenning door de regionale overheid.
Artikel 15j. Kinderopvang in Portugal
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, in Portugal wordt gerekend een erkend kindercentrum (crèche,
educação pre-escolar).
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een vergunning verstrekt door de Centro Regional de
Segurança Social.
Artikel 15k. Kinderopvang verbonden aan internationale scholen
1.Tot een kinderopvangvoorziening als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, verbonden aan internationale scholen wordt gerekend een door
Council of International Schools erkend kindercentrum.
2.Tot een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt
gerekend een bewijs van accreditatie afgegeven door Council of
International Schools.
Artikel 16. Wijzigingen in het register buitenlandse kinderopvang
De minister kan wijzigingen in het register buitenlandse
kinderopvang, bedoeld in artikel 1.48 van de wet, aanbrengen, indien is
gebleken dat de ten aanzien van een kinderopvangvoorziening opgenomen
gegevens, bedoeld in artikel 13, niet overeenstemmen met de werkelijke
situatie.
Paragraaf 7a. Aanwijzing van gelijkgestelde buitenlandse
kinderopvangvoorzieningen
Artikel 16a. Kinderopvang in België (Vlaanderen en Brussel)
1. Als buiten Nederland gevestigde kindercentra of voorzieningen
voor gastouderopvang, die worden gelijkgesteld met geregistreerde
kindercentra of voorzieningen voor gastouderopvang, als bedoeld in
artikel 1.48a van de wet worden aangewezen in België (Vlaanderen en
Brussel):
a. kinderdagverblijven,
b. minicrèches,
c. initiatieven voor buitenschoolse opvang,
d. Onthaalouders, aangesloten bij een erkende dienst voor
onthaalouders, en
e. Zelfstandige onthaalouders,
die in het bezit zijn van een geldige erkenning of geldig attest
van toezicht verleend door Kind & Gezin.
2. Onthaalouders, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, dienen
eveneens in het bezit te zijn van een contract tussen de dienst voor
onthaalouders en de onthaalouder.
Artikel 16b. Kinderopvang in België (Wallonië en Brussel)
Als buiten Nederland gevestigde kindercentra of voorzieningen voor
gastouderopvang die worden gelijkgesteld met geregistreerde kindercentra
of voorzieningen voor gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.48a van
de wet worden aangewezen in België (Wallonië en Brussel):
a. crèches,
b. pregardiennats,
c. maisons communales d’accueil de l’enfance;
d. crèches parentale;
e. services d’accueillant(e)s d’enfants conventionné(e).
die in het bezit zijn van een geldige erkenning (attestation de
qualité) verleend door l’Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE).
Artikel 16c. Kinderopvang in Duitsland (Nordrhein-Westfalen)
Als buiten Nederland gevestigde kindercentra die worden gelijkgesteld
met geregistreerde kindercentra als bedoeld in artikel 1.48a van de wet,
worden aangewezen in Duitsland (Nordrhein-Westfalen):
a. Krippen;
b. Kindergärten;
c. Horte,
die in het bezit zijn van een geldige exploitatievergunning (Betriebserlaubnis),
verleend door het Landesjugendamt.
Artikel 16d. Gastouderopvang in Duitsland
Als buiten Nederland gevestigde voorzieningen voor gastouderopvang
die worden gelijkgesteld met geregistreerde voorzieningen voor
gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.48a van de wet worden
aangewezen in Duitsland een Tagesmutter of Tagesvater die in het bezit
is van een Pflegeerlaubnis verleend door het Jugendamt van een lokale of
regionale overheid.
Paragraaf 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 17. Overgangsbepaling met betrekking tot gemeentelijk verslag
De verplichting van artikel 12 geldt voor het eerst over het
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop dat artikel in werking
is getreden.
Artikel 17a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 17b
Deze regeling berust mede op artikel 4, eerste lid, van het Besluit
basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.
Artikel 17a*
Deze regeling berust mede op artikel 4, eerste lid, van het Besluit
basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.
Artikel 18. Tijdstip van inwerkingtreding
De Regeling Wet kinderopvang treedt in werking op het tijdstip waarop
de Wet kinderopvang in werking treedt.
Artikel 19. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 28 september 2004.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|