| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet kinderopvang en
kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp)
BELEIDSREGELS
KWALITEIT KINDEROPVANG EN PEUTERSPEELZALEN 2012
Tekst zoals deze geldt op
13 januari 2012
|
|
|
BELEIDSREGELS van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 8 december 2011, Directie Kinderopvang, nr. KO/2011/22192, tot
uitvoering van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
(Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen)
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet
bestuursrecht en de artikelen 1.57a, eerste lid, en 2.13, eerste
lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
b. dagopvang: kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor
kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;
c. buitenschoolse opvang: kinderopvang, verzorgd door een
kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat zij naar het
basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na
de dagelijkse schooltijd, evenals gedurende vrije dagen of middagen
en in de schoolvakanties;
d. groep: een eenheid die bestaat uit een aantal kinderen met
één of meer beroepskrachten;
e. stamgroep: een vaste groep kinderen in de dagopvang in een
passend ingerichte vaste groepsruimte;
f. peuterspeelzaalgroep: een vaste groep kinderen met één of
meer beroepskrachten in een passend ingerichte vaste groepsruimte;
g. stamgroepruimte: de ruimte waarin de kinderen in de dagopvang
het grootste deel van de dag aanwezig zijn;
h. basisgroep: een vaste groep kinderen in de buitenschoolse
opvang in een passend ingerichte ruimte;
i. risico-inventarisatie: de risico-inventarisatie, bedoeld in de
artikelen 1.51 en 2.9 van de wet;
j. vraagouder: ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt
door een gastouder;
k. bemiddelingsmedewerker: de medewerker die zich bezighoudt met
de taken, bedoeld in de artikelen 12, 14 en 19 van deze
beleidsregels;
l. opvangadres: het woonadres van de gastouder of het woonadres
van een van de vraagouders waar de gastouderopvang plaatsvindt.
Paragraaf 2. Kwaliteit kindercentra
Artikel 2. Pedagogisch beleidsplan
1. Ter uitvoering van de artikelen 1.49, eerste lid, en 1.50 van de
wet beschikt een kindercentrum over een pedagogisch beleidsplan,
waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met
kinderen is beschreven.
2. Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare
termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt
gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling
van hun persoonlijke- en sociale competentie, en de wijze waarop
de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de
stamgroepen;
c. de (spel)activiteiten die kinderen buiten de stamgroep
kunnen verrichten; en van
d. de wijze waarop beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden
ondersteund door andere volwassenen.
3. Waar nodig wordt in een pedagogisch beleidsplan onderscheid
gemaakt tussen dagopvang en buitenschoolse opvang.
4. De houder en de personen werkzaam bij een kindercentrum handelen
in de praktijk van dagopvang of buitenschoolse opvang naar het door de
houder vastgestelde pedagogisch beleidsplan.
5. Een pedagogisch beleidsplan wordt per kindercentrum voor de
eerste maal vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45
van de wet, wordt ingediend.
Artikel 3. Dagopvang
1. Bij dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien
verstande dat in een groep:
a. in de leeftijd tot één jaar gelijktijdig ten hoogste
twaalf kinderen aanwezig zijn;
b. in de leeftijd tot en met drie jaar gelijktijdig ten hoogste
zestien kinderen aanwezig zijn, waaronder ten hoogste acht
kinderen in de leeftijd tot één jaar.
2. De houder deelt de ouder en het kind mee tot welke stamgroep het
kind behoort en welke beroepskrachten op welke dag aan welke groep
zijn toegewezen.
3. Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten
toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht werkzaam is
in de groep van dat kind. Deze beroepskrachten zijn tevens
aanspreekpunt voor de ouders van het kind.
4. Een kind maakt gedurende de week gebruik van ten hoogste twee
verschillende stamgroepruimtes.
5. Het vierde lid is niet van toepassing bij speciale activiteiten,
beschreven in het pedagogisch beleidsplan.
6. Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op
kinderen die gebruik maken van opvang op dagen die per week
verschillen.
7. Bij dagopvang bedraagt de verhouding tussen het aantal
beroepskrachten en het aantal feitelijke aanwezige kinderen ten
minste:
a. één beroepskracht per vier kinderen in de leeftijd tot
één jaar;
b. één beroepskracht per vijf kinderen in de leeftijd van
één tot twee jaar;
c. één beroepskracht per zes kinderen in de leeftijd van twee
tot drie jaar;
d. één beroepskracht per acht kinderen in de leeftijd van
drie tot vier jaar.
8. Het aantal beroepskrachten, bedoeld in het zevende lid, bij een
gemengde leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van de voor de
aanwezige leeftijdscategorieën geldende maximale aantallen kinderen,
waarbij aan het eind van de berekening naar boven kan worden afgerond.
9. Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is
het eerste lid niet van toepassing.
10. Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten
uren opvang wordt geboden, kunnen, in afwijking van het zevende,
achtste of negende lid, voor ten hoogste drie uren per dag, met
uitzondering van de uren tussen 9.30 en 12.30 uur en 15.00 en 16.30
uur, minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten
minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van
het zevende of achtste lid, wordt ingezet. In de periode vóór 9.30
uur en na 16.30 uur kan de in de eerste volzin bedoelde afwijkende
inzet van beroepskrachten ten hoogste anderhalf uur aaneengesloten
bedragen en in de (pauze)periode tussen 12.30 uur en 15.00 uur, ten
hoogste twee uren aaneengesloten en niet langer dan de duur van de
middagpauze.
11. Indien op grond van het tiende lid slechts één beroepskracht
in het kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze
beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum
aanwezig te zijn.
12. Indien op grond van het zevende of achtste lid slechts één
beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de
ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in
geval van calamiteiten te zijn geregeld.
Artikel 4. Buitenschoolse opvang
1. Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in groepen, met
dien verstande dat een basisgroep uit ten hoogste twintig kinderen
bestaat in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het
basisonderwijs voor die kinderen eindigt.
2. In afwijking van het eerste lid kan een basisgroep, voor
kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het
basisonderwijs voor die kinderen eindigt, bestaan uit ten hoogste
dertig kinderen.
3. Bij buitenschoolse opvang bedraagt de verhouding tussen het
aantal beroepskrachten en het feitelijk aanwezige aantal kinderen ten
minste één beroepskracht per tien kinderen.
4. Bij buitenschoolse opvang voor kinderen in de leeftijd van acht
jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen
eindigt in een basisgroep met ten hoogste dertig kinderen, bedraagt de
verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijke aantal
aanwezige kinderen, in afwijking van het derde lid, ten minste twee
beroepskrachten, waarbij de beroepskrachten bij hun werkzaamheden
worden ondersteund door een andere volwassene.
5. Indien kinderen bij (spel)activiteiten de basisgroep verlaten,
is het eerste of tweede lid niet van toepassing.
6. Bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen, besteedt
de houder in het pedagogisch beleidsplan aantoonbaar extra aandacht
aan de omgang met de basisgroep.
7. In afwijking van het derde of vierde lid kunnen voor en na de
dagelijkse schooltijd alsmede gedurende vrije middagen voor ten
hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet,
met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal
beroepskrachten wordt ingezet. Op vrije dagen of tijdens de
schoolvakanties kan, indien per dag ten minste tien aaneengesloten
uren buitenschoolse opvang wordt geboden, de in de vorige volzin
bedoelde afwijkende inzet van beroepskrachten ten hoogste drie uur
bedragen, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal op
grond van het derde of vierde lid vereiste beroepskrachten wordt
ingezet en de afwijkende inzet niet plaatsvindt tussen 9.30 uur en
12.30 uur en 15.00 uur en 16.30 uur. Artikel 3, tiende lid, tweede
volzin, is van overeenkomstige toepassing.
8. Indien op grond van het zevende lid slechts één beroepskracht
in het kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze
beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum
aanwezig te zijn.
9. Indien ingevolge het derde of vierde lid slechts één
beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de
ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in
geval van calamiteiten te zijn geregeld.
Artikel 5. Verblijfruimten voor kinderen
1. Bij dagopvang beschikt elke stamgroep over afzonderlijke vaste
groepsruimte van per kind minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte passend
ingerichte speelruimte, daaronder mede begrepen passend voor
spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte.
2. Voor de buitenschoolse opvang is per kind ten minste 3,5
m2bruto-oppervlakte passend ingerichte (speel)ruimte beschikbaar.
3. Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de
leeftijd van de op te vangen kinderen.
Artikel 6. Slaapruimten voor kinderen
Een kindercentrum, waar dagopvang wordt geboden, beschikt voor
kinderen tot de leeftijd van 1,5 jaar over op het aantal kinderen
afgestemde afzonderlijke slaapruimte.
Artikel 7. Buitenspeelterrein
1. Voor dagopvang beschikt een kindercentrum over aangrenzende,
voor kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de
kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de oppervlakte
ten minste 3 m2 bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig kind
bedraagt.
2. Voor buitenschoolse opvang beschikt een kindercentrum over voor
kinderen veilige en toegankelijke, vaste en op de leeftijd van de
kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, bij voorkeur
aangrenzend aan het kindercentrum, waarvan de oppervlakte ten minste 3
m2 bruto oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt. In het
geval een buitenspeelruimte niet aangrenzend is, is deze gelegen in de
directe nabijheid van een kindercentrum en voor kinderen toegankelijk
en veilig bereikbaar.
Artikel 8. Inhoud risico-inventarisatie
1. Een risico-inventarisatie als bedoeld in artikel 1.51 van de wet
bevat:
a. een beschrijving van de veiligheids- en gezondheidsrisico's
die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke
ruimtes in een kindercentrum, daaronder mede begrepen de
buitenspeelruimte, met zich brengt;
b. een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen
en binnen welke termijn deze maatregelen zijn respectievelijk
worden genomen in verband de onder a bedoelde risico's en de
samenhang daartussen.
2. De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid,
onder a, beschrijft op het terrein van de veiligheid van kinderen in
ieder geval de risico's ten aanzien van verbranding, vergiftiging,
verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten,
steken en snijden.
3. De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid,
onder a, beschrijft op het terrein van gezondheid van kinderen in
ieder geval de risico's ten aanzien van het voorkomen van
ziektekiemen, het binnenmilieu in een kindercentrum, het buitenmilieu
bij een kindercentrum en medisch handelen.
4. Een risico-inventarisatie ten aanzien van de veiligheid van de
op te vangen kinderen bevat tevens een lijst van ongevallen waarop de
aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum
waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd, alsmede
een overzicht van de maatregelen die de houder naar aanleiding van elk
ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
5. De houder zorgt er voor dat personen werkzaam bij een
kindercentrum kennis kunnen nemen van de voor dat centrum vastgestelde
risico-inventarisatie.
6. De houder stelt voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van
de wet, wordt ingediend en daarna jaarlijks voor elk door hem
geëxploiteerd kindercentrum een risico-inventarisatie op.
Onverminderd de eerste volzin stelt de houder een
risico-inventarisatie op ingeval van een ingrijpende verbouwing of
gewijzigd gebruik van een door hem geëxploiteerd kindercentrum.
Artikel 9. Beroepskwalificatie personeel
1. Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden
passende beroepskwalificatie overeenkomstig de collectieve
arbeidsovereenkomst kinderopvang.
2. De inzet van beroepskrachten in opleiding geschiedt
overeenkomstig de voorwaarden van de collectieve arbeidsovereenkomst
kinderopvang.
Artikel 10. Verklaring omtrent het gedrag
1. Personen als bedoeld in artikel 1.50, derde lid, van de wet zijn
in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens
de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de
justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag of
afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
voor zover zij als houder, als bestuurder, als stagiair, als werknemer
krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid,
van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of als vrijwilliger structureel
werkzaam bij een kindercentrum zijn.
2. Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon
bij een kindercentrum werkzaam is.
3. Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de
verplichting van artikel 1.50, derde lid, van de wet de eerste maal
voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een kindercentrum
aanvangt.
4. In afwijking van hetgeen omtrent stagiaires in het eerste lid is
geregeld geldt tot 1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan
drie maanden worden ingezet bij een kindercentrum, in het bezit zijn
van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat voor hen
bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring is
aangevraagd.
Artikel 10a. Protocol kindermishandeling
1. De houder hanteert voor elk door hem geëxploiteerd
kindercentrum een meldcode kindermishandeling. In deze meldcode is
opgenomen:
a. een definitie van kindermishandeling als bedoeld in de Wet
op de Jeugdzorg;
b. een duidelijke uitsplitsing van verantwoordelijkheden per
organisatielaag in taken en bevoegdheden;
c. een duidelijk stappenplan dat ten minste ingaat op de te
onderscheiden stappen vermoeden, overleg, plan van aanpak,
beslissen, handelen, evaluatie, nazorg en dat is voorzien van een
heldere toelichting en een tijdslijn;
d. aandachtspunten voor de gesprekvoering met verschillende
partijen en hulpmiddelen voor het doorlopen van het stappenplan;
e. een lijst van signalen per ontwikkelingsgebied uitgesplitst
voor kinderen in de leeftijd tot vier jaar en kinderen in de
leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs
voor die kinderen eindigt;
f. praktische informatie over de Bureaus Jeugdzorg en het
Advies & Meldpunt Kindermishandeling (AMK).
2. In de meldcode wordt aandacht besteed aan:
a. de mogelijke situatie waarin een beroepskracht of een
andere, bij het kindercentrum werkzame, persoon de vermoedelijke
dader is;
b. de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens.
3. De houder zorgt ervoor dat de beroepskrachten op de hoogte zijn
van de meldcode kindermishandeling.
Paragraaf 3. Kwaliteit gastouderbureaus en gastouderopvang
Artikel 11. Pedagogisch beleidsplan
1. Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, van de wet beschikt
een gastouderbureau over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor
dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is
beschreven. Het pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal
vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de wet,
wordt ingediend.
2. Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare
termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt
gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling
van hun persoonlijke en sociale competentie en de wijze waarop de
overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de samenstelling van het aantal kinderen dat door een
gastouder wordt opgevangen, met dien verstande, dat een gastouder
ten hoogste zes kinderen opvangt, waaronder begrepen de eigen
kinderen tot de leeftijd van 10 jaar;
c. de eisen die aan de opvangadres worden gesteld, welke in elk
geval overeenkomen met de eisen, bedoeld in artikel 17.
3. De in het tweede lid, onder c, bedoelde eisen worden jaarlijks
door de houder getoetst op naleving tijdens een bezoek op het
opvangadres.
4. Het gastouderbureau informeert de vraagouder over de inhoud van
het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 12. Risico-inventarisatie
1. Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, van de wet voert de
houder van een gastouderbureau een beleid dat ertoe leidt dat de
veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het
opvangadres door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.
2. De houder van een gastouderbureau legt voordat de aanvraag,
bedoeld in artikel 1.45 van de wet, wordt ingediend en daarna
jaarlijks in een risico-inventarisatie vast welke veiligheids- en
gezondheidsrisico’s de opvang van kinderen in alle voor kinderen
toegankelijke ruimtes met zich meebrengt. Dit gebeurt samen met de
gastouder. Daartoe draagt de houder van een gastouderbureau er zorg
voor dat elke ruimte op het opvangadres ten minste één keer per jaar
wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het
gastouderbureau.
3. De administratie van het gastouderbureau bevat een door de
bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekend origineel van de
risico-inventarisatie, bedoeld in het tweede lid.
4. Op het opvangadres wordt door de houder van een gastouderbureau
in een samen met de gastouder opgesteld plan van aanpak aangegeven
welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden
genomen in verband met de in het tweede lid bedoelde risico’s.
5. De risico-inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, is tevens
inzichtelijk voor de vraagouders.
6. Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de in het tweede lid bedoelde risico-inventarisatie.
Artikel 13. Kwaliteit gastouderbureaus
1. De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat per
gastouder wordt beoordeeld of de samenstelling van de groep kinderen
die wordt opgevangen, bedoeld in artikel 18 verantwoord is.
2. Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten
gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding
en bemiddeling. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
1°. Het intakegesprek, bedoeld in artikel 14, vijfde lid;
2°. Werving van de gastouder;
3°. Het intakegesprek, bedoeld in artikel 14, eerste lid;
4°. Scholing en begeleiding van de gastouder;
5°. Het begeleiden van de GGD-toetsing;
6°. De koppeling van gastouder en vraagouder;
7°. Het koppelingsgesprek, bedoeld in artikel 14, tweede lid;
8°. Het evaluatiegesprek, bedoeld in artikel 14, vierde lid;
9°. Vraagbaak voor gastouders;
10°. De bezoeken, bedoeld in artikel 14, zesde lid;
11°. Interne/externe opleiding/training; en
12°. Intern en extern overleg op het gebied van begeleiding en
bemiddeling.
3. De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat het
gastouderbureau goed bereikbaar is voor de vraag- en de gastouder en
informeert deze hierover.
4. Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, gelden de
eisen voortvloeiende uit artikel 1.56, derde lid, van de wet de eerste
maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een gastouderbureau
aanvangt.
5. Stagiaires dienen in het bezit te zijn van een verklaring
omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 10. In afwijking hiervan
geldt tot 1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan drie
maanden worden ingezet bij een gastouderbureau, in het bezit zijn van
een dergelijke verklaring, dan wel dat voor hen bij aanvang van de
stageperiode een dergelijke verklaring is aangevraagd.
Artikel 14. Gesprekken gastouderbureau
1. Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat een intakegesprek
met de gastouder plaatsvindt op het opvangadres. De intake bij
gastouder wordt persoonlijk uitgevoerd door de bemiddelingsmedewerker
van het gastouderbureau.
2. De houder van een gastouderbureau draagt er zorgt voor dat een
koppelingsgesprek plaatsvindt bij elke nieuwe koppeling tussen een
vraag- en een gastouder. Het koppelingsgesprek vindt plaats op het
opvangadres door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het
gastouderbureau.
3. Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat tenminste jaarlijks
een voortgangsgesprek met de gastouder op het opvangadres plaatsvindt.
Dit gesprek wordt gevoerd door de bemiddelingsmedewerker.
4. De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat
jaarlijks mondeling de gastouderopvang met de vraagouders wordt
geëvalueerd en legt deze schriftelijk vast.
5. De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat een
intakegesprek met de vraagouder plaatsvindt.
6. Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat een
bemiddelingsmedewerker in ieder geval twee maal per jaar het
opvangadres bezoekt.
Artikel 15. Protocol kindermishandeling
Artikel 10a is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor‘een beroepskracht of een andere, bij het kindercentrum werkzame
persoon’ wordt gelezen: een persoon, werkzaam bij het gastouderbureau,
een gastouder of een volwassen huisgenoot van de gastouder.
Paragraaf 4. Kwaliteit gastouders
Artikel 16. Kwaliteitseisen gastouder
De gastouder voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
a. goed telefonisch bereikbaar;
b. een goede achterwachtregeling bij de opvang van meer dan drie
aanwezige kinderen. Deze achterwacht is beschikbaar en bij
calamiteiten binnen aanrijtijd van een ambulance bij het opvangadres
aanwezig. Deze persoon is tijdens opvangtijden altijd telefonisch
bereikbaar;
c. handelt in de praktijk naar het door de houder van het
gastouderbureau vastgesteld pedagogisch beleidsplan.
Artikel 17. Eisen aan het opvangadres
1. Het opvangadres:
1°. beschikt over voldoende speel- en slaapruimte voor
kinderen, waaronder begrepen een voor kinderen tot de leeftijd van
1,5 jaar op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke
slaapruimte;
2°. beschikt over voldoende buitenspeelmogelijkheden,
afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen
kinderen; en
3°. is voorzien van voldoende en goed functionerende
rookmelders conform de eisen uit het Bouwbesluit 2003.
2. De gehele woning waar de opvang plaatsvindt is te allen tijde
rookvrij.
Artikel 18. Aantal op te vangen kinderen
1. Bij een gastouder worden maximaal vijf kinderen gelijktijdig
opgevangen, als de kinderen (op te vangen én eigen kinderen) allemaal
jonger zijn dan 4 jaar.
2. Bij een gastouder worden maximaal zes kinderen gelijktijdig
opgevangen, als de op te vangen kinderen in de leeftijd van 0 tot 13
jaar zijn. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend.
3. In de groep, bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen maximaal
4 kinderen van 0 en 1 jaar aanwezig zijn, waarvan maximaal 2 kinderen
van 0 jaar.
Artikel 19. Risico-inventarisatie opvanglocatie
1. Er is een originele door de bemiddelingsmedewerker en de
gastouder ondertekende versie van de in artikel 12 bedoelde
risico-inventarisatie aanwezig op het opvangadres. Deze
risico-inventarisatie is beschikbaar vóór aanvang van de opvang en
wordt daarna jaarlijks opnieuw opgesteld. Deze risico-inventarisatie
is in samenwerking met een bemiddelingsmedewerker van het
gastouderbureau opgesteld.
2. Ter uitvoering van artikel 1.49, tweede lid, van de wet voert de
gastouder een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de
gezondheid van de op te vangen kinderen op het opvangadres door de
gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.
3. De gastouder draagt er zorg voor dat de maatregelen ten aanzien
van het opvangadres, bedoeld in artikel 17 binnen de gestelde termijn
zijn, respectievelijk worden genomen in verband met de in artikel 12,
tweede lid, bedoelde risico’s.
4. Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de in het tweede lid bedoelde risico-inventarisatie.
5. Er is een lijst van ongevallen waarop de aard en plaats van het
ongeval, de leeftijd van het kind, de datum waarop het ongeval zich
heeft voorgedaan wordt geregistreerd. Alsmede een overzicht van de
maatregelen die de gastouder naar aanleiding van elk ongeval heeft
getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
Paragraaf 5. Kwaliteit peuterspeelzalen
Artikel 20. Pedagogisch beleidsplan
1. Ter uitvoering van de artikelen 2.5, 2.6 en 2.9 van de wet
beschikt een houder van een peuterspeelzaal over een pedagogisch
beleidsplan waarin de voor die peuterspeelzaal kenmerkende visie op de
omgang met kinderen is beschreven.
2. Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare
termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt
gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling
van hun persoonlijke en sociale competentie en de wijze waarop de
overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de
peuterspeelzaalgroep;
c. de (spel)activiteiten waarbij kinderen hun
peuterspeelzaalgroep dan wel de peuterspeelzaalgroepsruimte
verlaten;
d. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bij
hun werkzaamheden met kinderen worden ondersteund door andere niet
structureel ingezette personen;
e. de wijze waarop de achterwacht geregeld is in het geval er
slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op
de locatie;
f. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal
bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere problemen
signaleren en ouders doorverwijzen naar passende instanties die
hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden, en
g. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal
worden toegerust voor deze taak en op welke wijze zij daarbij
worden ondersteund.
3. De houder van een peuterspeelzaal en de personen werkzaam bij
een peuterspeelzaal handelen in de praktijk van de opvang naar het
pedagogisch beleidsplan.
4. Een pedagogisch beleidsplan wordt per peuterspeelzaal voor de
eerste maal vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2,
eerste lid, van de wet, wordt ingediend.
Artikel 21. Achterwachtregeling
Elke houder van een peuterspeelzaal heeft een achterwachtregeling.
Deze houdt in dat zodra er slechts één beroepskracht in een
peuterspeelzaal aanwezig is op het moment dat er kinderen aanwezig zijn
in de peuterspeelzaal, er een volwassen achterwacht beschikbaar is, die
in geval van calamiteiten binnen ambulanceaanrijtijden in de
peuterspeelzaal aanwezig kan zijn. De houder van een peuterspeelzaal
maakt inzichtelijk wie deze persoon is en waar deze telefonisch te
bereiken is.
Artikel 22. Veiligheid en gezondheid
Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op peuterspeelzalen, met
dien verstande dat voor ‘artikel 1.51’ wordt gelezen: artikel 2.9
van de wet.
Artikel 23. Aantal kinderen en omvang van de peuterspeelzaalgroep
1. In een peuterspeelzaal vindt de opvang plaats in groepen, met
dien verstande dat in een peuterspeelzaalgroep ten hoogste zestien
kinderen gelijktijdig aanwezig zijn.
2. De houder van een peuterspeelzaal deelt de ouder en het kind mee
tot welke peuterspeelzaalgroep het kind behoort en welke
beroepskrachten op welke dag voor welke peuterspeelzaalgroep
verantwoordelijk zijn en welke vrijwilligers op deze dag aanwezig
zijn.
3. Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten in
een peuterspeelzaal toegewezen, waarvan per dag ten minste één
beroepskracht in een peuterspeelzaal werkzaam is in de
peuterspeelzaalgroep van dat kind. Deze beroepskrachten zijn tevens
aanspreekpunt voor de ouders van het kind.
4. In een peuterspeelzaalgroep is ten minste één beroepskracht
aanwezig.
5. Bij werk in een peuterspeelzaalgroep met meer dan acht feitelijk
aanwezige kinderen, doch ten hoogste zestien feitelijk aanwezige
kinderen, zijn er twee beroepskrachten of een beroepskracht en een
vrijwilliger aanwezig.
Artikel 24. Beroepskwalificatie personeel
1. Beroepskrachten in een peuterspeelzaal beschikken over een voor
de werkzaamheden passende beroepskwalificatie overeenkomstig de
collectieve arbeidsovereenkomst Welzijn en Maatschappelijke
Dienstverlening.
2. De houder van een peuterspeelzaal informeert ouders over het
aantal, de inzet en de opleiding van het personeel voor zover de ouder
dat nodig heeft om een goede keuze te kunnen maken voor een
peuterspeelzaal.
Artikel 25. Verklaring omtrent het gedrag
1. Personen als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de wet zijn
in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens
de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet op de
justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag,
voor zover zij als houder van een peuterspeelzaal, als bestuurder, als
stagiair, als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek of als vrijwilliger structureel in de peuterspeelzaal werkzaam
zijn.
2. Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon
bij een peuterspeelzaal werkzaam is.
3. Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de
verplichting van artikel 2.6, derde lid, van de wet de eerste maal
voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een peuterspeelzaal
aanvangt.
4. In afwijking van hetgeen omtrent stagiaires in het eerste lid is
geregeld geldt tot 1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan
drie maanden worden ingezet bij een peuterspeelzaal, in het bezit zijn
van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat voor hen
bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring is
aangevraagd.
Artikel 26. Protocol kindermishandeling
Artikel 10a is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27. Vrijwilligersbeleid
1. Indien er vrijwilligers op de peuterspeelzaal werkzaam zijn,
voert de houder van een peuterspeelzaal vrijwilligersbeleid, dat tot
uitdrukking komt in een beleidsplan. In dit beleidsplan staan in ieder
geval:
a. de minimumeisen waar een op de peuterspeelzaal werkzame
vrijwilliger aan dient te voldoen;
b. de afspraken die de houder van een peuterspeelzaal met
vrijwilligers maakt, en
c. de taakomschrijvingen waarin wordt omschreven welke bijdrage
aan het werk in de peuterspeelzaal van de vrijwilligers wordt
verwacht en op welke wijze deze samenhangt met het pedagogisch
beleid.
2. Indien er vrijwilligers op een peuterspeelzaal werkzaam zijn,
draagt de houder van een peuterspeelzaal er zorg voor dat deze
vrijwilligers tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd zijn.
Artikel 28
De Beleidsregels kwaliteit kinderopvang van 10 november 2004 worden
ingetrokken.
Artikel 29. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
Artikel 30. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels kwaliteit
kinderopvang en peuterspeelzalen 2012.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 8 december 2011.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp.
|
|
|