|
BESLUIT van 28 juli 1999, houdende regelen omtrent
bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen, medische verklaringen,
autorisaties, erkenningen, kwalificaties en registraties (Besluit
bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie van 5 maart 1999, nr.
DGRLD/JBZ/L 99 210113, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst;
Gelet op de artikelen 1.2, tweede lid, 2.2,
derde lid, 2.3, tweede, vijfde en zesde lid, 2.4, tweede, derde en
vierde lid, 2.7, vierde lid, 2.9, eerste lid, 3.30, 5.11, en 5.16,
tweede lid, van de Wet luchtvaart;
De Raad van State gehoord (advies van 21 mei
1999, nr. W09.99.0097/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie
van 15 juli 1999, nr. DGRLD/JBZ/L 99.210417, Directoraat-Generaal
Rijksluchtvaartdienst;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
AFIS: onderdeel van
luchtverkeersdienstverlening dat voorziet in het geven van
inlichtingen die tot doel hebben een veilig en geregeld verloop van
het luchthavenverkeer op daartoe door Onze Minister bij ministeriële
regeling aangewezen luchthavens (Aerodrome Flight Information
Service);
AML: bewijs van bevoegdheid voor
onderhoudstechnicus (Aircraft Maintenance Licence);
ATPL: bewijs van bevoegdheid voor
verkeersvlieger (Airline Transport Pilot Licence);
CFEL: bewijs van bevoegdheid voor
boordwerktuigkundige (Cockpit Flight Engineer Licence);
CRI: klassebevoegdverklaring
instructeur (Class Rating Instructor);
CPL: bewijs van bevoegdheid voor
beroepsvlieger (Commercial Pilot Licence);
CSR: bevoegdverklaring voor
landbouwvliegen (Crop Spraying Rating);
FB: categorie vrije ballonnen (free
balloons);
FI: bevoegdverklaring vlieginstructeur
(Flight Instructor);
grondverkeer: alle verkeer op een
landingsterrein met uitzondering van startend en landend verkeer;
helikopter: gemotoriseerd luchtvaartuig
met rotorbladen, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht
gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn
rotorbladen;
ICAO-locatie-indicator: de uit vier
letters bestaande code die is samengesteld door de Internationale
Burgerluchtvaartorganisatie overeenkomstig in haar handboek DOC 7910
gegeven regels en is toegewezen aan de locatie van een vast
luchtverkeersstation;
IFR-vlucht: vlucht als bedoeld in
artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;
IR: bevoegdverklaring instrumentvliegen
(Instrument Rating);
IRI: instructeur instrumentvliegen
(Instrument Rating Instructor);
JAA: Joint Aviation Authorities;
JAA-land: land waarvan de
burgerluchtvaartautoriteit de JAA-overeenkomst van 11 september 1990
heeft getekend;
JAR: Joint Aviation Requirements;
JAR-FCL 1: regeling inzake bewijzen van
bevoegdheid voor bestuurders van vliegtuigen, opgesteld door de JAA;
JAR-FCL 2: regeling inzake bewijzen van
bevoegdheid voor bestuurders van helikopters, opgesteld door de JAA;
JAR-FCL 3: regeling inzake medische
eisen voor bemanningen van luchtvaartuigen, opgesteld door de JAA;
JAR-FCL 4: regeling inzake bewijzen van
bevoegdheid voor boordwerktuigkundigen van vliegtuigen, opgesteld door
de JAA;
leerling-luchtverkeersleider: persoon,
bevoegd tot het geven van luchtverkeersdienstverlening onder toezicht
van een bevoegde praktijkinstructeur;
LPE: taalvaardigheidsaantekening (language
proficiency endorsement);
luchtschip: luchtvaartuig, lichter dan
lucht, dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting en een
besturingsinrichting;
luchtvaartgrondstation: een radiozend-
en ontvangstation op een vaste plaats op de grond dat werkt in de
luchtvaartmobiele of luchtvaartnavigatiefrequentiebanden;
luchthaveninformatie:
1. informatie overeenkomend met de
betekenis van de in de Regeling seinen opgenomen grondtekens die
op de luchthaven zijn uitgelegd,
2. informatie van windrichting of
sterkte, verkregen uit ter beschikking staande middelen, zoals
windmeter en windzak,
3. informatie omtrent
omstandigheden die het gebruik van de luchthaven kunnen beperken,
4. informatie over
luchtverkeersactiviteiten op en in de nabijheid van de luchthaven,
5. informatie over de te volgen
taxiprocedures, of
6. informatie over de te gebruiken
parkeerplaatsen;
luchthaveninformatieverstrekker:
persoon die op grond van dit besluit bevoegd is luchthaveninformatie
te verstrekken;
luchtverkeersleider: persoon, bevoegd
tot het geven van luchtverkeersdienstverlening als bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de wet;
ME: meermotorig (Multi Engine);
MCC: vluchtuitvoering door een
meerhoofdige bemanning die samenwerkt als team en geleid wordt door de
eerste bestuurder (Multi-Crew Co-operation);
MCCI: Multi-Crew Co-operation
Instructor;
MLA: land-, amfibie- of watervliegtuig
met niet meer dan twee zitplaatsen, een overtreksnelheid die niet
hoger is dan 35.1 knopen gekalibreerde luchtsnelheid, en een maximum
startmassa van niet meer dan:
300 kg voor een landvliegtuig,
eenzitter;
450 kg voor een landvliegtuig,
tweezitter;
330 kg voor een amfibie- of
watervliegtuig, eenzitter, of
495 kg voor een amfibie- of
watervliegtuig, tweezitter, mits een micro light die als
watervliegtuig en als landvliegtuig gebruikt kan worden binnen beide
daarvoor geldende massalimieten valt (Micro Light Aeroplane)
MOA: erkenning als bedoeld in
verordening (EG) nr. 2042/2003, Part 145 (Maintenance Organisation
Approval);
MOA-F: erkenning als bedoeld in
verordening (EG) nr. 2042/2003, Part M (Maintenance Organisation
Approval-F);
mobiel luchtvaartstation: een radiozend-
en ontvangstation op de grond, niet op een vaste plaats, dat werkt in
de luchtvaartmobiele of luchtvaartnavigatiefrequentiebanden;
MPL: meervliegervliegbewijs voor
vliegtuigen (Multi-crew Pilot Licence);
multi-pilot: gecertificeerd voor ten
minste twee bestuurders;
night qualification: bevoegdverklaring
VFR-nachtvliegen;
Onze Minister: Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Part-M: deel betreffende de blijvende
luchtwaardigheid van EASA-luchtvaartuigen (bijlage 1 bij de
verordening (EG) nr. 2042/2003);
Part-66: deel betreffende trainings- en
exameneisen voor onderhoudspersoneel (bijlage 3 bij de verordening
(EG) nr. 2042/2003);
Part-66-AML: bewijs van bevoegdheid
krachtens Part-66;
Part-145: Part betreffende erkende
onderhoudsbedrijven (bijlage 2 bij de verordening (EG) nr. 2042/2003);
PPL: bewijs van bevoegdheid voor
privévlieger (Private Pilot Licence);
RFI: bevoegdverklaring recreatief
vlieginstructeur (Recreational Flight Instructor);
RPL: bewijs van bevoegdheid voor
recreatief vlieger (Recreational Pilot Licence);
RT: bevoegdverklaring radiotelefonie;
R.T.L.: Regeling Toezicht Luchtvaart;
schermvliegtuig: zweeftoestel zonder
starre hoofdstructuur, dat kan worden gedragen en slechts gestart en
geland kan worden door gebruik te maken van de benen van de
bestuurder;
SE: eenmotorig (Single-Engine);
sector: een deel van een
luchtverkeersleidingsgebied of van een vluchtinformatiegebied;
SFI: instructeur STD (Synthetic Flight
Instructor);
single-pilot: gecertificeerd voor één
bestuurder;
STI: instructeur vluchtnabootser (Synthetic
Training Instructor);
TMG: motorzweefvliegtuig met een
integraal gemonteerde niet intrekbare motor en een niet intrekbare
propeller, dat in staat is om op eigen kracht op te stijgen en te
klimmen (Touring Motor Glider);
TRI: typebevoegdverklaring instructeur
(Type Rating Instructor);
verdrag: Verdrag inzake de
internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973. 109);
verordening (EG) nr. 2042/2003:
verordening van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20
november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van
luchtvaartuigen en luchtvaartproducten,-onderdelen en
-uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde
taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315);
VFR-vlucht: vlucht als bedoeld in
artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;
vliegtuig: gemotoriseerd luchtvaartuig
met vaste vleugels, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht
gehouden kan worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn
vleugels;
vluchtinformatieverstrekker: persoon,
bevoegd tot het geven van advies, inlichtingen en alarmering aan
luchtverkeer of grondverkeer;
vrije ballon: luchtvaartuig, lichter
dan lucht, niet voorzien van een voortstuwingsinstallatie en ingericht
en bestemd om ten minste één persoon te vervoeren;
wet: Wet luchtvaart;
zeilvliegtuig: zweeftoestel met starre
hoofdstructuur, dat kan worden gedragen en slechts gestart en geland
kan worden door gebruik te maken van de benen van de bestuurder;
zweeftoestel: luchtvaartuig niet zijnde
een TMG, zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden
gehouden door aerodynamische reactiekrachten en waarvan de vrije
vlucht niet afhankelijk is van een motor;
zweefvliegtuig: zweeftoestel met vaste
vleugel.
2. Een wijziging van JAR-FCL 1 tot en
met 4 gaat voor de toepassing van dit besluit en de krachtens dit
besluit vastgestelde regelingen gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 1a
Dit besluit berust tevens op artikel 2.9,
tweede en vierde lid, van de wet.
Artikel 1b
Van overeenkomstige toepassing in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zijn:
a. Verordening (EG) nr. 216/2008 van
het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot
vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van
burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor
de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn
91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PbEU
L 79), en
b. Verordening (EG) nr. 2042/2003 van
de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2003
betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en
luchtvaartproducten, -onderdelen en-uitrustingsstukken, en
betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken
organisaties en personen (PbEU L 315), met dien verstande dat bij
ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld.
Hoofdstuk 2. Luchtvarenden,
boordwerktuigkundigen en onderhoudstechnici
Paragraaf 1. Bewijzen van bevoegdheid en
bevoegdverklaringen
Artikel 2
1. Onze Minister kan de volgende
bewijzen van bevoegdheid afgeven:
a. RPL, dat de bevoegdheid geeft,
niet tegen vergoeding, op te treden als bestuurder van een
luchtvaartuig, dat gecertificeerd is of luchtwaardig is bevonden
voor maximaal 4 inzittenden, tijdens vluchten zonder baat, onder
de volgende beperkingen:
1°. alleen tijdens
VFR-vluchten;
2°. alleen tijdens de
daglichtperiode als bedoeld in artikel 1 van het
Luchtverkeersreglement, en
3°. niet met passagiers,
tenzij de houder ten minste tien uur ervaring heeft als
gezagvoerder van een luchtvaartuig van dezelfde categorie of
met dezelfde bijzondere bevoegdverklaring en de houder in de
voorafgaande negentig dagen ten minste drie starts en drie
landingen heeft uitgevoerd als gezagvoerder van een
luchtvaartuig van dezelfde categorie en met dezelfde
bijzondere bevoegdverklaring;
b. PPL als bedoeld in JAR-FCL 1 en
2, subdeel C, met de bevoegdheden en onder de voorwaarden genoemd
in JAR-FCL 1.110 en JAR-FCL 2.110;
c. CPL als bedoeld in JAR-FCL 1 en
2, subdeel D, met de bevoegdheden en onder de voorwaarden, bedoeld
in JAR-FCL 1.150 en JAR-FCL 2.150;
d. ATPL als bedoeld in JAR-FCL 1 en
2, subdeel G, met de bevoegdheden en onder de voorwaarden, bedoeld
in JAR-FCL 1.275 en JAR-FCL 2.275;
e. CFEL, dat de bevoegdheid geeft
op te treden als boordwerktuigkundige van een luchtvaartuig;
f. AML, dat, voorzien van één of
meer bijzondere bevoegdverklaringen de bevoegdheid geeft tot het
onderhouden van luchtvaartuigen en het toezicht daarop, alsmede
het vrijgeven voor gebruik van die luchtvaartuigen na dat
onderhoud;
g. Part-66-AML, dat voorzien van
een of meer bijzondere bevoegdverklaringen:
1°. de bevoegdheid geeft tot
het onderhouden van luchtvaartuigen en het toezicht daarop,
alsmede het vrijgeven voor gebruik van die luchtvaartuigen na
dat onderhoud, binnen de grenzen gesteld in Part-M; en
2°. in combinatie met een
daartoe strekkende bevoegdverklaring van de houder van een MOA
of een MOA-F de bevoegdheid geeft tot het afgeven van
certificaten van vrijgave voor gebruik van luchtvaartuigen
namens de houder van die erkenning na onderhoud aan die
luchtvaartuigen;
h. MPL als bedoeld in JAR-FCL 1,
subdeel K, met de bevoegdheden en onder de voorwaarden, bedoeld in
JAR-FCL 1.510, 1.520, 1.525 en de bijlage behorende bij JAR-FCL
1.520 en 1.525.
2. Een bewijs van bevoegdheid als
bedoeld in het eerste lid, kan worden afgegeven voor de volgende
categorieën luchtvaartuigen:
| |
vliegtuigen |
helikopters |
zweeftoestellen |
vrije ballonnen |
luchtschepen |
andere categorieën
luchtvaartuigen |
| |
(A) |
(H) |
(G) |
(FB) |
(AS) |
(OA) |
|
RPL |
x |
x |
|
|
x |
x |
|
PPL |
x |
x |
|
|
|
x |
|
CPL |
x |
x |
|
x |
x |
x |
|
ATPL |
x |
x |
|
|
|
x |
|
CFEL |
x |
x |
|
|
x |
x |
|
AML |
x |
x |
x |
|
|
x |
|
Part-66- AML |
x |
x |
|
|
|
|
|
MPL |
x |
|
|
|
|
|
3. Een voor de categorie vrije
ballonnen afgegeven CPL geeft de bevoegdheid tegen vergoeding op te
treden als bestuurder van een vrije ballon die luchtwaardig is
bevonden, onder de volgende beperkingen:
a. alleen tijdens VFR-vluchten,
en
b. vaart bij nacht is slechts
toegestaan, indien de houder ten minste twee opstijgingen bij
nacht met een gemiddelde duur van twee uur elk onder toezicht
van een bevoegde houder die reeds de nodige ervaring in
nachtvaren bezit, heeft uitgevoerd.
4. De bewijzen van bevoegdheid als
bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en g, worden afgegeven
wanneer ten minste één bijzondere bevoegdverklaring daarop wordt
weergegeven.
5. De bevoegdheden die voortvloeien
uit een bewijs van bevoegdheid zijn steeds beperkt tot die typen of
klassen luchtvaartuigen of tot die werkzaamheden waarvoor een
bijzondere bevoegdverklaring is afgegeven.
6. De bewijzen van bevoegdheid als
bedoeld in het eerste lid worden afgegeven voor onbepaalde duur.
Artikel 2a [Vervallen per 01-10-2004]
Artikel 3
1. Aan houders van een RPL kan, onder
de krachtens artikel 2.2 van de wet genoemde bijzondere
bevoegdverklaringen, al dan niet onder beperkingen naar soort vlucht
of ervaring, één of meer van de volgende algemene
bevoegdverklaringen worden afgegeven:
a. RT, dat de bevoegdheid geeft om
radiocontact met de luchtverkeersdienst, als bedoeld in artikel 1
van het Luchtverkeersreglement, of met bestuurders van andere
luchtvaartuigen te onderhouden;
b. RFI, dat de bevoegdheid geeft om
vliegonderricht te geven voor de afgifte van een:
1. RPL, of
2. bijzondere bevoegdverklaring
in een RPL;
2. Aan houders van een PPL, CPL, MPL of
ATPL kan, onder de krachtens artikel 2.2 van de wet genoemde
bijzondere bevoegdverklaringen, al dan niet onder beperkingen naar
soort vlucht of ervaring, een of meer van de volgende algemene
bevoegdverklaringen worden afgegeven:
a. RT, dat de bevoegdheid geeft om
radiocontact met de luchtverkeersdienst, als bedoeld in artikel 1
van het Luchtverkeersreglement, of met bestuurders van andere
luchtvaartuigen, te onderhouden;
b. IR als bedoeld in JAR-FCL 1 en
2, subdelen E, met de bevoegdheden en onder de voorwaarden,
bedoeld in JAR-FCL 1.180 en JAR-FCL 2.180;
c. CSR, dat de bevoegdheid geeft om
een luchtvaartuig te bedienen waarmee stoffen ter bescherming of
bevordering van het milieu of de land-, tuin-, of bosbouw vanuit
de lucht worden verspreid;
d. FI, dat de bevoegdheid geeft om,
onder de beperkingen, bedoeld in JAR-FCL 1.310, onderdeel a, en
JAR-FCL 2.310, onderdeel a, vliegonderricht te geven als bedoeld
in JAR-FCL 1.330 en JAR-FCL 2.320(C);
e. TRI, dat de bevoegdheid geeft
om, onder de beperkingen, bedoeld in JAR-FCL 1.310, onderdeel a,
en JAR-FCL 2.310, onderdeel a, vliegonderricht te geven als
bedoeld in JAR-FCL 1.360 en JAR-FCL 2.330(A);
f. CRI, dat de bevoegdheid geeft
om, onder de beperkingen, bedoeld in JAR-FCL 1.310, onderdeel a,
vliegonderricht te geven als bedoeld in JAR-FCL 1.375;
g. IRI, dat de bevoegdheid geeft
om, onder de beperkingen, bedoeld in JAR-FCL 1.310, onderdeel a,
en JAR-FCL 2.310, onderdeel a, vliegonderricht te geven als
bedoeld in JAR-FCL 1.390 en JAR-FCL 2.340(A);
h. MCCI, dat de bevoegdheid geeft
om, onder de beperkingen, bedoeld in JAR-FCL 1.310, onderdeel a,
vliegonderricht te geven als bedoeld in JAR-FCL 1.416;
i. SFI, dat de bevoegdheid geeft
om, onder de beperkingen, bedoeld in JAR-FCL 1.310, onderdeel a,
en JAR-FCL 2.310, onderdeel a, vliegonderricht te geven als
bedoeld in JAR-FCL 1.405 en JAR-FCL 2.350(A);
j. STI, dat de bevoegdheid geeft
om, onder de beperkingen, bedoeld in JAR-FCL 1.310, onderdeel a,
en JAR-FCL 2.310, onderdeel a, vliegonderricht te geven, als
bedoeld in JAR-FCL 1.419, onderdeel a, en JAR-FCL 2.360(A);
k. night qualification, dat de
bevoegdheid geeft om de bevoegdheden van het bewijs van
bevoegdheid waarvoor de bevoegdverklaring wordt afgegeven 's
nachts uit te voeren, en dat uitsluitend wordt afgegeven aan de
houder van een PPL of CPL;
l. LPE als bedoeld in JAR-FCL 1 en
2 met de bevoegdheden en voorwaarden, bedoeld in JAR-FCL 1.010 en
JAR-FCL 2.010 en Bijlage 1 bij het verdrag.
3. De bevoegdheden die voortvloeien uit
een RT zijn steeds beperkt tot het overeenkomende bewijs van
bevoegdheid van de houder.
4. De bevoegdheden die voortvloeien uit
een algemene bevoegdverklaring, met uitzondering van de RT, zijn
steeds beperkt tot die categorie luchtvaartuigen waarvoor de
bevoegdverklaring is afgegeven.
5. Onverminderd het tweede lid,
onderdelen a en j, kan aan houders van een CPL(FB) de algemene
bevoegdverklaring FI(FB) worden afgegeven dat de bevoegdheid geeft
onderricht te geven in het besturen van vrije ballonnen voor:
a. de afgifte van een CPL(FB);
b. VFR-nachtvliegen;
c. de afgifte van een FI(FB).
Artikel 4
1.De in artikel 3, eerste en tweede
lid, onderdeel a, genoemde bevoegdverklaring wordt voor onbepaalde
duur afgegeven.
2.De in artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, en tweede lid, onderdeel c, genoemde bevoegdverklaringen
worden voor de duur van ten hoogste twee jaar afgegeven.
3.De in artikel 3, tweede lid,
onderdelen d tot en met j, en vijfde lid, genoemde bevoegdverklaringen
worden voor de duur van ten hoogste drie jaar afgegeven.
4.De geldigheidsduur, bedoeld in het
tweede en derde lid, wordt, indien de bevoegdverklaring niet is
afgegeven per de eerste dag van de maand van afgifte, berekend vanaf
de eerste dag van de maand, volgend op de maand van afgifte.
Artikel 5
1.Onze Minister stelt bijzondere
bevoegdverklaringen naar type, klasse of werkzaamheden vast en de duur
waarvoor zij worden afgegeven.
2.Onze Minister kan beperkingen
vaststellen waaronder bijzondere bevoegdverklaringen worden afgegeven.
Artikel 6
1.De leeftijd, welke moet zijn bereikt
om voor een bewijs van bevoegdheid in aanmerking te komen, bedraagt
voor:
a. RPL: 16 jaar;
b. CPL(FB): 18 jaar;
c. CFEL: 18 jaar;
d. AML: 18 jaar;
e. Part-66-AML: 18 jaar.
2.De leeftijd, welke moet zijn bereikt
om voor een instructeursbevoegdverklaring in aanmerking te komen,
bedraagt 18 jaar.
Artikel 7
1.Met uitzondering van het tweede lid
is de houder van een bewijs van bevoegdheid, als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel c en d, die de leeftijd van 60 jaar heeft
bereikt, niet bevoegd op te treden als bestuurder van een
luchtvaartuig tijdens verkeersvluchten.
2.De houder van een bewijs van
bevoegdheid, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c en d,
die zich bevindt in de leeftijdscategorie tussen 60 en 65 jaar, is
uitsluitend bevoegd op te treden als bestuurder van een luchtvaartuig
tijdens verkeersvluchten, indien de bemanning van het luchtvaartuig
bestaat uit meerdere houders van deze bewijzen van bevoegdheid en de
eerstgenoemde houder de enige is in de hiervoor-genoemde
leeftijdscategorie.
Artikel 8
1.Met inachtneming van de artikelen 2,
3 en6 wordt het bewijs van bevoegdheid of de bevoegdverklaring op
aanvraag afgegeven aan een ieder die:
a. voldoet aan de bij ministeriële
regeling vast te stellen vereisten inzake kennis, bedrevenheid,
ervaring en opleiding, en,
b. met uitzondering van de bewijzen
van bevoegdheid, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen f en
g„ en de daarbij behorende bevoegdverklaringen, in het bezit is
van een geldige medische verklaring, en,
c. voldoet aan de in JAR-FCL 1.010
, JAR-FCL 2.010 of de in Bijlage 1 bij het verdrag gestelde
vereisten inzake het vermogen tot beheersing van de Engelse taal
op de niveaus 4, 5 of 6, indien het de aanvraag betreft van een
bewijs van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid,
waaraan de algemene bevoegdverklaring, bedoeld in artikel 3,
tweede lid, onderdeel a, wordt verbonden.
2.De aanvraag tot afgifte van een
bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring wordt gedaan op een
daartoe door Onze Minister verstrekt aanvraagformulier.
3.Onze Minister stelt de tarieven vast,
volgens welke de kosten, bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, onderdeel
h, van de wet, worden vergoed.
Artikel 9
De bevoegdverklaringen, genoemd in
artikel 3 en 5, worden verlengd indien de houder van het bewijs van
bevoegdheid op bij ministeriële regeling te bepalen wijze heeft
aangetoond, dat hij zijn kennis, bedrevenheid en ervaring heeft
behouden.
Artikel 10
1.Het document waarop het bewijs van
bevoegdheid en de bevoegdverklaring zijn weergegeven wordt afgegeven
voor een periode van ten hoogste vijf jaar.
2.Onze Minister vernieuwt een document
als bedoeld in het eerste lid na afgifte of wederafgifte van een
bevoegdverklaring en wanneer de ruimte, bestemd om verlengingen van
bevoegdverklaringen aan te tekenen, geheel is ingevuld, en stelt
nadere regels met betrekking tot de eisen voor wederafgifte van een
bevoegdverklaring.
3.Onze Minister kan een document als
bedoeld in het eerste lid vernieuwen, indien het is verloren, indien
het onleesbaar, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden, om
enige administratieve reden of, naar zijn goeddunken, wanneer een
bevoegdverklaring wordt verlengd.
4.Indien een document wegens verlies is
vernieuwd en het verloren document wordt teruggevonden, zendt de
houder het teruggevonden document zo spoedig mogelijk aan Onze
Minister.
5.Indien een document anders dan wegens
verlies is vernieuwd, kan Onze Minister de houder opdragen het
oorspronkelijke document binnen een week na de datum van verzending
van het nieuwe document aan Onze Minister te zenden.
Artikel 11
1. Artikel 2.1, eerste en tweede lid,
van de wet is niet van toepassing op:
a. het bedienen van een
modelvliegtuig, waarvan de totale massa ten hoogste 25 kg
bedraagt;
b. het bedienen van een ballon, die
op zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel
gevulde toestand een diameter van ten hoogste 2.00 m of een inhoud
van ten hoogste 4.00 kubieke m heeft, alsmede aan elkaar
gekoppelde ballonnen waarvan de gezamenlijke diameter en inhoud
deze waarden niet te boven gaan;
c. het bedienen van een toestel,
zwaarder dan lucht, en niet voorzien van een
voortstuwingsinrichting, dat door middel van een ankerkabel of
lijn is verbonden met het aardoppervlak (kabelvlieger);
d. bedienen van een luchtschip, dat
op zeeniveau in de internationale standaard atmosfeer in geheel
gevulde toestand een grootste afmeting heeft van 5.00 m of een
inhoud van ten hoogste 4.00 kubieke m;
e. het bedienen van een toestel,
zwaarder dan lucht in de vorm van een scherm met harnas, dat met
een lijn of lijnen is bevestigd aan een voertuig of vaartuig,
waardoor het in de lucht kan worden gehouden
(valschermzweeftoestel);
f. het bedienen van een
zeilvliegtuig, onder door Onze Minister bij ministeriële regeling
te stellen voorschriften en beperkingen;
g. het bedienen van een
schermvliegtuig onder door Onze Minister bij ministeriële
regeling te stellen voorwaarden;
h. het bedienen van een ballon, die
tijdens het in de lucht houden permanent is bevestigd aan het
aardoppervlak (kabelballon);
i. het bedienen van een scherm dat
dient om de daalsnelheid van een persoon zodanig te beperken dat
deze veilig het aardoppervlak kan bereiken (valscherm);
j. het bedienen van een
luchtvaartuig onder toezicht van een instructeur, die houder is
van een voor de bediening van dat luchtvaartuig en die vlucht
afgegeven bewijs van bevoegdheid, waarop weergegeven de nodige
bevoegdverklaringen op een zodanige wijze dat de instructeur
onmiddellijk kan ingrijpen;
k. het uitvoeren van een solovlucht
onder toezicht van een instructeur, die houder is van een voor de
bediening van dat luchtvaartuig en die vlucht afgegeven bewijs van
bevoegdheid, waarop weergegeven de nodige bevoegdverklaringen,
door een bestuurder, die geen houder is van een bewijs van
bevoegdheid, indien de bestuurder:
1. beschikt over voldoende
kennis voor de uit te voeren solovlucht;
2. beschikt over een geldige
medische verklaring klasse 1 of 2; en
3. beschikt over een
schriftelijke soloverklaring van de instructeur;
l. het bedienen van een
zweefvliegtuig;
m. het bedienen van een vrije
ballon, niet tegen vergoeding, die luchtwaardig is bevonden voor
maximaal vier inzittenden, tijdens vluchten zonder baat onder de
in artikel 2, eerste lid, onder a, ten 1° en 2° bedoelde
beperkingen;
n. het uitoefenen van de
bevoegdheden die behoren bij de bevoegdverklaringen SFI, MCCI, STI
of een specifieke autorisatie, genoemd in JAR-FCL 1.300, indien:
1°. betrokkene heeft voldaan
aan de door Onze Minister vast te stellen afgifte-eisen voor
de respectieve bevoegdverklaringen, en
2°. aan betrokkene door Onze
Minister een autorisatiedocument is afgegeven, waarop de
bepalingen die bij of krachtens de wet gelden met betrekking
tot de bevoegdverklaringen SFI, MCCI, STI of een specifieke
autorisatie, genoemd in JAR-FCL 1.300, van kracht zijn.
2. Het eerste lid, onderdelen b tot en
met m, is van toepassing indien de bestuurder:
a. de leeftijd van 16 jaar heeft
bereikt, met dien verstande, dat de bestuurder van een
zweeftoestel die een solovlucht uitvoert binnen zichtafstand van
de luchthaven tot een maximum van 5 kilometer rondom de
luchthaven, de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt,
b. kan aantonen te beschikken over
voldoende bekwaamheid om op een veilige manier deel te nemen aan
het luchtverkeer, en
c. kan aantonen dat een verzekering
is gesloten tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid jegens
derden als gevolg van het gebruik van het luchtvaartuig.
3. De artikelen 2.1, eerste lid, voor
zover dit betrekking heeft op het bedienen van een grondstation of
mobiel station in de luchtvaartmobiele band, waarvoor een vergunning
is vereist als bedoeld in artikel 3.3 van de Telecommunicatiewet, en
artikel 2.2, tweede lid, van de wet zijn niet van toepassing op degene
die een luchtvaartuig als bedoeld in het eerste lid bedient of een
solovlucht als bedoeld in onderdeel k van dat lid uitvoert, en houder
is van een door Onze Minister afgegeven certificaat waaruit blijkt,
dat die houder bevoegd is tot het bedienen van een grondstation of
mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 12
Onze Minister kan nadere regels geven met
betrekking tot het afgeven van bewijzen van gelijkstelling. Deze regels
omvatten in ieder geval bepalingen betreffende eisen inzake kennis,
bedrevenheid, ervaring, leeftijd en medische geschiktheid.
Paragraaf 2. De opleidingsinstelling
Artikel 13
1.Onze Minister geeft nadere regels met
betrekking tot de erkenning, registratie of kwalificatie van een
opleidingsinstelling. Deze regels omvatten in ieder geval bepalingen
betreffende:
a. voor de registratie:
1. de bij de aanvraag in te
dienen gegevens,
2. eisen inzake de opleiding,
3. de afgifte, geldigheidsduur,
intrekking en wijziging;
b. voor de erkenning en de
kwalificatie:
1. de bij de aanvraag in te
dienen gegevens,
2. eisen inzake de organisatie
en eisen inzake de opleiding,
3. de afgifte, geldigheidsduur,
verlenging, intrekking en wijziging.
2.Onze Minister stelt de tarieven vast,
volgens welke de kosten, bedoeld in artikel 2.9, vierde lid, van de
wet worden vergoed.
3.Onze Minister geeft nadere regels met
betrekking tot de kwalificatie van STD's. Deze regels omvatten in
ieder geval bepalingen betreffende:
a. de bij de aanvraag in te dienen
gegevens;
b. het onderscheid in eisen naar
niveau;
c. de afgifte, geldigheidsduur,
verlenging, schorsing, intrekking en wijziging.
Paragraaf 3. Het examen
Artikel 14
1.Als bewijs, dat wordt voldaan aan de
eisen met betrekking tot de nodige kennis en bedrevenheid voor een
bewijs van bevoegdheid als bedoeld in artikel 2 of een
bevoegdverklaring als bedoeld in artikel 3 of 5, wordt met goed gevolg
een examen afgelegd.
2.Het examen kan bestaan uit een
theorie- en een praktijkgedeelte.
3.Voor de bewijzen van bevoegdheid,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen f en g, en voor de
daarbij behorende bevoegdverklaringen kan aan de eisen als bedoeld in
het eerste lid tevens worden voldaan door het met goed gevolg afronden
van een opleiding aan een door Onze Minister daartoe erkende
opleidingsinstelling dan wel aan een door de bevoegde autoriteit van
een JAA-land daartoe erkende opleidingsinstelling.
4.Onze Minister kan nadere regels geven
met betrekking tot het examen.
5.Het derde lid is van overeenkomstige
toepassing op het verkrijgen van de algemene bevoegdverklaring,
bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel l.
Artikel 15
1.Onze Minister stelt het resultaat van
het theorie-en praktijkexamen vast.
2.Onze Minister stelt nadere regels met
betrekking tot de autorisatie van examinatoren. Deze regels omvatten
in ieder geval bepalingen betreffende:
a. de bij de aanvraag tot
autorisatie in te dienen gegevens;
b. de afgifte, geldigheidsduur,
verlenging en intrekking van de autorisatie;
c. de eisen inzake kennis,
bedrevenheid en ervaring;
d. het onderscheid in bevoegdheden
naar soort autorisatie.
3.De examens ter verkrijging van de
bewijzen van bevoegdheid, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen
f en g, en van de daarbij behorende bevoegdverklaringen worden
afgelegd voor een door Onze Minister daartoe in te stellen
examencommissie of aan te wijzen erkende opleidingsinstelling. Bij
ministeriële regeling geeft Onze Minister nadere regels, die in ieder
geval regels bevatten met betrekking tot:
a. de samenstelling en werkwijze
van de commissie;
b. de bekwaamheidseisen waaraan de
commissieleden moeten voldoen;
c. de richtlijnen met betrekking
tot het afnemen van examens.
Artikel 15a [Vervallen per 01-10-2004]
Artikel 16
1.Onze Minister stelt een
examenreglement vast.
2.In dit reglement kunnen bepalingen
opgenomen worden omtrent:
a. de wijze van examinering;
b. de duur van examens en de wijze
waarop examens worden uitgevoerd;
c. de vaststelling van de
examenopgaven voor het schriftelijke gedeelte;
d. de groepen van vakken waarin
examens kunnen worden afgelegd;
e. het gebruik van STD's ten
behoeve van examens;
f. de aanmelding voor examens;
g. de toelating tot examens;
h. geheimhouding;
i. het toezicht op theorie- en
praktijkexamens;
j. de uitsluiting van een
examinandus van examens;
k. de ordemaatregelen tijdens
examens;
l. de beoordeling van examens;
m. de vaststelling van het
resultaat van examens;
n. de kennisgeving van de uitslag;
o. de mogelijkheid van herexamens;
p. het afnemen van praktijkexamens;
q. de termijn waarbinnen examens
moeten zijn afgelegd;
r. de uitsluiting van examens;
s. frequentie van het examen.
Hoofdstuk 3. Luchtverkeersleiders,
vluchtinformatieverstrekkers en luchthaveninformatieverstrekkers
Paragraaf 1. Bewijzen van bevoegdheid en
bevoegdverklaringen
Artikel 17
Onze Minister kan bewijzen van
bevoegdheid afgeven voor:
a. luchtverkeersleider;
b. leerling-luchtverkeersleider;
c. vluchtinformatieverstrekker;
d. luchthaveninformatieverstrekker.
Artikel 18
1. Onze Minister kan op de bewijzen van
bevoegdheid voor luchtverkeersleider, leerling-luchtverkeersleider,
vluchtinformatieverstrekker en luchthaveninformatieverstrekker een of
meer van de onderstaande bevoegdverklaringen weergeven op de wijze
zoals aangegeven in de bijlage II bij dit besluit:
a. ADV: bevoegdheid tot het
verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten ten behoeve van het
luchthavenverkeer op of in de nabijheid van een luchthaven die
niet over gepubliceerde procedures voor nadering of vertrek op
instrumenten beschikt (Aerodrome Control Visual);
b. ADI: bevoegdheid tot het
verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten ten behoeve van het
luchthavenverkeer op of in de nabijheid van een luchthaven die
over gepubliceerde procedures voor nadering of vertrek op
instrumenten beschikt (Aerodrome Control Instrument);
c. APP: bevoegdheid tot het
verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten ten behoeve van
aankomende, vertrekkende of doorvliegende vliegtuigen zonder hulp
van surveillanceapparatuur (Approach Control Procedural);
d. APS: bevoegdheid tot het
verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten ten behoeve van
aankomende, vertrekkende of doorvliegende vliegtuigen met behulp
van surveillanceapparatuur (Approach Control Surveillance);
e. ACP: bevoegdheid tot het
verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten zonder
surveillanceapparatuur (Area Control Procedural);
f. ACS: bevoegdheid tot het
verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten met behulp van
surveillanceapparatuur (Area Control Surveillance);
g. ADR: bevoegdheid van:
1°.
vluchtinformatieverstrekkers tot het verstrekken van advies en
inlichtingen aan luchthavenverkeer en luchtverkeer op en nabij
een luchthaven dan wel het verstrekken van alarmering;
2°.
luchtvaartterreininformatieverstrekkers tot het verstrekken
van luchthaveninformatie aan luchthavenverkeer op een
luchthaven (Aerodrome);
h. AER: bevoegdheid tot het
verstrekken van advies en inlichtingen aan luchtverkeer dan wel
tot verstrekken van alarmering (Area).
2. Onze Minister kan op de bewijzen van
bevoegdheid voor luchtverkeersleider, leerling-luchtverkeersleider,
vluchtinformatieverstrekker en luchthaveninformatieverstrekker een of
meer van onderstaande aantekeningen weergeven op de wijze zoals
aangegeven in de bijlage IIbij dit besluit:
a. aantekening bij de
bevoegdverklaring: op het bewijs van bevoegdheid aangebrachte en
hiervan deel uitmakende machtiging waarin de specifieke aan de
bevoegdverklaring verbonden voorwaarden, rechten of beperkingen
zijn weergegeven (rating endorsement);
b. aantekening bij het bewijs van
bevoegdheid: op het bewijs van bevoegdheid aangebracht en hiervan
deel uitmakende machtiging waarin de specifieke aan het bewijs van
bevoegdheid verbonden voorwaarden, rechten of beperkingen zijn
weergegeven (licence endorsement);
c. aantekening betreffende de
eenheid: op het bewijs van bevoegdheid aangebracht en hiervan deel
uitmakende machtiging waarin de ICAO-locatie-indicator wordt
weergegeven alsook de sectoren of werkplekken waarvoor de houder
van het bewijs van bevoegdheid bevoegd is (unit endorsement);
d. aantekening betreffende de
taalvaardigheid: op het bewijs van bevoegdheid aangebracht en
hiervan deel uitmakende machtiging waarin de taalvaardigheid van
de houder wordt aangegeven (language endorsement);
3. Een bevoegdverklaring als bedoeld in
het eerste lid is slechts geldig indien aan deze bevoegdverklaring de
relevante aantekening betreffende de luchtverkeersleidingseenheid en
de overige noodzakelijke aantekeningen zoals weergegeven in de bijlage
II bij dit besluit zijn verbonden.
4. Een aantekening als bedoeld in het
tweede lid is slechts geldig in samenhang met het bewijs van
bevoegdheid of de bevoegdverklaring waarvan zij deel uitmaakt.
Artikel 19
1. De minimumleeftijd voor de afgifte
van een bewijs van bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 bedraagt
voor:
a. luchtverkeersleider: 21 jaar;
b. leerling-luchtverkeersleider: 18
jaar;
c. vluchtinformatieverstrekker: 18
jaar;
d. luchthaveninformatieverstrekker:
18 jaar.
2. Onze Minister kan in
gerechtvaardigde gevallen ambtshalve de leeftijd voor de afgifte van
een bewijs van bevoegdheid voor luchtverkeersleider verlagen tot
minimaal 19 jaar.
Artikel 20
1. Met inachtneming van artikel 19wordt
een bewijs van bevoegdheid voor luchtverkeersleider,
leerling-luchtverkeersleider en vluchtinformatieverstrekker op
aanvraag verleend aan een ieder die:
a. in het bezit is van een geldige
medische verklaring,
b. voldoet aan bij ministeriële
regeling te stellen eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring,
en
c. overeenkomstig Bijlage 1 bij het
op 7 december 1944 te Chicago gesloten Verdrag inzake de
Internationale Burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) voldoet aan de
vereisten inzake het vermogen tot beheersing van de Engelse taal
op de niveaus 4, 5 of 6.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is van
overeenkomstige toepassing op het verlenen van bewijzen van
bevoegdheid voor luchthaveninformatieverstrekker en op het verlenen
van bevoegdverklaringen en aantekeningen als bedoeld in artikel 18.
3. Onze Minister stelt de tarieven
vast, volgens welke de kosten, bedoeld in artikel 2.3, zesde lid,
onderdeel h, van de wet, worden vergoed.
Artikel 21
1. Een bewijs van bevoegdheid voor
luchtverkeersleider, vluchtinformatieverstrekker of
luchthaveninformatieverstrekker, een bevoegdverklaring of een
aantekening bij de bevoegdverklaring als bedoeld in artikel 18 wordt
voor onbepaalde tijd afgegeven.
2. Het bewijs van bevoegdheid voor
leerling-luchtverkeersleider wordt afgegeven voor een termijn van 24
maanden. In uitzonderlijk gevallen kan Onze Minister het bewijs van
bevoegdheid nogmaals voor maximaal 24 maanden verlengen mits de houder
aantoont over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring te
beschikken. Het bewijs van bevoegdheid voor
leerling-luchtverkeersleider vervalt zodra aan de houder daarvan een
bewijs van bevoegdheid voor luchtverkeersleider met ten minste één
bevoegdverklaring en de relevante aantekening is afgegeven.
3. De aantekening betreffende de
eenheid wordt voor een termijn van 12 maanden weergegeven.
4. De aantekening bij het bewijs van
bevoegdheid wordt voor een termijn van 36 maanden weergegeven.
5. De termijnen, bedoeld in het derde
en vierde lid, worden met eenzelfde termijn verlengd indien de houder
voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen regels inzake
kennis, bedrevenheid en ervaring.
Artikel 22
1. De vereisten inzake ervaring voor
het verkrijgen van een bewijs van bevoegdheid voor
vluchtinformatieverstrekker zijn niet van toepassing op personen die
maximaal 24 maanden voor de datum van aanvraag in het bezit waren van
een geldig bewijs van bevoegdheid voor luchtverkeersleider.
2. De vereisten inzake ervaring voor
het verkrijgen van een bewijs van bevoegdheid voor
luchthaveninformatieverstrekker zijn niet van toepassing op personen
die maximaal 24 maanden voor de datum van de aanvraag in het bezit
waren van een geldig bewijs van bevoegdheid voor luchtverkeersleider
of vluchtinformatieverstrekker .
Artikel 23 [Vervallen per 21-09-2005]
Artikel 24
1.Onze Minister kan een bewijs van
bevoegdheid vernieuwen, indien het is verloren of indien het
onleesbaar, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden.
2.Indien een bewijs van bevoegdheid
wegens verlies is vernieuwd en het verloren bewijs wordt
teruggevonden, zendt de houder het teruggevonden bewijs zo spoedig
mogelijk aan Onze Minister.
3.Indien een bewijs van bevoegdheid
anders dan wegens verlies is vernieuwd, kan Onze Minister de houder
opdragen het oorspronkelijke bewijs binnen een week na de datum van
verzending van het nieuwe bewijs aan Onze Minister te zenden.
Paragraaf 2. Opleiding en kwalificatie
Artikel 24a
1. Voor het verzorgen van opleidingen
tot luchtverkeersleider vluchtinformatieverstrekker of
luchthaveninformatieverstrekker is een door Onze Minister goed te
keuren opleidingenplan noodzakelijk.
2. Bij regeling van Onze Minister
worden nadere regels gesteld voor de goedkeuring van het in het eerste
lid bedoelde opleidingenplan, die in ieder geval betrekking hebben op:
a. eisen inzake de inhoud van de
opleiding;
b. de in het opleidingplan op te
nemen gegevens;
c. de geldigheidsduur en wijze van
de goedkeuring;
d. de onderdelen waaruit een
opleidingenplan kan bestaan.
Artikel 24b
Onze Minister geeft regels met betrekking
tot de kwalificatie van STD’s voor luchtverkeersleider. Artikel 13,
derde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24c
1.Onze Minister geeft regels met
betrekking tot de certificering van opleidingsinstellingen voor het
verlenen van luchtverkeersdiensten. Deze regels omvatten in ieder
geval bepalingen betreffende:
a. de aanvraag, afgifte, intrekking
en wijziging van de certificering;
b. de bij de aanvraag in te dienen
gegevens;
c. de geldigheidsduur van de
certificering;
d. de technische en operationele
bekwaamheden van de opleidingsinstelling;
e. het vermogen van de
opleidingsinstelling opleidingen te organiseren.
2.Onze Minister stelt de tarieven vast,
volgens welke de kosten, bedoeld in artikel 2.9, vierde lid, van de
wet worden vergoed.
Paragraaf 3. Het examen
Artikel 25
1. Als bewijs dat is voldaan aan de
eisen met betrekking tot de nodige kennis, bedrevenheid en ervaring,
bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, geldt een met goed
gevolg afgelegd examen.
2. Het examen bestaat uit:
a. een theoretisch onderzoek naar
kennis;
b. een praktisch onderzoek naar
kennis, bedrevenheid en ervaring.
3. Het eerste en het tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing op het vermogen tot beheersing van de
Engelse taal, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 26
1.Het examen, bedoeld in artikel 25,
wordt afgenomen door een door Onze Minister in te stellen
examencommissie.
2.Onze Minister benoemt, telkens voor
een periode van ten hoogste twee jaar, de volgende leden van de
examencommissie:
a. de voorzitter,
b. de plaatsvervangend voorzitter,
c. de secretaris,
d. minimaal twee beheerders van de
examenvragendatabank.
3.De benoeming van de in het tweede
lid, onderdelen b, c en d, bedoelde leden vindt plaats op voordracht
van de voorzitter van de examencommissie, in overleg met de in de
artikelen 5.13, eerste lid, onderdeel a, en 5.14, onderdeel a, van de
wet bedoelde instanties voor luchtverkeersdienstverlening.
4.Bij ontstentenis van de voorzitter en
de plaatsvervangend voorzitter worden hun werkzaamheden verricht door
de secretaris.
Artikel 27 [Vervallen per 21-09-2005]
Artikel 28
1. Bij regeling van Onze Minister
worden regels vastgesteld voor het examen, bedoeld in artikel 25.
2. De regels, bedoeld in het eerste
lid, betreffen in ieder geval:
a. de taken en
verantwoordelijkheden van de examencommissie;
b. de taken en
verantwoordelijkheden van verleners van
luchtvaartnavigatiediensten en exploitanten van luchthavens en hun
personeel met betrekking tot examens;
c. de wijze van het afnemen van
examens;
d. vrijstelling en ontheffing van
examens;
e. exameneisen;
f. toelatingseisen.
3. Onze Minister hoort de voorzitter
van de examencommissie omtrent de vaststelling van regels, bedoeld in
het eerste lid.
Artikel 29
De examencommissie brengt zo spoedig
mogelijk na afloop van het examen schriftelijk rapport uit aan Onze
Minister. In dit rapport worden de uitkomsten, bijzonderheden en
opmerkingen met betrekking tot het examen vermeld.
Hoofdstuk 4. Medische verklaring
Paragraaf 1. Keuring
Artikel 30
1.Ten behoeve van een door Onze
Minister, al dan niet onder beperkingen, af te geven medische
verklaring wordt degene, die zulk een verklaring heeft aangevraagd,
gekeurd door een geneeskundige of door een geneeskundige instantie.
2.Onze Minister kan in ieder geval
regels geven met betrekking tot:
a. de aanvraag van de keuring;
b. de oproep voor en de aanmelding
bij de keuring;
c. de ten behoeve van de afgifte
van een medische verklaring te verrichten keuring;
d. de anamnese;
e. de kennisgeving van de uitslag;
f. de eisen van medische
geschiktheid en de beperkingen waaronder de medische verklaring
kan worden afgegeven;
g. de eisen waaraan een
geneeskundige of een geneeskundige instantie ten behoeve van hun
autorisatie moeten voldoen;
h. de verplichtingen van de houder
van de medische verklaring of van een geneeskundige of een
geneeskundige instantie;
i. de erkenning van in het
buitenland verrichte keuringen.
3.Onze Minister stelt de tarieven vast,
volgens welke de kosten, als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid,
onderdeel h en artikel 2.4, derde lid, onderdeel g, van de wet worden
vergoed.
Artikel 31
1. De geldigheidsduur van de medische
verklaringen, die niet zijn genoemd in het tweede lid, zijn opgenomen
in JAR-FCL 3.105.
2. De geldigheidsduur van de medische
verklaring voor luchtverkeersleiders, luchtverkeersleiders in
opleiding, vluchtinformatieverstrekkers en
luchthaveninformatieverstrekkers bedraagt in maanden ten hoogste:
|
a. |
|
|
|
|
klasse 2 |
jonger dan 30 jaar |
30 tot 50 jaar |
50 jaar of ouder |
|
luchthaveninformatieverstrekker |
60* |
24 |
12 |
* met dien verstande dat een medische
verklaring afgegeven voor het dertigste levensjaar van de houder
slechts geldt tot zijn twee en dertigste jaar.
|
b. |
|
|
|
klasse 3 |
jonger dan 40 jaar |
40 jaar of ouder |
|
a. luchtverkeersleider |
24 |
12 |
|
b. luchtverkeersleider in opleiding |
24 |
12 |
|
c. vluchtinformatieverstrekker |
24 |
12 |
3. Houders van een bewijs van
bevoegdheid voor informatieverstrekker kunnen eveneens gebruik maken
van een geldige medische verklaring klasse 3.
4. Onze Minister stelt nadere regels
voor de verlenging van een medische verklaring.
Paragraaf 2. Herbeoordeling
Artikel 32
1.Ten behoeve van de beslissing op
bezwaar tegen een beschikking met betrekking tot een medische
verklaring kan Onze Minister advies inwinnen bij een door Onze
Minister ingestelde Adviescommissie.
2.Bij elke volgende keuring wordt
rekening gehouden met het advies van de Adviescommissie.
Artikel 33
1.De Adviescommissie bestaat uit ten
minste vijf leden, waaronder een voorzitter, die door Onze Minister
worden benoemd voor een periode van 3 jaar en ontslagen.
2.Van de leden van de Adviescommissie
wordt ten minste één lid benoemd uit de kring van deskundigen met
betrekking tot medische verklaringen klasse 1, ten minste één lid
uit de kring van deskundigen met betrekking tot medische verklaringen
klasse 2 en ten minste één lid uit de kring van deskundigen met
betrekking tot medische verklaringen klasse 3.
Artikel 34
1.Onze Minister doet een ontvangen
bezwaarschrift binnen een week aan de Adviescommissie toekomen.
2.Onze Minister kan regels stellen met
betrekking tot door de Adviescommissie in acht te nemen procedures.
Artikel 35
Zolang in een vacature in de
Adviescommissie niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de
Adviescommissie met de bevoegdheden van de volledige Adviescommissie.
Hoofdstuk 5. Schorsing
Artikel 36
1.Indien een bewijs van bevoegdheid of
een bevoegdverklaring is geschorst op één van de in artikel 2.5,
eerste lid, onderdeel a of b van de wet genoemde gronden, kan Onze
Minister bepalen dat de houder zich opnieuw aan een door Onze Minister
te bepalen examen onderwerpt. Het examen kan beperkt blijven tot één
of enkele onderdelen.
2.Indien een bewijs van bevoegdheid of
een bevoegdverklaring is geschorst op grond van artikel 2.5, eerste
lid, onderdeel c, wordt de schorsing opgeheven bij opnieuw gebleken
medische geschiktheid.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 37 [Vervallen per 01-10-2004]
Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 40 [Vervallen per 01-10-2004]
Artikel 41 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 42
De artikelen van dit besluit treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen, onderdelen daarvan, bewijzen van bevoegdheid,
algemene of bijzondere bevoegdverklaringen verschillend kan worden
vastgesteld.
Artikel 43
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting en de bijlagen in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Tavarnelle, 28 juli 1999
BEATRIX
De Minister
van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
Uitgegeven de negentiende
augustus 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage I, behorende bij artikel 38,
vijfde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart
|
huidige klasse/typebevoegdverklaring |
nieuwe bijzondere
bevoegdverklaring |
|
AIR TRACTOR AT-301 |
SE piston(land) |
|
AIRBUS 319/320/321 |
A319/320/321 |
|
AIRBUS A300 |
A300 |
|
AIRBUS A310 |
A310/300-600 |
|
ALOUETTE II |
Alouette II |
|
ALOUETTE III |
Alouette III |
|
ANTONOV AN2 |
SE piston(land) |
|
AS-355 |
AS 355/355N |
|
AS 350 |
AS 350 |
|
ATR-42 |
ATR42/72 |
|
ATR-72 |
ATR42/72 |
|
AYRES S2R |
Snow/Ayres SET |
|
BAE-146 |
AVRORJ/BAe146 |
|
BEECH 1900D |
Beech300/1900 |
|
BEECH 200 |
Beech100/200 |
|
BEECH 300 |
Beech300/1900 |
|
BEECH 65-80 |
ME piston(land) |
|
BEECH 65-A90 |
ME piston(land) |
|
BEECH 90/99 |
Beech90/99 |
|
BEECH 95-A55 |
Beech90/99 |
|
BEECH BE-300 |
Beech300/1900 |
|
BEECH BE-58 |
ME piston(land) |
|
BEECH C90 |
Beech90/99 |
|
BEECH D18S |
ME piston(land) |
|
BELL 2 0 6 |
Bell 206/ 206 L |
|
BELL 206 |
Bell 206/ 206 L |
|
BELL 222U |
Bell 222/ 230/ 430 |
|
BN2A |
ME piston(land) |
|
BN2B |
ME piston(land) |
|
BN2T |
BN2T |
|
BO 105 |
BO 105/105 LS |
|
BOEING 707 |
B707/720 |
|
BOEING 727 |
B727 |
|
BOEING 737 |
B737 100-200 |
|
BOEING 737-300 |
B737 300-800 |
|
BOEING 737-400 |
B737 300-800 |
|
BOEING 737-500 |
B737 300-800 |
|
BOEING 737-800 |
B737 300-800 |
|
BOEING 747 |
B747 100-300 |
|
BOEING 747–400 |
B747 400 |
|
BOEING 757 |
B757/767 |
|
BOEING 767 |
B757/767 |
|
C-300 SER.PIST.ENG |
ME piston(land) |
|
CATALINA PBY-5A |
Catalina |
|
CESSNA 208 |
Cessna SET |
|
CESSNA 310 |
ME piston(land) |
|
CESSNA 337 |
ME piston(land) |
|
CESSNA 340 |
ME piston(land) |
|
CESSNA 400 SERIES |
ME piston(land) |
|
CESSNA 402 |
ME piston(land) |
|
CESSNA 404 |
ME piston(land) |
|
CESSNA 406 |
C406/425 |
|
CESSNA 414 |
ME piston(land) |
|
CESSNA 421 |
ME piston(land) |
|
CESSNA 425 |
C406/425 |
|
CESSNA 441 |
C441 |
|
CESSNA 500 SERIES |
C500/550/560 |
|
CESSNA 550 |
C500/550/560 |
|
CESSNA 650 |
C650 |
|
CESSNA T303 |
ME piston(land) |
|
DAUPHIN SA 365 |
SA 365/ 365 N |
|
DHC-2 |
SE piston(land) |
|
DHC-6 |
DHC6 |
|
DHC-8 |
DHC8 |
|
DORNIER 228 |
D228 |
|
DORNIER 328 |
DO328 |
|
DOUGLAS DC- 9 |
DC9 10–50 |
|
DOUGLAS DC-10 |
DC10 |
|
DOUGLAS DC-2 |
DC2 |
|
DOUGLAS DC-3 |
DC3 |
|
DOUGLAS DC-4 |
DC4 |
|
DOUGLAS DC-8 |
DC8 |
|
DOUGLAS DC-9–80 |
DC9 80/MD88/MD90 |
|
DOUGLAS MD-11 |
MD11 |
|
EMB-110 |
EMB110 |
|
EMBRAER 120 |
EMB120 |
|
ENSTROM 280 FX |
E N F 280 |
|
FALCON 900 |
Falcon50/900 |
|
FALCON 900EX |
Falcon50/900 |
|
FOKKER 0100 |
F70/100 |
|
FOKKER 050 |
F50 |
|
FOKKER 70 |
F70/100 |
|
FOKKER 70/100 |
F70/100 |
|
FOKKER F-27 |
F27 |
|
FOKKER F-28 |
F28 |
|
GRUMMAN G-164 |
SE piston(land) |
|
HARVARD |
SE piston(land) |
|
HFB-320 |
HFB320 |
|
HILLER-12 |
UH 12/ UH 12 T |
|
HS-125 |
HS125 |
|
HUGHES 269/300 |
HU 269 |
|
HUGHES 369/500 |
HU 369 |
|
JETSTREAM 31 |
Jetstream31/32 |
|
KEN BROCK KB-2 |
B8/KB-2 series |
|
LEARJET |
Learjet20/30 |
|
LOCKHEED L-382 |
Hercules |
|
MD-900 |
MD 900 |
|
METRO II |
SA226AT/TC/227 |
|
MITSUBISHI MU2B |
MU2B |
|
MYSTERE 20 |
Falcon20/200 |
|
MYSTERE 50 |
Falcon50/900 |
|
NOMAD N24A |
Asta MET |
|
PA-31T TURBO PROP |
PA31/42 |
|
PILATUS PC-6 |
SE piston(land) |
|
PILATUS PC6 TURBO |
PC6 |
|
PIPER AEROSTAR 601P |
ME piston(land) |
|
PIPER PA-23 |
ME piston(land) |
|
PIPER PA-31 |
ME piston(land) |
|
PIPER PA-31T2 |
PA31/42 |
|
PIPER PA-34 |
ME piston(land) |
|
PIPER PA-42 |
PA31/42 |
|
PIPER PA-44 |
ME piston(land) |
|
ROBINSON R22 |
R 22 |
|
ROBINSON R44 |
R 44 |
|
ROCKWELL 700 |
ME piston(land) |
|
ROGWELL AC 690B |
Rockwell MET |
|
SA 330 J |
SA 330 |
|
SA 365 |
SA 365/ 365 N |
|
SA 315 |
SA 316/319/315 |
|
SAAB SF340 |
SAAB340 |
|
SCHWEIZER 330/269D |
HU 369 |
|
SIKORSKY S-58T |
SK 55/ 58/ 58 T |
|
SIKORSKY S-61N |
SK 61 |
|
SIKORSKY S-76 |
SK 76/ 76 B/ 76C |
|
SIKORSKY S-76A |
SK 76/ 76 B/ 76C |
|
SN 601 |
SN601 |
|
SOCATA. TBM-700 |
Aerospatiale SET |
|
VK1A |
SE piston(land) |
|
VK2A |
ME piston(land) |
|
VK5 |
TMG |
Bijlage II niet opgenomen
|