BESLUIT van 31 augustus 1999, houdende vaststelling
van regels met betrekking tot cockpitpersoneel en
luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht (Besluit
cockpitpersoneel en luchtverkeersdienstverleningspersoneel krijgsmacht)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 18 november 1998,
nr. C96/255, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving,
gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 1.2, tweede lid, 10.1,
tweede lid, en 10.2, eerste lid, van de Wet luchtvaart;
De Raad van State gehoord (advies van 8
februari 1999, nr. W07.98.0537);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Defensie van 26 augustus 1999, nr. C96/255,
uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Cockpitpersoneel
Artikel 1
Cockpitpersoneel wordt onderscheiden in:
a. vliegers,
b. personen belast met het op afstand bedienen van onbemande
luchtvaartuigen van de krijgsmacht, en
c. overig cockpitpersoneel.
Artikel 2
Cockpitpersoneel voldoet aan de voor de betrokken functie bij
regeling van Onze Minister van Defensie vastgestelde eisen inzake
theoretische en praktische bekwaamheid.
Paragraaf 2. Luchtverkeersdienstverleningspersoneel
Artikel 3
Luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht kan worden
belast met het geven van een of meer van de volgende vormen van
luchtverkeersleiding:
a. plaatselijke luchtverkeersleiding: het geven van
luchtverkeersleiding bij een aangewezen plaatselijke
luchtverkeersleidingsdienst,
b. naderingsluchtverkeersleiding: het geven van
luchtverkeersleiding bij een aangewezen
naderingsluchtverkeersleidingsdienst,
c. algemene luchtverkeersleiding: het geven van
luchtverkeersleiding bij een aangewezen algemene
luchtverkeersleidingsdienst,
d. radarnaderingsluchtverkeersleiding: het geven van
radarluchtverkeersleiding bij een aangewezen
naderingsluchtverkeersleidingsdienst, of
e. algemene radarluchtverkeersleiding: het geven van
radarluchtverkeersleiding bij een aangewezen algemene
luchtverkeersleidingsdienst.
Artikel 4
Personeel dat is belast met een of meer van de in artikel 3 genoemde
vormen van luchtverkeersleiding, voldoet aan de daarvoor bij regeling
van Onze Minister van Defensie vastgestelde eisen inzake theoretische en
praktische bekwaamheid.
Paragraaf 3. Geestelijke en lichamelijke geschiktheid
Artikel 5
1. Personeel van de krijgsmacht, dat is belast met het bedienen
van militaire luchtvaartuigen dan wel het geven van
luchtverkeersleiding, voldoet aan de daarvoor bij regeling van Onze
Minister van Defensie vastgestelde eisen inzake de geestelijke en
lichamelijke geschiktheid.
2. Niet tot de krijgsmacht behorende personen die zijn belast met
het op afstand bedienen van onbemande luchtvaartuigen van de
krijgsmacht, voldoen aan de daarvoor bij regeling van Onze Minister van
Defensie vastgestelde eisen inzake de geestelijke en lichamelijke
geschiktheid. Deze regeling betreft voorts de periodieke medische
keuring van deze personen.
Paragraaf 4. Personen in opleiding
Artikel 6
1. Artikel 10.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart is voor wat
betreft de eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid niet
van toepassing op degene die een opleiding volgt voor een functie als
genoemd in artikel 1 van dit besluit, voorzover de door die persoon
gedurende de opleiding uitgevoerde werkzaamheden plaatsvinden in
opdracht van een instructeur.
2. Artikel 10.2, eerste lid, tweede volzin, van de Wet luchtvaart
is voor wat betreft de eisen inzake theoretische en praktische
bekwaamheid niet van toepassing op degene die een opleiding volgt voor
een functie als genoemd in artikel 3 van dit besluit, voorzover de door
die persoon gedurende de opleiding uitgevoerde werkzaamheden
plaatsvinden onder toezicht van een instructeur.
Paragraaf 5. Buitenlands cockpitpersoneel
Artikel 7
Artikel 10.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart is niet van
toepassing op buitenlands cockpitpersoneel, belast met het bedienen van
buitenlandse militaire luchtvaartuigen, mits dat voldoet aan de door de
desbetreffende buitenlandse militaire autoriteiten terzake gestelde
eisen.
Artikel 8
Artikel 10.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart is niet van
toepassing op buitenlands militair cockpitpersoneel, behorende tot de
krijgsmacht van een Staat, aangesloten bij de Noord Atlantische
Verdragsorganisatie, dan wel tot de krijgsmacht van een Staat waarmee
anderszins samenwerkingsverbanden zijn gesloten, voorzover in dat kader
overeengekomen is dat zij Nederlandse militaire luchtvaartuigen
bedienen, mits genoemd personeel door de bevoegde autoriteiten van de
Staat van herkomst:
a. bevoegd is verklaard tot het bedienen van militaire
luchtvaartuigen van die Staat, en
b. lichamelijk en geestelijk geschikt is verklaard voor het
bedienen van militaire luchtvaartuigen van die Staat.
Paragraaf 6. Slotbepalingen
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1999.
Artikel 10
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit cockpitpersoneel en
luchtverkeersdienstverleningspersoneel krijgsmacht.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 31 augustus 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de eenentwintigste september 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals