|
BESLUIT van 26 november 2002 tot vaststelling van een
luchthavenverkeerbesluit voor de luchthaven Schiphol (Luchthavenverkeerbesluit
Schiphol)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juli
2002, kenmerk HDJZ/LUV/2002-1857, gedaan mede namens Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 8.15 van de Wet luchtvaart;
De Raad van State gehoord (advies van 12
september 2002, nr. W09.02.0303/V en nr. W09.02.0305/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 21 november 2002, kenmerk
HDJZ/LUV/2002-2735, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. gebruiksjaar: de periode van een
jaar die loopt van 1 november tot en met 31 oktober;
b. vliegtuig: het begrip zoals dat is
bepaald in artikel 1, onderdeel ak, van het Luchtverkeersreglement,
met uitzondering van draagschroefvliegtuigen;
c. straalvliegtuig: een vliegtuig
waarbij de voortstuwing direct door ten minste één straalmotor
wordt verzorgd;
d. vliegtuigbeweging: de aankomst of
het vertrek van een vliegtuig op of van de luchthaven;
e. taxiën: het begrip zoals dat is
bepaald in artikel 1, onderdeel af, van het Luchtverkeersreglement.
f. vlieghoogte en vliegniveau: de
begrippen zoals deze zijn bepaald in artikel 1, onderdelen ai en aj,
van het Luchtverkeersreglement, met dien verstande dat:
1° een vlieghoogte die is
uitgedrukt in voeten altijd bepaald wordt ten opzichte van het
gemiddeld zeeniveau;
2° een vlieghoogte niet van
toepassing is in het luchtruim boven de Nederlandse territoriale
zee en boven de Noordzee buiten de territoriale zee;
g. Schiphol TMA en Schiphol CTR: de
begrippen zoals deze zijn bepaald op grond van de artikelen 2 en 5
van de Regeling luchtverkeersdienstverlening;
h. exploitatiebeperkingen: met de
geluidssituatie samenhangende maatregelen waarbij de toegang van
civiele subsonische straalvliegtuigen tot een luchthaven wordt
beperkt of teruggebracht en welke onder meer gericht kunnen zijn op
de uitdienstneming van marginaal conforme vliegtuigen op de
luchthaven;
i. partiële exploitatiebeperkingen:
exploitatiebeperkingen die het gebruik van civiele subsonische
straalvliegtuigen in bepaalde tijdsperiodes beperken;
j. ICAO Bijlage 16: de op grond van
het op 7 december 1944, te Chicago gesloten Verdrag inzake de
Burgerluchtvaart (Trb.1973, 109) door de Internationale
Burgerluchtvaartorganisatie vastgestelde Annex 16 (Environmental
Protection) , boekdeel I, deel II, Hoofdstuk 3, derde uitgave (juli
1993);
k. EPNdB: de eenheid van effectief
waargenomen geluid zoals gedefinieerd in ICAO Bijlage 16;
l. civiele subsonische vliegtuigen:
civiele subsonische straalvliegtuigen met een gecertificeerde
maximum-startmassa van 34.000 kg of meer of met een gecertificeerde
maximumcapaciteit voor het betrokken vliegtuigtype van meer dan 19
stoelen, de uitsluitend voor de bemanning bestemde stoelen niet
meegerekend;
m. marginaal conforme vliegtuigen:
civiele subsonische straalvliegtuigen die voldoen aan de
geluidsnormen, zoals vastgesteld in ICAO Bijlage 16, met een
cumulatieve marge van niet meer dan 5 EPNdB, waarbij de cumulatieve
marge de in EPNdB uitgedrukte waarde is die wordt verkregen door het
bij elkaar optellen van de individuele marges, zijnde de verschillen
tussen het gecertificeerde geluidsniveau en het maximaal toegestane
geluidsniveau, op elk van de drie referentiegeluidsmeetpunten zoals
omschreven in ICAO Bijlage 16.
Hoofdstuk 2. De luchtverkeerwegen
Artikel 2.1
De luchtverkeerwegen zijn de in bijlage 1
bij dit besluit als zodanig afgebakende delen van het luchtruim.
Hoofdstuk 3. De regels
§ 3.1. Het gebruik van het luchtruim en
de beschikbaarheid van de banen
Artikel 3.1.1
1.Bij het vertrek van een
straalvliegtuig van de luchthaven draagt de gezagvoerder er zorg voor
dat het vliegtuig blijft binnen één van de luchtverkeerwegen die
voor het desbetreffende tijdvak, voor een vertrek van de
desbetreffende baan, zijn aangewezen in bijlage 1 bij dit besluit.
2.Bij het vertrek van een
straalvliegtuig van de luchthaven en na het verlaten van de Schiphol
TMA draagt de gezagvoerder er zorg voor dat de vlieghoogte van het
vliegtuig blijft op of boven vliegniveau 60.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing bij het vertrek van een straalvliegtuig van de
luchthaven met als bestemming de luchthaven Lelystad, Valkenburg of
Rotterdam.
4.De gezagvoerder kan afwijken van het
eerste lid op grond van de gegeven luchtverkeersleiding.
Artikel 3.1.2
1.Bij de nadering van een
straalvliegtuig van de luchthaven draagt de gezagvoerder er zorg voor
dat het vliegtuig blijft binnen één van de luchtverkeerwegen voor
zover voor het desbetreffende tijdvak, voor een nadering van de
desbetreffende baan luchtverkeerwegen zijn aangewezen in bijlage 1 bij
dit besluit.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
bij de nadering van de luchthaven van een straalvliegtuig dat
afkomstig is van de luchthaven Lelystad, Valkenburg of Rotterdam.
3.Bij de nadering van een
straalvliegtuig van de luchthaven buiten de in het eerste lid bedoelde
gevallen, draagt de gezagvoerder er zorg voor dat de vlieghoogte van
het vliegtuig blijft op of boven de in de navolgende tabel beschreven
waarden.
Minimum vlieghoogten
|
Positie |
Periode |
Vlieghoogte |
|
Tot grens Schiphol TMA |
Gehele etmaal |
Vliegniveau 70 |
|
Van grens Schiphol TMA tot
eindnadering |
Van 6 tot 23 uur |
2000 voet |
|
Van 23 tot 6 uur |
3000 voet |
4.De gezagvoerder kan afwijken van
het eerste en derde lid op grond van de gegeven
luchtverkeersleiding.
5.De gezagvoerder kan afwijken van
het eerste lid voor zover de technische voorzieningen van het
vliegtuig onvoldoende zijn om aan dat lid gevolg te geven.
Artikel 3.1.3
1.De LVNL geeft luchtverkeersleiding
die ertoe strekt dat het straalvliegtuig blijft binnen een
luchtverkeerweg dan wel op of boven een hoogte als bedoeld in de
artikelen 3.1.1 en 3.1.2.
2.De LVNL kan indien dit naar haar
oordeel noodzakelijk is in verband met een veilige en doelmatige
afwikkeling van het luchthavenluchtverkeer, luchtverkeersleiding geven
die leidt tot afwijking van het eerste lid.
3.De LVNL draagt er zorg voor dat het
aantal afwijkingen als bedoeld in het tweede lid in een gebruiksjaar
beneden de in de navolgende tabel vermelde percentages blijft. Het
aantal afwijkingen wordt bepaald als percentage van het aantal
vliegtuigbewegingen in het gebruiksjaar dat valt binnen de
desbetreffende regel van de tabel.
Afwijkingen
|
Afwijkingen in het
horizontale of het verticale vlak |
Vertrekkend of
naderend verkeer |
Positie |
Periode |
Percentage |
|
Horizontaal |
Vertrek |
Vlieghoogte 0 tot 3000 voet |
Van 6 tot 23 uur |
3,00% |
|
Vlieghoogte 0 tot vliegniveau 90 |
Van 23 tot 6 uur |
0,05% |
|
Nadering |
|
Van 23 tot 6 uur |
0,05% |
|
Verticaal |
Vertrek |
Van grens Schiphol CTR tot grens
Schiphol TMA |
Gehele etmaal |
0,05% |
|
Vanaf grens Schiphol TMA |
10,00% |
|
Nadering |
Tot grens Schiphol TMA |
Van 6 tot 23 uur |
5,00% |
|
Van 23 tot 6 uur |
0,05% |
|
Van grens SchipholTMA tot
eindnadering |
Van 6 tot 23 uur |
15,00% |
|
Van 23 tot 6 uur |
0,05% |
Artikel 3.1.4
De exploitant van de luchthaven draagt
zorg voor de beschikbaarstelling van het in het
luchthavenindelingbesluit beschreven banenstelsel voor
luchthavenluchtverkeer. De exploitant kan de beschikbaarstelling
beperken indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van werkzaamheden
aan of in verband met het banenstelsel.
Artikel 3.1.5
1.De gezagvoerder draagt er zorg voor
dat het vliegtuig gebruik maakt van het banenstelsel met inachtneming
van het vierde tot en met zesde lid.
2.De gezagvoerder kan afwijken van het
eerste lid op grond van de gegeven luchtverkeersleiding.
3.De LVNL geeft luchtverkeersleiding
die ertoe strekt dat het vliegtuig gebruik maakt van het banenstelsel
met inachtneming van het vierde tot en met zesde lid.
4.Het gebruik van het banenstelsel is
gebonden aan de beperkingen die zijn beschreven in de navolgende
tabel.
Beperkingen banenstelsel
|
Baan |
Starts |
Landingen |
Verboden in periode |
|
Baan 18R/36L (Polderbaan) |
Baan 18R |
Baan 36L |
Gehele etmaal |
|
Baan 18C/36C (Zwanenburgbaan) |
Baan 36C |
Baan 18C |
Van 23:00 tot 6:00 uur |
|
Baan 18L/36R(Aalsmeerbaan) |
Baan 36R |
Baan 18L |
Gehele etmaal |
|
Baan 18L |
Baan 36R |
Van 23:00 tot 6:00 uur |
|
Baan 09/27 (Buitenveldertbaan) |
Alle |
Alle |
Van 23:00 tot 6:00 uur |
|
Baan 06/24 (Kaagbaan) |
|
Baan 24 |
Van 23:00 tot 6:00 uur |
|
Baan 04/22 (Schiphol-Oostbaan) |
Alle |
Alle |
Van 23:00 tot 6:00 uur |
5.Van de beperkingen kan afgeweken
worden bij landingen op de Zwanenburgbaan, de Aalsmeerbaan, de
Buitenveldertbaan of de Kaagbaan, voor zover geen van de andere
banen beschikbaar of bruikbaar is.
6.Van de beperkingen kan afgeweken
worden voor zover dit noodzakelijk is in verband met reddingsacties
of hulpverlening.
§ 3.2. Regels ter beperking van de
uitstoot van stikstofoxiden en stoffen die geurhinder veroorzaken
Artikel 3.2.1
1.Na de landing van een driemotorig of
een viermotorig straalvliegtuig op de luchthaven draagt de
gezagvoerder er zorg voor dat het vliegtuig met één uitgeschakelde
motor van de landingsbaan naar de afhandelingsplaats taxiet.
2.De gezagvoerder kan afwijken van het
eerste lid indien naleving van dat lid naar het oordeel van de
gezagvoerder onveilig is of aan de normale operatie van het vliegtuig
in de weg staat.
Artikel 3.2.2
1. De exploitant van de luchthaven
draagt er zorg voor dat, met ingang van de in onderdeel a tot en met d
bedoelde data, het daarbij bepaalde aantal afhandelingsplaatsen op de
pieren, bedoeld in bijlage 4 bij dit besluit, is voorzien van een
vaste stroomaansluiting en van een voorziening voor preconditioned
air, beide van voldoende kwaliteit, ter vervanging van de in het
vliegtuig aanwezige Auxiliary Power Unit:
a. 1 januari 2011 in totaal
tenminste 15;
b. 1 januari 2012 in totaal
tenminste 30;
c. 1 januari 2013 in totaal
tenminste 45;
d. 1 januari 2014 in totaal
tenminste 61.
2. Bij de afhandeling van een vliegtuig
aan de afhandelingsplaats draagt de gezagvoerder er zorg voor dat,
voor de stroomvoorziening en airconditioning, geen gebruik gemaakt
wordt van de in het vliegtuig aanwezige Auxiliary Power Unit of van
een Ground Power Unit voor zover vervangende voorzieningen beschikbaar
zijn.
Hoofdstuk 4. De grenswaarden
§ 4.1. Grenswaarden voor het
externe-veiligheidsrisico
Artikel 4.1.1
1.Het totale risicogewicht van het
luchthavenluchtverkeer bedraagt per gebruiksjaar niet meer dan 9,724
ton.
2.Het totale risicogewicht is het
product van:
a. de gemiddelde ongevalskans per
vliegtuigbeweging per gebruiksjaar en
b. het gesommeerde maximum
startgewicht van de vliegtuigbewegingen in het gebruiksjaar.
Artikel 4.1.2
De gemiddelde ongevalskans per
vliegtuigbeweging per gebruiksjaar en het maximum startgewicht per
vliegtuigbeweging worden bepaald overeenkomstig het rapport van het
Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium NLR-CR-2001-399.
§ 4.2. Grenswaarden voor de
geluidbelasting
Artikel 4.2.1
1.De Lden wordt gebruikt als indicator
voor de geluidbelasting gedurende het gehele etmaal ten gevolge van
het luchthavenluchtverkeer. De geluidbelasting wordt berekend over een
gebruiksjaar.
2.Het totale volume van de
geluidbelasting bedraagt niet meer dan 63,46 dB(A).
3.De geluidbelasting in een punt dat is
aangewezen in bijlage 2 bij dit besluit bedraagt niet meer dan de bij
dat punt aangegeven waarde.
4.Indien in een gebruiksjaar de
geluidbelasting in een punt meer bedraagt dan de in het derde lid
bedoelde waarde, wordt een nieuwe waarde berekend op basis van de
meteorologische omstandigheden zoals die zich in het gebruiksjaar
hebben voorgedaan. In dat geval treedt voor dat gebruiksjaar voor de
in het derde lid bedoelde waarde in de plaats de laagste van de
volgende waarden:
a. de berekende nieuwe waarde;
b. de waarde die bij het punt in
bijlage 2 bij dit besluit tussen haken is vermeld.
Artikel 4.2.2
1.De Lnight wordt gebruikt als
indicator voor de geluidbelasting gedurende de periode van 23 uur tot
7 uur ten gevolge van het luchthavenluchtverkeer. De geluidbelasting
wordt berekend over een gebruiksjaar.
2.Het totale volume van de
geluidbelasting bedraagt niet meer dan 54,44 dB(A).
3.De geluidbelasting in een punt dat is
aangewezen in bijlage 3 bij dit besluit bedraagt niet meer dan de bij
dat punt aangegeven waarde.
4.Indien in een gebruiksjaar de
geluidbelasting in een punt meer bedraagt dan de in het derde lid
bedoelde waarde, wordt een nieuwe waarde berekend op basis van de
meteorologische omstandigheden zoals die zich in het gebruiksjaar
hebben voorgedaan. In dat geval treedt voor dat gebruiksjaar voor de
in het derde lid bedoelde waarde in de plaats de laagste van de
volgende waarden:
a. de berekende nieuwe waarde;
b. de waarde die bij het punt in
bijlage 3 bij dit besluit tussen haken is vermeld.
Artikel 4.2.3
1.De geluidbelasting uitgedrukt in Lden
of Lnight, wordt bepaald overeenkomstig de definitie van deze
begrippen in bijlage I van Richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de
beheersing van omgevingslawaai (Pb L 189 van 18 juli 2002).
2.De in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2
bedoelde geluidbelastingen worden bepaald overeenkomstig het rapport
van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium NLR-CR-2001-372.
3.De in de artikelen 4.2.1, vierde lid,
en 4.2.2, vierde lid, bedoelde nieuwe waarden worden berekend
overeenkomstig de rapporten van het Nationaal Lucht- en
Ruimtevaartlaboratorium NLR-CR-2003-539 en aanvulling NLR-CR-065, met
dien verstande dat een herberekening plaatsvindt overeenkomstig
hoofdstuk 9 van het rapport, bedoeld in het tweede lid.
§ 4.3. Grenswaarden voor de uitstoot van
stoffen die lokale luchtverontreiniging veroorzaken
Artikel 4.3.1
1.De uitstoot ten gevolge van het
luchthavenluchtverkeer bedraagt per gecorrigeerde vliegtuigbeweging
per gebruiksjaar niet meer dan de in de navolgende tabel in gram per
ton vermelde waarden.
|
Stof |
Eerste en tweede
gebruiksjaar |
Vanaf het derde tot
en met het zevende gebruiksjaar |
Vanaf het achtste
gebruiksjaar |
|
CO |
73,1 |
58,1 |
55,0 |
|
NOx |
74,6 |
74,6 |
74,6 |
|
VOS |
15,6 |
9,9 |
8,4 |
|
SO2 |
2,1 |
2,1 |
2,1 |
|
PM10 |
2,5 |
2,5 |
2,5 |
2.Het aantal gecorrigeerde
vliegtuigbewegingen is gelijk aan het gesommeerde maximum
startgewicht van de vliegtuigbewegingen in het gebruiksjaar.
3.Indien op grond van het eerste lid
voor een stof in enig gebruiksjaar een maximum voor de uitstoot als
gevolg van alle vliegtuigbewegingen tezamen geldt dat lager is dan
de hoeveelheid van die stof die in het voorgaande gebruiksjaar als
gevolg van alle vliegtuigbewegingen tezamen mocht worden
uitgestoten, treedt deze hoeveelheid in de plaats van dat maximum.
Artikel 4.3.2
De uitstoot wordt bepaald overeenkomstig
de emissieberekeningsmethodiek zoals beschreven in het rapport van het
TNO-MEP – R2003/313. Het maximum startgewicht wordt bepaald
overeenkomstig het in artikel 4.1.2 genoemde rapport.
Hoofdstuk 4A. Regels en procedures met
betrekking tot de invoering van geluidgerelateerde
exploitatiebeperkingen
Artikel 4A.1
De exploitant van de luchthaven en de
inspecteur-generaal nemen bij het toepassen van exploitatiebeperkingen
de voorschriften uit de artikelen 4A.2 tot en met 4A.7 in acht.
Artikel 4A.2
1.De exploitatiebeperkingen worden
vastgelegd op basis van het geluidsniveau van het vliegtuig zoals
vastgesteld volgens de certificeringsprocedure van ICAO Bijlage 16.
2.De exploitatiebeperkingen mogen niet
restrictiever zijn dan noodzakelijk om de voor de luchthaven
vastgestelde grenswaarden voor de geluidbelasting te halen.
3.Bij het overwegen van
exploitatiebeperkingen wordt rekening gehouden met de verwachte kosten
en baten van de ter beschikking staande maatregelen en met de
specifieke kenmerken van de luchthaven Schiphol.
Artikel 4A.3
1. Bij de besluitvorming over het
opleggen van exploitatiebeperkingen wordt rekening gehouden met de in
de Bijlage II van richtlijn nr. 2002/30/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 26 maart 2002 betreffende de
vaststelling van regels en procedures met betrekking tot de invoering
van geluidgerelateerde exploitatiebeperkingen op luchthavens in de
Gemeenschap (PbEG L85) gespecificeerde informatie, voor zover dat voor
de betrokken exploitatiebeperkingen en de kenmerken van de luchthaven
passend en mogelijk is.
2. Aan het eerste lid is in elk geval
voldaan indien sprake is van een luchthavenproject dat is onderworpen
aan een milieueffectbeoordeling als bedoeld in het Besluit
milieueffectrapportage, mits daarbij zoveel mogelijk rekening is
gehouden met de specifieke informatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4A.4
1.Indien na de toepassing van artikel
4A.3, eerste lid, blijkt dat op de uitdienstneming van marginaal
conforme vliegtuigen gerichte exploitatiebeperkingen moeten worden
ingevoerd, gelden in plaats van de procedure van artikel 9 van
Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende
de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot
intracommunautaire luchtroutes (PbEG L240), de volgende regels ten
aanzien van de luchthaven:
a. gedurende zes maanden na het
besluit tot invoering van de exploitatiebeperking worden op de
luchthaven geen door marginaal conforme vliegtuigen te verrichten
diensten toegestaan, boven die welke in de overeenkomstige periode
van het vorige jaar werden verricht;
b. minimaal zes maanden daarna kan
van elke exploitant van luchtvaartuigen worden verlangd dat hij
het aantal vliegbewegingen met marginaal conforme vliegtuigen uit
zijn vloot vermindert in een jaarlijks tempo van maximaal 20% van
het aanvankelijke totale aantal van deze vliegbewegingen.
2.Voor tot de in het eerste lid
bedoelde uitdienstneming wordt besloten, wordt eerst de toepassing van
partiële exploitatiebeperkingen overwogen.
Artikel 4A.5
Artikel 4A.3 is niet van toepassing op:
a. exploitatiebeperkingen waartoe
reeds was besloten vóór of op 28 maart 2002;
b. niet-wezenlijke technische
wijzigingen in partiële exploitatiebeperkingen die geen significant
kosteneffect hebben voor de luchtvaartondernemingen op de luchthaven
en na 28 maart 2002 zijn aangebracht.
Artikel 4A.6
Artikel 4A.4 is tot en met 27 maart 2012
niet van toepassing op marginaal conforme vliegtuigen die zijn
ingeschreven in ontwikkelingslanden mits het vliegtuigen betreft:
a. waaraan een geluidscertificering
is verleend op grond van de normen van ICAO Bijlage 16;
b. die tussen 1 januari 1996 en 31
december 2001 op de luchthaven vlogen, en
c. die gedurende de in onderdeel b
bedoelde periode voorkwamen in het register van het betrokken
ontwikkelingsland en bij voortduring door een in dat land gevestigde
natuurlijke of rechtspersoon worden geëxploiteerd.
Artikel 4A.7
1.De exploitant van de luchthaven en de
inspecteur-generaal leggen een ontwerpmaatregel tot invoering van een
exploitatiebeperking gedurende zes weken ter inzage. Voorafgaand aan
de terinzagelegging wordt in één of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen of op een andere geschikte wijze kennis gegeven
van de ontwerpmaatregel. Belanghebbenden kunnen gedurende de termijn
waarbinnen de ontwerpmaatregel ter inzage ligt naar keuze schriftelijk
of mondeling hun zienswijze over deze maatregel naar voren brengen.
2.De exploitant van de luchthaven en de
inspecteur-generaal dragen er zorg voor dat alle belanghebbenden
openbaar en gemotiveerd in kennis worden gesteld van nieuwe
exploitatiebeperkingen:
a. zes maanden voor de
inwerkingtreding van de in artikel 4A.4, eerste lid, onderdeel a,
bedoelde maatregelen;
b. één jaar voor de
inwerkingtreding van de in artikel 4A.4, eerste lid, onderdeel b,
bedoelde maatregelen;
c. twee maanden voor de conferentie
waarop het dienstrooster voor de desbetreffende periode wordt
vastgesteld.
3.De exploitant van de luchthaven stelt
de inspecteur-generaal onverwijld in kennis van elke nieuwe
exploitatiebeperking.
Artikel 4A.8
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
kan vrijstelling verlenen voor afzonderlijke operaties met marginaal
conforme vliegtuigen die op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk
niet mogelijk zijn, mits de vrijstelling is beperkt tot:
a. vliegtuigen waarvan de
afzonderlijke operaties dermate uitzonderlijk zijn dat het
onredelijk zou zijn een tijdelijke vrijstelling niet te verlenen;
b. vliegtuigen die niet-commerciële
vluchten verrichten met het oog op wijzigings-, reparatie- of
onderhoudswerkzaamheden.
Artikel 4A.9
De artikelen 4A.2 tot en met 4A.7, eerste
en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, voor zover deze ter uitvoering van artikel 11.15
Wet luchtvaart exploitatiebeperkingen toepast.
Hoofdstuk 5. Overgangsbepaling
Artikel 5.1
Bij de toepassing van artikel 4.3.1,
derde lid, in het eerste gebruiksjaar wordt de in dat lid bedoelde
hoeveelheid gevonden door deze te bepalen alsof de in de eerste kolom
van de tabel bij het eerste lid van dat artikel genoemde grenswaarden in
het jaar voorafgaande aan het eerste gebruiksjaar van toepassing waren.
Artikel 5.2
1.Dit artikel is van toepassing in het
geval dat de inwerkingtreding van dit besluit niet samenvalt met het
begin van een gebruiksjaar.
2.Als eerste gebruiksjaar geldt het
tijdvak vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot 1 november
daarop volgend.
3.De grenswaarde voor het
externe-veiligheidsrisico in het eerste gebruiksjaar wordt gevonden
door:
a. voor iedere dag in het eerste
gebruiksjaar de waarde te nemen die voortvloeit uit de na dit
artikel opgenomen tabel;
b. deze waarden bij elkaar op te
tellen;
c. de in artikel 4.1.1 genoemde
grenswaarde met deze som te vermenigvuldigen.
4.De grenswaarden voor de
geluidbelasting in het eerste gebruiksjaar worden gevonden door:
a. voor iedere dag in het eerste
gebruiksjaar de waarde te nemen die voortvloeit uit de na dit
artikel opgenomen tabel;
b. deze waarden bij elkaar op te
tellen;
c. van deze som de logaritme te
nemen en die te vermenigvuldigen met – 10;
d. de in de artikelen 4.2.1 en
4.2.2 bedoelde grenswaarden te verminderen met dat produkt.
5.Bij de toepassing van artikel 4.3.1,
derde lid, in het eerste gebruiksjaar wordt de in dat lid bedoelde
hoeveelheid gevonden door deze te bepalen alsof de in de eerste kolom
van de tabel bij het eerste lid van dat artikel genoemde grenswaarden
in het jaar voorafgaande aan het eerste gebruiksjaar van toepassing
waren en vervolgens:
a. voor iedere dag in het eerste
gebruiksjaar de waarde te nemen die voortvloeit uit de na dit
artikel opgenomen tabel;
b. deze waarden bij elkaar op te
tellen;
c. de bepaalde hoeveelheid met deze
som te vermenigvuldigen.
6.Bij de toepassing van artikel 4.3.1,
derde lid, in het tweede gebruiksjaar wordt de in dat lid bedoelde
hoeveelheid gevonden door deze te bepalen alsof de in de eerste kolom
van de tabel bij het eerste lid van dat artikel genoemde grenswaarden
in het jaar voorafgaande aan het tweede gebruiksjaar van toepassing
waren.
Dagwaarden eerste gebruiksjaar
|
Dagen in de maand |
|
jan |
feb |
mrt |
apr |
mei |
jun |
jul |
aug |
sep |
okt |
nov |
dec |
|
Waarde (in duizendsten) |
Totale risicogewichten Lden en
uitstoot van stoffen |
2,53 |
2,65 |
2,66 |
2,73 |
2,85 |
2,87 |
2,93 |
2,91 |
2,90 |
2,85 |
2,60 |
2,45 |
|
Lnight |
1,95 |
2,08 |
2,04 |
2,62 |
3,17 |
3,23 |
3,56 |
3,63 |
3,39 |
3,19 |
2,02 |
2,01 |
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 6.1
1.Uiterlijk drie jaar na de
inwerkingtreding van dit besluit wordt door Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat een milieueffectrapport opgesteld.
2.Het rapport is gericht op een
vergelijking van het beschermingsniveau, zoals dat wordt geboden door
dit besluit, met het beschermingsniveau zoals dat voor de
inwerkingtreding van artikel VI van de wet van 27 juni 2002 houdende
wijziging van de Wet luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik
van de luchthaven Schiphol (Stb. 374) ten aanzien van het
vijfbanenstelsel is beschreven in de PKB Schiphol en Omgeving. Artikel
IX van die wet wordt hierbij in acht genomen.
3.Voor zover uit het rapport blijkt dat
bij de vaststelling van dit besluit het bepaalde in de artikelen X tot
en met XIII van de wet van 27 juni 2002 houdende wijziging van de Wet
luchtvaart inzake de inrichting en het gebruik van de luchthaven
Schiphol (Stb. 374) niet in acht is genomen, bevordert Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer dat zulks
alsnog geschiedt.
Artikel 6.2
Dit besluit treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 6.3
Dit besluit wordt aangehaald als:
Luchthavenverkeerbesluit Schiphol.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 26 november 2002
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat,
M.H.
Schultz van Haegen-Maas Geesteranus
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
H.G.J.
Kamp
Uitgegeven de zeventiende december
2002
De Minister van Justitie,
J.P.H.
Donner
Bijlage 1
[Illustraties
verwijderd]
Bijlage 2. Handhavingspunten
etmaalperiode
[Illustratie
verwijderd]
Bijlage 3. Handhavingspunten
periode van 23.00 tot 7.00 uur
[Illustratie
verwijderd]
Bijlage 4. Locaties van de
afhandelingsplaatsen met vaste stroom en preconditioned air
[Illustratie verwijderd]
|