|
BESLUIT van 18 december 1992, houdende regelen ter
bevordering van de veiligheid en de regelmaat van het luchtverkeer
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 juli 1992,
nr. JBZ/L 92.007482, Rijksluchtvaartdienst, gedaan mede namens Onze
Minister van Defensie;
Overwegende dat het in verband met het tot
stand komen van de Wet Luchtverkeer (Stb. 1992, 368) noodzakelijk
is de regels met betrekking tot het luchtverkeer aan te passen en
opnieuw vast te stellen;
Gelet op de artikelen 7, 13 en 14 van de Wet
Luchtverkeer;
De Raad van State gehoord (advies van 1
december 1992, nr. W09.92.0347);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, mede namens Onze Minister van Defensie van 11
december 1992, nr. JBZ/L92.013025, Rijksluchtvaartdienst;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
ACAS: Airborne Collision Avoidance System, een systeem aan boord
van een luchtvaartuig, werkend met signalen van transponders en
onafhankelijk van installaties op de grond, dat de gezagvoerder
advies geeft over mogelijk conflicterende luchtvaartuigen die zijn
uitgerust met een transponder;
alarmering: een dienstverlening met het doel de betrokken
instanties te waarschuwen aangaande luchtvaartuigen die hulp
behoeven in de vorm van opsporing en redding en deze instanties bij
te staan voor zover dat vereist is;
algemeen luchtverkeersleidingsgebied: een
luchtverkeersleidingsgebied dat zich in opwaartse richting uitstrekt
vanaf een vastgestelde grens boven het aardoppervlak;
baanwachtpositie: een gemarkeerde positie waar voertuigen en
taxiënde luchtvaartuigen verplicht zijn te stoppen met als doel een
baan, een hindernisbeperkend vlak of een ILS/MLS-kritisch of
-gevoelig gebied te beschermen;
bijzondere VFR-vlucht: een VFR-vlucht, die overeenkomstig een
klaring van een verlener van luchtverkeersleidingsdiensten wordt
uitgevoerd binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied, onder
weersomstandigheden die slechter zijn dan zichtweersomstandigheden;
daglichtperiode: het gedeelte van het etmaal tussen vijftien
minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang zoals
geldt voor de positie 52°00' N en 05°00' O op zeeniveau;
gecontroleerde luchthaven: een luchthaven waar
luchtverkeersleiding wordt gegeven aan luchthavenverkeer;
gecontroleerde vlucht: een vlucht waarvoor een klaring is
vereist;
geldend vliegplan: het ingediende vliegplan met inbegrip van
eventuele wijzigingen veroorzaakt door daarop verstrekte klaringen;
grondzicht: het zicht op een luchthaven, zoals bepaald door een
bevoegde waarnemer of met daartoe bestemde apparatuur;
helikopter: gemotoriseerd luchtvaartuig met rotorbladen, zwaarder
dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door
aërodynamische reactiekrachten op zijn rotorbladen;
IFR-vlucht: een vlucht waarop, naast de in hoofdstuk III,
afdeling 2, vastgestelde algemene vliegvoorschriften, tevens de in
afdeling 4 vastgestelde instrumentvliegvoorschriften van toepassing
zijn;
inhalen: een ander luchtvaartuig van achteren naderen uit een
richting, die een hoek maakt van minder dan 70° met het vlak van
symmetrie van dit luchtvaartuig;
instrumentnaderingsprocedure: een serie van vooraf bepaalde
manoeuvres met behulp van navigatie-installaties waarbij precies
beschreven bescherming wordt geboden tegen obstakels vanaf een
vastgestelde positie waar de nadering begint of vanaf het begin van
een gedefinieerde aankomstroute, naar een punt waarvandaan de
landing kan worden afgerond en daarna, wanneer een landing niet is
afgerond, naar een positie waar obstakelvrije ruimte wordt geboden
aan luchtvaartuigen in een wachtprocedure of kruisvlucht;
instrumentweersomstandigheden: weersomstandigheden, die zijn
uitgedrukt in termen van zicht, afstand tot wolken en wolkenbasis en
die minder zijn dan de voorgeschreven minimum waarden voor
zichtweersomstandigheden;
kruishoogte: een vlieghoogte, die tijdens een aanzienlijk deel
van een vlucht wordt gehandhaafd;
landingsterrein: het gedeelte van een luchthaven, met
uitzondering van platforms, dat bestemd is voor het opstijgen, het
landen en het taxiën van luchtvaartuigen;
luchtschip: luchtvaartuig, lichter dan lucht, dat is voorzien van
een voortstuwingsinrichting en een besturingsinrichting;
luchthavenverkeer: alle verkeer op het landingsterrein en alle
luchtvaartuigen die zich bevinden in het luchtverkeerscircuit van de
betrokken luchthaven dan wel dit circuit binnen vliegen of verlaten;
luchtverkeersadvisering: adviezen die binnen het
luchtverkeersdienstverleningsgebied klasse F worden gegeven met het
doel, voor zover uitvoerbaar, separatie te verzekeren tussen
vluchten die worden uitgevoerd volgens IFR-vliegplan;
luchtverkeerscircuit: de voorgeschreven vliegbaan voor
luchtvaartuigen, die moet worden gevolgd in de nabijheid van een
luchthaven;
luchtverkeersdienstverleningsgebieden: delen van het luchtruim
met vastgestelde begrenzingen, waarvoor is vastgesteld welke soorten
vluchten erin mogen worden uitgevoerd en welke soorten
luchtverkeersdiensten er worden verleend, alsmede welke regels
gelden voor de vluchtuitvoering;
luchtverkeersinformatie: informatie verstrekt door een verlener
van luchtverkeersdiensten met het doel bestuurders opmerkzaam te
maken op ander, bekend of waargenomen, luchtverkeer dat
mogelijkerwijs in de nabijheid van hun positie of voorgenomen
vliegroute verkeert, alsmede bestuurders behulpzaam te zijn bij het
vermijden van botsingen;
luchtverkeersleidingsgebied: een
luchtverkeersdienstverleningsgebied waarbinnen
luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend aan IFR-vluchten, en
aan VFR-vluchten in overeenstemming met de geldende luchtruim
classificatie;
luchtverkeersontwijkadvies: een door een verlener van
luchtverkeersdiensten verstrekt advies tot het uitvoeren van
bepaalde manoeuvres, met het doel bestuurders behulpzaam te zijn bij
het vermijden van botsingen;
luchtverkeersroute: een bepaalde route, vastgesteld om de
verkeersstroom te kanaliseren, waar dat nodig is voor het verlenen
van luchtverkeersdiensten;
meldingspunt: de geografisch bepaalde plaats, ten opzichte
waarvan de positie van een luchtvaartuig kan worden gemeld;
MLA: MLA als bedoeld in artikel 1 van het Besluit luchtvaartuigen
2008;
MLH: MLH als bedoeld in artikel 1 van het Besluit luchtvaartuigen
2008;
modelraket: modelraket als bedoeld in artikel 1 van de Regeling
modelraketten;
motorzweefvliegtuig: vliegtuig dat bij uitgeschakelde motor de
eigenschappen heeft van een zweefvliegtuig;
naderingsluchtverkeersleidingsgebied: een algemeen
luchtverkeersleidingsgebied, dat doorgaans is ingesteld bij het
kruispunt van luchtverkeersroutes gelegen in de nabijheid van één
of meer luchthavens;
omschakelpunt: het punt waar een luchtvaartuig tijdens een vlucht
langs een gedeelte van een luchtverkeersroute, dat is bepaald met
betrekking tot rondomstralende radiobakens werkend op zeer hoge
frequenties, verwacht wordt - voor de primaire navigatie - om te
schakelen van het baken achter het luchtvaartuig naar het volgende
baken vóór het luchtvaartuig;
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor wat
het burgerluchtverkeer en de algemene verkeersveiligheid in de lucht
betreft en Onze Minister van Defensie voor wat het militaire
luchtverkeer betreft;
plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied: een
luchtverkeersleidingsgebied, dat zich verticaal uitstrekt vanaf het
aardoppervlak tot aan een vastgestelde bovengrens;
platform: een gedeelte van een luchthaven, dat bestemd is voor
het opstellen van luchtvaartuigen, met het doel passagiers te laten
in- of uitstappen, post of vracht te laden of te lossen, brandstof
in te nemen, te parkeren of onderhoudswerkzaamheden te verrichten;
RA: Resolution Advisory, een door ACAS aan de gezagvoerder
gegeven advies om zodanig te manoeuvreren dat een botsing wordt
voorkomen;
schermvliegtuig: zweeftoestel zonder starre hoofdstructuur dat
kan worden gedragen en slechts gestart en geland kan worden door
gebruik te maken van de benen van de bestuurder;
schermzweeftoestel: ongemotoriseerd schermvliegtuig;
taxiën: het op eigen kracht voortbewegen van een luchtvaartuig
op een luchthaven, met uitzondering van de start en landing, maar
met inbegrip van het voortbewegen van een helikopter boven een
luchthaven binnen een hoogteband waar grond-effect wordt ondervonden
en met een snelheid die vergelijkbaar is met die van andere
taxiënde luchtvaartuigen;
TMG: motorzweefvliegtuig met een integraal gemonteerde niet
intrekbare motor en een niet intrekbare propeller, dat in staat is
om op eigen kracht op te stijgen en te klimmen (Touring Motor Glider);
transponder: een radarbeantwoordingssysteem met informatie over
de identiteit en eventueel de hoogte van het luchtvaartuig;
uitwijkhaven: een luchthaven waarheen een vlucht kan worden
vervolgd indien moet worden afgezien van landing op de luchthaven
van bestemming;
VFR-vlucht: een vlucht waarop, naast de in hoofdstuk III,
afdeling 2, vastgestelde algemene vliegvoorschriften, tevens de in
afdeling 3 vastgestelde zichtvliegvoorschriften van toepassing zijn;
vlieghoogte: de hoogte van een zich in de lucht bevindend
luchtvaartuig uitgedrukt in:
1. hoogte boven het aardoppervlak
2. hoogte boven gemiddeld zeeniveau of
3. vliegniveau;
vliegniveau: een vlak van constante atmosferische druk in relatie
tot het referentiedrukvlak van 1013.2 hectopascals, dat van
soortgelijke vlakken is gescheiden door bepaalde drukintervallen;
vliegtuig: gemotoriseerd luchtvaartuig met vaste vleugels,
zwaarder dan lucht, dat hoofdzakelijk in de lucht gehouden kan
worden door aërodynamische reactiekrachten op zijn vleugels;
vliegzicht: het zicht recht vooruit waargenomen vanuit de
stuurhut van een luchtvaartuig tijdens de vlucht;
vluchtinformatiegebied: een luchtruimte met vastgestelde
begrenzingen, waarbinnen inlichtingen tijdens de vlucht worden
verstrekt en alarmering wordt verzorgd;
vluchtinformatieverstrekking: een dienstverlening met het doel
inlichtingen te geven tijdens de vlucht ten behoeve van een veilige
en doelmatige vluchtuitvoering;
vrije ballon: luchtvaartuig, lichter dan lucht, dat niet voorzien
is van een voortstuwingsinrichting en is ingericht en bestemd om ten
minste één persoon te vervoeren;
wolkenbasis: de hoogte boven grond of water van de basis van de
laagste wolkenlaag beneden 6000 meter (20 000 voet) die meer dan de
helft van de hemel bedekt;
zeilvliegtuig: zweeftoestel met een starre hoofdstructuur, dat
kan worden gedragen en slechts gestart en geland kan worden door
gebruik te maken van de benen van de bestuurder;
zichtweersomstandigheden: weersomstandigheden, die zijn
uitgedrukt in termen van zicht, afstand tot wolken en wolkenbasis,
die gelijk zijn aan - of beter dan - voorgeschreven minimum waarden.
zweeftoestel: luchtvaartuig, niet zijnde TMG, zwaarder dan lucht,
dat hoofdzakelijk in de lucht kan worden gehouden door
aërodynamische reactiekrachten en waarvan de vrije vlucht niet
afhankelijk is van een motor;
zweefvliegtuig: zweeftoestel met een vaste vleugel.
Artikel 1a. Bijzondere luchtvaartuigen
1. De titels 5.1 en 5.2 van de Wet luchtvaart en dit besluit, met
uitzondering van het tweede en derde lid en de artikelen 20 en 63,
zijn niet van toepassing op de volgende luchtvaartuigen:
a. kabelvlieger, zijnde een toestel, zwaarder dan lucht en niet
voorzien van een voortstuwingsinrichting, dat door middel van
(een) ankerkabel(s) of lijn(en) is verbonden met het
aardoppervlak;
b. kleine kabelballon, zijnde een onbemande ballon, die door
middel van een ankerkabel of lijn is verbonden met het
aardoppervlak en die op zeeniveau in de
internationale-standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een
diameter van ten hoogste 2 meter of een inhoud van ten hoogste 4
kubieke meter heeft, dan wel een samenstel van ballonnen waarvan
de gezamenlijke diameter of inhoud deze waarde niet te boven gaat;
c. licht onbemand luchtvaartuig, niet zijnde een
modelluchtvaartuig of onbemande vrije ballon, zijnde een
luchtvaartuig waarvan de totale startmassa niet meer dan 150
kilogram bedraagt en de maximale snelheid lager is dan 129,64 km/u
(70 knopen);
d. modelluchtvaartuig, zijnde een luchtvaartuig van geringe
afmeting, niet in staat een mens te dragen, waarvan de totale
startmassa niet meer dan 25 kilogram bedraagt;
e. onbemande vrije ballon, zijnde een vrije ballon die niet is
ingericht of bestemd om personen te vervoeren;
f. valscherm, zijnde een scherm dat dient om de daalsnelheid
van een persoon zodanig te beperken dat deze veilig het
aardoppervlak kan bereiken;
g. valschermzweeftoestel, zijnde een toestel, zwaarder dan
lucht en niet voorzien van een voortstuwingsinrichting, in de vorm
van een scherm met één of twee harnassen, dat in de lucht wordt
gebracht en voortbewogen met een voer- of vaartuig waarmee het dan
is verbonden met één of meer lijnen.
2. In afwijking van het eerste lid, zijn de artikelen 5.3 en 5.5
van de Wet luchtvaart van toepassing op de luchtvaartuigen, genoemd in
het eerste lid.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ten aanzien
van de deelname aan het luchtverkeer met een luchtvaartuig als genoemd
in het eerste lid.
Artikel 1b. Wettelijke grondslag
Dit besluit berust op de artikelen 1.2, tweede en derde lid, 5.5,
eerste en tweede lid, 5.10, derde lid, 5.11, eerste lid, en 5.12, tweede
lid, van de Wet luchtvaart.
Artikel 2. Bevoegdheid LVNL
Voor zover de LVNL beslissingen neemt ingevolge de bij of krachtens
dit besluit verleende bevoegdheden die mede betrekking hebben op het
militaire luchtverkeer handelt zij in overeenstemming met Onze Minister
van Defensie.
Hoofdstuk II. Het verlenen van luchtverkeersdiensten
Artikel 3. Classificatie van luchtverkeersdienstverleningsgebieden
1. Onze Minister stelt voor elk luchtverkeersdienstverleningsgebied
de luchtverkeersdienstverleningsklasse vast met inachtneming van de
volgende indeling:
a. klasse A: uitsluitend IFR-vluchten zijn toegestaan; aan alle
vluchten worden luchtverkeersleidingsdiensten verleend; alle
vluchten worden onderling gesepareerd;
b. klasse B: zowel IFR- als VFR-vluchten zijn toegestaan; aan
alle vluchten worden luchtverkeersleidingsdiensten verleend; alle
vluchten worden onderling gesepareerd;
c. klasse C: zowel IFR- als VFR-vluchten zijn toegestaan; aan
alle vluchten worden luchtverkeersleidingsdiensten verleend;
IFR-vluchten worden gesepareerd van andere IFR-vluchten en van
VFR-vluchten; VFR-vluchten worden gesepareerd van IFR-vluchten en
ontvangen luchtverkeersinformatie betreffende andere VFR-vluchten;
d. klasse D: zowel IFR- als VFR-vluchten zijn toegestaan; aan
alle vluchten worden luchtverkeersleidingsdiensten verleend,
IFR-vluchten worden gesepareerd van andere IFR-vluchten en
ontvangen luchtverkeersinformatie betreffende VFR-vluchten;
VFR-vluchten ontvangen luchtverkeersinformatie betreffende andere
vluchten;
e. klasse E: zowel IFR- als VFR-vluchten zijn toegestaan; aan
IFR-vluchten worden luchtverkeersleidingsdiensten verleend;
IFR-vluchten worden gesepareerd van andere IFR-vluchten; alle
vluchten ontvangen voor zover uitvoerbaar luchtverkeersinformatie;
f. klasse F: zowel IFR- als VFR-vluchten zijn toegestaan;
deelnemende IFR-vluchten ontvangen vlucht-advisering en alle
vluchten ontvangen op verzoek vluchtinformatie;
g. klasse G: IFR- en VFR-vluchten zijn toegestaan en ontvangen
op verzoek vluchtinformatie.
2. Onze Minister kan nadere regels geven met betrekking tot de
luchtverkeersdienstverleningsklassen.
Artikel 4. Luchtverkeersleidingsdiensten
1. Luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend aan de volgende
vluchten:
a. alle IFR-vluchten in luchtverkeersdienstverleningsgebieden
klasse A, B, C, D en E;
b. alle VFR-vluchten in luchtverkeersdienstverleningsgebieden
klasse B, C en D;
c. alle bijzondere VFR-vluchten;
d. het luchthavenverkeer van een gecontroleerde luchthaven.
2. Het eerste lid, onder b, geldt niet voor VFR-vluchten met
luchtvaartuigen in luchtverkeersdienstverleningsgebied klasse C,
indien bij regeling van Onze Minister in het belang van de veiligheid
van het luchtverkeer daarvoor regels worden gegeven.
3. Klaringen voorzien in separatie tussen:
a. alle vluchten in klasse A en B gebieden;
b. IFR-vluchten in klasse C, D en E gebieden;
c. IFR- en VFR-vluchten in klasse C gebieden;
d. IFR-vluchten en bijzondere VFR-vluchten;
e. bijzondere VFR-vluchten onderling.
Artikel 5. Vluchtinformatieverstrekking
1. Vluchtinformatie wordt verstrekt aan alle luchtvaartuigen
indien:
a. aan deze luchtvaartuigen luchtverkeersleidingsdiensten
worden verleend;
b. deze luchtvaartuigen anderszins bekend zijn bij de betrokken
verlener van luchtverkeersdiensten, of;
c. deze informatie van invloed kan zijn op de vluchtuitvoering.
2. Vluchtinformatie omvat:
a. inlichtingen verstrekt door een meteorologische dienst
betreffende het optreden of verwachte optreden van bepaalde
weersverschijnselen langs de vliegroute, die de veiligheid van de
vluchtuitvoering kunnen beïnvloeden;
b. inlichtingen over wijziging in de bruikbaarheid van
navigatie-hulpmiddelen;
c. inlichtingen over wijzigingen in de staat waarin luchthavens
en bijbehorende faciliteiten verkeren, met inbegrip van de staat
waarin het landingsterrein en de platforms zich bevinden ten
gevolge van de aanwezigheid van sneeuw, ijs of water;
d. andere beschikbare gegevens die de veiligheid van de vlucht
kunnen beïnvloeden;
e. gemelde of verwachte weersomstandigheden op luchthavens van
aankomst en vertrek en op uitwijkhavens;
f. mogelijk botsingsgevaar voor vluchten in de klasse C, D, E,
F en G gebieden.
3. Vluchtinformatie aan VFR-vluchten omvat, naast de in het tweede
lid, onderdeel a tot en met d bedoelde gegevens voor zover
beschikbaar, inlichtingen omtrent ander luchtverkeer en mogelijke
instrumentweersomstandigheden langs de vliegroute.
Artikel 6. Alarmering
Alarmering wordt verzorgd:
a. voor alle vluchten waaraan luchtverkeersleidingsdiensten
worden verleend;
b. voorzover uitvoerbaar voor andere vluchten waarvoor een
vliegplan is ingediend of die anderszins bekend zijn bij de
betrokken verleners van luchtverkeersdiensten;
c. voor elk luchtvaartuig waarvan bekend is of verondersteld
wordt dat het is onderworpen aan wederrechtelijke inmenging.
Artikel 7. Aanwijzing van luchtruimte en van gecontroleerde
luchthavens
1. Onze Minister wijst in het vluchtinformatiegebied Amsterdam aan:
a. algemene luchtverkeersleidingsgebieden;
b. plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden;
c. gecontroleerde luchthavens.
2. Onze Minister bepaalt, door welke verleners van
luchtverkeersdiensten, in welke gebieden binnen het
vluchtinformatiegebied Amsterdam en op welke gecontroleerde
luchthaventerreinen luchtverkeersdiensten worden verleend.
Artikel 8. Aanwijzing bijzondere luchtverkeersgebieden
Onze Minister kan ter bescherming van het luchtverkeer ten opzichte
van bepaalde soorten luchtverkeer of van bijzondere
luchtverkeersactiviteiten, delen van het vluchtinformatiegebied
Amsterdam aanwijzen als bijzondere luchtverkeersgebieden; aan deze
aanwijzingen kunnen regels worden verbonden.
Artikel 9. Uitvoering van het verlenen van luchtverkeersdiensten
Onze Minister kan regels geven voor:
a. de wijze waarop luchtverkeersdiensten worden verleend;
b. de luchtvaarttelecommunicatie;
c. het tijdens de vlucht verstrekken van gegevens en
luchtvaartinlichtingen.
Artikel 10. Luchtverkeersroutes en -procedures
1. Onze Minister stelt in het vluchtinformatiegebied Amsterdam
luchtverkeersroutes en -procedures vast, waaronder mede zijn begrepen:
naderings-, vertrek- en wachtprocedures, alsmede luchtverkeerspatronen
voor luchthavenverkeer.
2. De gezagvoerder voert een vlucht uit volgens de bij regeling van
Onze Minister vastgestelde luchtverkeersroutes en
luchtverkeersprocedures alsmede luchtverkeerspatronen voor
luchthavenverkeer tenzij door een verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten een anders luidende opdracht is gegeven.
Hoofdstuk III. Luchtverkeersregels
Afdeling 1. Na te komen vliegvoorschriften
Artikel 11
1.Een luchtvaartuig wordt zowel op het landingsterrein en de
platforms als tijdens de vlucht gebruikt in overeenstemming met de
algemene vliegvoorschriften.
2.Een luchtvaartuig wordt in het luchtruim gebruikt in
overeenstemming met de zichtvliegvoorschriften of de
instrumentvliegvoorschriften.
Afdeling 2. Algemene vliegvoorschriften
§ 1. Bescherming van personen en zaken
Artikel 12. Gebruik hoogtemeter en kruishoogtes
Onze Minister geeft regels met betrekking tot het gebruik van de
hoogtemeter en het bepalen van kruishoogtes.
Artikel 13. Verwijderen van voorwerpen of stoffen
1.Het is verboden voorwerpen of stoffen te verwijderen tijdens de
vlucht.
2.Het eerste lid geldt niet ingeval van verwijderen van:
a. los fijn zand;
b. water;
c. stoffen ter bevordering of ter bescherming van het milieu
dan wel de land-, tuin- of bosbouw;
d. voorwerpen waarvan de massa niet meer is dan 200 gram per
voorwerp, overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels;
e. voorwerpen en stoffen voor militaire doeleinden of uit
militaire luchtvaartuigen;
f. voorwerpen die verband houden met opsporings- en
reddingsakties;
g. voorwerpen en stoffen voor politiedoeleinden.
3.Bij regeling van Onze Minister kan vrijstelling worden verleend
van het in het eerste lid gestelde verbod. Een vrijstelling kan onder
beperkingen worden verleend.
4.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
gestelde verbod. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
5.Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als
bedoeld in het vierde lid.
Artikel 14. Slepen
1.Het is verboden luchtvaartuigen of andere voorwerpen tijdens de
vlucht te slepen.
2.Het eerste lid geldt, overeenkomstig door Onze Minister te
stellen regels, niet voor de volgende vluchten:
a. vluchten waarbij een zweefvliegtuig wordt gesleept;
b. vluchten waarbij een sleepnet wordt gesleept;
c. vluchten waarbij voor militaire doeleinden wordt gesleept.
3.Bij regeling van Onze Minister kan vrijstelling worden verleend
van het in het eerste lid gestelde verbod. Een vrijstelling kan onder
beperkingen worden verleend.
4.Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
gestelde verbod. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
5.Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als
bedoeld in het vierde lid.
Artikel 15 [Vervallen per 02-02-2007]
Artikel 16. Kunstvluchten
1.Het is verboden een vlucht uit te voeren, waarbij met opzet
bewegingen worden uitgevoerd die een plotselinge verandering in de
stand, een abnormale stand of een abnormale verandering in de snelheid
van het luchtvaartuig meebrengen.
2.Het eerste lid geldt niet voor:
a. vluchten met militaire luchtvaartuigen, indien de
gezagvoerder de door Onze Minister van Defensie vastgestelde
regels nakomt;
b. vluchten onder zichtweersomstandigheden indien de
gezagvoerder van het luchtvaartuig verscherpte waakzaamheid
betracht met het doel botsingsgevaar tijdig te kunnen onderkennen
en de voorgeschreven maatregelen tot het vermijden van botsingen
tijdig te kunnen nemen en indien:
1. op een zodanige horizontale of verticale afstand van
gebieden met aaneengesloten bebouwing of mensenverzameling
wordt gevlogen dat bij het uitvoeren van de in het eerste lid
bedoelde vlucht personen of zaken op het aardoppervlak niet in
gevaar kunnen worden gebracht;
2. het luchtvaartuig niet een voorwerp of ander
luchtvaartuig in de lucht sleept of geen valschermspringers
naar het afspringpunt brengt.
§ 2. Vermijden van botsingen
Artikel 17. Nabijheid
1. Het is verboden een ander luchtvaartuig zo dicht te naderen dat
gevaar voor botsing ontstaat.
2. Het is verboden in gesloten verband vluchten uit te voeren,
tenzij dienaangaande vooraf een regeling is getroffen tussen de
gezagvoerders onderling en - bij gecontroleerde vluchten - met de
betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.
Artikel 18. Maatregelen bij uitwijken
1. Een gezagvoerder neemt de beste maatregelen om een botsing te
voorkomen, daarbij inbegrepen de manoeuvres om een botsing te
vermijden gebaseerd op een RA.
2. Onverminderd het eerste lid, volgt een gezagvoerder van een
luchtvaartuig dat voorzien is van ACAS, een RA direct op, zelfs indien
deze afwijkt van een klaring van de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten.
3. De gezagvoerder van een luchtvaartuig dat voorrang heeft,
behoudt zijn koers en snelheid.
4. Het is verboden, indien ingevolge de artikelen 19 tot en met 26
voor een ander luchtvaartuig wordt uitgeweken, boven, onder of vóór
dat luchtvaartuig langs te gaan, tenzij daarbij op ruime afstand wordt
gebleven en er voor het andere luchtvaartuig geen gevolgen merkbaar
zijn van luchtwervelingen veroorzaakt door het uitwijkende
luchtvaartuig.
5. Een gezagvoerder die, gevolg gevend aan een RA, afwijkt van een
klaring, meldt dit terstond aan de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten.
6. Indien de gezagvoerder een melding als bedoeld in het derde lid
heeft gedaan, geeft de luchtverkeersleider aan dat luchtvaartuig geen
opdrachten die tegenstrijdig zijn aan de RA.
7. Na de afwijking van de klaring als gevolg van de RA wordt de
vlucht zo spoedig mogelijk hervat overeenkomstig de oorspronkelijk
verkregen klaring of overeenkomstig een nieuwe klaring verkregen van
de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.
Artikel 19. Recht vooruit naderen
Wanneer twee luchtvaartuigen elkaar recht vooruit of bijna recht
vooruit naderen en gevaar voor botsing bestaat, verlegt elk van deze
luchtvaartuigen zijn koers naar rechts.
Artikel 20. Kruisende koersen
1. Indien twee luchtvaartuigen van dezelfde categorie op dezelfde
of bijna dezelfde hoogte koersen volgen die elkaar kruisen, wordt
voorrang verleend door het luchtvaartuig dat het andere luchtvaartuig
rechts van zich heeft.
2. Voorts gelden de volgende voorrangsregels:
a. vliegtuigen en helikopters verlenen voorrang aan
luchtschepen, zweeftoestellen en vrije ballonnen;
b. luchtschepen verlenen voorrang aan zweeftoestellen en vrije
ballonnen;
c. zweeftoestellen verlenen voorrang aan vrije ballonnen;
d. vliegtuigen, helikopters en luchtschepen verlenen voorrang
aan luchtvaartuigen waarvan wordt gezien dat zij een ander
luchtvaartuig of voorwerp slepen;
e. luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 1a, modelraketten en
overige luchtvaartuigen die niet zijn gedefinieerd inartikel 1
verlenen voorrang aan vliegtuigen, helikopters, zweeftoestellen,
vrije ballonnen en luchtschepen.
3. Het eerste lid geldt niet voor een luchtvaartuig dat het
luchtverkeerscircuit volgt.
Artikel 21. Inhalen
Een luchtvaartuig, dat een ander luchtvaartuig inhaalt, wijkt -
onverschillig of eerstgenoemde stijgt, daalt of zich horizontaal
voortbeweegt - uit door zijn koers naar rechts te verleggen. Geen daarop
volgende veranderingen van de positie van de beide luchtvaartuigen ten
opzichte van elkaar ontslaat het inhalende luchtvaartuig van deze
verplichting, totdat het zich op ruime afstand voorbij het andere
luchtvaartuig bevindt.
Artikel 22. Uitwijken voor landend verkeer
Een luchtvaartuig dat zich in de lucht bevindt of zich voortbeweegt
op de grond of op het water, verleent voorrang aan een luchtvaartuig dat
bezig is te landen of zich bevindt in de laatste naderingsfase voor de
landing.
Artikel 23. Landen
1. Wanneer twee of meer luchtvaartuigen tegelijkertijd een
luchthaven naderen om te landen, verleent een zich hoger bevindend
luchtvaartuig voorrang aan een zich lager bevindend luchtvaartuig, met
dien verstande, dat het zich lager bevindende luchtvaartuig deze
bepalingen niet benut door een ander luchtvaartuig, dat zich in de
laatste naderingsfase voor de landing bevindt, in te halen of daar
voorlangs te gaan.
2. In afwijking van het eerste lid verlenen vliegtuigen voorrang
aan zweefvliegtuigen.
Artikel 24. Noodlanding
Een luchtvaartuig verleent voorrang aan een ander luchtvaartuig dat
genoodzaakt is te landen.
Artikel 25. Taxiën
1.Een luchtvaartuig dat taxiet op het landingsterrein of de
platforms verleent voorrang aan een luchtvaartuig dat start dan wel op
het punt staat te starten.
2.Wanneer gevaar voor botsing bestaat tussen twee taxiënde
luchtvaartuigen op het landingsterrein of platforms zijn de volgende
voorschriften van toepassing:
a. indien twee luchtvaartuigen elkaar recht vooruit of bijna
recht vooruit naderen, stoppen beide luchtvaartuigen of wijken
deze zodanig naar rechts uit dat zij vrij van elkaar kunnen
passeren;
b. indien twee luchtvaartuigen routes volgen die elkaar
kruisen, wordt voorrang verleend door het luchtvaartuig dat het
andere luchtvaartuig rechts van zich heeft;
c. een luchtvaartuig dat een ander luchtvaartuig inhaalt houdt
daarbij ruime afstand tot het andere luchtvaartuig.
Artikel 26. Taxiën op gecontroleerde luchthavens
1. Een luchtvaartuig, dat taxiet op het landingsterrein houdt stil
en wacht bij alle baanwachtposities tenzij het toestemming om door te
taxiën heeft gekregen van de plaatselijke verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten.
2. Een luchtvaartuig, dat taxiet op het landingsterrein houdt stil
en wacht bij alle brandende stoplichten en vervolgt zijn weg als:
a. het toestemming heeft gekregen van de plaatselijke verlener
van luchtverkeersleidingsdiensten, en;
b. de stoplichten gedoofd zijn en de betreffende
rijbaan-hartlijnlichten zijn ontstoken.
3. Alvorens met een luchtvaartuig te taxiën op het landingsterrein
van een gecontroleerde luchthaven, zonder de bedoeling een vlucht uit
te voeren, wordt toestemming verkregen van de plaatselijke verlener
van luchtverkeersleidingsdiensten en wordt voldaan aan opdrachten van
die verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.
4. Wanneer tijdens het taxiën is afgeweken van de verkregen
toestemming wordt de plaatselijke verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten daarvan zo spoedig mogelijk ingelicht
onder vermelding van de redenen daarvoor en van de afwijkingen van de
toestemming.
Artikel 27. Verkeer op of in de nabijheid van een luchthaven
1. Op of in de nabijheid van een luchthaven wordt:
a. bijzonder acht gegeven op het verkeer, teneinde een botsing
te vermijden;
b. het door luchtvaartuigen gevormd luchtverkeerscircuit
gevolgd dan wel vermeden;
c. op zodanige wijze in het onder b bedoelde
luchtverkeerscircuit ingevoegd, dat luchtvaartuigen die dit
luchtverkeerscircuit volgen niet gehinderd;
d. tijdens het aanvliegen voor een landing en na het opstijgen
elke bocht naar links gemaakt, tenzij een anders luidende
aanwijzing is gegeven;
e. tegen de wind in geland en opgestegen, tenzij een andere
richting de voorkeur verdient met het oog op de veiligheid, de
baanligging of om luchtverkeerstechnische redenen.
2. Het eerste lid onder b, d en e geldt niet, indien in het belang
van de veiligheid van het luchtverkeer bij regeling van Onze Minister
nadere regels zijn gegeven voor het verkeer op of in de nabijheid van
één of meerdere luchthavens.
3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onder
b, aan gezagvoerders die deelnemen aan bijzondere
luchtverkeersactiviteiten in de nabijheid van een ongecontroleerde
luchthaven. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan
een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Het is verboden in strijd met voorschriften als bedoeld in het
derde lid te handelen.
Artikel 28. Lichten
1. Onze Minister geeft regels met betrekking tot de periode waarin
en de omstandigheden waaronder de volgende door een luchtvaartuig
gevoerde lichten worden getoond:
a. navigatielichten;
b. anti-botsingslichten;
c. lichten die de afmetingen van het luchtvaartuig aangeven;
d. lichten die aangeven dat een voortstuwingsinrichting van het
luchtvaartuig in werking is dan wel wordt gesteld.
2. Het is verboden andere dan de in het eerste lid bedoelde lichten
te voeren, indien deze kunnen worden aangezien voor de krachtens dat
lid vastgestelde lichten.
3. Het is verboden andere dan de in het eerste lid bedoelde lichten
te tonen indien deze verblinding kunnen veroorzaken voor leden van het
stuurhutpersoneel van het betrokken luchtvaartuig of van andere
luchtvaartuigen, dan wel op een luchthaven voor bestuurders van
voertuigen of grondpersoneel.
Artikel 29. Nabootsen van blindvliegomstandigheden
Het is verboden aan het luchtverkeer deel te nemen onder nagebootste
blindvliegomstandigheden tenzij:
1. het luchtvaartuig is voorzien van een dubbele besturing en;
2. een persoon die bevoegd is dat luchtvaartuig te besturen een
bestuurdersplaats inneemt teneinde de besturing onmiddellijk te
kunnen overnemen; deze persoon beschikt over voldoende uitzicht naar
voren en naar beide zijden van het luchtvaartuig of staat
rechtstreeks in verbinding met een lid van het stuurhutpersoneel,
dat een zodanige plaats inneemt, dat zijn uitzicht het uitzicht van
deze persoon voldoende aanvult.
Artikel 30. Vermijden van botsingen op het water
Een luchtvaartuig op het water voldoet aan de voorschriften ter
voorkoming van botsing die ter plaatse gelden voor vaartuigen.
§ 3. Inlichtingen omtrent vluchten
Artikel 31. Vliegplan
1. Behalve voor een gecontroleerde vlucht wordt tevens een
vliegplan ingediend voor de aanvang van:
a. elke IFR-vlucht binnen een
luchtverkeersdienstverleningsgebied met klasse F of G;
b. elke vlucht in gebieden of langs routes waar Onze Minister
dat heeft voorgeschreven met het doel om het verstrekken van
vluchtinformatie, de alarmering of de opsporing en redding te
vergemakkelijken;
c. elke VFR-vlucht in gebieden of langs routes, waar Onze
Minister dat heeft voorgeschreven met het doel coördinatie met
betrokken militaire eenheden of met verleners van
luchtverkeersdiensten in aangrenzende staten te vergemakkelijken,
om zodoende een mogelijke noodzaak tot onderschepping voor
identificatie-doeleinden te voorkomen;
d. elke internationale VFR-vlucht.
2. Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van de
verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
3. Een vliegplan kan worden ingediend voor een VFR-vlucht, waarvoor
geen vliegplan is vereist, indien de gezagvoerder zulks wenst met het
doel eventuele opsporing en redding te vergemakkelijken.
4. Onze Minister kan regels geven met betrekking tot:
a. de gegevens die het vliegplan bevat;
b. de wijze van indienen, wijzigen, annuleren en afsluiten van
een vliegplan.
Artikel 32. Wijzigen van het vliegplan
1. Elke wijziging van het ingediende vliegplan wordt zo spoedig
mogelijk gemeld aan de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten,
indien het is ingediend voor:
a. een IFR-vlucht, of;
b. een gecontroleerde VFR-vlucht.
2. Een wijziging van het vliegplan dat is ingediend voor een
niet-gecontroleerde VFR-vlucht, wordt zo spoedig mogelijk gemeld aan
de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten, indien deze
betrekking heeft op gegevens die van belang zijn voor de alarmering.
3. Een wijziging van het voor een gecontroleerde vlucht geldend
vliegplan wordt niet uitgevoerd, alvorens daartoe een klaring is
verkregen van de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.
4. Wanneer tijdens een gecontroleerde vlucht is afgeweken van het
geldend vliegplan wordt de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten daarvan zo spoedig mogelijk ingelicht
onder vermelding van de redenen daarvoor en van de afwijkingen van het
geldend vliegplan.
5. De meldingsplicht, als bedoeld in het vierde lid, geldt niet
voor zover:
a. de afwijking van de gemiddelde ware luchtsnelheid minder
bedraagt dan vijf procent;
b. de afwijking van de geschatte tijd voor het volgende
meldingspunt of voor de luchthaven van bestemming, minder bedraagt
dan drie minuten.
§ 4. Seinen
Artikel 33
1. Bij regeling van Onze Minister worden in verband met de
veiligheid van het luchtverkeer de seinen vastgesteld die worden
gegeven aan luchtvaartuigen, met de betekenis daarvan. Deze seinen
worden alleen voor het aangegeven doel gebruikt en andere seinen
worden niet gebruikt.
2. De waarnemer of ontvanger van een sein als bedoeld in het eerste
lid, geeft hieraan gevolg overeenkomstig de betekenis die er aan is
gegeven in de regeling, bedoeld in het eerste lid.
3. De seiner geeft handmatige seinen aan een luchtvaartuig op een
luchthaven op een heldere en precieze wijze, overeenkomstig de
regeling, bedoeld in het eerste lid.
§ 5. Tijd
Artikel 34
1.Voor het vermelden van tijdstippen met betrekking tot vluchten
wordt Gecoördineerde Wereldtijd gebruikt, uitgedrukt in uren en
minuten van het etmaal, beginnend te middernacht.
2.Voor de aanvang van een gecontroleerde vlucht en telkens
gedurende de vlucht, wanneer de noodzaak daartoe blijkt, stelt de
gezagvoerder zich op de hoogte van de juiste tijd.
§ 6. Gecontroleerde vluchten
Artikel 35. Nakomen van het vliegplan
1. Een gecontroleerde vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming
met het geldend vliegplan en met inachtneming van het bepaalde in de
volgende leden met betrekking tot het volgen van de vliegplanroute.
2. Tenzij een afwijkende klaring is verstrekt door de betrokken
verlener van luchtverkeersleidingsdiensten, wordt tijdens een
gecontroleerde vlucht - voor zover uitvoerbaar - als volgt gevlogen:
a. bij het volgen van een vastgestelde luchtverkeersroute,
langs de hartlijn bepaald voor die route, of;
b. bij het volgen van een andere route, direct tussen de
navigatiestations of punten waardoor die route wordt bepaald.
3. Onverminderd het tweede lid, wordt - tijdens een vlucht langs
een gedeelte van een luchtverkeersroute dat is bepaald door
rondomstralende radiobakens werkend op zeer hoge frequenties - voor de
primaire navigatie omgeschakeld van het achterliggende naar het
voorliggend baken boven het omschakelpunt, indien dat is vastgesteld,
of zo dicht erbij als operationeel uitvoerbaar is.
4. Bij afwijking van het tweede lid wordt daarvan zo spoedig
mogelijk melding gedaan aan de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten en wordt - behoudens andersluidende
klaring - een zodanige koerswijziging uitgevoerd, dat het
luchtvaartuig zo spoedig mogelijk weer terugkeert op de te volgen
route.
Artikel 36. Positiemeldingen
1. Tijdens een gecontroleerde vlucht wordt zo spoedig mogelijk aan
de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten gemeld de tijd
en de vlieghoogte waarop een verplicht meldingspunt is gepasseerd, te
zamen met alle verder vereiste inlichtingen, tenzij de betrokken
verlener van luchtverkeersleidingsdiensten anders bepaalt. Op gelijke
wijze vinden positiemeldingen plaats met betrekking tot die punten die
de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten opgeeft.
2. Indien geen verplichte meldingspunten zijn vastgesteld, vinden
positiemeldingen plaats telkens na het verstrijken van een
tijdsverloop dat bij ministeriële regeling is vastgesteld, dan wel is
opgegeven door de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.
3. Bij ministeriële regeling kunnen verplichte meldingspunten
worden vastgesteld, alsmede omschakelpunten en het tijdsverloop
telkens na het verstrijken waarvan positiemeldingen moeten
plaatsvinden.
Artikel 37. Beëindiging van gecontroleerde vluchten
Bij beëindiging van een gecontroleerde vlucht, hetzij door landing,
dan wel bij voortzetting daarvan als niet gecontroleerde vlucht, wordt
de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten daarvan zo
spoedig mogelijk in kennis gesteld.
Artikel 38. Radioverbindingen
1. Tijdens het uitvoeren van een gecontroleerde vlucht wordt
voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd en zonodig een
tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken
verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van het in
het eerste lid bepaalde.
3. Het eerste lid geldt niet, indien in het belang van de
veiligheid van het luchtverkeer bij regeling van Onze Minister daarvan
afwijkende regels worden gesteld.
4. Bij regeling van Onze Minister kan vrijstelling worden verleend
van het in het eerste lid bepaalde. Een vrijstelling kan onder
beperkingen worden verleend.
5. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
bepaalde. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan
een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
6. Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als
bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 39. Storing in de radioverbinding
1.Indien het bepaalde in artikel 38 niet kan worden nagekomen door
storing in de radioverbinding, wordt gehandeld overeenkomstig door
Onze Minister ter zake gegeven regels voor de
luchtvaarttelecommunicatie.
2.Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen niet leiden tot
herstel van de radioverbinding, wordt de vlucht voortgezet met
inachtneming van de door Onze Minister vastgestelde regels.
§ 7. Radar-identificatie en -hoogtemelding
Artikel 40
Onze Minister geeft regels met betrekking tot de bediening van de
boordapparatuur voor het beantwoorden van ondervragingen door
radargrondstations.
§ 8. Onderschepping
Artikel 41. Onderschepping
1. De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig dat wordt
onderschept door een militair luchtvaartuig of een luchtvaartuig dat
wordt gebruikt voor politie- of douanediensten:
a. volgt de door het onderscheppende luchtvaartuig gegeven
opdracht op waarbij aan de krachtens artikel 33 vastgestelde
visuele seinen betekenis en uitvoering wordt gegeven;
b. stelt zo mogelijk de betrokken verlener van
luchtverkeersdiensten in kennis van de onderschepping;
c. brengt zo mogelijk een radioverbinding tot stand met het
onderscheppende luchtvaartuig of met de eenheid die de
onderschepping leidt, door het uitzenden van een algemene oproep
op de noodfrequentie 121.500 MHz onder vermelding van de
identiteit van het onderschepte luchtvaartuig en de aard van de
vlucht;
d. herhaalt, indien geen radioverbinding tot stand is gekomen,
de in onderdeel c bedoelde oproep op de noodfrequentie 243.000
MHz, voor zover uitvoerbaar;
e. maakt gebruik van de krachtens artikel 33 vastgestelde
seinen, indien de omstandigheden dit noodzakelijk maken;
f. stelt de transponder in op mode A code 7700, tenzij door de
betrokken verlener van luchtverkeersdiensten anders wordt
opgedragen.
2. De gezagvoerder van het onderschepte luchtvaartuig dat per radio
een opdracht ontvangt, uit welke bron dan ook, die afwijkt van de
opdracht door middel van seinen of de radio gegeven door het
onderscheppende luchtvaartuig, vraagt onmiddellijk om opheldering aan
het onderscheppende luchtvaartuig terwijl het voortgaat met het
voldoen aan de opdracht van het onderscheppende luchtvaartuig.
3. Bij regeling kan Onze Minister regels geven met betrekking tot
het onderscheppen van burgerluchtvaartuigen door militaire
luchtvaartuigen of luchtvaartuigen die worden gebruikt voor politie-
of douanediensten.
4. Bij regeling kan Onze Minister nadere regels geven met
betrekking tot het eerste en tweede lid.
Artikel 41a. Wederrechtelijke inmenging
1. De gezagvoerder van een luchtvaartuig dat onderworpen is aan
wederrechtelijke inmenging tracht de betrokken verlener van
luchtverkeersdiensten hiervan op de hoogte te stellen. Daarbij worden
omstandigheden gemeld die voor de betrokken verlener van
luchtverkeersdiensten van belang kunnen zijn voor het uitoefenen van
haar taak.
2. Wanneer het niet mogelijk is de verlener van
luchtverkeersdiensten te informeren als bedoeld in het eerste lid en
het luchtvaartuig moet afwijken van de koers en vlieghoogte waarvoor
een klaring was verkregen:
a. probeert de gezagvoerder de koers en vlieghoogte aan te
houden waarvoor een klaring was verkregen, tot de verlener van
luchtverkeersdiensten is geïnformeerd of het luchtvaartuig in een
gebied met radardekking vliegt, tenzij omstandigheden aan boord
dit onmogelijk maken,
b. probeert de gezagvoerder waarschuwingen te geven op de VHF
noodfrequentie of andere geschikte frequenties, en zo of via de
transponders of gegevensverbindingen informatie te verstrekken
over afwijkingen van koers en vlieghoogte, tenzij omstandigheden
aan boord dit onmogelijk maken,
c. volgt de gezagvoerder de regionale aanvullende procedures
voor onvoorziene gebeurtenissen of, wanneer deze er niet zijn, zet
de gezagvoerder de vlucht zodanig voort dat het vliegtuig bij een
IFR-vlucht 150 m (500 voet) van de kruishoogte afwijkt in een
gebied waar een verticale separatie van minimaal 300 m (1000 voet)
geldt, of 300 m (1000 voet) van de kruishoogte afwijkt in een
gebied waar een verticale separatie van minimaal 600 m (2000 voet)
geldt.
Afdeling 3. Zichtvliegvoorschriften
Artikel 42. Zichtweersomstandigheden
1. Het is verboden een VFR-vlucht uit te
voeren onder zodanige weersomstandigheden dat het vliegzicht en de
afstand van het luchtvaartuig tot de wolken kleiner is dan de in de
volgende tabel genoemde waarden.
|
Hoogteband |
Klasse luchtruim |
Vliegzicht |
Afstand tot de
wolken |
|
Op en boven vliegniveau 100 |
A B C D E F G |
8 km |
1500 m horizontaal 300 m (1000
voet) verticaal
|
|
Beneden vliegniveau 100 en boven
900 m (3000 voet) boven gemiddeld zeeniveau, of boven 300 m (1000
voet) boven terreinhoogte als dit hoger is |
A B C D E F G |
5 km |
1500 m horizontaal 300 m (1000
voet) verticaal
|
|
Op en beneden 900 m (3000 voet)
boven gemiddeld zeeniveau, of 300 m (1000 voet) boven
terreinhoogte |
A B C D E |
5 km |
1500 m horizontaal 300 m (1000
voet) verticaal
|
|
F G |
5 km |
Vrij van wolken en met zicht op
grond of water |
2. Het eerste lid geldt niet indien:
a. een klaring is verkregen van de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten voor het uitvoeren van een bijzondere
VFR-vlucht;
b. bij ministeriële regeling andere waarden zijn vastgesteld.
Artikel 43. Zichtweersomstandigheden in plaatselijke
luchtverkeersleidingsgebieden
1. Het is verboden tijdens een VFR-vlucht te starten van of te
landen op een luchthaven in een plaatselijk
luchtverkeersleidingsgebied, of het luchthavenverkeersgebied of het
luchtverkeerscircuit in te vliegen, indien:
a. de wolkenbasis lager is dan 450 m (1500 voet), of
b. het grondzicht minder is dan 5 km.
2. Het eerste lid geldt niet indien:
a. een klaring is verkregen van de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten;
b. bij regeling van Onze Minister in het belang van de
veiligheid van het luchtverkeer andere waarden zijn vastgesteld.
Artikel 44. Beperking van VFR-vluchten
1.Het is verboden, ongeacht de weersomstandigheden, een VFR-vlucht
uit te voeren:
a. buiten de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de in
artikel 60, onder a , bedoelde luchtvaartgids;
b. in luchtverkeersdienstverleningsgebieden met klasse A;
c. met een ware luchtsnelheid groter dan de plaatselijke
voortplantingssnelheid van het geluid.
2.Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van het in
het eerste lid onder a, bepaalde.
3.Het eerste lid, onderdelen a en b, geldt niet indien bij
ministeriële regeling anders is bepaald.
4.Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Defensie
kunnen vrijstellingen worden verleend van het in het eerste lid
gestelde verbod. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden
verleend.
5.Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen ontheffingen
verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Een ontheffing kan
onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen
voorschriften worden verbonden.
6.Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als
bedoeld in het vijfde lid.
7.De maximum toegestane aangewezen luchtsnelheid in de
luchtverkeersdienstverleningsgebieden met klasse C tot en met G
beneden vliegniveau 100 bedraagt 470 km/uur (250 knopen).
8.Het zevende lid geldt niet indien bij ministeriële regeling
andere waarden zijn vastgesteld.
Artikel 44a
1.In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer worden bij
regeling van Onze Minister regels gegeven inzake de navigatie- en
telecommunicatie-installaties waarmee een luchtvaartuig voor het
uitvoeren van een VFR-vlucht is uitgerust en de eisen waar die
installaties aan voldoen.
2.Onze Minister kan ontheffing verlenen van de krachtens het eerste
lid gegeven regels.
3.Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4.Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als
bedoeld in het derde lid.
Artikel 45. Minimum VFR-vlieghoogte
1. Met uitzondering van het gestelde in het tweede lid is het -
tenzij noodzakelijk om op te stijgen van of te landen op een
luchthaven, naderings- en vertrekprocedures alsmede
luchtverkeerspatronen uit te voeren - verboden een VFR-vlucht uit te
voeren beneden de volgende minimum vlieghoogtes:
a. boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en
havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven
mensenverzamelingen: tenminste 300 m (1000 voet) boven de hoogste
hindernis, gelegen binnen een afstand van 600 m van het
luchtvaartuig;
b. elders dan onder a aangegeven: tenminste 150 m (500 voet)
boven de grond of het water, of wel zoveel hoger als door Onze
Minister is bepaald.
2. Het eerste lid geldt niet, onder nader door Onze Minister te
stellen regels, voor de volgende vluchten:
a. vluchten waarbij een sleep wordt aangehaakt of afgeworpen
boven een luchthaven;
b. vluchten waarbij stoffen ter bevordering of ter bescherming
van het milieu dan wel de land-, tuin- of bosbouw, te bestemder
plaatse worden uitgeworpen;
c. vluchten waarbij naderingsprocedures buiten luchthavens
beoefend worden boven nader door Onze Minister aan te wijzen
gebieden;
d. vluchten met zweefvliegtuigen boven nader door Onze Minister
aan te wijzen strand- en duingebieden.
3. Het eerste lid onder b geldt niet boven nader door Onze Minister
aan te wijzen routes en gebieden.
4. Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Defensie
kunnen vrijstellingen worden verleend van het in het eerste lid
gestelde verbod. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden
verleend.
5. Onze Minister en Onze Minister van Defensie kunnen ontheffingen
verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Een ontheffing kan
onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen
voorschriften worden verbonden.
6. Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als
bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 46. Uitvoering
Onverminderd het gestelde in artikel 11 wordt een VFR-vlucht
uitgevoerd in overeenstemming met de algemene vliegvoorschriften voor
gecontroleerde vluchten wanneer de vlucht:
a. wordt uitgevoerd binnen de
luchtverkeersdienstverleningsgebieden met klasse B, C en D;
b. deel uitmaakt van het terreinverkeer van een gecontroleerde
luchthaven, of;
c. wordt uitgevoerd als een bijzondere VFR-vlucht.
Artikel 47. Weersverslechtering tot beneden de criteria voor
zichtweersomstandigheden
1. Wanneer tijdens een gecontroleerde VFR-vlucht blijkt, dat
voortzetting daarvan onder zichtweersomstandigheden volgens het
geldend vliegplan niet uitvoerbaar is, wordt gehandeld overeenkomstig
het bepaalde in één van de volgende leden van dit artikel.
2. In de omstandigheden, als bedoeld in het eerste lid, wordt,
behoudens het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, een
herziening van de klaring gevraagd, waardoor het alsnog mogelijk wordt
om:
a. de vlucht in zichtweersomstandigheden voort te zetten naar
de luchthaven van bestemming of een luchthaven waarnaar wordt
uitgeweken, of;
b. het betreffende luchtverkeersleidingsgebied, waarin eveneens
worden luchtverkeersleidingsdiensten aan VFR-vluchten verleend, te
verlaten.
3. Indien een klaring, als bedoeld in het tweede lid, niet kan
worden verkregen, wordt de vlucht voortgezet onder
zichtweersomstandigheden en wordt de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten ingelicht omtrent de actie, die wordt
ondernomen ten einde het luchtverkeersleidingsgebied, waarin eveneens
worden luchtverkeersleidingsdiensten aan VFR-vluchten verleend, te
verlaten dan wel een landing uit te voeren op de dichtstbijzijnde
daarvoor geschikte luchthaven.
4. Wanneer een gecontroleerde VFR-vlucht, als bedoeld in het eerste
lid, wordt uitgevoerd binnen een plaatselijk
luchtverkeersleidingsgebied, kan toestemming worden verzocht om de
vlucht te mogen voortzetten als bijzondere VFR-vlucht.
5. Indien de gezagvoerder van een gecontroleerde VFR-vlucht, als
bedoeld in het eerste lid, daartoe bevoegd is, kan hij verzoeken om de
vlucht te mogen voortzetten in overeenstemming met de
instrumentvliegvoorschriften.
Artikel 48
Bij het uitvoeren van een VFR-vlucht in gebieden of langs routes, als
bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder b of c wordt, onderscheidenlijk
worden:
a. voortdurend geluisterd op de desbetreffende radiofrequentie
van de betrokken luchtverkeersdienst die vluchtinformatie verstrekt;
b. desgevraagd positiemeldingen aan die dienst verstrekt;
c. zonodig tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de
betrokken luchtverkeersdienst.
Afdeling 4. Instrumentvliegvoorschriften
Artikel 49. Uitrusting
1.In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer worden bij
regeling van Onze Minister regels gegeven inzake de navigatie- en
telecommunicatie-installaties waarmee een luchtvaartuig voor het
uitvoeren van een IFR-vlucht is uitgerust en de eisen waar die
installaties aan voldoen.
2.Onze Minister kan ontheffing verlenen van de krachtens het eerste
lid gegeven regels.
3.Ontheffing kan slechts verleend worden indien de navigatie- en
telecommunicatieuitrusting van het luchtvaartuig ten minste
gelijkwaardige mogelijkheden biedt voor de vluchtuitvoering.
4.Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
5.Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als
bedoeld in het vierde lid.
Artikel 50. Beperking van IFR-vluchten
1.De maximum toegestane aangewezen luchtsnelheid in de
luchtverkeersdienstverleningsgebieden met klasse D tot en met G
beneden vliegniveau 100 bedraagt 470 km/uur (250 knopen).
2.Het eerste lid geldt niet indien bij ministeriële regeling
andere waarden zijn vastgesteld.
Artikel 51. Minimum IFR-vlieghoogte
1. Met uitzondering van het gestelde in het tweede lid is het -
tenzij noodzakelijk om op te stijgen van of te landen op een
luchthaven, naderings- en vertrekprocedures alsmede
luchtverkeerspatronen uit te voeren - verboden een IFR-vlucht uit te
voeren beneden de volgende minimum vlieghoogtes:
a. boven bergachtige gebieden: tenminste 600 m (2000 voet)
boven de hoogste hindernis, gelegen binnen 8 km van de gegiste
positie van het luchtvaartuig;
b. elders dan onder a. is aangegeven: tenminste 300 m (1000
voet) boven de hoogste hindernis gelegen binnen 8 km van de
gegiste positie van het luchtvaartuig.
2. Bij regeling van Onze Minister kan met inachtneming van
luchtverkeerstechnische aspecten vrijstelling worden verleend van het
in het eerste lid gestelde verbod. Een vrijstelling kan onder
beperkingen worden verleend.
3. Onze Minister kan met inachtneming van luchtverkeerstechnische
aspecten ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
verbod. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als
bedoeld in het derde lid.
Artikel 52 [Vervallen per 02-02-2007]
Artikel 53. Verandering van vliegvoorschriften
1. Het is verboden af te zien van de IFR-vluchtuitvoering, tenzij
zich tijdens een IFR-vlucht zichtweersomstandigheden voordoen, en het
te voorzien is en in de bedoeling ligt dat de vlucht voor geruime tijd
zal worden voortgezet in ononderbroken zichtweersomstandigheden.
2. Indien onder de in het eerste lid genoemde omstandigheden wordt
besloten de vlucht verder als VFR-vlucht uit te voeren, wordt
uitdrukkelijk aan de betrokken verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten gemeld, dat wordt afgezien van de
IFR-vluchtuitvoering, onder vermelding van de daartoe strekkende
wijzigingen op het geldende vliegplan.
Artikel 54
Onverminderd het gestelde in artikel 11 wordt een IFR-vlucht
uitgevoerd in overeenstemming met de algemene vliegvoorschriften voor
gecontroleerde vluchten, wanneer de vlucht wordt uitgevoerd in een
luchtverkeersdienstverleningsgebied klasse A tot en met E.
Artikel 55
Bij het uitvoeren van een IFR-vlucht in
luchtverkeersdienstverleningsgebieden F en G en in gebieden of langs
routes als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder b of c moet:
a. voortdurend worden geluisterd op de desbetreffende
radiofrequentie van de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten,
die vluchtinformatie verstrekt;
b. zonodig tweezijdige radioverbinding tot stand worden gebracht
met die dienst, en;
c. positiemeldingen worden verstrekt overeenkomstig het in
artikel 36 bepaalde voor gecontroleerde vluchten.
Hoofdstuk IV. Diverse bepalingen
Artikel 56. Bijzondere vluchten
Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van vluchten
waarbij door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht
niet kan worden voldaan aan bij of krachtens hoofdstuk III van dit
besluit gestelde regels.
Artikel 57. Dagkenmerken ankerkabels
De ankerkabel van een zich in de lucht bevindende kabelballon, of van
een aan een kabel verankerd luchtschip, wordt - buiten de in artikel 28,
eerste lid, genoemde periode - voorzien van de bij ministeriële
regeling vastgestelde dagkenmerken.
Artikel 58. Luchthavenverkeer, anders dan luchtvaartuigen
Op een landingsterrein verleent een voetganger of bestuurder van een
voertuig vrije doorgang aan een luchtvaartuig en geeft gevolg aan een
aanwijzing gegeven door de exploitant en op een gecontroleerde
luchthaven door de plaatselijke verlener van
luchtverkeersleidingsdiensten.
Artikel 59 [Vervallen per 02-02-2007]
Hoofdstuk V. Luchtvaartinlichtingen
Artikel 60. Het verstrekken van inlichtingen vóór de vlucht
Ten behoeve van de vluchtvoorbereiding en de vluchtuitvoering
verstrekt de LVNL vóór de vlucht de volgende luchtvaartinlichtingen:
a. een geïntegreerd pakket luchtvaartinlichtingen bestaande uit
de volgende publikaties:
1. een luchtvaartgids;
2. wijzigingslijsten op de luchtvaartgids;
3. aanvullingslijsten op de luchtvaartgids;
4. berichten aan luchtvarenden;
5. circulaires voor de luchtvaart;
6. mededelingen aan Nederlandse luchtvarenden en eigenaren
van luchtvaartuigen;
b. luchtvaartkaarten;
c. luchtvaartmeteorologische inlichtingen.
Artikel 61
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking
tot luchtvaartinlichtingen. Deze regels betreffen ten minste:
a. de gegevens die luchtvaartinlichtingen bevatten;
b. de wijze van verstrekking;
c. de plaatsen waar en de perioden gedurende welke
luchtvaartinlichtingen worden verstrekt, en
d. de instanties en personen aan wie luchtvaartinlichtingen
worden verstrekt.
Artikel 62. Tarieven
Abonnementen op de luchtvaartpublicaties en luchtvaartkaarten worden
verstrekt tegen vergoeding van de kosten welke jaarlijks door de LVNL
worden vastgesteld.
Hoofdstuk VI. Straf- en slotbepalingen
Artikel 63. Strafbepalingen
Het handelen in strijd met het bepaalde in of krachtens deartikelen
1a, 10, tweede lid, 11, 13, eerste, en vijfde lid, 14, eerste en vijfde
lid, 16, eerste lid, 17, 18, 19, 20, eerste en tweede lid,21, 22, 23,
24, 25, 26, 27, eerste en vierde lid, 28, 29, 30, 31, eerste lid, 32,
eerste tot en met vierde lid, 33, tweede en derde lid,34, 35, 36, 37,
38, eerste en zesde lid, 39, 41, eerste en tweede lid,41a, 42, eerste
lid, 43, eerste lid, 44, eerste, zesde en zevende lid,44a, vierde lid,
45, eerste en zesde lid, 46, 47, eerste, tweede en derde lid, 48, 49,
vijfde lid, 50, eerste lid, 51, eerste en vierde lid, 53, 54, 55, 57 en
58 is een strafbaar feit.
Artikel 64. Publikatie
1.Van krachtens dit besluit gegeven ontheffingen wordt mededeling
gedaan in de Staatscourant.
2.De LVNL doet mededeling aan luchtvarenden van deze en overige
krachtens dit besluit gegeven bepalingen door middel van de daartoe
bestemde luchtvaartpublikaties als bedoeld in artikel 60, onder a.
Artikel 65. Intrekking Luchtverkeersreglement-1980
Het Luchtverkeersreglement-1980 (Stb. 786) wordt ingetrokken.
Artikel 66. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
Luchtverkeer in werking treedt.
Artikel 67. Titel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Luchtverkeersreglement.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting
in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Het Oude Loo, 18 december 1992
BEATRIX
De Minister van Verkeer en
Waterstaat,
J.R.H.
Maij-Weggen
De Minister van Defensie a.i.,
J.P.
Pronk
Uitgegeven de dertigste
december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H.
Hirsch Ballin
|