| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet luchtvaart (Wlv)
BESLUIT
LUCHTVAARTUIGEN 2008
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 14 mei 2008, houdende regels over de inschrijving en
luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en de erkenning van bedrijven voor
werkzaamheden die de luchtwaardigheid betreffen (Besluit
luchtvaartuigen 2008)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze minister van
Verkeer en Waterstaat van 4 januari 2008, nr. CEND/HDJZ-2007/1644,
Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de
staatssecretaris van Defensie;
Gelet op:
- Verordening (EG) nr. 1592/2002 van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 2002 tot vaststelling van
gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot
oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de
luchtvaart (PbEG L 240),
- Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 24 september 2003 tot vaststelling van
uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en
milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten,
onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van
ontwerp- en productieorganisaties (PbEU L 243),
- Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente
luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen
en uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde
taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315) en
- de artikelen 1.2, tweede en derde lid, 3.3, tweede lid, 3.7, 3.13,
eerste en derde lid, 3.15, eerste lid, 3.19a, derde lid, 3.22,
eerste lid, onderdeel b, 3.23, 3.25, eerste tot en met derde lid,
3.26, eerste en derde lid, 3.29 en 3.31 van de Wet luchtvaart;
De Raad van State gehoord (advies van 31
januari 2008, nr. W09.08.00009/IV);
Gezien het nader rapport van Onze minister van
Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2008, nr. CEND/HDJZ/2008-437,
Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met de
staatssecretaris van Defensie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Definities en toepassingsgebied
Artikel 1
In dit besluit en in de op dit besluit gebaseerde regelingen wordt
verstaan onder:
aanvullende geluidsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel
3.19c, tweede lid, van de wet;
aanvullend type-certificaat: type-certificaat van een aanpassing van
het orginele ontwerp zoals vastgelegd in het orginele type-certificaat
van het ongewijzigd product;
akkoordverklaring:door Onze minister afgegeven verklaring waarmee hij
akkoord gaat met het aantonen van de conformiteit van individuele
producten, onderdelen en uitrustingsstukken overeenkomstig verordening
(EG) nr. 1702/2003, Part 21, section A, subpart F;
ARC:certificaat van beoordeling van de luchtwaardigheid dat periodiek
wordt afgegeven door Onze minister of een daartoe erkende
managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, dat deel
uitmaakt van een geldig BvL (EASA Form 15, Airworthiness Review
Certificate);
blijvende luchtwaardigheid: alle processen waarmee gewaarborgd wordt
dat het luchtvaartuig gedurende de gehele operationele levensduur
voldoet aan de geldende normen voor luchtwaardigheid en zich in een
toestand van veilige exploitatie bevindt;
BvL: Bewijs van Luchtwaardigheid;
CAMO: ingevolge verordening (EG) nr. 2042/2003 erkende management
organisatie voor blijvende luchtwaardigheid (Continuing Airworthiness
Management Organisation);
CAMO-erkenning: erkenning voor het managen van de blijvende
luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en de onderdelen daarvan, als
bedoeld in verordening (EG) nr. 2042/2003, Part M, section A, subpart G;
certificaat, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder b:
certificaat ten aanzien van werkzaamheden die zijn opgenomen in de
erkenning en die verband houden met de luchtwaardigheid en
geluidsproductie van producten of onderdelen;
EASA-beperkt-BvL: bewijs van luchtwaardigheid voor een
EASA-luchtvaartuig dat wel aan de eisen betreffende luchtwaardigheid
volgens het ICAO-verdrag voldoet, maar niet aan de essentiële eisen
inzake luchtwaardigheid zoals opgenomen in bijlage I bij verordening
(EG) nr. 216/2008;
EASA-luchtvaartuig: luchtvaartuig waarop verordening (EG) nr.
216/2008, verordening (EG) nr. 1702/2003en verordening (EG) nr.
2042/2003, van toepassing zijn;
EASA-standaard-BvL: bewijs van luchtwaardigheid voor een EASA-
luchtvaartuig dat zowel aan de eisen betreffende luchtwaardigheid
volgens het ICAO-verdrag als aan de essentiële eisen inzake
luchtwaardigheid zoals opgenomen in bijlage I bij verordening (EG) nr.
216/2008 voldoet;
export-BvL: bewijs waarin de status van het luchtvaartuig betreffende
de luchtwaardigheid wordt aangegeven, getoetst volgens de eisen van het
importerende land;
geluidscertificaat: certificaat als bedoeld in artikel 3.19a, eerste
lid, van de wet;
geluidsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 3.19c, eerste
lid, van de wet;
gemotoriseerd schermvliegtuig: schermvliegtuig als bedoeld in artikel
1 van het Luchtverkeersreglement, niet zijnde een schermzweeftoestel als
bedoeld in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;
gyroplane: helikopter als bedoeld in artikel 1 van het
Luchtverkeersreglement waarvan de rotorbladen niet door de motor worden
aangedreven;
ICAO-staat: staat die het ICAO-verdrag heeft bekrachtigd;
ICAO-standaard-BvL: bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in het
ICAO-verdrag;
ICAO Annex 8: bijlage 8 bij het ICAO-verdrag, betreffende de
luchtwaardigheid van luchtvaartuigen;
MLA: (Micro Light Aeroplane) land-, amfibie- of watervliegtuig met
niet meer dan twee zitplaatsen, een overtreksnelheid die niet hoger is
dan 35.1 knopen gecalibreerde luchtsnelheid en een maximum startmassa
van niet meer dan:
300 kg voor een landvliegtuig, eenzitter;
450 kg voor een landvliegtuig, tweezitter;
315 kg voor een landvliegtuig, eenzitter, dat is uitgerust met een op
het frame gemonteerd Total Recovery Parachute System;
472,5 kg voor een landvliegtuig, tweezitter, dat is uitgerust met een
op het frame gemonteerd Total Recovery Parachute System;
330 kg voor een amfibie- of watervliegtuig, eenzitter, of
495 kg voor een amfibie- of watervliegtuig, tweezitter, mits een
micro light die als watervliegtuig en als landvliegtuig gebruikt kan
worden binnen beide daarvoor geldende massalimieten valt;
MLH: (Micro Light Helicopter) helikopter met niet meer dan twee
zitplaatsen en een maximum startmassa van niet meer dan:
300 kg voor een landhelikopter, eenzitter;
450 kg voor een landhelikopter, tweezitter;
330 kg voor een amfibie- of waterhelikopter, eenzitter;
495 kg voor een amfibie- of waterhelikopter, tweezitter, waarbij
geldt dat een helikopter die als waterhelikopter en als landhelikopter
gebruikt kan worden binnen beide daarvoor geldende massalimieten valt;
of
560 kg voor een gyroplane, een- of tweezitter;
MOA:erkenning voor het onderhoud van vliegtuigen, helikopters en
luchtschepen of onderdelen daarvan, als bedoeld in verordening (EG) nr.
2042/2003, Part 145 (Maintenance Organisation Approval);
MOA-F:erkenning voor het onderhoud van vliegtuigen, helikopters en
ballonnen of onderdelen daarvan, als bedoeld in verordening (EG) nr.
2042/2003, Part M, section A, subpart F (Maintenance Organisation
Approval-F);
MTOA:erkenning voor het trainen en examineren van onderhoudspersoneel
volgens de specificaties van Part 66, als bedoeld in verordening (EG)
nr. 2042/2003, Part 147 (Maintenance Training Organisation Approval);
Nederland: Europees deel van het Koninkrijk en de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
onderdeel:elk deel dat is geïnstalleerd in of bevestigd aan een
luchtvaartuig en dat bestemd is voor gebruik van dat luchtvaartuig
tijdens de vlucht;
Onze minister: Onze minister van Verkeer en Waterstaat;
Part 21: deel betreffende certificatieprocedures voor
EASA-luchtvaartuigen, aanverwante producten en onderdelen (bijlage
bijverordening (EG) nr. 1702/2003);
Part 66: deel betreffende trainings- en exameneisen voor
onderhoudspersoneel (bijlage III bij verordening (EG) nr. 2042/2003);
Part 145: deel betreffende erkende onderhoudsbedrijven (bijlage II
bij verordening (EG) nr. 2042/2003);
Part 147: deel betreffende erkende trainings- en
examineringsinstanties (bijlage IV bij verordening (EG) nr. 2042/2003);
Part M: deel betreffende de blijvende luchtwaardigheid van
EASA-luchtvaartuigen (bijlage I bij verordening (EG) nr. 2042/2003);
POA: erkenning voor het vervaardigen van producten en onderdelen als
bedoeld in Part 21, section A, subpart G (Production Organisation
Approval);
product: luchtvaartuig, een voortstuwingsinrichting of een propeller;
speciaal-BvL: bewijs van luchtwaardigheid voor luchtvaartuigen die
buiten het kader van verordening (EG) nr. 216/2008 vallen en ook niet
aan de eisen betreffende luchtwaardigheid volgens het ICAO-verdrag
voldoen;
staat van ontwerp: ICAO-lidstaat die rechtsmacht heeft over de
organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwerp van een
luchtvaartuig, zoals gedefinieerd in ICAO Annex 8;
Total Recovery Parachute System: reddingssysteem met valscherm voor
het hele luchtvaartuig;
type-certificaat: het geheel van documenten omvattende het
type-ontwerp, de operationele beperkingen, het gegevensblad, de
luchtwaardigheidsregelgeving en alle andere voorschriften en beperkingen
zoals voorgeschreven in de van toepassing zijnde eisen;
type-ontwerp: het geheel van documenten omvattende alle tekeningen en
specificaties benodigd om de configuratie, de eigenschappen van het
ontwerp vast te leggen, informatie over materialen, processen en
productiemethodieken, luchtwaardigheidsbeperkingen ten behoeve van het
onderhoud en alle gegevens die nodig zijn om de luchtwaardigheid en voor
zover van toepassing de geluidsproductie vast te stellen van latere
producten van het type;
verdrag: het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag
inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb.1973,109) (ICAO-verdrag);
verklaring van conformiteit: verklaring dat het luchtvaartuig of het
onderdeel aan het goedgekeurde ontwerp voldoet (Statement of Conformity);
verordening (EG) nr. 216/2008: verordening (EG) nr. 216/2008 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 februari 2008
tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van
burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de
veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG,
Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PbEU L 79);
verordening (EG) nr. 1702/2003: verordening van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 24 september 2003 tot vaststelling van
uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en
milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten,
onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van
ontwerp- en productieorganisaties (PbEU L 243);
verordening (EG) nr. 2042/2003: verordening van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de permanente
luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen
en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde
taken betrokken organisaties en personen (PbEU L 315);
vliegvergunning:bewijs van luchtwaardigheid waarmee toestemming wordt
gegeven voor het maken van een of meerdere vluchten met een specifieke
doelstelling binnen de bij de EASA aangesloten landen;
wet: Wet luchtvaart.
Artikel 2
1. Met uitzondering van het tweede, vierde en zesde lid, is dit
besluit uitsluitend van toepassing op luchtvaartuigen,
voortstuwingsinrichtingen, propellers, onderdelen en erkenningen
bestemd voor de burgerluchtvaart.
2. Dit besluit en hoofdstuk 3 van de wet zijn niet van toepassing
op de volgende soorten luchtvaartuigen:
a. modelvliegtuigen, waarvan de totale massa ten hoogste 25
kilogram bedraagt,
b. ballonnen, die op zeeniveau in de internationale
standaardatmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten
hoogste 2.00 meter of een inhoud van ten hoogste 4.00 kubieke
meter hebben, alsmede aan elkaar gekoppelde ballonnen waarvan de
gezamenlijke diameter en inhoud deze waarden niet te boven gaan,
c. toestellen, zwaarder dan lucht en niet voorzien van een
voortstuwingsinrichting, die door middel van een ankerkabel of
lijn zijn verbonden met het aardoppervlak (kabelvlieger),
d. luchtschepen, die op zeeniveau in de internationale
standaardatmosfeer in geheel gevulde toestand een grootste
afmeting hebben van maximaal 5.00 meter of een inhoud van ten
hoogste 4.00 kubieke meter,
e. toestellen, zwaarder dan lucht in de vorm van een scherm met
harnas, die met een lijn of lijnen zijn bevestigd aan een voertuig
of vaartuig, waardoor ze in de lucht kunnen worden gehouden
(valschermzweeftoestel),
f. ballonnen, die tijdens het in de lucht houden permanent zijn
bevestigd aan het aardoppervlak (kabelballon),
g. valschermen, zijnde schermen die dienen om de daalsnelheid
van personen zodanig te beperken dat deze veilig het aardoppervlak
kunnen bereiken,
h. zeilvliegtuigen met een totale massa zonder piloot van
minder dan 70 kg,
i. schermzweeftoestellen met een totale massa zonder piloot van
minder dan 70 kg,
j. amateurbouwluchtvaartuigen ingeschreven in andere lidstaten
van de European Civil Aviation Conference.
3. Paragraaf 3.2.3 van de wet omtrent bewijzen van bevoegdheid voor
onderhoud is niet van toepassing op de volgende soorten
luchtvaartuigen:
a. amateurbouwluchtvaartuigen,
b. MLA's,
c. MLH’s,
d. gemotoriseerde schermvliegtuigen.
4. Bij regeling van Onze minister dan wel Onze minister van
Defensie kunnen voorschriften en beperkingen worden opgenomen ten
aanzien van de in het tweede en derde lid genoemde luchtvaartuigen.
5. Artikel 3.5 van de wet is niet van toepassing op luchtvaartuigen
als bedoeld in artikel 3.6 van de wet.
6. Het verbod, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder b, van de
wet, is niet van toepassing op militaire luchtvaartuigen die hetzij
automatisch, hetzij op afstand worden bestuurd, en die worden gebruikt
als doel voor schietoefeningen dan wel voor het slepen van een doel
voor schietoefeningen mits wordt voldaan aan het volgende:
a. boven Nederland wordt met het luchtvaartuig uitsluitend
gevlogen in een gebied waarin het burgerluchtverkeer is verboden
of beperkt,
b. met het luchtvaartuig wordt uitsluitend gevlogen indien de
door Onze minister van Defensie vastgestelde instructies in acht
worden genomen met betrekking tot:
1°. een veilige lancering,
2°. het voor en na elke vlucht uitvoeren van een
functionele en een technische inspectie,
3°. het onderhoud van het luchtvaartuig,
4°. het per parachute op een veilige wijze en binnen het
aangewezen landingsgebied doen landen van het luchtvaartuig,
c. het luchtvaartuig is uitgerust met een zodanige
veiligheidsvoorziening dat bij verstoring van of bij het verloren
gaan van het radiocontact tussen luchtvaartuig en
bedieningsstation, de vlucht van het luchtvaartuig wordt
afgebroken en de landing per parachute wordt ingezet,
d. het luchtvaartuig is uitgerust met een zodanige
veiligheidsvoorziening dat bij het uitvallen van de besturing als
gevolg van stroomstoring de landing per parachute wordt ingezet.
7. Van overeenkomstige toepassing in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, zijn:
a. Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en
de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van
gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en
tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van
de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG,
Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PbEU L
79);
b. Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 24 september 2003 tot vaststelling van
uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en
milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten,
onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering
van ontwerp- en productieorganisaties (PbEU L 243), en
c. Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 20 november 2003 betreffende de
permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en
luchtvaartproducten, -onderdelen en-uitrustingsstukken, en
betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken
organisaties en personen (PbEU L 315),
met dien verstande dat bij ministeriële regeling nadere regels
kunnen worden gesteld.
Hoofdstuk 2. Nationaliteit en inschrijving van luchtvaartuigen
Artikel 3
1. In het Nederlandse register voor burgerluchtvaartuigen worden
luchtvaartuigen ingeschreven:
a. die zijn vervaardigd in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba, en die niet zijn uitgevoerd, of
b. die zijn vervaardigd in een lidstaat van de Europese Unie of
in een van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, en die niet zijn
uitgevoerd, of ten aanzien waarvan, bij het in het vrije verkeer
brengen, de vereiste douaneformaliteiten zijn vervuld, en
c. ten aanzien waarvan het beheer met het oog op een blijvende
luchtwaardigheid, door de aanvrager, dan wel door diens
vertegenwoordiger vanuit een vestiging in Nederland wordt gevoerd.
2. De aanvrager, die krachtens geldige titel een luchtvaartuig
onder zich heeft, is:
a. een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van
een van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte,
b. een ingezetene van een lidstaat van de Europese Unie of van
een van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte, niet zijnde een onderdaan van een
lidstaat van de Europese Unie of van een van de Staten die partij
zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte, of
c. een rechtspersoon die in overeenstemming met de wetgeving
van een lidstaat van de Europese Unie of van een van de Staten die
partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte is opgericht en waarvan de statutaire zetel of
feitelijke zetel, zich bevindt in een lidstaat van de Europese
Unie of van een van de Staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte dan wel in de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3. Onze minister van Financiën kan ontheffing verlenen van de in
het eerste lid, onder b, bedoelde douaneformaliteiten. Aan de
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij het niet naleven
van een aan de ontheffing verbonden voorschrift kan Onze minister van
Financiën de ontheffing intrekken.
4. Indien de aanvrager geen woonplaats heeft in Nederland dan wel,
indien het om een rechtspersoon gaat, de statutaire zetel,
hoofdbestuur of hoofdvestiging niet in Nederland is gevestigd, dient
het beheer, bedoeld in het eerste lid, onder c, te worden uitgevoerd
door een vertegenwoordiger van de aanvrager met woonplaats in
Nederland, dan wel, door een nevenvestiging van de rechtspersoon in
Nederland.
5. Indien de aanvrager het in het eerste lid, onder c, bedoelde
beheer heeft uitbesteed, rusten de verplichtingen terzake van de
blijvende luchtwaardigheid op de in het vierde lid bedoelde
vertegenwoordiger dan wel op de nevenvestiging als rechtspersoon.
6. De aanvrager is gehouden aan de uitbesteding, bedoeld in het
vijfde lid, het op schrift gestelde voorschrift te verbinden dat hij
te allen tijde opdrachten kan verstrekken in verband met de naleving
van de hem krachtens dit besluit terzake van de blijvende
luchtwaardigheid opgedragen verplichtingen.
7. Indien de aanvrager, bedoeld in het tweede lid, niet tevens de
eigenaar is van het luchtvaartuig, schrijft Onze minister het
luchtvaartuig in het register voor burgerluchtvaartuigen in, tenzij de
eigenaar afkomstig is uit een land waarmee Nederland de diplomatieke
banden heeft verbroken.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de procedure van aanvraag tot afgifte, wijziging en doorhaling
van een inschrijving in het register voor burgerluchtvaartuigen,
alsmede de gegevens die bij deze procedure worden verstrekt,
b. de vernieuwing van het inschrijvingsbewijs.
Hoofdstuk 3. Aanvullende type-certificaten
Artikel 5
Onze minister kan op aanvraag een aanvullend type-certificaat afgeven
voor een wijziging van een niet-militair staatsluchtvaartuig of een
luchtvaartuig als bedoeld in onderdeel a, b en d van bijlage II bij
verordening (EG) nr. 216/2008.
Artikel 6
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld betreffende:
a. de aanvraag, de aanvrager en de afgifte van een aanvullend
type-certificaat en van de wijziging daarvan,
b. de wijze waarop de aanvrager aantoont dat hij aan alle op hem
van toepassing zijnde eisen voldoet, en
c. de overdracht alsmede de procedure van aanvraag om afgifte,
wijziging, schorsing en intrekking van een aanvullend
type-certificaat.
Hoofdstuk 4. Bewijzen van luchtwaardigheid
Artikel 7
1. Onze minister kan op aanvraag de volgende bewijzen van
luchtwaardigheid afgeven:
a. een ICAO-standaard-BvL,
b. een EASA-standaard-BvL,
c. een EASA-beperkt-BvL,
d. een speciaal-BvL,
e. een export-BvL, of
f. een vliegvergunning.
2. Onze minister kan op aanvraag een ARC behorende bij de bewijzen,
bedoeld in het eerste lid onder b en c afgeven.
3. Een bewijs als bedoeld in het eerste lid, onder a, en de
bewijzen, bedoeld in het eerste lid onder b en c, tezamen met een
geldig ARC, zijn geldig voor het internationaal uitvoeren van
vluchten.
4. Een bewijs als bedoeld in het eerste lid, onder d, is slechts
geldig voor het uitvoeren van vluchten binnen het
vluchtinformatiegebied Amsterdam dan wel de delen van het
vluchtinformatiegebied Curaçao en het vluchtinformatiegebied San Juan
die zich boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba bevinden dan wel die delen waarvoor Onze Minister de
verantwoordelijkheid voor het verzorgen van luchtverkeersdiensten
heeft aanvaard.
5. Een bewijs als bedoeld in het eerste lid, onder e, houdt, in
combinatie met een bewijs als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of
c, een toestemming in tot het uitvoeren van vluchten.
6. Een bewijs als bedoeld in het eerste lid, onder f, is slechts
geldig voor vluchten binnen het luchtruim van de bij de EASA
aangesloten landen.
7. De voorschriften of beperkingen verbonden aan een bewijs van
luchtwaardigheid als bedoeld in het eerste lid worden neergelegd op
dat bewijs van luchtwaardigheid of in een bijlage bij dat bewijs van
luchtwaardigheid.
Artikel 8
1. Onze minister geeft op aanvraag van de houder van een
niet-militair staatsluchtvaartuig, danwel een luchtvaartuig als
bedoeld in onderdeel b van bijlage II bij verordening (EG) nr.
216/2008, of zijn vertegenwoordiger, een ICAO-standaard-BvL af indien
het luchtvaartuig naar zijn oordeel voldoet aan een ontwerp dat is
goedgekeurd door middel van:
a. een door EASA uitgegeven type-certificaat,
b. door Onze minister of de EASA uitgegeven aanvullende
type-certificaten,
c. door Onze minister of de EASA uitgegeven
luchtwaardigheidsaanwijzingen, en
d. door Onze minister of de EASA goedgekeurde wijzigingen en
reparaties,
en veilig gebruikt kan worden.
2. Onze minister geeft op aanvraag van de houder van een
luchtvaartuig als bedoeld in de onderdelen a en d van bijlage II bij
verordening (EG) nr. 216/2008, of zijn vertegenwoordiger, een
ICAO-standaard-BvL af indien:
a. het luchtvaartuig naar zijn oordeel voldoet aan een ontwerp
dat is goedgekeurd conform ICAO Annex 8 door middel van een civiel
goedgekeurd type-ontwerp van de staat van ontwerp,
b. de staat van ontwerp bevestigt verplichte instructies
betreffende de blijvende luchtwaardigheidsaanwijzingen conform
ICAO Annex 8 uit te geven, en
c. het luchtvaartuig veilig gebruikt kan worden.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent
het eerste en tweede lid.
Artikel 9
Onze minister geeft op aanvraag van de houder van een luchtvaartuig
een speciaal-BvL af indien het luchtvaartuig in staat is om op veilige
wijze vluchten uit te voeren en voldoet aan bij ministeriële regeling
daartoe te stellen eisen.
Artikel 10
1. Onze minister geeft op aanvraag van de houder van een nieuw
luchtvaartuig een export-BvL af, indien:
a. Onze minister met de staat van invoer een overeenkomst heeft
gesloten aangaande de erkenning van een export-BvL,
b. het luchtvaartuig voldoet aan een type-ontwerp dat
acceptabel is voor de bevoegde autoriteit van de staat van invoer,
c. het luchtvaartuig is geproduceerd door een houder van een
POA, dan wel door degene die een akkoordverklaring als bedoeld in
Part 21, section A, subpart F, heeft verkregen,
d. het luchtvaartuig voldoet aan de aanvullende eisen voor
invoer die de bevoegde autoriteit van de staat van invoer stelt,
e. de bij ministeriële regeling vereiste documentatie is
overgelegd,
f. het luchtvaartuig is geïdentificeerd overeenkomstig Part
21, section A, subpart Q, en
g. het luchtvaartuig zich op een zodanige plaats bevindt, dat
Onze minister kan vaststellen dat aan de onder b tot en met f,
gestelde eisen is voldaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gebruikte
luchtvaartuigen, met uitzondering van onderdeel c, en met dien
verstande dat de houder beschikt over een ICAO-standaard-BvL, een
EASA-standaard-BvL of een EASA-beperkt-BvL, dan wel het luchtvaartuig
in aanmerking komt voor een van deze bewijzen.
3. Aan de eisen in het eerste lid, onder b tot en met e en het
tweede lid, behoeft niet te worden voldaan, indien de bevoegde
autoriteit van de staat van invoer daarmee instemt.
4. In het geval beschreven in het derde lid, worden afwijkingen van
het product ten opzichte van het type-certificaat op het exportbewijs
als uitzonderingen opgenomen.
5. De houder van een export-BvL is verplicht:
a. aan de autoriteit van de staat van invoer alle informatie te
verschaffen ten behoeve van het goed functioneren van het
luchtvaartuig, alsmede de assemblagegegevens, indien een
luchtvaartuig niet geassembleerd wordt ingevoerd,
b. het niet geassembleerde luchtvaartuig goed te verpakken
tijdens vervoer of opslag, en
c. tijdelijke installaties aan het luchtvaartuig ten behoeve
van het vervoer na aankomst in de staat van invoer te verwijderen.
Artikel 11
1. Een ICAO-standaard-BvL wordt afgegeven of verlengd voor een
periode van ten hoogste 1 jaar.
2. Een speciaal-BvL wordt afgegeven of verlengd voor een periode
van ten hoogste 1 jaar.
3. Een export-BvL wordt eenmalig afgegeven.
Artikel 12
1. De houder van een luchtvaartuig voorzien van een
ICAO-standaard-BvL laat dat luchtvaartuig onderhouden conform
verordening (EG) nr. 2042/2003, Part M, door de houder van een
erkenning inzake onderhoud als bedoeld in artikel 17, onder f, dan wel
door de houder van een bewijs van bevoegdheid inzake onderhoud
ingevolge artikel 3.30 van de wet.
2. De houder van een luchtvaartuig voorzien van een
EASA-standaard-BvL, een EASA-beperkt-BvL of een vliegvergunning laat
dat luchtvaartuig onderhouden conform verordening (EG) nr. 2042/2003,
Part M.
3. Onderhoud van luchtvaartuigen met een speciaal-BvL geschiedt
overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 13
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag van een bewijs van luchtwaardigheid en een ARC,
b. de wijziging, overdracht, verlenging en vernieuwing van een
bewijs van luchtwaardigheid en een ARC,
c. de procedure van aanvraag, afgifte, wijziging, schorsing en
intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid en een ARC, en
d. de wijze waarop de houder van een luchtvaartuig kan aantonen
dat het noodzakelijke onderhoud heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 5. Geluidscertificaten, geluidsverklaringen en aanvullende
geluidsverklaringen
Artikel 14
1. Onze minister kan op aanvraag aan de houder van een
luchtvaartuig een geluidscertificaat afgeven.
2. Onze minister vermeldt op een geluidscertificaat de gegevens die
zijn vastgelegd ten behoeve van de afgifte van een type-certificaat en
de eventueel van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde gegevens niet beschikbaar
zijn, kan Onze minister op een geluidscertificaat vermelden:
a. de gegevens die zijn vastgelegd bij een goedgekeurd
type-ontwerp,
b. de gegevens van een door Onze minister met betrekking tot
het desbetreffende luchtvaartuig geaccepteerd meetrapport,
c. de gegevens op basis van een door Onze minister
geaccepteerde conservatieve schatting van de geluidsproductie,
d. de limietwaarden van de geluidsproductie.
Artikel 15
1. Op aanvraag van de houder van een luchtvaartuig waarvoor geen
geluidseisen gelden kan Onze minister voor het geluid relevante
gegevens op een geluidsverklaring vermelden. Hiertoe legt de aanvrager
met betrekking tot dat luchtvaartuig geluidsniveaus vast aan de hand
van een naar het oordeel van Onze minister adequate en betrouwbare
meetmethode. De aanvrager verstrekt de gegevens over de geluidsniveaus
aan Onze minister.
2. Onze minister kan op aanvraag van de houder van een
luchtvaartuig waarvoor geluidseisen gelden de voor het geluid
relevante gegevens op een aanvullende geluidsverklaring vermelden.
Hiertoe worden met betrekking tot dat luchtvaartuig geluidsniveaus
vastgelegd en overgelegd aan de hand van een naar het oordeel van Onze
minister adequate en betrouwbare meetmethode.
Artikel 16
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:
a. de procedure van aanvraag van een (voorlopig)
geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of een
(voorlopige) aanvullende geluidsverklaring,
b. de procedure van wijziging, overdracht, schorsing, intrekking,
verlenging en vernieuwing van een (voorlopig) geluidscertificaat,
een (voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende
geluidsverklaring.
Hoofdstuk 6. Erkenningen
Artikel 17
1. Onze minister kan de volgende erkenningen verlenen:
a. een POA,
b. een MOA,
c. een MOA-F,
d. een MTOA,
e. een CAMO-erkenning, of
f. een erkenning voor werkzaamheden die verband houden met de
luchtwaardigheid en de geluidsproductie van producten of
onderdelen, met uitzondering van werkzaamheden die reeds onder een
van de erkenningen in de onderdelen a tot en met e vallen.
2. Onze minister kan in bijzondere gevallen waarin naar zijn
oordeel een POA niet toepasselijk is, een akkoordverklaring afgeven.
Artikel 18
1. Onze minister verleent op aanvraag een erkenning als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, onder f, indien:
a. de aanvrager beschikt over een organisatie met inbegrip van
een kwaliteitssysteem dat waarborgt dat de resultaten van de
werkzaamheden aan de van toepassing zijnde eisen voldoen en niet
tot een onveilige situatie kunnen leiden, en
b. de aanvrager een handboek heeft waarin de organisatie wordt
omschreven.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent
het eerste lid.
3. Een erkenning als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder f,
geldt voor de in de erkenning genoemde werkzaamheden, producten dan
wel categorieën onderdelen, waarvoor de houder de in artikel 19,
eerste lid, bedoelde bevoegdheden heeft.
4. Een erkenning als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder f,
wordt verleend voor ten hoogste 2 jaar.
Artikel 19
1. De houder van een erkenning als bedoeld inartikel 17, eerste
lid, onder f, is bevoegd tot:
a. de werkzaamheden die zijn opgenomen in de erkenning, en
b. de afgifte van een certificaat ten aanzien van de
werkzaamheden als bedoeld onder a.
2. De houder van een erkenning als bedoeld in artikel 17, eerste
lid, onder f, is verplicht:
a. het in artikel 18, eerste lid, onder b, bedoelde handboek te
gebruiken en actueel te houden,
b. voorafgaande aan de afgifte van een certificaat bedoeld in
het eerste lid, onder b, vast te stellen dat de resultaten van de
werkzaamheden voldoen aan de van toepassing zijnde eisen, de
werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd en de resultaten niet
tot onveilige situaties kunnen leiden,
c. gegevens die nodig zijn als bewijs dat aan alle vereisten is
voldaan voor de afgifte van een erkenning als bedoeld inartikel
17, eerste lid, onder f, te bewaren volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels en op een bij die regeling vastgestelde
wijze aan Onze minister ter beschikking te stellen,
d. in het geval van een ontwerperkenning de ontwerpen indien
nodig aan te passen aan de van toepassing zijnde luchtwaardigheids-
en milieueisen,
e. in het geval van een ontwerperkenning alle proefprogramma's
of proeven in het kader van toezicht tijdig aan Onze minister ter
beschikking te stellen,
f. in het geval van een onderhoudserkenning een zodanige staat
van een product of onderdeel, die het luchtvaartuig ernstig in
gevaar kan brengen, te melden aan de houder van het
type-certificaat, dan wel aan de houder van het goedgekeurde
ontwerp, de houder van het luchtvaartuig en Onze minister,
g. te voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen
ten aanzien van veranderingen die de houder van de erkenning
betreffen.
Artikel 20
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de aanvraag, de wijziging en de verlenging van een erkenning
of een akkoordverklaring,
b. de procedure van aanvraag, verlenging, wijziging, schorsing of
intrekking van een erkenning of een akkoordverklaring,
c. de aanvraag van een bekrachtiging van een verklaring van
conformiteit,
d. de procedure van aanvraag van een bekrachtiging van een
verklaring van conformiteit,
e. de wijze waarop de aanvrager aantoont dat hij aan de gestelde
eisen voldoet,
f. het model en de uitvoering van een certificaat als bedoeld in
artikel 19, eerste lid, onder b, en
g. de melding aan Onze minister als bedoeld in artikel 19, tweede
lid, onder f.
Artikel 21
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot startinrichtingen voor luchtvaartuigen zonder
voortstuwingsinrichtingen.
Hoofdstuk 7. Vergoedingen
Artikel 22
1. Een vergoeding is verschuldigd voor:
a. de afgifte en vernieuwing van een bewijs van inschrijving,
b. de behandeling van de aanvraag om wijziging dan wel
doorhaling van de inschrijving,
c. de behandeling van de aanvraag om afgifte, wijziging of
overdracht van een aanvullend type-certificaat, een
ontwerpgoedkeuring van een onderdeel, een bewijs van
luchtwaardigheid of een ARC, dan wel de vernieuwing of verlenging
van een bewijs van luchtwaardigheid of een ARC of de aanvraag voor
een vliegvergunning en een ontheffing,
d. de behandeling van de aanvraag om afgifte, wijziging of
vernieuwing van een geluidscertificaat, een geluidsverklaring of
een aanvullende geluidsverklaring,
e. de behandeling van de aanvraag om afgifte, verlenging,
vernieuwing of wijziging van een erkenning.
2. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoedingen,
bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.
3. Bij ministeriële regeling wordt de wijze van betaling van de
verschuldigde vergoeding vastgesteld.
Artikel 23
1. De beslissing op een aanvraag voor de toepassing van de
handelingen in artikel 22, eerste lid, met uitzondering van een
aanvraag die betrekking heeft op een aanvullend type-certicaat en een
ontwerpgoedkeuring, wordt slechts genomen nadat is gebleken dat de
verschuldigde vergoeding is betaald.
2. De beslissing op een aanvraag voor de toepassing van de
handelingen in artikel 22, eerste lid, onder c, voor zover die
betrekking heeft op aanvullende type-certificaten en een
ontwerpgoedkeuring, wordt slechts genomen nadat is gebleken dat alle
voorafgaande facturen ten aanzien van de gevraagde handeling,
verstuurd tot 30 dagen voorafgaande aan de datum van de beslissing,
zijn voldaan.
3. Wanneer na de betaling van de verschuldigde vergoeding degene,
die een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, heeft ingediend,
verzoekt die aanvraag als niet ingediend te beschouwen, kan hem op
zijn verzoek een, nader door Onze minister in elk geval afzonderlijk
te bepalen, bedrag worden terugbetaald.
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 25
Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de hierna genoemde
regelingen op de daarbij vermelde artikelen van dit besluit :
a. de regeling van de staatssecretaris van Financiën van 22
december 1989 houdende douaneformaliteiten voor luchtvaartuigen (Stcrt.
250) berust op artikel 3, derde lid;
b. de Regeling inschrijving Nederlandse burgerluchtvaartuigen
berust op artikel 4;
c. de Regeling type-certificatie luchtwaardigheid berust op
artikel 6;
d. de Regeling standaard-BvL berust op de artikelen 8, derde lid,
en 13, onderdeel a, b en c;
e. de Regeling amateurbouwluchtvaartuigen en de Regeling MLA’s
berusten op de artikelen 2, vierde lid, en 13, onderdeel a, b en c;
f. de Regeling onderhoud luchtvaartuigen berust op de artikelen
12, tweede lid en 13, onderdeel d;
g. de Regeling verlenging bewijzen van luchtwaardigheid berust op
artikel 13, onderdeel b;
h. de Regeling geluidscertificaten en geluidsverklaringen
luchtvaart berust op artikel 16;
i. de Regeling erkenningen luchtwaardigheid berust op de
artikelen 19, tweede lid, onderdeel c en g, en 20;
j. de Regeling voorzieningen sleepvliegen, de regeling van de
minister van Verkeer en Waterstaat van 5 september 1990, houdende
technische voorschriften voor lieren, sleepauto's en sleepkabels (Stcrt.
179) en de Regeling onderhoud lieren 2001 berusten op artikel 21;
k. de Instructie doelvliegtuig berust op artikel 2, zesde lid,
onderdeel b.
Artikel 26
Het Besluit luchtvaartuigen wordt ingetrokken.
Artikel 27
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van
het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 28
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit luchtvaartuigen 2008.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 14 mei 2008
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings
Uitgegeven de derde juni 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|