| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet luchtvaart (Wlv)
BESLUIT
BURGERLUCHTHAVENS
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 30 september 2009, houdende regels voor burgerluchthavens
(Besluit burgerluchthavens)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 9 februari 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/120 sector
LUV, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op:
- bijlage 14 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;
- de artikelen 8.1a, derde lid, 8.41, tweede lid, 8.44, derde
lid, 8.47, derde lid, 8.54, derde lid, 8.64, vijfde lid, 8a.38,
vierde lid, 8a.42, tweede lid, 8a.50, eerste lid, en 8a.51
van de Wet luchtvaart;
- artikel 76, eerste lid, onderdeel a, van de Luchtvaartwet;
- artikel 23, onderdeel a, van de Wet informatie-uitwisseling
ondergrondse netten;
De Raad van State gehoord (advies van 19 maart
2009, nr. W09.09.0030/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 24 september 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1009
sector LUV, Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
bedrijfswoning: woning in of bij een gebouw of op of bij een
terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens
huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of
terrein, noodzakelijk is;
beperkt kwetsbaar gebouw: gebouw met een kantoor-, cel-,
industrie-, sport- of logiesfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van
het Bouwbesluit 2003;
gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet;
geluidsgevoelig gebouw: gebouw met een onderwijs- of
gezondheidszorgfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het
Bouwbesluit 2003;
handhavingspunt: locatie waar de geluidbelasting van het
luchthavenluchtverkeer niet hoger mag zijn dan de in het
luchthavenbesluit of de luchthavenregeling vastgestelde waarde;
instrumentbaan categorie I, II, of III: landingsbaan van het
type zoals omschreven in de onderdelen b, c en d van de definitie
van het begrip Instrument runway in bijlage 14 bij het Verdrag
inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 2009, 48);
kwetsbaar gebouw: gebouw met een onderwijs- of
gezondheidszorgfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het
Bouwbesluit 2003;
Lden: geluidbelasting van luchtvaartuigen uitgedrukt in Lden
dB(A) en berekend op de wijze, bedoeld in artikel 3, vierde lid,
aanhef en onder a;
micro light aeroplane: MLA als bedoeld in het Besluit
luchtvaartuigen 2008;
obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich
niet voortbeweegt;
overig gebouw: gebouw niet zijnde een woning, een beperkt
kwetsbaar gebouw of een kwetsbaar gebouw;
valscherm: scherm dat dient om de daalsnelheid van een persoon
zodanig te beperken dat hij veilig de begane grond kan bereiken;
watervliegtuig: een luchtvaartuig dat zich te water als schip
kan verplaatsen;
wet: Wet luchtvaart;
woning: gebouw dat geheel of gedeeltelijk voor bewoning is
bestemd.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
woning tevens verstaan woonboot of woonwagen.
3. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
helikopter, luchtschip, vliegtuig, vrije ballon en zweeftoestel
verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het
Luchtverkeersreglement.
Hoofdstuk 2. Burgerluchthavens van regionale betekenis en
burgerluchthavens van nationale betekenis
Artikel 2
Dit hoofdstuk is van toepassing op overige burgerluchthavens als
bedoeld in artikel 8.1 van de wet.
Artikel 3
1. Het beperkingengebied met betrekking tot het
externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer wordt
uitgedrukt in plaatsgebonden risicocontouren. De grenswaarde met
betrekking tot het externe-veiligheidsrisico wordt uitgedrukt in een
totaal risicogewicht.
2. De Lden wordt gebruikt voor het berekenen van de
geluidbelasting.
3. Bij het berekenen van de geluidbelasting van het
luchthavenluchtverkeer wordt onderscheid gemaakt tussen luchthavens
met en zonder naderingsluchtverkeersleiding.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:
a. het berekenen van Lden-grenswaarden, van de geluidbelasting
in handhavingspunten en van het totaal risicogewicht;
b. het berekenen en bepalen van de Lden-contouren en de
contouren voor het plaatsgebonden risico;
c. het registreren van de milieubelasting waarvoor grenswaarden
en regels in het luchthavenbesluit of de luchthavenregeling zijn
opgenomen en omtrent de gegevensverstrekking bedoeld in artikel
8.54, vierde lid, van de wet.
Artikel 4
De in een luchthavenbesluit of luchthavenregeling opgenomen
grenswaarden worden berekend over een in het besluit of de regeling
aangeduide periode van twaalf aaneengesloten kalendermaanden.
Artikel 5
1. Vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist indien een
contour van het plaatsgebonden risico van 10-6 of een geluidcontour
van 56 dB(A) Lden buiten het luchthavengebied valt.
2. Vaststelling van een luchthavenregeling volstaat in ieder geval
bij:
a. een luchthaven met uitsluitend opstijgingen met ballonnen
bestemd en ingericht voor het vervoer van bemande vluchten;
b. een luchthaven die uitsluitend wordt gebruikt door
zweeftoestellen;
c. een luchthaven die uitsluitend wordt gebruikt door micro
light aeroplanes;
d. een luchthaven met uitsluitend een combinatie van het onder
a, b of c bedoelde luchthavenluchtverkeer.
3. Dit artikel is niet van toepassing op burgerluchthavens van
nationale betekenis die buiten de provinciegrenzen zijn gelegen als
bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, onderdeel a, van de wet.
Hoofdstuk 3. Burgerluchthavens van regionale betekenis
Titel 1. Reikwijdte
Artikel 6
Dit hoofdstuk is van toepassing op burgerluchthavens van regionale
betekenis als bedoeld in artikel 8.1 van de wet.
Titel 2. Gebruik luchthaven van regionale betekenis bij
bovenprovinciaal belang
Artikel 7
1. Indien bovenprovinciale belangen vorderen dat gebruik van een
luchthaven essentieel is voor vluchten van algemeen maatschappelijk
belang, regeringsvluchten, operationeel noodzakelijke militaire
vluchten of vluchten in bondgenootschappelijk verband en dit gebruik
op grond van het luchthavenbesluit of de luchthavenregeling voor die
luchthaven niet mogelijk is, kan bij regeling van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat worden bepaald welke van deze soorten vluchten
tot die luchthaven toegang hebben en op welke periode van het etmaal.
Indien het hierbij militaire vluchten betreft wordt de regeling in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie vastgesteld.
2. Bij de ministeriële regeling kan worden bepaald welke
grenswaarden voor de geluidbelasting voor dit luchthavenluchtverkeer
ter beschikking moeten worden gesteld.
3. Alvorens de ministeriële regeling wordt vastgesteld, worden
gedeputeerde staten, de exploitant en de gebruikers van de luchthaven
en de luchtverkeersdienstverlener in de gelegenheid gesteld binnen zes
weken hun zienswijze op een ontwerp van de regeling bij Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat naar voren te brengen.
Titel 3. Luchthavenbesluit voor een luchthaven van regionale
betekenis
Afdeling 3.1. Grenswaarden voor de geluidbelasting
Artikel 8
Het luchthavenbesluit bevat voor het luchthavenluchtverkeer in ieder
geval:
a. één handhavingspunt met een grenswaarde voor de
geluidbelasting aan beide zijden in het verlengde van de middellijn
van de start- en landingsbaan op 100 meter van het einde van de
baan, en
b. één handhavingspunt met een grenswaarde voor de
geluidbelasting op elke locatie waar woonbebouwing met een
aaneengesloten karakter gelegen is op of in de nabijheid van een
geluidcontour van 56 dB(A) Lden.
Afdeling 3.2. Regels omtrent de ruimtelijke indeling
§ 3.2.1. Algemeen
Artikel 9
Het luchthavenbesluit bevat in ieder geval:
a. contouren ter aanduiding van het 10-5- en 10-6-plaatsgebonden
risico;
b. een geluidcontour van 48 dB(A) Lden;
c. een geluidcontour van 56 dB(A) Lden;
d. een geluidcontour van 70 dB(A) Lden;
e. contouren ter aanduiding van de veiligheidsgebieden;
f. een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de
vliegveiligheid;
g. indien op de luchthaven of binnen een gebied van 6 kilometer
rondom het luchthavengebied apparatuur voor
luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding aanwezig is:
contouren ter aanduiding van de gebieden met hoogtebeperkingen in
verband met de goede werking van deze apparatuur;
h. indien op de luchthaven een instrumentbaan categorie I, II, of
III aanwezig is: een gebied van 6 kilometer rondom het
luchthavengebied met beperkingen ten aanzien van vogelaantrekkende
bestemmingen en grondgebruik;
i. indien de luchthaven ook buiten de daglichtperiode is geopend:
een laserstraalvrij gebied.
§ 3.2.2. Externe veiligheid
Artikel 10
1. In het gebied dat gelegen is op en binnen een
10-5-plaatsgebonden risicocontour:
a. worden woningen, niet zijnde bedrijfswoningen, en kwetsbare
gebouwen aan hun bestemming onttrokken;
b. is nieuwbouw van een gebouw niet toegestaan.
2. Beëindiging van bestaand gebruik van een woning gelegen in het
gebied, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden gevergd.
3. Van bestaand gebruik als bedoeld in het tweede lid is sprake
indien op de dag voor inwerkingtreding van het luchthavenbesluit:
a. een woning rechtmatig aanwezig was en voor bewoning werd
gebruikt, of
b. een bouwvergunning is verleend voor een woning op de
desbetreffende plaats, mits binnen zes maanden na die datum een
begin met de werkzaamheden is gemaakt.
4. Ten aanzien van degene die op de datum van inwerkingtreding van
het luchthavenbesluit rechtmatige gebruiker is van een woning bedoeld
in het eerste lid, kan indien sprake is van bestaand gebruik,
beëindiging van dit gebruik niet worden gevergd.
5. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b:
a. is vervangende nieuwbouw van bedrijfswoningen toegestaan;
b. kan een verklaring van geen bezwaar slechts worden afgegeven
voor vervangende nieuwbouw van een beperkt kwetsbaar gebouw en
voor nieuwbouw van een overig gebouw.
Artikel 11
1. In het gebied dat gelegen is op een 10-6-plaatsgebonden
risicocontour en tussen deze contour en de daarbinnen liggende
10-5-plaatsgebonden risicocontour is nieuwbouw van een gebouw, niet
zijnde een bedrijfswoning, niet toegestaan.
2. In afwijking van het eerste lid kan voor nieuwbouw van een
gebouw een verklaring van geen bezwaar worden afgegeven.
3. Ten aanzien van een woning en een kwetsbaar gebouw wordt de
verklaring, bedoeld in het tweede lid, slechts afgegeven:
a. bij nieuwbouw op een open plek in de bestaande bebouwing,
b. bij verandering van de bestemming van een gebouw, of
c. bij verplaatsing van een woning of een kwetsbaar gebouw naar
een minder risicodragende locatie binnen het gebied.
4. Het derde lid, aanhef en onder c, wordt niet eerder toegepast
dan nadat de oude woning of het oude kwetsbare gebouw aan de
bestemming is onttrokken.
§ 3.2.3. Geluidbelasting
Artikel 12
1. In het gebied dat gelegen is op of binnen de contour van 70
dB(A) Lden worden woningen, niet zijnde bedrijfswoningen, en
geluidsgevoelige gebouwen aan hun bestemming onttrokken. Artikel 10,
tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. In het gebied dat gelegen is op of binnen de contour van 56
dB(A) Lden is nieuwbouw van een woning en een geluidsgevoelig gebouw
niet toegestaan.
3. In afwijking van het tweede lid:
a. is nieuwbouw van een bedrijfswoning toegestaan, en
b. kan een verklaring van geen bezwaar slechts worden afgegeven
voor een woning of een geluidsgevoelig gebouw, gelegen op de
contour van 56 dB(A) Lden of in het gebied tussen de contour van
56 dB(A) Lden en de contour van 70 dB(A) Lden die:
1°. een open plek in de bestaande bebouwing opvult,
2°. zal dienen ter vervanging van op die plaats reeds
aanwezige bebouwing, of
3°. binnen het desbetreffende gebied wordt verplaatst naar
een locatie waar de geluidbelasting ten gevolge van het
luchthavenluchtverkeer minder is.
4. Het derde lid, onderdeel b, aanhef en onder 3°, wordt niet
eerder toegepast dan nadat de oude woning of het oude geluidsgevoelige
gebouw aan de bestemming is onttrokken.
§ 3.2.4. Vliegveiligheid
Artikel 13
1. In het veiligheidsgebied is een obstakel niet toegestaan, tenzij
dit breekbaar en licht van constructie is en gelden eisen ten aanzien
van de vlakheid van het terrein.
2. Het eerste lid geldt niet indien:
a. het obstakel of de helling is opgericht, geplaatst of
aangelegd overeenkomstig een bouwvergunning of een
aanlegvergunning, of
b. voor het obstakel of de helling vóór de inwerkingtreding
van het luchthavenbesluit een bouwvergunning of aanlegvergunning
is verleend.
3. In het gebied, bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder
of in afwijking van een aanlegvergunning een werk, geen bouwwerk
zijnde, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze
werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid
van het terrein.
4. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze de
omvang van het gebied wordt vastgesteld en worden nadere regels
gesteld over de constructie van obstakels en de vlakheid van het
terrein.
Artikel 14
1. In het gebied met hoogtebeperkingen in verband met de
vliegveiligheid is geen object toegestaan dat hoger is dan de bij
ministeriële regeling vastgestelde waarden.
2. Artikel 13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze het
gebied wordt vastgesteld.
Artikel 15
1. In het gebied met hoogtebeperkingen in verband met de goede
werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie
of -begeleiding is geen object toegestaan dat hoger is dan de bij
ministeriële regeling vastgestelde waarden.
2. Artikel 13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze het
gebied wordt vastgesteld.
Artikel 16
1. In het gebied in de omtrek van 6 kilometer rond het
luchthavengebied van een luchthaven met een instrumentbaan categorie
I, II, of III is een grondgebruik of een bestemming binnen de volgende
categorieën niet toegestaan:
a. industrie in de voedingsopslag met extramurale opslag of
overslag;
b. viskwekerij met extramurale opslag;
c. opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag
of verwerking;
d. natuurgebied of vogelgebied;
e. moerasgebied of oppervlaktewater of een combinatie daarvan
groter dan 3 hectare dan wel waarvan het totaal van de
opgesplitste delen groter is dan 3 hectare.
2. Het eerste lid geldt niet voor zover het gebruik of de
bestemming rechtmatig was op de dag vóór inwerkingtreding van het
luchthavenbesluit.
Artikel 17
1. In het laserstraalvrije gebied is het gebruik van een
laserstraal die de vliegveiligheid kan verstoren niet toegestaan.
2. Artikel 16, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze het
gebied wordt vastgesteld.
§ 3.2.5. Overige bepalingen
Artikel 18
Provinciale staten berekenen elke vijf jaar na vaststelling van een
luchthavenbesluit de contouren voor het 10-5- en 10-6-plaatsgebonden
risico op basis van het feitelijke gebruik in het voorafgaande
gebruiksjaar, en maken deze berekening openbaar.
Artikel 19
Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit wordt een afweging
gemaakt over de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied gelegen tussen
de geluidcontour van 56 dB(A) Lden en de geluidcontour van 48 dB(A) Lden
in relatie tot het gebruik van de luchthaven.
Hoofdstuk 4. Aanwijzing luchtvaartuigen die mogen opstijgen of landen
van een terrein niet zijnde een luchthaven
Artikel 20
Als luchtvaartuig als bedoeld in artikel 8a.50, eerste lid, van de
wet worden aangewezen:
a. modelvliegtuigen waarvan de totale massa ten hoogste 25
kilogram bedraagt;
b. ballonnen die op zeeniveau in de internationale
standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten
hoogste 2 meter of een inhoud van ten hoogste 4 kubieke meter
hebben, alsmede aan elkaar gekoppelde ballonnen waarvan de
gezamenlijke diameter en inhoud deze waarden niet te boven gaan;
c. toestellen zwaarder dan lucht en niet voorzien van een
voortstuwingsinrichting, die door middel van een ankerkabel of lijn
zijn verbonden met het aardoppervlak;
d. luchtschepen die op zeeniveau in de internationale
standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een grootste afmeting
hebben van ten hoogste 5 meter of een inhoud van ten hoogste 4
kubieke meter;
e. toestellen, zwaarder dan lucht in de vorm van een scherm met
harnas, die met een lijn of lijnen zijn bevestigd aan een voertuig
of vaartuig, waardoor ze in de lucht kunnen worden gehouden;
f. ballonnen die tijdens het in de lucht houden permanent zijn
bevestigd aan het aardoppervlak;
g. valschermen;
h. zweeftoestellen voor zover het betreft de landing daarvan;
i. vrije ballonnen bestemd en ingericht voor het vervoer van
bemande vluchten voor zover het betreft de landing daarvan;
j. helikopters die worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening
van politietaken als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993;
k. helikopters die worden gebruikt ten behoeve van het voorkomen,
beperken of bestrijden van brand;
l. helikopters die worden gebruikt door de SAR-dienst als bedoeld
in artikel 1 van de Regeling inzake de SAR-dienst 1994, ten behoeve
van de opsporing en redding van een mens of dier in
levensbedreigende omstandigheden;
m. helikopters die worden gebruikt door de houder van een
HEMS-vergunning krachtens artikel 16b van de Luchtvaartwet ten
behoeve van het verlenen van spoedeisende medische hulp;
n. helikopters die worden gebruikt ten behoeve van het treffen
van spoedeisende maatregelen om schade aan transportleidingen te
voorkomen, te beperken of te verhelpen.
Artikel 21
Als luchtvaartuig als bedoeld in artikel 8a.51 van de wet worden
aangewezen:
a. helikopters;
b. vrije ballonnen bestemd en ingericht voor bemande vluchten;
c. zweeftoestellen;
d. micro light aeroplanes;
e. onbemande luchtvaartuigen tot 150 kilogram;
f. vliegtuigen die deelnemen aan een luchtvaartvertoning;
g. watervliegtuigen;
h. landbouwluchtvaartuigen;
i. luchtschepen die op zeeniveau in de internationale
standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een afmeting hebben
van meer dan 5 meter of een inhoud van meer dan 4 kubieke meter.
Hoofdstuk 5. Geluidsheffing burgerluchtvaart
Artikel 22
De formules ter bepaling van de geluidsproductie met betrekking tot
de luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8a.38, vierde lid, van de
wet, en de formules met betrekking tot burgerluchthavens van nationale
betekenis met luchthavenbesluit, bedoeld in dat lid, in samenhang met
artikel 8a.42, tweede lid, van de wet, worden bepaald bij regeling van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Hoofdstuk 6. Overige besluiten
Artikel 23
[Wijzigt het Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten]
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 24
Het Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart wordt ingetrokken.
Artikel 25
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit burgerluchthavens.
Artikel 26
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 30 september 2009
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de twintigste oktober 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|