| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet luchtvaart (Wlv)
REGELING
VEILIG GEBRUIK LUCHTHAVENS EN ANDERE
TERREINEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 oktober
2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1166 sector LUV, houdende regels in verband met
de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van
luchthavens en andere terreinen met het oog op de orde en de veiligheid
op die luchthavens en terreinen (Regeling veilig gebruik luchthavens en
andere terreinen)
De Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op bijlage 14 bij het op 7 december 1944
te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale
burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), de artikelen 8a.1, 8a.3,
en 8a.51 van de Wet luchtvaart en artikel 51 van het
Mijnbouwbesluit;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
– baan: een al dan niet verhard gedeelte van de luchthaven,
uitsluitend bestemd voor het opstijgen of landen van
luchtvaartuigen;
– beweging: een start of een landing met een luchtvaartuig;
– CTR: CTR als bedoeld in artikel 1 van de Regeling
luchtverkeersdienstverlening;
– gemotoriseerd schermvliegtuig: schermvliegtuig als bedoeld
in artikel 1 van het Luchtverkeersreglement uitgerust met een
motor;
– gyroplane: helikopter als bedoeld in artikel 1 van het
Luchtverkeersreglement waarvan de rotorbladen niet door de motor
worden aangedreven;
– helikopter: helikopter als bedoeld in artikel 1 van het
Luchtverkeersreglement, niet zijnde een gyroplane;
– helikopterluchthaven: burgerluchthaven die uitsluitend
wordt gebruikt door helikopters;
– houder van een ontheffing: houder van een ontheffing als
bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart;
– landbouwluchtvaartuig: een voor het uitvoeren van
landbouwwerkzaamheden toegelaten luchtvaartuig;
– luchtvaartvertoning: luchtvaartvertoning als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, onderdeel h, van de Regeling
luchtvaartvertoningen;
– minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;
– mla: MLA als bedoeld in artikel 1 van het Besluit
luchtvaartuigen 2008;
– obstakel: een roerende of onroerende zaak, zowel tijdelijk
als permanent, of een deel daarvan, die een belemmering vormt voor
een luchtvaartuig, in een gebied bestemd voor bewegingen van een
luchtvaartuig op de grond dan wel uitsteekt boven een omschreven
vlak ter bescherming van een luchtvaartuig in zijn vlucht;
– onbemand luchtvaartuig tot 150 kilogram: onbemand
luchtvaartuig tot 150 kilogram, niet zijnde een modelluchtvaartuig
waarvan de totale massa ten hoogste 25 kilogram bedraagt;
– schermzweeftoestel: schermzweeftoestel als bedoeld in
artikel 1 van het Luchtverkeersreglement;
– strook: gedeelte van een luchthaven waarin een baan is
gelegen;
– terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik: terrein
als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart;
– TMG: Touring Motor Glider als bedoeld in artikel 1 van het
Luchtverkeersreglement;
– verdrag: het op 7 december 1944 te Chicago tot stand
gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb.
1973, 109);
– verhoogde helikopterluchthaven: een helikopterluchthaven op
een bouwwerk of constructie op het land van meer dan 3 meter
hoogte ten opzichte van het omgevingsvlak;
– vliegtuig: vliegtuig als bedoeld in artikel 1 van het
Luchtverkeersreglement;
– vrije ballon: vrije ballon als bedoeld in artikel 1 van het
Luchtverkeersreglement;
– waterluchthaven: burgerluchthaven, zijnde een watergebied,
ingericht voor het gebruik door watervliegtuigen;
– watervliegtuig: vliegtuig dat zich te water als schip kan
verplaatsen;
– zeemijl: de afstand van 1852 meter;
– zeilvliegtuig: zeilvliegtuig als bedoeld in artikel 1 van
het Luchtverkeersreglement;
– zweefvliegtuig: zweefvliegtuig als bedoeld in artikel 1 van
het Luchtverkeersreglement.
2. Indien de tekst van de in deze regeling genoemde bijlagen bij
het verdrag wijzigt, geldt deze wijziging vanaf het moment dat van
deze wijziging mededeling is gedaan in het Tractatenblad.
Hoofdstuk 2. Regels veilig gebruik burgerluchthavens met een
luchthavenbesluit en benoemde burgerluchthavens
Afdeling 1. Reikwijdte
Artikel 2
Dit hoofdstuk is van toepassing op:
a. burgerluchthavens die gebruikt worden door vliegtuigen en
waarvoor een luchthavenbesluit is vastgesteld;
b. helikopterluchthavens:
1°. waarvoor een luchthavenbesluit is vastgesteld;
2°. die verbonden zijn met een ziekenhuis;
3°. die verhoogd zijn aangelegd, of
4°. die verbonden zijn met een mijnbouwinstallatie als
bedoeld in artikel 51 van het Mijnbouwbesluit;
c. de volgende luchthavens die gebruikt worden door vliegtuigen:
Ameland, Budel, Drachten, Eelde, Hilversum, Hoogeveen, Lelystad,
Maastricht, Midden-Zeeland, Oostwold, Rotterdam, Seppe, Schiphol,
Teuge en Texel;
d. de volgende helikopterluchthavens: Amsterdam (Amsterdam
Heliport), Emmercompascuum (Heli Holland BV), Rotterdam Maasvlakte
(ten behoeve van het loodswezen), Zierikzee (Prince Helicopters) en
Heteren (Rosorum BV).
Afdeling 2. Certificering
Artikel 3
Deze afdeling is van toepassing op de luchthaven Schiphol en op
overige burgerluchthavens, met uitzondering van helikopterluchthavens,
waarvoor vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.
Artikel 4
De exploitant beschikt over een veiligheidsmanagementsysteem, dat ten
minste bevat:
a. veiligheidsbeleid;
b. organisatiestructuur;
c. taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van
sleutelfunctionarissen;
d. relevante bedrijfsprocessen;
e. risico-inventarisatie en de daaruit voortvloeiende
verbeteringen;
f. bedrijfsmiddelen;
g. opleiding en training;
h. melding van ongevallen en ernstige incidenten;
i. registratie, analyse en afhandeling van ongevallen en
incidenten, defecten en gebreken, afwijkingen en tekortkomingen en
interne en externe klachten met betrekking tot de veiligheid;
j. documenten- en registratiebeheer;
k. met anderen gemaakte afspraken inzake de veiligheid op en rond
de luchthaven;
l. een beschrijving van de wijze waarop de exploitant nagaat of
de door hem gestelde voorschriften met betrekking tot de orde en
veiligheid door de gebruikers van de luchthaven worden nageleefd en
van de maatregelen die hij zo nodig neemt;
m. in geval van een gecontroleerde luchthaven: een
samenwerkingsprotocol tussen de exploitant en de plaatselijke
luchtverkeersleidingsdienst met betrekking tot het
luchthaventerreinverkeer op het landingsterrein, uitgezonderd
luchtvaartuigen en met betrekking tot het verkeer van
luchtvaartuigen naar, van en op de platformen.
Artikel 5
1. De exploitant draagt er zorg voor dat het
luchthavenbedrijfshandboek een actuele beschrijving bevat van het
veiligheidsmanagementsysteem alsmede van de aanleg, de inrichting, de
uitrusting en het veilig gebruik van de luchthaven.
2. De exploitant draagt er zorg voor dat de Inspectie Verkeer en
Waterstaat en de op de luchthaven gevestigde bedrijven en
organisaties, die hun werkzaamheden op het luchtvaartgebied
uitoefenen, beschikken over de actuele versie van de voor hen
relevante onderdelen van het luchthavenbedrijfshandboek en stelt hen
onverwijld in kennis van wijzigingen daarvan.
Artikel 6
1. Als sleutelfunctionaris als bedoeld in artikel 4, onderdeel c,
wordt in ieder geval aangemerkt een door de exploitant te benoemen
havenmeester.
2. De havenmeester wordt door de exploitant belast met het
dagelijkse toezicht op de luchthaven en in het bijzonder met het
toezicht op de orde en veiligheid in het luchtvaartgebied.
3. De havenmeester verricht zijn taak onverminderd de
verantwoordelijkheid van de exploitant.
4. De functie van havenmeester mag verenigd worden met die van
directeur van de luchthaven.
Artikel 7
1. De exploitant controleert ten minste één maal per jaar of de
werking van het veiligheidsmanagementsysteem doeltreffend en doelmatig
is.
2. Bij luchthavens die beschikken over een baan die langer is dan
1200 meter en voorzieningen hebben voor landingen met behulp van
navigatie-instrumenten, beschikt de exploitant over een intern
auditprogramma op basis waarvan de jaarlijkse controle van het
veiligheidsmanagementsysteem wordt uitgevoerd.
3. Indien de resultaten van de controle, bedoeld in het eerste lid,
daartoe aanleiding geven wijzigt de exploitant het
veiligheidsmanagementsysteem.
Artikel 8
1. De exploitant zorgt voor de vastlegging van de gegevens die
noodzakelijk zijn voor de werking van het veiligheidsmanagementsysteem.
2. De exploitant heeft de meest recente uitgave van documenten
voorhanden op de daartoe bestemde plaatsen.
3. De exploitant registreert de uitgave van documenten alsmede de
wijziging van documenten.
Afdeling 3. Luchthavens die gebruikt worden door vliegtuigen
§ 1. Reikwijdte
Artikel 9
Deze afdeling is van toepassing op:
a. burgerluchthavens die gebruikt worden door vliegtuigen en
waarvoor een luchthavenbesluit is vastgesteld;
b. de volgende luchthavens: Ameland, Budel, Drachten, Eelde,
Hilversum, Hoogeveen, Lelystad, Maastricht, Midden-Zeeland, Oostwold,
Rotterdam, Seppe, Schiphol, Teuge en Texel.
§ 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven
Artikel 10
De exploitant draagt er zorg voor dat de aanleg, de inrichting, de
uitrusting en het gebruik van een luchthaven voldoen aan de
voorschriften en aanbevelingen van deel I (Aerodrome Design and
Operations) van bijlage 14 bij het verdrag, met uitzondering van de
volgende onderdelen:
a. 1.2.1, 1.2.2, 1.4 en 1.5;
b. de volzin ‘Contracting States shall ensure that integrity of
aeronautical data is maintained throughout the data process from
survey/origin to the next intended user’ in 2.1.2, 2.1.3, 2.5.3 en
2.5.4;
c. 3.1.1 tot en met 3.1.4, 3.1.8, 3.12.1 en 3.15.1;
d. 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3, 5.3.3 en 5.4.5;
e. 6.1.10, 6.1.11, 6.2.8, 6.2.9 en 6.3.12;
f. 9.3, 9.4.1 onder a, 9.4.2, de zinsnede ‘or its vicinity’
in onderdeel 9.4.4, 9.4.5 en 9.10.3.
Artikel 11
De in artikel 10 niet uitgezonderde onderdelen van deel I (Aerodrome
Design and Operations) van bijlage 14 bij het verdrag gelden met dien
verstande dat:
a. de exploitant ervoor zorgt dat de gegevens, bedoeld in
hoofdstuk 2 van deel I van bijlage 14, worden verstrekt aan de
organisatie die verantwoordelijk is voor de uitgifte van
luchtvaartpublicaties;
b. de plicht tot het verstrekken van gegevens, bedoeld in
onderdeel 2.6.2, alleen betrekking heeft op verhardingen die bestemd
zijn voor het gebruik van een luchtvaartuig met een ledige
startmassa van meer dan 6 000 kg;
c. de informatie, bedoeld in de onderdelen 2.6.5 en 2.6.6, onder
a, eveneens verstrekt mag worden met gebruikmaking van de codes ‘special-rigid
(SR)’ of ‘special flexible (SF)’;
d. onderdeel 2.6.8 van toepassing is op de draagkracht van een
onverharde luchthaven die bestemd is voor het gebruik van een
luchtvaartuig met een ledige startmassa van maximaal 6 000 kg;
e. bij de uitvoering van onderdeel 2.12, onder e, tevens vermeld
wordt op welk vliegtuigtype de daar bedoelde informatie betrekking
heeft;
f. de voorschriften en aanbevelingen in hoofdstuk 4 van deel I
van bijlage 14 slechts van toepassing zijn binnen de grenzen van de
luchthaven;
g. een seinvierkant als bedoeld in onderdeel 5.1.2 niet verplicht
is op luchthavens met luchtverkeersleiding;
h. de eis van breekbaarheid, bedoeld in onderdeel 5.3.1.4, geldt
binnen het gehele gebied waarbinnen verhoogde naderingslichten (elevated
approach lights) zijn geplaatst;
i. het visuele-naderingshoeksysteem (visual approach slope
indicator system), bedoeld in onderdeel 5.3.5, moet behoren tot het
type PAPI;
j. het locatiebord, bedoeld in onderdeel 5.4.3.26, is voorzien
van een gele rand met een breedte van 0,5 maal de streepbreedte;
k. onderdeel 9.2.21 niet van toepassing is op luchthavens die
volgens tabel 9-1 zijn ingedeeld in de categorieën 1, 2 of 3;
l. op een luchthaven die is ingericht voor het tijdstip van
inwerkingtreding van de onderhavige regeling kan binnen 4 minuten de
volledige hoeveelheid blusmiddel, bedoeld in de kolommen 3 of 5 van
tabel 9-2, zijn opgebracht;
m. onderdeel 9.2.24 alleen van toepassing is op verharde banen
die zijn aangelegd na het tijdstip van inwerkingtreding van de
onderhavige regeling;
n. op banen als bedoeld in onderdeel m van artikel 11 van de
onderhavige regeling kan binnen 3 minuten de volledige hoeveelheid
blusmiddel, bedoeld in de kolommen 3 of 5 van tabel 9-2, zijn
opgebracht;
o. onder voldoende getraind personeel, bedoeld in onderdeel
9.2.40, minimaal de in de onderstaande tabel opgenomen aantallen
personeel wordt verstaan:
|
Luchthaven categorie |
Officier van dienst
(AFO) |
Bevelvoerder |
Manschap |
Totaal |
|
1 |
|
|
2 |
2 |
|
2 |
|
|
2 |
2 |
|
3 |
|
|
3 |
3 |
|
4 |
|
1 |
3 |
4 |
|
5 |
|
1 |
3 |
4 |
|
6 |
|
1 |
6 |
7 |
|
7 |
|
1 |
6 |
7 |
|
8, 9 en 10 |
1 |
1 |
9 |
11 |
p. onder ‘the appropriate authority’, bedoeld in deel I van
bijlage 14 van het verdrag, wordt verstaan:
1°. in de onderdelen 9.4.4 en 10.4.13: de exploitant van de
luchthaven;
2°. in de overige gevallen: de minister.
Artikel 12
De exploitant draagt er zorg voor dat de aanleg, de inrichting, de
uitrusting en het gebruik van een luchthaven niet leiden tot:
a. verstoring van de goede werking van de ten behoeve van de
luchthaven aanwezige communicatie-, navigatie- en radarapparatuur;
b. zog-turbulenties of wervelstraten die de veiligheid van het
vliegverkeer verstoren;
c. een belemmering van de luchtverkeersleiding vanuit de
verkeerstoren.
Artikel 13
Op het deel van een luchthaven, buiten het deel van de luchthaven dat
wordt gebruikt voor en ten behoeve van de hoofdbaan, dat wordt gebruikt
door een van de luchtvaartuigen als bedoeld in de paragrafen 3 tot en
met 12 van hoofdstuk 3 van deze regeling, zijn de eisen die in deze
paragrafen zijn opgenomen met betrekking tot een luchthaven en het
gebruik hiervan door een dergelijk luchtvaartuig van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 14
1. De exploitant moet een register aanleggen waarin gegevens worden
bijgehouden omtrent elk luchtvaartuig dat op de luchthaven landt of
daarvan opstijgt en het daarmee gepleegde vervoer.
2. De exploitant houdt van niet-verkeersvluchten de volgende
gegevens bij:
a. het nationaliteits- en inschrijvingskenmerk, type
luchtvaartuig tevens inhoudende de inrichting van het
luchtvaartuig en de naam van de eigenaar of houder;
b. de naam van de gezagvoerder van het luchtvaartuig;
c. de luchthaven, waarvan het luchtvaartuig het laatst is
vertrokken, alsmede het tijdstip van aankomst;
d. de luchthaven van bestemming, alsmede tijdstip van vertrek;
e. de aard van de vlucht, alsmede het aantal inzittenden;
f. de baan- en circuitrichting.
3. De exploitant houdt van verkeersvluchten dezelfde gegevens bij
als van niet-verkeersvluchten, met uitzondering van de onderdelen b en
e van het tweede lid, doch dient daarentegen van verkeersvluchten de
volgende additionele gegevens bij te houden:
a. het vluchtnummer;
b. de herkomst of bestemming van de vervoerde passagiers, zowel
voor passagiers met bestemming respectievelijk herkomst Nederland
als voor overstappende passagiers en doorgaande passagiers;
c. de herkomst of bestemming van de vervoerde vracht en post,
zowel voor vracht en post met bestemming respectievelijk herkomst
Nederland als voor vracht en post met overslag.
4. De gegevens van het register dienen ten minste 2 jaar te worden
bewaard.
Afdeling 4. Helikopterluchthavens
§ 1. Reikwijdte
Artikel 15
Deze afdeling is van toepassing op:
a. helikopterluchthavens:
1°. waarvoor een luchthavenbesluit is vastgesteld;
2°. die verbonden zijn met een ziekenhuis;
3°. die verhoogd zijn aangelegd, of
4°. die verbonden zijn met een mijnbouwinstallatie als
bedoeld in artikel 51 van het Mijnbouwbesluit;
b. de volgende helikopterluchthavens: Amsterdam (Amsterdam
Heliport) Emmercompascuum (Heli Holland BV), Heteren (Rosorum BV),
Rotterdam Maasvlakte (ten behoeve van het loodswezen) en Zierikzee (Prince
Helicopters).
§ 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven
Artikel 16
De exploitant draagt er zorg voor dat de aanleg, de inrichting, de
uitrusting en het gebruik van een helikopterluchthaven voldoen aan de
voorschriften en aanbevelingen van deel II (Heliports) van bijlage 14
bij het verdrag, met uitzondering van de volgende onderdelen:
a. 1.2.1 en 1.2.2;
b. de volzin ‘Contracting States shall ensure that integrity of
aeronautical data is maintained throughout the data process from
survey/origin to the next intended user’ in 2.1.2 en 2.4.2 tot en
met 2.4.4;
c. 5.3.2.
Artikel 17
De in artikel 16 niet uitgezonderde onderdelen van deel II
(Heliports) van bijlage 14 bij het verdrag gelden met dien verstande
dat:
a. de hoogte limiet van een obstakel in de safety area, bedoeld
in onderdeel 3.1.25, van een grond gebonden helikopterluchthaven 35
cm bedraagt voor helikopterluchthavens die zijn opgericht voor 1
oktober 2010;
b. voor klasse 2 en 3 helikopters geldt voor de eerste sectie van
de naderings- en startsector, bedoeld in onderdeel 4.2.5, een
helling van 12,5%;
c. de voorschriften en aanbevelingen in hoofdstuk 4 van deel II
van bijlage 14 slechts van toepassing zijn binnen de grenzen van de
luchthaven;
d. de eis van breekbaarheid, bedoeld in onderdeel 5.3.4.4, geldt
binnen het gehele gebied waarbinnen het
naderings-verlichtings-systeem is geplaatst;
e. het visuele-naderingshoeksysteem (visual approach slope
indicator system), bedoeld in onderdeel 5.3.5.2, moet behoren tot
het type PAPI of HAPI.
Artikel 18
1. Een verhoogde helikopterluchthaven die gebruikt wordt door een
helikopter die is ingedeeld in performance klasse 3, bedoeld in
onderdeel III van bijlage 6 bij het verdrag, is zodanig gelegen dat in
de directe omgeving van de luchthaven geschikte gronden aanwezig zijn
voor het uitvoeren van een nood- of voorzorgslanding.
2. Artikel 14 is, met uitzondering van helikopterluchthavens die
verbonden zijn met een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 51
van het Mijnbouwbesluit, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en
terreinen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik
§ 1. Reikwijdte
Artikel 19
Dit hoofdstuk is van toepassing op:
a. burgerluchthavens die niet onder de reikwijdte van hoofdstuk 2
vallen;
b. terreinen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik, met
uitzondering van terreinen die worden gebruikt door vliegtuigen die
deelnemen aan een luchtvaartvertoning.
§ 2. Algemene aanleg-, inrichtings-, uitrustings- en
gebruiksvoorschriften
Artikel 20
1. Een luchthaven is zodanig gelegen dat:
a. het landen en opstijgen kan geschieden, zonder dat daarbij
behoeft te worden gevlogen boven gebieden met aaneengesloten
woonbebouwing of kunstwerken, met inbegrip van industrie- en
havengebieden;
b. in de onmiddellijke omgeving van de luchthaven voldoende
geschikte gronden aanwezig zijn voor het uitvoeren van een nood-
of voorzorgslanding;
c. de luchthaven bereikbaar is voor voertuigen van
hulpdiensten.
2. Op of in de onmiddellijke nabijheid van een luchthaven die wordt
gebruikt door gemotoriseerde luchtvaartuigen zijn voldoende en
deugdelijke reddings- en brandblusmiddelen aanwezig voor het redden
van mensenlevens en de bestrijding van branden van luchtvaartuigen
alsmede voldoende en terzake kundige personen voor de bediening van
deze middelen.
3. Op de luchthaven is een windzak aanwezig die zowel de actuele
windrichting als een globale indicatie van de windsnelheid boven de
landingsplaats aangeeft.
4. De windzak is op een zodanige plaats opgesteld, dat deze door de
gezagvoerder, zowel vanuit de lucht als vanaf de grond, goed kan
worden waargenomen.
5. De windzak is gevrijwaard van storende invloeden op richting en
snelheid van de wind.
6. De baan is vlak en heeft een dusdanige samenstelling dat het de
massa van het luchtvaartuig kan dragen.
7. Indien het oppervlak van een start- of landingsplaats bestaat
uit een gewas dan mag de hoogte van het gewas geen belemmering zijn
voor het starten en landen.
8. De baan, taxibaan of landingsplaats zijn gemarkeerd met een
doelmatige markering.
9. In het geval een openbare weg of spoorweg in de nabijheid van de
luchthaven aanwezig is, dan geldt deze als een obstakel van 5
respectievelijk 5,5 meter boven die weg of spoorweg.
10. De leden 1, 6, 7 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing op
een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik.
Artikel 21
Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik is niet gelegen:
a. in een gebied waar het uitoefenen van het burgerluchtverkeer
tijdelijk of blijvend is verboden op grond van artikel 5.10, eerste
lid, van de Wet luchtvaart;
b. binnen een op grond van artikel 45, tweede lid, onderdeel c,
van het Luchtverkeersreglement aangewezen openbaar oefengebied voor
nood- of voorzorgslandingen van burgerluchtvaartuigen;
c. binnen een laagvlieggebied of onder of binnen een afstand van
3 zeemijlen van een laagvliegroute als bedoeld in de artikelen 4 en
5 van de Regeling VFR-nachtvluchten en minimum vlieghoogten voor
militaire luchtvaartuigen, tenzij het gebruik zich beperkt tot
vrijdagen na 17.00 uur plaatselijke tijd, zaterdagen, zondagen of
nationale feestdagen.
Artikel 22
1. Het gebruik van een luchthaven voldoet aan de volgende eisen:
a. de exploitant wijst een beheerder aan;
b. de beheerder wordt door de exploitant belast met het
dagelijkse toezicht op de luchthaven en in het bijzonder met het
toezicht op de veiligheid en de goede orde op de luchthaven;
c. het gebruik van de luchthaven wordt door de exploitant
vastgelegd in een register. In dit register worden ten minste de
navolgende gegevens vermeld:
1°. het nationaliteits- en inschrijvingskenmerk, type
luchtvaartuig tevens inhoudende de inrichting van het
luchtvaartuig en de naam van de eigenaar c.q. houder;
2°. de naam van de gezagvoerder van het luchtvaartuig;
3°. de luchthaven, waarvan het luchtvaartuig het laatst is
vertrokken, alsmede het tijdstip van aankomst;
4°. de luchthaven van bestemming, alsmede tijdstip van
vertrek;
5°. de aard van de vlucht, alsmede het aantal inzittenden;
6°. de baan- en circuitrichting;
d. de gegevens van het register worden ten minste 2 jaar
bewaard.
e. de exploitant draagt de volgende gegevens over aan de
organisatie die verantwoordelijk is voor de uitgifte van
luchtvaartpublicaties:
1°. het feitelijke adres van de luchthaven;
2°. de aangewezen geografische positie van de luchthaven
in noordelijke breedte en oostelijke lengte;
3°. naam en telefoonnummer van de beheerder van de
luchthaven;
f. het innemen van brandstof door een luchtvaartuig vindt
plaats met uitgeschakelde motor en met stilstaande propeller of
rotorbladen;
g. de exploitant draagt er zorg voor dat het gebruik is
afgestemd op de beschikbare landings- en parkeercapaciteit op de
luchthaven.
2. Het eerste lid, onderdelen f en g, zijn van overeenkomstige
toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik, met
dien verstande dat in plaats van ‘de exploitant’ wordt gelezen: de
houder van de ontheffing, bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet
luchtvaart.
§ 3. Helikopters
Artikel 23
Een helikopterluchthaven en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd
het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:
a. de luchthaven en het gebruik hiervan voldoen aan de
voorschriften en aanbevelingen uit de navolgende onderdelen van deel
II (Heliports) van bijlage 14 bij het verdrag:
3.1.1, 3.1.3, 3.1.6, 3.1.8, 3.1.13, 3.1.14, 3.1.19, 3.1.20,
3.1.22 en 3.1.24;
b. de luchthaven is zodanig gelegen dat in de in- en
uitvliegsectoren geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak,
dat met de korte zijde van de luchthaven als basis, oploopt met een
helling van 1:8 (hoogte:afstand) tot een afstand van 245 meter,
gemeten vanaf de buitengrens van de safety area welke de final
approach and take off area (FATO) omgeeft en divergeert tot een
breedte van 7 maal de rotordiameter;
c. de uitvliegsector ligt in het verlengde van de invliegsector
of maakt een hoek van maximaal 30° met de invliegsector.
Artikel 24
Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt
wordt door een helikopter en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd
het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:
a. het terrein is verder gelegen dan 50 meter van aaneengesloten
woonbebouwing;
b. het terrein is verder gelegen dan 25 meter van een openbare
weg, tenzij deze weg door de bevoegde autoriteiten is afgezet;
c. het terrein heeft afmetingen die ten minste gelijk zijn aan de
minimale afmetingen als vermeld in het vlieghandboek behorende bij
de betreffende helikopter;
d. indien met draaiende rotor passagiers in- en uit moeten
stappen dan worden deze door daartoe getraind personeel op een
veilige wijze naar en van de helikopter geleid.
§ 4. Mla’s
Artikel 25
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een mla voldoet,
onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:
a. voor het landen en opstijgen is een baan beschikbaar met een
lengte van ten minste 200 meter en een breedte van ten minste 30
meter;
b. de baan ligt in een obstakelvrije strook van ten minste 300
bij 30 meter, waarbij de korte zijde van de baan op een afstand
van 50 meter van het begin van de strook is gelegen, terwijl de
breedte van de luchthaven zodanig is, dat buiten de obstakelvrije
strook met een mla kan worden getaxied;
c. de luchthaven is zodanig gelegen dat binnen een gebied met
een straal van 750 meter vanuit de vastgestelde geografische
positie van de luchthaven geen obstakels steken door een
denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het
hoogst gelegen punt binnen de luchthaven;
d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de
strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:20
(hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900
meter van de baan;
e. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de
strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:2
(hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in
onderdeel c.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
mla.
§ 5. Gemotoriseerde schermvliegtuigen
Artikel 26
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een gemotoriseerd
schermvliegtuig voldoet, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de
volgende eisen:
a. voor het landen en opstijgen is een baan beschikbaar met een
lengte van ten minste 70 meter en een breedte van ten minste 25
meter;
b. de baan ligt in een obstakelvrije strook met een lengte van
ten minste 170 meter en een breedte van ten minste 125 meter,
waarbij de korte zijde van de baan op een afstand van 50 meter van
het begin van de strook is gelegen;
c. de luchthaven is zodanig gelegen dat binnen een gebied met
een straal van 500 meter vanuit de vastgestelde geografische
positie van de luchthaven geen obstakels steken door een
denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het
hoogst gelegen punt binnen de luchthaven;
d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de
strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:5
(hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 215
meter van de baan of de landingsplaats;
e. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de
strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:2
(hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in
onderdeel c.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
gemotoriseerd schermvliegtuig.
§ 6. Vrije ballonnen
Artikel 27
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een vrije ballon en het
gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de
volgende eisen:
a. de luchthaven is zodanig gelegen dat in de richting van de
opstijging eventuele obstakels met een hoogteverschil van ten
minste 15 meter overvaren kunnen worden;
b. de startplaats is tijdens de opbouw van de ballon en tijdens
de start van de ballon zodanig vrij gehouden, dat toeschouwers
niet in gevaar worden gebracht;
c. personen die werkzaamheden hebben te verrichten zijn als
zodanig duidelijk herkenbaar;
d. ingeval van een opstijging met een vulling bestaande uit
brandbaar gas wordt op de startplaats niet gerookt en zijn daar
geen vuurverwekkende voorwerpen of middelen aanwezig;
e. een opstijging van een vrije ballon die door middel van een
kabel tijdelijk is bevestigd aan het aardoppervlak wordt alleen
gevoerd bij windsnelheden van minder dan 3 meter/seconden, de
vrije ballon mag daarbij niet hoger stijgen dan 50 meter boven het
aardoppervlak.
2. Artikel 20, eerste lid, onderdeel a, het derde tot en met het
achtste lid en artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 3, 4 en 6
zijn niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste
lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
vrije ballon.
4. Artikel 20, eerste lid, onderdeel a en het zesde lid zijn niet
van toepassing op een terrein als bedoeld in het derde lid.
§ 7. Watervliegtuigen
Artikel 28
1. Een waterluchthaven en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd
het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:
a. in het betreffende watergebied is een baan geprojecteerd met
een lengte van ten minste 1000 meter;
b. een start of een landing wordt alleen uitgevoerd indien de
golfhoogte dit toelaat en zich in de geprojecteerde baan geen
personen en vaartuigen bevinden;
c. het gelijktijdig landen en starten door meerdere
watervliegtuigen op en van de luchthaven is niet toegestaan;
d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de
baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:20
(hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900
meter van de baan;
e. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de
baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:2
(hoogte:afstand) en aansluit op het vlak, bedoeld in onderdeel d.
2. Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4, is niet van
toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
watervliegtuig.
§ 8. Zweefvliegtuigen
Artikel 29
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een zweefvliegtuig
voldoet, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:
a. de lengte van de luchthaven is ten minste gelijk aan de
lengte van de lierkabel;
b. de breedte van de luchthaven is ten minste 150 meter of ten
minste 100 meter indien aan één of weerszijden van de luchthaven
een stuk grond is gelegen met een totale breedte van ten minste 50
meter dat als veiligheidsstrook kan dienen;
c. de luchthaven en de veiligheidsstrook zijn vrij van
obstakels en oneffenheden welke gevaar kunnen opleveren bij een
afgebroken start of noodlanding;
d. de opstelplaats van de lier is gelegen op een afstand van
ten minste 25 meter binnen de grens van de luchthaven;
e. de startplaats heeft een lengte van ten minste 150 meter en
een breedte van ten minste 50 meter;
f. de opstelplaats voor een zweefvliegtuig is niet gelegen op
de startplaats;
g. de landingsplaats heeft een lengte van ten minste 75 meter
en indien gelijktijdig met meerdere zweefvliegtuigen wordt geland,
per zweefvliegtuig een breedte van ten minste twee maal de
spanwijdte van het betreffende zweefvliegtuig;
h. de landingsplaats is niet gelegen op de lierbaan,
startplaats of opstelplaats;
i. de luchthaven is zodanig gelegen dat binnen een gebied met
een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische
positie van de luchthaven geen obstakels steken door een
denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het
hoogst gelegen punt binnen de luchthaven;
j. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de
baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:20
(hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900
meter van de baan;
k. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de
baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:2
(hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in
onderdeel i.
2. Indien de luchthaven, bedoeld in het eerste lid, mede wordt
gebruikt door een TMG, dan is ten behoeve van het gebruik door de TMG
een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 300 meter die
gelegen is in een strook met een lengte van ten minste 660 meter en
een breedte van ten minste 30 meter.
3. Indien de luchthaven, bedoeld in het eerste lid, mede wordt
gebruikt door een vliegtuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het
slepen van een zweefvliegtuig, dan is ten behoeve van het gebruik van
een dergelijk vliegtuig een baan beschikbaar met een lengte van ten
minste 600 meter en een breedte van ten minste 30 meter die gelegen is
in een strook met een lengte van ten minste 660 meter.
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
zweefvliegtuig.
Artikel 30
1. Het gebruik van een luchthaven door een zweefvliegtuig voldoet,
onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:
a. gedurende het opstijgen en landen zijn er geen onbevoegde
personen aanwezig op de lierbaan, de startplaats en de
landingsplaats;
b. de lierkabel wordt binnen de grenzen van de luchthaven in
een rechte lijn uitgebracht;
c. het opstijgen of doen opstijgen van een zweefvliegtuig door
middel van een lier vindt alleen plaats indien de vallende
lierkabel niet buiten de grens van de luchthaven of de
veiligheidstrook, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b,
kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal
kunnen veroorzaken;
d. het afwerpen van de sleepkabel door een sleepvliegtuig vindt
alleen plaats als de sleepkabel niet buiten de grens van de
luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan
zaken zal kunnen veroorzaken;
e. behoudens in geval van de koppeling van een zweefvliegtuig
aan een sleepvliegtuig, is het gelijktijdig landen of starten van
een zweefvliegtuig, een TMG of een sleepvliegtuig niet toegestaan;
f. de lierhoogte overschrijdt niet de ondergrens van de ter
plaatse geldende TMA;
g. de lierhoogte overschrijdt niet de ter plaatse geldende
minimum vlieghoogte, tenzij een Notam is uitgegeven met vermelding
van locatie, lierhoogte en telefoonnummer, waar men op locatie
bereikbaar is.
2. Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4, is niet van
toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
zweefvliegtuig.
4. Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik wordt door
een zweefvliegtuig niet gebruikt:
a. binnen een afstand van 6 zeemijlen van de grens van de CTR
van de luchthaven, Schiphol, Maastricht, Rotterdam, Eelde, De
Kooij of Eindhoven, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft
vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het
luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
b. binnen een afstand van 3 zeemijlen van de grens van de CTR
van een andere luchthaven dan genoemd in onderdeel a, tenzij de
ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de
veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende
luchthaven niet belemmert;
c. binnen een afstand van 3 zeemijl van de grens van een
luchthaven waarboven geen CTR is ingesteld, tenzij de
ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de
veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende
luchthaven niet belemmert.
§ 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen
Artikel 30a
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een zeilvliegtuig of
schermzweeftoestel voldoet, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de
volgende eisen:
a. de luchthaven is vrij van obstakels en oneffenheden welke
gevaar kunnen opleveren bij een afgebroken start of noodlanding;
b. de opstelplaats van de lier is gelegen op een afstand van
ten minste 10 meter binnen de grens van de luchthaven;
c. de startplaats heeft een lengte van ten minste 50 meter en
een breedte van ten minste 30 meter;
d. de opstelplaats voor een zeilvliegtuig is niet gelegen op de
startplaats;
e. de landingsplaats heeft een lengte van ten minste 60 meter
en indien gelijktijdig met meerdere zeilvliegtuigen of
schermzweeftoestellen wordt geland, per zeilvliegtuig of
schermzweeftoestel een breedte van ten minste twee maal de
spanwijdte van het betreffende zeilvliegtuig of
schermzweeftoestel;
f. de landingsplaats is niet gelegen op de lierbaan,
startplaats of opstelplaats;
g. de luchthaven is zodanig gelegen dat binnen een gebied met
een straal van 500 meter vanuit de vastgestelde geografische
positie van de luchthaven geen obstakels steken door een
denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het
hoogst gelegen punt binnen de luchthaven;
h. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de
baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
breedte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5
(hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 250
meter van de baan;
i. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de
baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:2
(hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in
onderdeel g.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
zeilvliegtuig of schermzweeftoestel.
Artikel 30b
1. Het gebruik van een luchthaven door een zeilvliegtuig of
schermzweeftoestel voldoet, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de
volgende eisen:
a. gedurende het opstijgen en landen zijn er geen onbevoegde
personen en obstakels aanwezig op de lierbaan, de startplaats en
de landingsplaats;
b. het opstijgen of doen opstijgen van een zeilvliegtuig of
schermzweeftoestel door middel van een lier vindt alleen plaats
indien de vallende lierkabel niet buiten de grens van de
luchthaven kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan
zaken zal kunnen veroorzaken;
c. de lierkabel wordt binnen de grenzen van de luchthaven in
een rechte lijn uitgebracht;
d. het afwerpen van de sleepkabel door een mla vindt alleen
plaats als de sleepkabel niet buiten de grens van de luchthaven
kan vallen en geen letsel aan personen of schade aan zaken zal
kunnen veroorzaken;
e. behoudens in geval van de koppeling van een zeilvliegtuig
aan een sleepvliegtuig, is het gelijktijdig landen of starten van
een zeilvliegtuig en een mla niet toegestaan;
f. de lierhoogte overschrijdt niet de ondergrens van de ter
plaatse geldende TMA;
g. de lierhoogte overschrijdt niet de ter plaatse geldende
minimum vlieghoogte, tenzij een Notam is uitgegeven met vermelding
van locatie, lierhoogte en telefoonnummer, waar men op locatie
bereikbaar is.
2. Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 1, 3, 4 en 6 zijn
niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
zeilvliegtuig of schermzweeftoestel.
4. Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik wordt door
een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel niet gebruikt:
a. binnen een afstand van 6 zeemijlen van de grens van de CTR
van de luchthaven, Schiphol, Maastricht, Rotterdam, Eelde, De
Kooij of Eindhoven, tenzij de ontheffinghouder zich ervan heeft
vergewist dat zijn activiteit de veilige uitvoering van het
luchtverkeer van en naar de betreffende luchthaven niet belemmert;
b. binnen een afstand van 3 zeemijlen van de grens van de CTR
van een andere luchthaven dan genoemd in onderdeel a, tenzij de
ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de
veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende
luchthaven niet belemmert;
c. binnen een afstand van 3 zeemijl van de grens van een
luchthaven waarboven geen CTR is ingesteld, tenzij de
ontheffinghouder zich ervan heeft vergewist dat zijn activiteit de
veilige uitvoering van het luchtverkeer van en naar de betreffende
luchthaven niet belemmert.
§ 9. Landbouwluchtvaartuigen
Artikel 31
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een landbouwluchtvaartuig
voldoet, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:
a. voor het landen en opstijgen is een strook beschikbaar met
een lengte die ten minste gelijk is aan de startlengte als vermeld
in het vlieghandboek behorende bij het betreffende luchtvaartuig;
b. de breedte van de strook bedraagt ten minste tweemaal de
spanwijdte van het luchtvaartuig dat gebruik maakt van de strook,
doch niet minder dan 30 meter;
c. in de strook is de bodemgesteldheid, voor wat betreft de
vlakheid en de draagkracht, dusdanig dat het betreffende
landbouwluchtvaartuig op een veilige wijze kan starten en landen
binnen de in het bij het betreffende luchtvaartuig behorende
vlieghandboek gestelde gebruiksbeperkingen;
d. in de strook zijn geen obstakels aanwezig. De gewashoogte in
de strook is slechts hoger dan 15 centimeter, voor zover deze geen
gevaar oplevert voor een veilige vluchtuitvoering;
e. in het midden, binnen de grenzen van de strook, is een baan
aanwezig met een lengte die gelijk is aan die van de strook en een
breedte van ten minste twee maal de spoorbreedte van het
betreffende luchtvaartuig;
f. de luchthaven is zodanig gelegen dat binnen een gebied met
een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische
positie van de luchthaven geen obstakels steken door een
denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het
hoogst gelegen punt binnen de luchthaven;
g. de luchthaven is zodanig gelegen dat geen obstakels steken
door een vlak, aansluitend op het vlak, bedoeld in het vorige
onderdeel, dat in hoogte oploopt met een helling van 1:10 (hoogte:
afstand) tot een hoogte van 80 meter boven de grond;
h. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de
strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:20
(hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 900
meter van de strook;
i. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de
strook geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:2
(hoogte:afstand) en aansluit op het horizontale vlak, bedoeld in
onderdeel f.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
landbouwluchtvaartuig.
§ 10. Luchtschepen
Artikel 32
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een luchtschip dat op
zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel gevulde
toestand een afmeting heeft van meer dan 5 meter of een inhoud van
meer dan 4 kubieke meter, voldoet, onverminderd het bepaalde in § 2,
aan de volgende eisen:
a. de luchthaven bevat een obstakelvrij grondvlak in de vorm
van een cirkel met een straal van ten minste de lengte van het
luchtschip;
b. de luchthaven is zodanig gelegen dat binnen een gebied met
een straal van 2000 meter vanuit de vastgestelde geografische
positie van de luchthaven geen obstakels steken door een
denkbeeldig horizontaal vlak op een hoogte van 45 meter boven het
hoogst gelegen punt binnen de luchthaven;
c. de luchthaven is zodanig gelegen dat geen obstakels steken
door een vlak, aansluitend op het vlak, bedoeld in het vorige
onderdeel, dat in hoogte oploopt met een helling van 1:10
(hoogte:afstand) tot een hoogte van 80 meter boven de grond;
d. de luchthaven is zodanig gelegen dat in de vliegrichting
geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
doorsnede van het grondvlak als basis oploopt met een helling van
1:20 (hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van
900 meter van de grens van de luchthaven.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
luchtschip als bedoeld in het eerste lid.
§ 11. Onbemande luchtvaartuigen tot 150 kilogram
Artikel 33
1. Onverminderd het bepaalde in § 2, zijn de eisen, bedoeld in
artikel 31, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van overeenkomstige
toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand
vliegtuig van maximaal 150 kilogram, met dien verstande dat de lengte
van de strook, bedoeld in onderdeel a, niet minder is dan 100 meter en
de breedte van de strook, bedoeld in onderdeel b, niet minder is dan
10 meter.
2. Onverminderd het bepaalde in § 2, is de eis, bedoeld in artikel
32, eerste lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing op een
luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand luchtschip van
maximaal 150 kilogram.
3. Onverminderd het bepaalde in § 2, zijn de eisen, bedoeld in
artikel 24, met uitzondering van onderdeel d, van overeenkomstige
toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemande
helikopter van maximaal 150 kilogram.
4. Een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand
luchtvaartuig van maximaal 150 kilogram is zodanig gelegen dat:
a. tijdens de start- en landingsfase een vrij uitzicht op de
luchthaven mogelijk is;
b. in de nabije omgeving van de luchthaven geen obstakels
aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het veilige gebruik
van de luchthaven.
5. Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4, is niet van
toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste tot en met het
derde lid.
6. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat
gebruikt wordt door een van de in deze leden bedoelde luchtvaartuigen.
§ 12. Gyroplanes
Artikel 34
1. Een luchthaven die gebruikt wordt door een gyroplane voldoet,
onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:
a. voor het landen en opstijgen is een baan beschikbaar met een
lengte die ten minste gelijk is aan de startlengte die vermeld is
in het vlieghandboek van het betreffende luchtvaartuig, doch niet
minder dan 200 meter en een breedte van ten minste 30 meter;
b. de baan is gelegen in een obstakelvrije strook met een
lengte van ten minste 300 meter en een breedte van ten minste 30
meter, waarbij de korte zijde van de baan op een afstand van 50
meter van de korte zijde van de strook is gelegen;
c. de luchthaven is zodanig gelegen dat in het verlengde van de
baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
breedte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:20
(hoogte:afstand) en divergeert met 10% tot op een afstand van 250
meter van de baan of de landingsplaats;
d. de luchthaven is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de
baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de
lengte van de strook als basis, oploopt met een helling van 1:2
(hoogte:afstand) en aansluit op het vlak, bedoeld in onderdeel c.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein
voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een
gyroplane.
Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen
Artikel 35
1. De termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag voor
een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart
bedraagt vier weken.
2. De ontheffing wordt niet verleend dan nadat gedeputeerde staten
over de aanvraag tot ontheffing overleg hebben gevoerd met de
burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.
3. De houder van de ontheffing meldt ten minste 24 uur voor de dag
dat het terrein zal worden gebruikt dit voornemen schriftelijk of per
e-mail aan de minister en de burgemeester van de gemeente waarin het
betreffende terrein ligt.
Artikel 36
1. De minister kan ontheffing verlenen van de voorschriften die op
grond van hoofdstuk 3 gelden voor een terrein voor tijdelijk en
uitzonderlijk gebruik. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien:
a. als gevolg van bijzondere omstandigheden de voorschriften in
redelijkheid geen toepassing kunnen vinden, en
b. de veiligheid van het terrein en van het luchtverkeer dat
van het terrein gebruik maakt met het verlenen van een ontheffing
niet in gevaar worden gebracht.
2. Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kunnen
voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen
Artikel 37
[Wijzigt het Algemeen luchthavenreglement]
Artikel 38
[Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Schiphol]
Artikel 39
[Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Maastricht]
Artikel 40
[Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam]
Artikel 41
[Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Eelde]
Artikel 42
[Wijzigt het Aanvullend Luchthaven Reglement Lelystad]
Artikel 43
[Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Teuge]
Artikel 44
[Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Texel]
Artikel 45
[Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Midden Zeeland]
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 46
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2009.
Artikel 47
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veilig gebruik
luchthavens en andere terreinen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings.
|
|
|