BESLUIT van 10 september 1984, houdende afwijkingen
van het bepaalde in de Wet medezeggenschap onderwijs
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs.
G. van Leijenhorst, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij
van 1 mei 1984, nr. 5171/1156, centrale directie Wetgeving en Juridische
Zaken;
Gelet op artikel 17, tweede lid, van de Wet
medezeggenschap onderwijs (Stb. 1981, 778);
De Onderwijsraad gehoord (advies van 15 juli
1983, O.R. 544 Alg.);
De Raad van State gehoord (advies van 20 juli
1984, nr. W05.84.0261/14.4.28);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst,
mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij, van 24 augustus
1984, nr. 5535/1156, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ A. Algemene bepalingen
Artikel A-1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen
en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van
Landbouw en Visserij;
b. de wet: de Wet medezeggenschap onderwijs (Stb. 1981,
778);
c. de medezeggenschapsraad: de raad, bedoeld in artikel 4, eerste
lid, van de wet;
d. de voorlopige medezeggenschapsraad: de raad, bedoeld in
artikel 24 van de wet;
e. het medezeggenschapsreglement: het reglement, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, van de wet;
f. het bevoegd gezag: voor wat betreft
1°. een rijksschool: Onze minister;
2°. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en
wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de
raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te
stellen regelen;
3°. een bijzondere school: het schoolbestuur.
§ B. Zeer kleine scholen voor kleuteronderwijs of gewoon lager
onderwijs
Artikel B-1
In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 4, tweede,
derde en tiende lid, en 24, tweede lid, gelden de bepalingen van deze
paragraaf voor die scholen voor kleuteronderwijs en die scholen voor
gewoon lager onderwijs, waar de schoolleider de enige aan de school
verbonden leidster onderscheidenlijk onderwijzer is.
Artikel B-2
1. Het aantal leden van de medezeggenschapsraad bedraagt aan
een school als bedoeld in artikel B-1 ten hoogste 3 leden.
2. De medezeggenschapsraad bestaat uit:
a. de schoolleider;
b. een lid dat uit en door de ouders wordt gekozen; en indien het
medezeggenschapsreglement dit bepaalt, uit
c. een lid dat wordt gekozen overeenkomstig het bepaalde in artikel
4, zesde lid, van de wet.
3. Het medezeggenschapsreglement kan niet bepalen dat het tot de
taak van de schoolleider behoort om namens het bevoegd gezag de
besprekingen met de medezeggenschapsraad te voeren, bedoeld in artikel
5, eerste lid, van de wet.
Artikel B-3
De voorlopige medezeggenschapsraad aan een school als bedoeld in
artikel B-1 bestaat uit de schoolleider en een lid dat uit en door de
ouders wordt gekozen.
Artikel B-4
Indien op het moment van inwerkingtreding van dit besluit aan een
school als bedoeld in artikel B-1 geen medezeggenschapsraad of
voorlopige medezeggenschapsraad is verbonden in overeenstemming met het
bepaalde in de artikelen B-2 en B-3, wordt binnen drie maanden een
voorlopige medezeggenschapsraad gekozen.
§ C. Groepen van scholen voor kleuteronderwijs en gewoon lager
onderwijs
Artikel C-1
In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 4, eerste en zevende
lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf in die gevallen, waarin een
of meer scholen voor kleuteronderwijs en een of meer scholen voor gewoon
lager onderwijs door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden en
samenwerken, of zullen gaan samenwerken met het oog op de vorming van
een school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het
basisonderwijs
(Stb. 1984, 2).
Artikel C-2
1. In een geval als bedoeld in artikel C-1 kan het bevoegd
gezag een medezeggenschapsraad instellen voor de groep van scholen,
indien dit overeenstemt met de wens van ten minste twee derden zowel
van het personeel van elk van de desbetreffende scholen als van de
ouders van de leerlingen van elk van de desbetreffende scholen.
2. Bij de berekening van het aantal leden van de
medezeggenschapsraad wordt uitgegaan van het gezamenlijk aantal
leerlingen van de desbetreffende scholen, met dien verstande dat het
aantal leden in elk geval het dubbele van het aantal scholen bedraagt.
3. In elk van de delen van de medezeggenschapsraad, die ingevolge
artikel 4, derde lid onder a en b, van de wet worden
gekozen, wordt ten minste een lid uit elk van de desbetreffende scholen
gekozen.
4. De schoolleider van elk van de desbetreffende scholen heeft,
met adviserende stem, mede zitting in de medezeggenschapsraad, indien
hij niet tot lid daarvan is gekozen.
Artikel C-3
Artikel C-2 is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige
medezeggenschapsraad.
§ D. Cursussen voor voortgezet onderwijs van geringe omvang
Artikel D-1
In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 4, tweede tot
en met zesde lid, en 24, tweede lid, gelden de bepalingen van deze
paragraaf voor die cursussen voor voortgezet onderwijs, waarvan de
cursusduur minder dan één jaar bedraagt en waaraan per leerling per
week gedurende minder dan 7 lesuren onderwijs wordt gegeven.
Artikel D-2
1. Het aantal leden van de medezeggenschapsraad bedraagt aan
een cursus als bedoeld in artikel D-1 met minder dan 250 leerlingen
ten hoogste 3 leden, met 250 tot 750 leerlingen ten hoogste 5 leden,
met 750 tot 1250 leerlingen ten hoogste 7 leden en met 1250 of meer
leerlingen ten hoogste 9 leden.
2. De medezeggenschapsraad bestaat uit leden die uit en door het
personeel worden gekozen.
Artikel D-3
Het aantal leden van de voorlopige medezeggenschapsraad bedraagt aan
een cursus als bedoeld in artikel D-1 met minder dan 250 leerlingen 2
leden, met 250 tot 750 leerlingen 4 leden, met 750 tot 1250 leerlingen 6
leden en met 1250 of meer leerlingen 8 leden. Artikel D-2, tweede lid is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel D-4
Indien op het moment van inwerkingtreding van dit besluit aan een
cursus als bedoeld in artikel D-1 geen medezeggenschapsraad of
voorlopige medezeggenschapsraad is verbonden in overeenstemming met het
bepaalde in de artikelen D-2 en D-3, wordt binnen drie maanden een
voorlopige medezeggenschapsraad gekozen.
§ E. Groepen van cursussen en groepen van een school en een of meer
cursussen
Artikel E-1
In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 4, eerste en achtste
lid, gelden de bepalingen van deze paragraaf voor die gevallen, waarin
meer cursussen voor voortgezet onderwijs, die geen organisatorische
eenheid vormen, door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden,
dan wel een bevoegd gezag een school en een of meer daaraan verbonden
cursussen in stand houdt.
Artikel E-2
1. In een geval als bedoeld in artikel E-1 kan het bevoegd
gezag een medezeggenschapsraad instellen voor een of meer groepen van
cursussen en, onderscheidenlijk of, voor een of meer cursussen
afzonderlijk, dan wel voor een groep van een school en een of meer
cursussen.
2. Indien het bevoegd gezag een medezeggenschapsraad instelt voor
een groep van cursussen, dan wel voor een groep van een school en een of
meer cursussen, wordt bij de berekening van het aantal leden van de
medezeggenschapsraad uitgegaan van het gezamenlijk aantal leerlingen van
de desbetreffende cursussen, onderscheidenlijk school en cursus dan wel
cursussen.
3. Indien het bevoegd gezag een medezeggenschapsraad instelt voor
een groep van cursussen, dan wel voor een groep van een school en een of
meer cursussen kan de verkiezing van de leden van de
medezeggenschapsraad plaatsvinden volgens een stelsel, waarin de
desbetreffende cursussen, onderscheidenlijk school en cursus dan wel
cursussen evenredig zijn vertegenwoordigd.
Artikel E-3
Artikel E-2 is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige
medezeggenschapsraad.
§ F. Medezeggenschap en samenvoeging van scholen
Artikel F-1
1. In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 3,
eerste lid, 4, tweede lid, en 24, eerste, tweede, vierde en vijfde
lid, eerste en tweede volzin, gelden de bepalingen van deze paragraaf
in die gevallen waarin een school ontstaat uit samenvoeging van twee
of meer scholen.
2. Onder samenvoeging wordt voor de toepassing van deze paragraaf
verstaan:
a. opheffing van twee of meer gelijksoortige scholen en de
gelijktijdige oprichting van een school die feitelijk de voortzetting
is van de gezamenlijke opgeheven scholen;
b. opheffing van een of meer scholen waarbij deze school of scholen
feitelijk opgaan in een andere, gelijksoortige school;
c. vereniging van twee of meer scholen in een scholengemeenschap
als bedoeld in artikel 19 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
d. samenbrenging van scholen in een onderwijsgemeenschap als
bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluit proefprojecten
nieuw vervolg/beroepsonderwijs (Stb. 1980, 283) en artikel 23,
vierde lid, van het Besluit proefprojecten deeltijd
vervolg/beroepsonderwijs (Stb. 1983, 128);
e. oprichting van een school door omvorming als bedoeld in artikel
31 van het Besluit proefprojecten deeltijd vervolg/beroepsonderwijs;
f. gezamenlijke overgang van scholen in een school van een nieuwe
onderwijsvorm.
Artikel F-2
In het geval dat aan de samen te voegen scholen met toepassing van
artikel 17, eerste dan wel tweede lid, van de wet een gezamenlijke
medezeggenschapsraad is gekozen, geldt deze raad vanaf de samenvoeging
als krachtens artikel 4 van de wet te zijn gekozen aan de nieuwe school.
Het medezeggenschapsreglement van de scholen geldt vanaf de samenvoeging
als krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet te zijn vastgesteld aan
de nieuwe school, met uitzondering van de bepalingen ten aanzien waarvan
het bevoegd gezag en de gezamenlijke medezeggenschapsraad, gezien de
veranderingen in de feitelijke situatie, gezamenlijk constateren dat zij
niet kunnen werken in de situatie na de samenvoeging. Indien is
geconstateerd dat een of meer bepalingen van het
medezeggenschapsreglement niet kunnen werken in de situatie na de
samenvoeging, en het bevoegd gezag van oordeel is dat het
medezeggenschapsreglement om die reden aanpassing behoeft, legt het
bevoegd gezag na de samenvoeging onverwijld een wijziging van het
medezeggenschapsreglement als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor.
Artikel F-3
In het geval dat scholen met gelijkluidende
medezeggenschapsreglementen worden samengevoegd, geldt vanaf de
samenvoeging als krachtens artikel 4 van de wet aan de nieuwe school te
zijn gekozen een medezeggenschapsraad, samengesteld uit de leden van de
medezeggenschapsraden van deze scholen. De aldus samengestelde raad is
aan de nieuwe school verbonden totaan de verkiezing van de
medezeggenschapsraad van deze school. De medezeggenschapsreglementen van
de scholen gelden vanaf de samenvoeging als het krachtens artikel 3,
eerste lid, van de wet aan de nieuwe school vastgestelde
medezeggenschapsreglement, met uitzondering van de bepalingen ten
aanzien waarvan het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraden van de
samen te voegen scholen, gezien de veranderingen in de feitelijke
situatie, gezamenlijk constateren dat zij niet kunnen werken in de
situatie na de samenvoeging. Indien is geconstateerd dat een of meer
bepalingen van het medezeggenschapsreglement niet kunnen werken in de
situatie na de samenvoeging, en het bevoegd gezag van oordeel is dat het
medezeggenschapsreglement om die reden aanpassing behoeft, legt het
bevoegd gezag na de samenvoeging onverwijld een wijziging van het
medezeggenschapsreglement als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor.
Artikel F-4
In andere gevallen van samenvoeging dan die, bedoeld in de artikelen
F-2 en F-3, geldt vanaf de samenvoeging als krachtens artikel 24, eerste
lid, van de wet aan de nieuwe school te zijn gekozen een voorlopige
medezeggenschapsraad, samengesteld uit de leden van de raden van de
samengevoegde scholen. Na de samenvoeging legt het bevoegd gezag
onverwijld een medezeggenschapsreglement als voorstel aan de voorlopige
raad voor. Vervolgens spreekt de voorlopige raad zich, na overleg met
het bevoegd gezag, binnen drie maanden over het voorstel uit.
Artikel F-5
Het bevoegd gezag kan in overeenstemming met de medezeggenschapsraden
van de samen te voegen scholen besluiten, geen toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel F-2, F-3 onderscheidenlijk F-4. Alsdan wordt
binnen drie maanden na de samenvoeging een voorlopige
medezeggenschapsraad gekozen aan de nieuwe school en legt het bevoegd
gezag onverwijld daarna een medezeggenschapsreglement als voorstel aan
deze raad voor. Vervolgens spreekt de voorlopige raad zich, na overleg
met het bevoegd gezag, binnen drie maanden over het voorstel uit.
§ G. Medezeggenschap na splitsing van scholen
Artikel G-1
In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 3, eerste lid,
gelden de bepalingen van deze paragraaf in die gevallen waarin een
school wordt gesplitst, behoudens voor zover de splitsing geschiedt met
het oog op een onmiddellijk op de splitsing volgende samenvoeging als
bedoeld in Paragraaf F van dit besluit.
Artikel G-2
1. In een geval als bedoeld in artikel G-1 geldt het aan de
school vastgestelde medezeggenschapsreglement vanaf het moment van
splitsing als krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet te zijn
vastgesteld aan elk van de uit de splitsing ontstane scholen
afzonderlijk, met uitzondering van de bepalingen ten aanzien waarvan
het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad van de te splitsen
school, gezien de veranderingen in de feitelijke situatie, gezamenlijk
constateren dat zij niet kunnen werken in de situatie na de splitsing.
Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad van de te splitsen school
treffen gezamenlijk een voorziening met betrekking tot de uitoefening
van de in de wet en het reglement neergelegde
medezeggenschapsbevoegdheden in de periode tot aan de verkiezing van
de in het derde lid bedoelde medezeggenschapsraad.
2. Indien het in het eerste lid bedoelde reglement bepalingen
bevat die met het oog op de situatie na de splitsing wijziging behoeven,
legt het bevoegd gezag tijdig voor de splitsing aan de
medezeggenschapsraad een voorstel voor tot wijziging van de bedoelde
bepalingen.
3. Binnen drie maanden na de splitsing wordt een
medezeggenschapsraad gekozen aan elk van de uit de splitsing ontstane
scholen.
§ H. Medezeggenschap na omzetting van scholen
Artikel H-1
1. In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 3,
eerste lid, 4 en 6, eerste lid, gelden de bepalingen van deze
paragraaf in geval van omzetting van scholen.
2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder omzetting
van scholen verstaan, de opheffing van een openbare, respectievelijk
bijzondere school, onder aansluitende oprichting van een bijzondere,
respectievelijk openbare school die daarvoor in de plaats komt.
3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een omzetting,
onmiddellijk voorafgaand aan een samenvoeging als bedoeld in Paragraaf F
van dit besluit.
Artikel H-2
1. In een geval als bedoeld in artikel H-1 geldt de
medezeggenschapsraad van de opgeheven school als krachtens artikel 4,
eerste lid, van de wet, vanaf het moment van oprichting van de nieuwe
school te zijn gekozen aan laatstbedoelde school.
2. Het reglement van de opgeheven school geldt als krachtens
artikel 3, eerste lid, van de wet, op het moment van oprichting van de
nieuwe school te zijn vastgesteld aan laatstbedoelde school, behoudens
voor zover dit reglement bepalingen bevat die direct het karakter van de
door de omzetting opgerichte school betreffen en het bevoegd gezag,
gezien de met de omzetting gepaard gaande karakterverandering van de
school, overneming van die bepalingen onaanvaardbaar acht. Na de
oprichting van de nieuwe school legt het bevoegd gezag onverwijld een
voorstel aan de medezeggenschapsraad voor tot aanpassing van de in de
vorige volzin bedoelde bepalingen aan de nieuwe situatie.
§ I. Vooruitlopend gebruik van bijzondere
medezeggenschapsbevoegdheden ten aanzien van nieuwe school
Artikel I-1
In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 6, eerste lid,
en 7, gelden de bepalingen van deze paragraaf in gevallen waarin aan een
school besluiten worden genomen met betrekking tot het volgende
schooljaar, terwijl dan een of meer andere scholen zullen zijn ontstaan
ten gevolge van samenvoeging, splitsing of omzetting als bedoeld in de
Paragrafen F tot en met H, of ten gevolge van de overgang van de school
in een school van een nieuwe onderwijsvorm.
Artikel I-2
In een geval als bedoeld in artikel I-1 zijn de reglementen van de
betrokken medezeggenschapsraad of medezeggenschapsraden wat de daarin
neergelegde bevoegdheden als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
wet betreft, van overeenkomstige toepassing op voorgenomen besluiten ten
aanzien van aangelegenheden als bedoeld in artikel 7 van de wet, die
betrekking hebben op de situatie na de samenvoeging, splitsing,
omzetting onderscheidenlijk overgang.
§ J. Afwijkingen vooruitlopend op Wet op het hoger beroepsonderwijs
Artikel J-1
In afwijking van de wet voor wat betreft de artikelen 4, tweede,
zevende en tiende lid, 13, en 24, tweede lid, gelden de bepalingen van
deze paragraaf voor scholen voor hoger beroepsonderwijs, totdat de Wet
op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1985, 80) wat de regeling van
de medezeggenschap betreft in werking is getreden.
Artikel J-2
1. Het aantal leden van de medezeggenschapsraad bedraagt aan
een school met minder dan 750 leden ten hoogste 10 leden.
2. Het aantal leden van de voorlopige medezeggenschapsraad
bedraagt aan een school met minder dan 750 leden 8 leden.
Artikel J-3
1. Een daartoe door de schoolleiding uit haar midden aangewezen
lid heeft, met adviserende stem, mede zitting in de raad, indien het
niet tot lid daarvan is gekozen.
2. Een lid van de schoolleiding, door het bevoegd gezag
aangewezen om namens dat gezag de besprekingen met de raad te voeren,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, kan niet tevens lid zijn
van de raad, indien het medezeggenschapsreglement bepaalt dat het tot
zijn taak behoort om deze besprekingen te voeren.
Artikel J-4
1. Een deelraad wordt in ieder geval ingesteld indien de
medezeggenschapsraad dit wenst.
2. Artikel 4, tweede tot en met zesde, negende en twaalfde lid
van de wet, zijn van overeenkomstige toepassing op een deelraad.
3. Volgens regels, vastgesteld in het medezeggenschapsreglement,
kan de medezeggenschapsraad een bevoegdheid als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, onder a, b, c en j, van de wet overdragen aan een deelraad,
voor zover het betreft een aangelegenheid die het desbetreffende deel
van de school in het bijzonder aangaat.
§ K. Oudervertegenwoordiging in scholengemeenschappen voor
middelbaar en hoger beroepsonderwijs
Artikel K-1
In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 4, vijfde lid onder c,
gelden de bepalingen van deze paragraaf voor scholengemeenschappen voor
middelbaar en hoger beroepsonderwijs.
Artikel K-2
In een geval als bedoeld in artikel K-1 wordt het deel van de
medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 4, derde lid onder b,
van de wet, gekozen uit en door de leerlingen, indien dit overeenstemt
met de wens van ten minste twee derden van de ouders van de leerlingen,
bedoeld in artikel 4, vijfde lid onder c, van de wet.
Artikel K-3
Het bepaalde in artikel K-2 is van overeenkomstige toepassing op de
voorlopige medezeggenschapsraad.
§ L
In afwijking van de wet voor wat betreft artikel 3, vijfde lid onder b,
gelden de bepalingen van deze paragraaf voor scholen voor voortgezet
speciaal onderwijs en scholen of instellingen voor speciaal en
voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van
de Wet op de expertisecentra.
Artikel M-2
Het deel van de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 3, derde lid
onder b, van de wet wordt aan een school voor voortgezet speciaal
onderwijs gekozen uit en door de ouders dan wel deels uit en door de
leerlingen, en aan een school of instelling voor speciaal en voortgezet
speciaal onderwijs uit en door de ouders dan wel deels uit en door de
ouders en deels uit en door de leerlingen die zijn toegelaten tot het
voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel M-3
Het bepaalde in artikel M-2 is van overeenkomstige toepassing op de
voorlopige medezeggenschapsraad.
Artikel M-4
Tot en met 31 juli 1985 gelden de bepalingen van deze paragraaf voor
scholen voor voortgezet buitengewoon onderwijs als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 (Stb.
1978, 582).
§ N. Afwijking aangewezen scholen Regeling m.b.o. 1990-1991
Artikel N-1
Ten aanzien van de aangewezen scholen, bedoeld in de Regeling m.b.o.
1990-1991 (kenmerk WJZ 90031766/3473, Uitleg OenW-Regelingen
1990, 18a extra van 4 juli 1990), geldt tot 1 augustus 1991 dat
de bepalingen, opgenomen in het medezeggenschapsreglement ingevolge de
toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a dan wel b,
van de wet, niet van toepassing zijn voor zover het betreft
aangelegenheden waarover overleg wordt gevoerd in het georganiseerd
overleg op instellingsniveau als bedoeld in genoemde regeling.
§ Z. Slotbepalingen
Artikel Z-1
Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer
van de onderdelen van dit besluit in een school of in een aantal scholen
die door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden, in de weg
staan, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag toestaan, dat
voor wat betreft een of meer onderdelen op door hem aangegeven wijze
wordt afgeweken van het bepaalde in dit besluit.
Artikel Z-2
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit medezeggenschap
onderwijs.
Artikel Z-3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 10 september 1984
BEATRIX
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
G. van Leijenhorst
De Minister van Landbouw en Visserij,
G.J.M. Braks
Uitgegeven de elfde oktober 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes