BESLUIT van 23 juni 2003, houdende regels inzake de
verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen
(Besluit verplichte verzekering bij medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 3 april 2003, nr. 5219262/03/6,
gedaan mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
Gelet op artikel 7, derde lid, van de Wet
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen;
De Raad van State gehoord (advies van 28 mei
2003, nr. W03.03.0138/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 18 juni 2003, nr. 5230446/03/6, uitgebracht mede namens de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen;
b. verzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 7 van de wet;
c. beëindiging van deelname aan het onderzoek: het moment waarop
de proefpersoon, in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van
de wet niet langer wordt onderworpen aan handelingen of aan de
proefpersoon niet langer een bepaalde gedragswijze wordt opgelegd.
Artikel 2
1. De verzekering wordt gesloten en in stand gehouden bij een
financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen.
2. Indien de verzekering wordt gesloten bij een verzekeraar met
zetel buiten Nederland, wordt in de polis een in Nederland gevestigde
schaderegelaar aangewezen die belast is met de behandeling en
afwikkeling van vorderingen ingevolge deze verzekering.
Artikel 3
1. De bedragen, waarvoor de verzekering moet zijn gesloten,
zijn € 450 000,– per proefpersoon en € 3 500 000,–
per wetenschappelijk onderzoek. Indien evenwel degene die het
onderzoek verricht meer dan één onderzoek verricht of heeft
verricht, is het bedrag waarvoor de verzekering moet zijn gesloten,
met inachtneming van het bedrag waartoe de verzekeraar per onderzoek
kan zijn gehouden, € 5 000 000,– voor de schade die
zich per verzekeringsjaar door onderzoek heeft geopenbaard. Voor de
toepassing van de vorige zin geldt dat de schade zich heeft
geopenbaard op het moment waarop deze bij de verzekeraar wordt gemeld.
2. Indien het wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd bij
meerdere instellingen en de schade van de proefpersonen gedekt is door
de verzekeringen van de instellingen waar zij aan het onderzoek
deelnemen, is het bedrag waarvoor deze verzekeringen gezamenlijk voor
dit onderzoek dekking verlenen, € 3 500 000,–.
3. Bij beëindiging van een verzekeringsovereenkomst door de
verzekeraar is in ieder geval gedekt de schade, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, eerste zin, van de proefpersonen die voor de beëindiging
van de overeenkomst met deelname aan het wetenschappelijk onderzoek zijn
begonnen. Bij beëindiging van een verzekeringsovereenkomst door de
verzekeringnemer is in ieder geval gedekt de schade, bedoeld in artikel
5, eerste lid, eerste zin, van de proefpersonen voor wie de deelname aan
het onderzoek is beëindigd voordat de overeenkomst is beëindigd. Het
bedrag waarvoor een beëindigde verzekering nog dekking dient te
verlenen indien de verzekering voor meerdere onderzoeken dekking biedt,
is, met inachtneming van het bedrag waartoe de verzekeraar per onderzoek
kan zijn gehouden, € 5 000 000,– voor de schade die
zich na de beëindiging openbaart.
4. In afwijking van de eerste en tweede zin van het derde lid is
bij beëindiging van een door een instelling gesloten
verzekeringsovereenkomst gedekt de schade, bedoeld in artikel 5, eerste
lid, eerste zin, van de proefpersonen die deelnemen of gaan deelnemen
aan wetenschappelijk onderzoek dat voor de beëindiging van de
overeenkomst een aanvang heeft genomen. Voor de toepassing van de vorige
zin geldt dat onderzoek een aanvang heeft genomen op de dag dat de
commissie die belast is met de beoordeling van het desbetreffende
onderzoeksprotocol, een positief oordeel heeft gegeven. De derde zin van
het derde lid is van toepassing.
5. Indien meer dan één proefpersoon schade heeft geleden en het
totaalbedrag van de verschuldigde schadevergoedingen een verzekerde som
overschrijdt, worden de rechten van de proefpersonen tegen de
verzekeraar naar evenredigheid teruggebracht tot het beloop van die som.
Niettemin blijft de verzekeraar die, onbekend met het bestaan van
vorderingen van andere proefpersonen, te goeder trouw aan een
proefpersoon een groter bedrag dan het aan deze toekomende deel heeft
uitgekeerd, jegens die anderen slechts gehouden tot het beloop van het
overblijvende gedeelte van de verzekerde som.
Artikel 4
1. Indien naar het oordeel van de commissie die belast is met
de beoordeling van het desbetreffende onderzoeksprotocol, aan het
wetenschappelijk onderzoek voor de proefpersoon naar zijn aard geen
risico's verbonden zijn, kan zij bij het positief oordeel over het
onderzoeksprotocol de verrichter op diens verzoek ontheffing verlenen
van de verplichting een verzekering te sluiten.
2. Bij een onderzoek dat tot doel heeft in de kring der
beroepsgenoten gebruikelijke handelingen op het gebied van de
geneeskunst met elkaar te vergelijken, kan de commissie die belast is
met de beoordeling van het desbetreffende onderzoeksprotocol, bij een
positief oordeel de verrichter op diens verzoek ontheffing verlenen van
de verplichting een verzekering te sluiten indien aan het onderzoek ten
gevolge van het vergelijkende karakter daarvan naar het oordeel van de
commissie voor de proefpersonen naar zijn aard hooguit verwaarloosbare
risico's verbonden zijn.
Artikel 5
1. De verzekering dekt met inachtneming van artikel 6 de schade
door dood of letsel van de proefpersoon die het gevolg is van de
verwezenlijking van de aan het wetenschappelijk onderzoek verbonden
risico's waarover de proefpersoon niet ingevolge artikel 6, derde lid,
onderdeel b, van de wet schriftelijk is ingelicht, en voorts van de
aan het onderzoek verbonden risico's waarover de proefpersoon wel
schriftelijk is ingelicht, doch waarvan de verwezenlijking zich in een
ernstiger mate voordoet dan is voorzien, alsmede van de risico's
waarover de proefpersoon schriftelijk is ingelicht, doch waarvan het
bij de opstelling en de beoordeling van het desbetreffende
onderzoeksprotocol in een individueel geval zo onwaarschijnlijk werd
geacht dat deze risico's zich zouden verwezenlijken, dat zulks aan een
positief oordeel van de commissie niet in de weg heeft gestaan. De in
de vorige zin bedoelde schade is gedekt wanneer die zich openbaart
gedurende de deelname van de proefpersoon aan het onderzoek of binnen
vier jaar na beëindiging van diens deelname aan het onderzoek. Voor
toepassing van de vorige zin geldt dat de schade zich heeft
geopenbaard op het moment waarop deze bij de verzekeraar wordt gemeld.
2. De verzekering behoeft niet te dekken de schade:
a. die het gevolg is van het uitblijven van een vermindering van de
gezondheidsproblemen van de proefpersoon, danwel het gevolg is van de
verdere verslechtering van de gezondheidsproblemen van de
proefpersoon, indien de deelname van de proefpersoon aan het
wetenschappelijk onderzoek geschiedt in het kader van de behandeling
van deze gezondheidsproblemen;
b. door aantasting van de gezondheid van de proefpersoon waarvan
aannemelijk is dat die zich ook zou hebben geopenbaard wanneer de
proefpersoon niet aan het onderzoek had deelgenomen;
c. door aantasting van de gezondheid van de proefpersoon in het
geval deze deelneemt aan een vergelijkend onderzoek als bedoeld in
artikel 4, tweede lid, en aannemelijk is dat de schade het gevolg is
van de in dat lid bedoelde reeds toegepaste handeling waaraan de
proefpersoon wordt onderworpen;
d. die zich bij een nakomeling van de proefpersoon openbaart als
gevolg van een nadelige inwerking van het onderzoek op de proefpersoon
of de nakomeling.
3. De verzekering dekt uitsluitend de schade van natuurlijke
personen.
Artikel 6
1. De verzekering dekt uitsluitend:
a. schade geleden door de proefpersoon doordat deze verhinderd is
arbeid te verrichten, tot een bedrag van ten hoogste € 60 000,–
per jaar;
b. schade door het derven van levensonderhoud geleden door de in
artikel 108, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
genoemde personen, tot in totaal een bedrag van ten hoogste € 60 000,–
per jaar;
c. kosten van huishoudelijke hulp voor een bedrag van € 7,50
per uur indien het inroepen van deze hulp redelijk is;
d. het recht op een vergoeding voor nadeel dat niet in
vermogensschade bestaat, indien een vergoeding hiervan niet minder dan
€ 1 500,– bedraagt, en voor zover het totaal van deze
vergoedingen niet meer dan € 45 000,– bedraagt;
e. schade als bedoeld in artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van
het Burgerlijk Wetboek, tot een bedrag van ten hoogste € 10 000,–;
f. redelijke kosten van medische hulp, medische voorzieningen,
hulpmiddelen en aanpassingen, tot een bedrag van ten hoogste € 50 000,–;
g. redelijke kosten van vervoer per taxi of per openbaar vervoer,
en de redelijke kosten van eigen vervoer voor een bedrag van € 0,40
per kilometer, tot in totaal een bedrag van ten hoogste € 10 000,–.
2. Indien een aanspraak op een recht op vergoeding kan worden
ontleend aan een andere verzekering of aan enige wet of andere
voorziening, doch daaruit geen volledige schadevergoeding kan worden
verkregen, dekt de verzekering de in het eerste lid bedoelde schades en
kosten voor zover deze nodig zijn om de proefpersoon deze schades en
kosten volledig te vergoeden. Indien iemand aansprakelijk is voor de
schade door dood of letsel van de proefpersoon, dekt in afwijking van de
eerste zin de verzekering de schades en kosten, bedoeld in het eerste
lid, alsof deze aansprakelijkheid niet bestaat.
Artikel 7
Op de verplichting van de verzekeraar tot vergoeding van de schade
overeenkomstig de wet en dit besluit zijn van afdeling 6.1.10 van het
Burgerlijk Wetboek de artikelen 98, 99, 103, 104, 107a, tweede lid, en
109 niet van toepassing.
Artikel 8
1. Een verzekeraar kan aan de proefpersoon niet tegenwerpen een
nietigheid, verweer of verval dat voortvloeit uit de wettelijke
bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze
overeenkomst zelf. Wel kan aan de proefpersoon worden tegengeworpen
een verweer of verval dat voortvloeit uit het niet-nakomen van een
verplichting welke op de proefpersoon rust, behoudens voor zover de
verzekeraar daardoor niet in een redelijk belang is geschaad. Het
bepaalde in de eerste zin geldt slechts tot het bedrag of de bedragen
waarvoor de verzekering moet zijn gesloten. De eerste zin mist
toepassing voor proefpersonen die na het einde van de
verzekeringsovereenkomst of de dekking met deelname aan het
wetenschappelijk onderzoek zijn begonnen, tenzij hun schade ondanks
deze beëindiging toch gedekt is.
2. De verzekeraar die door het bepaalde in het eerste lid de
schade van een proefpersoon geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de
schade niet door een met hem gesloten overeenkomst was gedekt, heeft
voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op degene met wie hij de
overeenkomst heeft gesloten.
Artikel 9
1. Alvorens toestemming als bedoeld in artikel 6 van de wet
wordt gevraagd, draagt degene die het wetenschappelijk onderzoek
uitvoert er zorg voor dat de persoon wiens toestemming is vereist
schriftelijk wordt ingelicht over de bedragen waarvoor de verzekering
is gesloten, de uitsluitingen die de verzekering bevat voor zover deze
aan de proefpersoon kunnen tegengeworpen, de naam en het adres van de
verzekeraar, en, in het geval bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de
schaderegelaar. Ingeval de verrichter ontheffing heeft verkregen van
de verplichting een verzekering te sluiten, wordt de persoon wiens
toestemming is vereist daarover door de uitvoerder schriftelijk
ingelicht.
2. Degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert, draagt er
alvorens toestemming wordt gevraagd tevens zorg voor dat de proefpersoon
in de Nederlandse taal schriftelijk wordt ingelicht over de
verplichtingen die hem door de verzekeringsovereenkomst worden opgelegd.
Een gelijke verplichting geldt ten opzichte van de andere personen van
wie op grond van artikel 6 van de wet toestemming is vereist.
Artikel 10
Van dit besluit kan niet ten nadele van de proefpersoon worden
afgeweken.
Artikel 11
Dit besluit is niet van toepassing op onderzoek waarvoor de commissie
die belast is met de beoordeling daarvan, voor de inwerkingtreding van
dit besluit een positief oordeel heeft gegeven over het desbetreffende
onderzoeksprotocol. Het Tijdelijk besluit verplichte verzekering bij
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen, zoals dat tot aan het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gold, blijft nadien op
zodanig onderzoek van toepassing.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2003.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verplichte verzekering bij
medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 juni 2003
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
Uitgegeven de zesentwintigste juni 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner