| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet politiegegevens
BESLUIT
POLITIEGEGEVENS
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 14 december 2007, houdende bepalingen ter
uitvoering van de Wet politiegegevens (Besluit politiegegevens)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie, mede namens Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie
van 11 juni 2007, nr. 5488670/07/6;
Gelet op de artikelen 6, zesde en zevende lid,
10, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, en onderdeel b,
11, derde lid, 12, vijfde lid, 13, vierde lid, 15, tweede lid, 17, zesde
lid, 18, eerste lid, 21, 22, tweede lid, 23, tweede lid, 31, eerste lid,
32, vierde lid, 33, vijfde lid, en 46, eerste lid, van de Wet
politiegegevens en artikel 4, tweede lid, van de Wet melding
ongebruikelijke transacties;
De Raad van State gehoord (advies van 7
augustus 2007, nr. W03.07.0163/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie, mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie van 5 december 2007,
nr. 5516760/07/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1:1. Definitie
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder
wet: de Wet politiegegevens.
Paragraaf 2. Autorisaties
Artikel 2:1. In combinatie verwerken o.g.v. artikel 8, derde lid
(artikel 6, zesde lid)
Voor het in combinatie met elkaar verwerken van politiegegevens,
bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet kunnen worden geautoriseerd
de ambtenaren van politie die zijn belast met taken of werkzaamheden op
het gebied van de coördinatie van het informatieproces ter
ondersteuning van een goede uitvoering van de politietaak.
Artikel 2:2. Geautomatiseerd vergelijken en in combinatie zoeken
o.g.v. artikel 11, eerste, tweede en vierde lid (artikel 6, zesde lid)
1.Voor het geautomatiseerd vergelijken van politiegegevens, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, van de wet, kunnen worden geautoriseerd de
ambtenaren van politie die zijn belast met de taken of werkzaamheden,
bedoeld inartikel 2:1. In voorkomende gevallen kunnen daarvoor tevens
worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij
een eenheid die is belast met de verwerking van politiegegevens als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet.
2.Voor het geautomatiseerd vergelijken alsmede het in combinatie
met elkaar verwerken van politiegegevens, bedoeld in artikel 11,
tweede onderscheidenlijk vierde lid, van de wet, kunnen worden
geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een
eenheid die is belast met de verwerking van politiegegevens als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet. In
voorkomende gevallen kunnen daarvoor tevens worden geautoriseerd de
ambtenaren van politie die zijn belast met de taken of werkzaamheden
als bedoeld in artikel 2:1.
3.De ambtenaren van politie, bedoeld in de laatste zin van het
tweede lid, worden slechts geautoriseerd voor de verwerking van
politiegegevens, voor zover dat dringend noodzakelijk is voor een
goede uitvoering van de politietaak en in overeenstemming met het
hoofd van de in het tweede lid genoemde eenheid.
Artikel 2:3. Informanten (artikel 6, zesde lid)
1. Voor het verwerken van politiegegevens met het oog op de
controle en het beheer van een informant alsmede de beoordeling en
verantwoording van het gebruik van informantgegevens, bedoeld in
artikel 12, eerste lid, van de wet, kunnen worden geautoriseerd de
ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een eenheid die is belast
met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel a of c, van de wet.
2. Voor het verwerken van politiegegevens als bedoeld in artikel
6:1, eerste lid, onderdeel a, kunnen worden geautoriseerd de
ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een eenheid die is belast
met infiltratie, pseudo-koop of -dienstverlening en stelselmatige
inwinning van informatie.
3. Voor het verwerken van politiegegevens als bedoeld in artikel
6:1, eerste lid, onderdeel b, kunnen worden geautoriseerd de
ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een eenheid van het Korps
landelijke politiediensten die is belast met werkzaamheden op het
terrein van getuigenbescherming.
4. Voor het geautomatiseerd vergelijken van politiegegevens,
bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de wet, kunnen worden
geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een
eenheid die is belast met de verwerking van politiegegevens als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a of c, van de wet.
5. De ambtenaren van politie, bedoeld in de vorige leden van dit
artikel, worden slechts geautoriseerd voor de verwerking van
politiegegevens, voor zover dat dringend noodzakelijk is voor een
goede uitvoering van hun taak.
6. Voor het verwerken van identificerende gegevens van een
informant kunnen uitsluitend worden geautoriseerd het hoofd van de
eenheid, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, of diens
plaatsvervanger.
Artikel 2:4. Themaverwerking ernstige misdrijven (artikel 6, zesde
lid)
1.Voor het verwerken van gegevens met het oog op het verkrijgen van
inzicht in de betrokkenheid van personen bij handelingen die kunnen
wijzen op het beramen of plegen van de misdrijven bedoeld in artikel
10, eerste lid, onderdeel b, van de wet kunnen worden geautoriseerd de
ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een daartoe ingerichte
eenheid die specifiek is belast met de verwerking van politiegegevens
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
2.In bijzondere gevallen kan de verantwoordelijke andere ambtenaren
van politie autoriseren voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:5. CIE- en RID-verwerking (artikel 6, zesde lid)
1. Voor het verwerken van gegevens met het oog op het verkrijgen
van inzicht in de betrokkenheid van personen bij het beramen of plegen
van de misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van
de wet kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn
belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel
10, eerste lid, onderdeel a, van de wet. In voorkomende gevallen
kunnen daarvoor tevens worden geautoriseerd de ambtenaren van politie
die zijn belast met taken of werkzaamheden op het gebied van de
coördinatie van het informatieproces ter ondersteuning van een goede
uitvoering van de politietaak.
2. Voor het verwerken van gegevens met het oog op het verkrijgen
van inzicht in de betrokkenheid van personen bij handelingen die,
gezien hun aard of frequentie of het georganiseerde verband waarin zij
worden gepleegd, een ernstige schending van de openbare orde vormen,
kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die zijn belast
met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel c, van de wet. In voorkomende gevallen kunnen
daarvoor tevens worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die
zijn belast met taken en werkzaamheden op het gebied van de
coördinatie van het informatieproces ter ondersteuning van de goede
uitvoering van de politietaak.
3. De ambtenaren van politie, bedoeld in de laatste zin van het
tweede lid, worden slechts geautoriseerd voor de verwerking van
politiegegevens, voor zover dat dringend noodzakelijk is voor een
goede uitvoering van de politietaak en in overeenstemming met het
hoofd van de betreffende eenheid.
Artikel 2:6. Instemming officier van justitie
De categorieën van ambtenaren die in aanmerking kunnen komen voor de
autorisaties, bedoeld in de artikelen 2:3, 2:4 en 2:5, eerste lid,
worden aangewezen in overeenstemming met de officier van justitie.
Artikel 2:7. Gegevensverwerking door het MOT
1.Voor het verwerken van gegevens met het oog op het doel, bedoeld
in artikel 14, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme, kunnen worden geautoriseerd de personen
die betrokken zijn bij het bewerken en analyseren van gegevens over
ongebruikelijke transacties.
2.De autorisaties kunnen, namens de verantwoordelijke, worden
verstrekt door het hoofd van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Artikel 2:8. Ondersteunende taken (artikel 6, zesde lid)
Voor het verwerken van gegevens met het oog op het uitvoeren van:
a. een taak ten dienste van de justitie, bedoeld in artikel 13,
eerste lid, onderdeel e, van de wet,
b. een taak ten behoeve van het verkrijgen van landelijk inzicht
in een specialistisch onderwerp als bedoeld in artikel 13, tweede
lid, van de wet of
c. de geautomatiseerde vergelijking met het oog op de melding van
verschillende verwerkingen jegens eenzelfde persoon, bedoeld in
artikel 13, derde lid van de wet,
kunnen worden geautoriseerd de ambtenaren van politie die werkzaam
zijn bij een eenheid die met de uitvoering van deze taak is belast.
Artikel 2:9. Opleidingen (artikel 6, zesde lid)
De verantwoordelijke draagt er zorg voor dat de ambtenaren van
politie, bedoeld in de artikelen 2:1 tot en met 2:5, beschikken over
voldoende kennis en vaardigheden op het gebied van:
a. het informatieproces binnen de politie, meer in het bijzonder
de verschillende vormen van verwerking van politiegegevens,
b. de wet- en regelgeving die relevant is voor de verwerking van
politiegegevens, en
c. methoden en technieken van informatieanalyse.
De eisen inzake kennis en vaardigheden verschillen naar gelang van de
aard van de verwerking waartoe de ambtenaar wordt geautoriseerd. Indien
noodzakelijk kunnen deze eisen bij regeling van Onze Ministers worden
vastgesteld.
Artikel 2:10. Instemming (artikel 6, zevende lid)
1.Als functionaris, bedoeld in de artikelen 9, derde lid, 11,
eerste, tweede en vierde lid en 13, derde lid, van de wet, kunnen
worden aangewezen de leider van het betreffende onderzoek of zijn
plaatsvervanger.
2.Als functionaris, bedoeld in de artikelen 10, vijfde lid, 11,
tweede en vierde lid en 13, derde lid, van de wet, kunnen worden
aangewezen het hoofd van de betreffende eenheid die is belast met de
verwerking van politiegegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdelen a, b of c, van de wet, dan wel het hoofd van een eenheid
met een vergelijkbare taak of hun plaatsvervangers.
Artikel 2:11. Gegevensvergelijking (artikel 11, derde lid)
Indien bij de gegevensvergelijking, bedoeld in artikel 11 van de wet,
gegevens overeenkomen, worden de verbanden op de volgende wijze
zichtbaar gemaakt:
a. bij gegevens, voorzien van een codering als bedoeld in artikel
2:12, onderdeel a, en bij gegevens als bedoeld in artikel 8 van de
wet, zijn de gerelateerde gegevens zichtbaar;
b. bij gegevens, als bedoeld in de artikelen 9 en 10, eerste lid,
onderdelen a en c van de wet, zijn de overeenkomende gegevens
zichtbaar en zijn de andere gerelateerde gegevens na instemming van
de daartoe bevoegde functionaris zichtbaar;
c. bij gegevens, voorzien van een code als bedoeld in het artikel
2:12, onderdeel b, zijn de overeenkomende gegevens gedeeltelijk
zichtbaar en de andere gerelateerde gegevens na instemming van de
daartoe bevoegde functionaris zichtbaar;
d. bij gegevens, voorzien van een code als bedoeld in het artikel
2:12, onderdeel c, en bij gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdeel b van de wet, zijn de overeenkomende gegevens niet
zichtbaar.
Artikel 2:12. Codering (artikel 11, derde lid)
De functionaris, bedoeld in artikel 2:10, kan, indien noodzakelijk
voor de goede uitvoering van de gegevensvergelijking, bedoeld in artikel
11 van de wet, politiegegevens voorzien van één van de navolgende
codes:
a. instemming met verdere verwerking van politiegegevens;
b. vertrouwelijke verwerking als bedoeld in artikel 2:13, eerste
lid, onderdelen a en b;
c. vertrouwelijke verwerking als bedoeld in artikel 2:13, eerste
lid, onderdelen c, d, e en f.
Artikel 2:13. Weigeringsgronden (artikel 15, tweede lid)
1.Het ter beschikking stellen van politiegegevens kan alleen worden
geweigerd of aan beperkende voorwaarden worden onderworpen in het
geval:
a. het gegevens betreft omtrent informanten of andere personen
als bedoeld in artikel 12, vijfde lid van de wet;
b. gevaar voor leven of gezondheid van betrokkene of derden is
te duchten;
c. van een verwerking voor een intern integriteitonderzoek
onder verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder;
d. van een verwerking door de rijksrecherche onder
verantwoordelijkheid van het College van procureurs-generaal;
e. het gegevens betreft die worden verwerkt op grond van
artikel 10, eerste lid, onderdeel b van de wet;
f. van een verwerking voor een door het College van
procureurs-generaal als embargo-onderzoek aangemerkt onderzoek met
een zeer groot belang van afscherming vanwege afbreukrisico’s,
levensbedreigende risico’s, politieke gevoeligheid of
publiciteitsgevoeligheid van het onderzoek.
2.De terbeschikkingstelling van persoonsgegevens, die worden
verwerkt door het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, kan worden
geweigerd tenzij:
a. de terbeschikkingstelling van de gegevens plaatsvindt ten
behoeve van verdere verwerking met het oog op het doel, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
b. uit de gegevens zelf een redelijk vermoeden voortvloeit dat
een bepaalde persoon een misdrijf heeft begaan;
c. de terbeschikkingstelling van de gegevens plaatsvindt op
grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel c, van de wet, en deze
gegevens redelijkerwijs van belang kunnen zijn ter voorkoming of
opsporing van misdrijven als bedoeld in artikel 3:1.
Paragraaf 3. Gegevensverwerking ernstige misdrijven
Artikel 3:1. Ernstige inbreuk rechtsorde misdrijven (artikel 10,
eerste lid, onderdeel a, onder 3°)
De misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, onder
3°, van de wet die gezien hun aard of samenhang met andere door de
betrokkene begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde
opleveren, zijn:
a. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 311, eerste lid, onder
3° tot en met 5°, en 416 van het Wetboek van Strafrecht, voor
zover de feiten een schade van ten minste€ 25 000 veroorzaakt
hebben en betrokkene tevens een misdrijf als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van de wet heeft begaan;
b. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b,
249, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht;
c. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 177, 178, 361 en 363
van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179 en 180 van het
Wetboek van Strafrecht in verband met de artikelen 181 en 182 van
dat wetboek;
d. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 225, 226, 227, 231 en
232 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de feiten een schade
van ten minste € 50 000 veroorzaakt hebben;
e. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 191 en 197a van het
Wetboek van Strafrecht;
f. het misdrijf, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A,
van de Opiumwet;
g. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 26 en 31 van de Wet
wapens en munitie, voor zover de feiten betrekking hebben op het
voorhanden hebben van vuurwapens en explosieven.
Artikel 3:2. Ernstig gevaar rechtsorde misdrijven (artikel 10, eerste
lid, onderdeel b)
De categorieën van misdrijven, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdeel b, van de wet, die door hun omvang of ernst of hun samenhang
met andere misdrijven een ernstig gevaar voor de rechtsorde opleveren,
zijn:
a. terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het
Wetboek van Strafrecht;
b. mensenhandel als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van
Strafrecht;
c. mensensmokkel als bedoeld in artikel 197a van het Wetboek van
Strafrecht.
Paragraaf 4. Verstrekking politiegegevens aan derden
Artikel 4:1. Verstrekking politiegegevens artikel 13, eerste lid,
onder a en d (artikel 18, eerste lid)
1.Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig artikel 13,
eerste lid, onderdeel a en onderdeel d, van de wet, kunnen, voor zover
zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden
verstrekt aan:
a. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten behoeve van het
vaststellen van de identiteit van personen;
b. luchtvaartmaatschappijen, als bedoeld in artikel 1,
onderdeel h, van de Luchtvaartwet, voor zover het gaat om
personalia en gegevens betreffende de datum van retourvervoer ten
behoeve van het voorkomen van overtredingen van de Opiumwet en de
bescherming van de gezondheid van personen door het weigeren van
het vervoer van personen van en naar bepaald aangewezen
buitenlandse bestemmingen en er met de betreffende
luchtvaartmaatschappijen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over
de waarborgen rond de gegevensverstrekking.
c. Onze Minister van Buitenlandse Zaken, ten behoeve van de
uitvoering van opdrachten tot signalering van personen in het
buitenland en het nemen van een beslissing omtrent de afgifte van
een paspoort of omtrent de verlening of verlenging van een visum.
2.De op grond van het eerste lid, onder b verstrekte gegevens met
betrekking tot individuele personen worden door de
luchtvaartmaatschappijen niet langer verwerkt dan gedurende een
termijn van ten hoogste zesendertig maanden na de datum van de
aanhouding van de betrokkene, die aanleiding geeft tot opneming van de
gegevens op de lijst.
Artikel 4:2. Verstrekking politiegegevens artikelen 8 en 13, eerste
lid (artikel 18, eerste lid)
1. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8 en 13, eerste lid, van de wet, kunnen, voor zover zij deze behoeven
voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan:
a. de commissie, bedoeld in artikel 8 van de Wet schadefonds
geweldsmisdrijven, ten behoeve van het nemen van een beslissing op
een verzoek tot uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven;
b. de stichting slachtofferhulp Nederland, ten behoeve van het
behartigen van belangen van slachtoffers van strafbare feiten of
verkeersongevallen;
c. de Stichting Processen Verbaal, voor zover het gegevens
betreft inzake aanrijdingen of aanvaringen, ten behoeve van een
goede uitvoering van haar taak;
d. het Waarborgfonds Motorverkeer, als bedoeld in artikel 23,
eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen, voor zover het betreft gegevens omtrent de
personalia en de verblijfplaats van benadeelden en zij deze
gegevens behoeven voor de hulp aan benadeelden ten behoeve van het
geldend maken van een recht op schadevergoeding, als bedoeld in
artikel 25, eerste lid, van die wet;
e. de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, ten
behoeve van:
– het onderzoek, bedoeld in de artikelen 101 en 142 van
het Reglement rijbewijzen, en het betreft overtreding van
artikel 6 of artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, of
– de vervulling van de in de artikelen 130 tot en met
134a van de Wegenverkeerswet 1994 aan de Divisie Vorderingen
van het bureau opgedragen taak;
f. Halt-bureaus, voor zover zij zijn aangewezen door Onze
Minister van Justitie op grond van artikel 48g van de Wet
Justitie-subsidies, ten behoeve van de alternatieve afdoening van
de strafbare feiten, gepleegd door minderjarigen;
g. reclasseringswerkers als bedoeld in artikel 6 van de
Reclasseringsregeling 1995, ten behoeve van het uitvoeren van de
werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 van die Regeling en de
indicatiestelling ten behoeve van de forensische zorg;
h. de Dienst Wegverkeer, ten behoeve van het uitvoeren van de
taken van de dienst op grond van artikel 2 van de Regeling taken
Dienst Wegverkeer;
i. de stichting, bedoeld in artikel 1, van de Wet op de
jeugdzorg, ten behoeve van de uitvoering van één van de taken
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, en artikel 10, eerste lid,
onderdelen a tot en met e, van die wet of een door Onze Minister
van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon, bedoeld in de
artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, ten behoeve van de uitvoering van één van de
taken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b,
van de Wet op de jeugdzorg;
j. de raad voor de kinderbescherming, ten behoeve van de
uitvoering van één van de bij wet aan de raad opgedragen taken;
k. Onze Minister van Justitie, ten behoeve van:
1°. het verwerken van gegevens over jeugdigen in het
Cliënt Volgsysteem jeugdcriminaliteit, ter ondersteuning van
de voorkoming en bestrijding van jeugdcriminaliteit;
2°. het verwerken van gegevens omtrent de identiteit van
verdachten en veroordeelden in de strafrechtsketendatabank en
de verdere verstrekking van die gegevens aan de
functionarissen en organen die met de toepassing van het
strafrecht zijn belast, ten behoeve van de vaststelling van de
identiteit van verdachten en veroordeelden;
3°. het verwerken van gegevens omtrent de identiteit van
vreemdelingen in de Basisvoorziening Vreemdelingen en de
verdere verstrekking van die gegevens aan instanties die zijn
betrokken bij de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000, ten
behoeve van de vaststelling van de identiteit van
vreemdelingen, en aan andere instanties met een publieke taak
belast, ten behoeve van registratie, identificatie en
verificatie van vreemdelingen, hun documenten of hun
verblijfsrechtelijke positie.
l. de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van
de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, ten behoeve van de
uitvoering van de in die wet opgedragen taken;
m. de door Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit aangewezen dienst, bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen, voor
zover het betreft gegevens met betrekking tot het proces-verbaal
en de kennisgeving van inbeslagneming, ten behoeve van een goede
toepassing van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen;
n. benadeelden van strafbare feiten, waaronder begrepen de
personen die in verband met die feiten in hun rechten zijn
getreden of ingevolge enige wettelijke bepaling terzake van die
rechten een recht van verhaal hebben gekregen, voor zover zij deze
gegevens behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen
komen;
o. de Inspectie voor de Openbare Orde en Veiligheid van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ten
behoeve van het toetsen van de taakuitvoering dan wel het beheer
van de politie of het verrichten van onderzoek, bedoeld in artikel
53a, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de Politiewet 1993;
p. de Minister van Justitie, ten behoeve van de verzending van
beschikkingen en transacties en de tenuitvoerlegging van
ontnemings- en schadevergoedingsmaatregelen door het Centraal
Justitieel Incassobureau;
q. de Dienst Terugkeer en Vertrek, voor zover het betreft
gegevens over vreemdelingen die zijn verkregen in het kader van de
uitoefening van het toezicht, bedoeld in de artikelen 46 en 47 van
de Vreemdelingenwet 2000, of de opsporing van strafbare feiten,
ten behoeve van de begeleiding van de terugkeer of het vertrek uit
Nederland van vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland
verblijven.
r. de Algemene Inspectiedienst van Onze Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit, ten behoeve van het uitvoeren van de
taak, bedoeld in artikel 67 van de Regeling GLB-inkomenssteun
2006;
s. een verzekeringsmaatschappij of de Minister van Defensie,
ten behoeve van de beoordeling van de wettelijke aansprakelijkheid
van het desbetreffende politiekorps of van de Minister van
Defensie en de vaststelling van een verplichting tot
schadeloosstelling van derden;
t. het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en
Psychologie, ten behoeve van het opstellen van de rapportages pro
justitia en de indicatieadvisering;
u. de leden van een commissie als bedoeld in artikel 61, tweede
lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, die zijn belast met de
behandeling van, en advisering over, klachten over gedragingen van
ambtenaren van politie, en de personen die zijn belast met de
ondersteuning van de leden van die commissie;
v. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, ten behoeve van de
huisvesting van een vreemdeling en de handhaving van de orde en
veiligheid in het aanmeldcentrum;
w. het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, voor wat
betreft gegevens over de verblijfplaats van een persoon, ten
behoeve van de inning van bijdragen of uitkeringen, bedoeld in
artikel 2, derde lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen;
x. de Minister van Defensie, ten behoeve van het nemen van een
beslissing over de ongeldigverklaring van een door die minister
afgegeven militair rijbewijs of rijmachtiging.
2. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8 en 13, eerste lid, van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven
voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan
ambtenaren die bij of krachtens de wet zijn belast met het houden van
toezicht op de naleving van de bij regeling van Onze Ministers
aangewezen wetgeving, voor zover het betreft gegevens over de naleving
van die wetgeving, en er tussen de verantwoordelijke en de betreffende
ambtenaren afspraken zijn gemaakt over welke gegevens verstrekt
worden, in welke gevallen en onder welke voorwaarden. De
verantwoordelijke legt deze afspraken vast.
3. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8 en 13, eerste lid, van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven
voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan de door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid respectievelijk
Onze Minister van Financiën aangewezen ambtenaren, die zijn belast
met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
Wet arbeid vreemdelingen respectievelijk de Invorderingswet 1990 en de
Algemene wet inzake rijksbelastingen ten behoeve van de inschatting
van de veiligheidsrisico’s met betrekking tot de uitoefening van
vorenbedoeld toezicht.
4. Politiegegevens, die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8 en 13, eerste lid, van de wet, kunnen worden verstrekt aan de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in artikel
2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met
het oog op signalering van veranderingen in de gegevens die in de
basisadministratie zijn opgenomen.
Artikel 4:3. Verstrekking politiegegevens artikelen 8, 9, 10 en 13
(artikel 18, eerste lid)
1. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c en 13 van de wet kunnen, voor
zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden
verstrekt aan:
a. Onze Minister van Justitie, ten behoeve van:
– de controle van rechtspersonen met het oog op de
voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen,
waaronder het plegen van misdrijven en overtredingen van
financieel-economische aard door of door middel van deze
rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
controle op rechtspersonen;
– de uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de
Gratiewet;
– de beoordeling van de benoeming, de herbenoeming of het
ontslag van de leden van de commissies van toezicht bij de
inrichtingen, bedoeld in onderdeel d;
– het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag,
bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens;
– de taakuitvoering van het Meldpunt Ongebruikelijke
Transacties;
– de tenuitvoerlegging van een maatregel als bedoeld in
artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, door
het Centraal Justitieel Incassobureau.
b. de burgemeester ten behoeve van de beoordeling van een
verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van
de Rijkswet op het Nederlanderschap;
c. de directeuren van inrichtingen, bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet, van de
inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en van de
inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, en functionarissen
van de Dienst Justitiële inrichtingen van het Ministerie van
Justitie, ten behoeve van:
1. het nemen van beslissingen over hetzij de aanstelling of
het ontslag van personeel, hetzij de toelating tot de
inrichting van personen die niet worden ingesloten in de
inrichting, voor zover dat noodzakelijk is voor de orde of
veiligheid in de inrichting respectievelijk de voorziening;
2. het nemen van beslissingen over het verlaten van de
inrichting bij wijze van verlof;
3. het nemen van beslissingen over de erkenning van een
penitentiair programma, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
de Penitentiaire beginselenwet, of een scholing- en
trainingprogramma, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
Beginselenwet justitiële inrichtingen;
4. het treffen van maatregelen met betrekking tot de
voorkoming van strafbare feiten door of met betrekking tot
gedetineerden, de handhaving van de orde en veiligheid in de
justitiële inrichting, of de ongestoorde tenuitvoerlegging
van de vrijheidsbeneming.
d. de commandant van de Koninklijke marechaussee, ten behoeve
van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 37s van
de Luchtvaartwet;
e. de korpschef van een regionaal politiekorps, ten behoeve van
zijn adviserende taak in het kader van de uitvoering van artikel
3B.1 van het Vuurwerkbesluit;
f. het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel l, van het Besluit algemene rechtspositie politie en het
bevoegde gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van
het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, ten behoeve van het
verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste
lid, en artikel 8b, eerste lid, van het Besluit algemene
rechtspositie politie en artikel 4a, eerste lid, en artikel 4b,
eerste lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, of
voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en
geschiktheid ten aanzien van personen die anderszins werkzaamheden
verrichten voor een politiekorps, een voorziening tot samenwerking
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van het Besluit
algemene rechtspositie politie, het Landelijk selectie- en
opleidingsinstituut politie, het Politie onderwijs- en
kenniscentrum of de rijksrecherche en waarvoor de gezagdragende
instanties justitiële gegevens als bedoeld in het Besluit
justitiële gegevens vragen;
g. het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, ten behoeve
van de uitoefening van de in die wet aan het bureau opgedragen
taak;
h. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten behoeve van het
nemen van beslissingen omtrent de toelating, het verblijf of de
ongewenstverklaring, als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, de
Rijkswet op het Nederlanderschap of een verdrag dan wel een voor
Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie,
als bedoeld in artikel 112 van de Vreemdelingenwet 2000;
i. de burgemeester en de commissaris van de Koning, ten behoeve
van hun adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van
de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau en Onze Minister
van Defensie met het oog op de toekenning van bij koninklijk
besluit te verlenen onderscheidingen;
j. gedragsdeskundigen, voor zover het betreft auditieve of
audiovisuele registraties van het verhoor van een persoon naar
aanleiding van een ernstig strafbaar feit, voor het beoordelen van
het verhoor en het opstellen van een deskundigenrapportage ten
behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, het gerechtelijk
vooronderzoek of het onderzoek ter terechtzitting;
k. Onze Minister van Defensie en de onder hem ressorterende
bevelvoerende militairen van een oorlogsschip, inrichting van de
zeemacht, compagnie, eskadron, batterij of squadron of een hogere
eenheid, voor zover het betreft gegevens omtrent:
1°. de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen
jegens een militair, ten behoeve van het nemen van maatregelen
met betrekking tot de operationele gereedheid van de eenheid;
of
2°. de betrokkenheid van een militair bij de verdenking
van een overtreding van de Opiumwet of een misdrijf, ten
behoeve van het nemen van besluiten inzake schorsing of
ontslag van militaire ambtenaren, als bedoeld in artikel 12
van de Militaire Ambtenarenwet 1931.
2. Politiegegevens, als bedoeld in het eerste lid kunnen, door
tussenkomst van het openbaar ministerie, worden verstrekt aan de
hierna te noemen personen of instanties:
a. De Nederlandsche Bank N.V., ten behoeve van:
1°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens,
handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 5 van het
Besluit prudentiële regels Wft, ter vaststelling van de
betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in de artikelen
3:9, eerste lid, en 3:99, eerste lid, van de Wet op het
financieel toezicht en ter beoordeling van de integere
bedrijfsuitoefening onderscheidenlijk de integere
bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3:10, eerste lid, en
3:17, eerste lid, van die wet;
2°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens,
handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheid van
(kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van
gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande
instellingen (Stcrt. 2005, 20), ter vaststelling van de
betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wet toezicht
trustkantoren en ter beoordeling van de integere
bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid,
onderdeel f, en 10, eerste lid, van die wet;
3°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens,
handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 31 van het
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, ter vaststelling van de
betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 105,
vijfde lid, van de Pensioenwet en artikel 110, vijfde lid, van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling en ter beoordeling
van de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in
artikel 143, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 138,
eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
b. Onze Minister van Financiën, ten behoeve van het verkrijgen
van inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten, bedoeld
in artikel 2 van de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheid van
(kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van
gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande
instellingen (Stcrt. 2005, 20), ter vaststelling van de
betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikelen 2, tweede
lid, onderdelen a, b, c of d, van de Wet inzake de
geldtransactiekantoren en ter beoordeling van de integere
bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 2, eerste en tweede lid,
4, tweede lid, 5, tweede lid, en 9, eerste lid, van die wet;
c. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, te behoeve van:
1°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens,
handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 12 van het
Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, ter
vaststelling van de betrouwbaarheid van een persoon als
bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de Wet op het
financieel toezicht en ter beoordeling van de integere
bedrijfsuitoefening onderscheidenlijk de integere
bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 4:11, eerste lid,
4:14, eerste lid, en 4:15, eerste lid, van die wet;
2°. het verkrijgen van inzicht in de voornemens,
handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
van de Beleidsregel 06-01 betrouwbaarheid personen ex Wet
toezicht accountantsorganisaties en Besluit toezicht
accountantsorganisaties (Stcrt. 2006, 190), ter vaststelling
van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel
15, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties en
artikelen 5 van het Besluit toezicht accountantsorganisaties
en ter beoordeling van de integere bedrijfsvoering, bedoeld in
artikel 21, eerste lid, van die wet.
3. De politiegegevens, bedoeld in het tweede lid, worden door leden
van het openbaar ministerie beoordeeld in het kader van de adviserende
taak voor de uitvoering van de bovenbedoelde wetten en kunnen, in het
kader van vorenbedoelde taak, worden verstrekt aan de personen en
instanties, genoemd in het tweede lid. Aan de verstrekking van de
politiegegevens kunnen door de leden van het openbaar ministerie
nadere voorwaarden worden gesteld. Die voorwaarden kunnen onder meer
betreffen het ter beschikking stellen of doorgeven van die gegevens of
inlichtingen aan derden.
4. De politiegegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, die zijn
verstrekt aan de personen en instanties, bedoeld in het tweede lid,
worden niet langer dan gedurende een termijn van twaalf maanden na de
datum van verkrijgen bewaard. De gegevens kunnen langer worden bewaard
met bijzondere toestemming van het openbaar ministerie. Daarbij kunnen
nadere voorwaarden worden gesteld.
5. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13, eerste lid, van de
wet, kunnen worden verstrekt aan de volgende personen en instanties,
voor zover zij deze behoeven voor het nemen van de besluiten waarmee
zij zijn belast op grond van de hiernavolgende wetten:
– de Minister van Justitie, ten behoeve van het nemen van een
beslissing op grond van de Wet wapens en munitie;
– de Minister van Justitie, ten behoeve van het nemen van een
beslissing op grond van de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;
– de korpschef, ten behoeve van het nemen van beschikkingen
omtrent het verlenen of intrekken van jachtakten op grond van de
Flora- en faunawet;
– het college van burgemeester en wethouders, de
burgemeester, gedeputeerde staten of de commissaris van de
Koningin, ten behoeve van het nemen van een beslissing omtrent de
verlening, weigering of intrekking van een vergunning op grond van
de Drank- en Horecawet;
– de burgemeester, ten behoeve van het nemen van een
beslissing omtrent een vergunning op grond van de Wet op de
kansspelen.
6. Politiegegevens die worden verstrekt in de gevallen, bedoeld in
het vijfde lid, kunnen tevens worden verstrekt aan een bestuursorgaan
dat beslist naar aanleiding van een ingesteld bezwaar of
administratief beroep.
Artikel 4:3a. (verstrekking aan BES)
1. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c en 13 van de wet kunnen worden
verstrekt aan leden van het openbaar ministerie met het oog op het
verder verstrekken aan het openbaar ministerie in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten behoeve van de adviserende taak
van laatstbedoeld openbaar ministerie in het kader van de uitvoering
van de wetten, genoemd inartikel 6a:6, tweede lid, onderdelen a en b,
en, door tussenkomst van dat openbaar ministerie in het kader van
vorenbedoelde taak, verder worden verstrekt aan:
a. de Nederlandsche Bank ten behoeve van de uitoefening van de
taken, genoemd in artikel 6a:6, tweede lid, onderdeel a.
b. de Autoriteit Financiële Markten ten behoeve van de
uitoefening van de taken, genoemd in artikel 6a:6, tweede lid,
onderdeel b.
2. Artikel 4:3, derde en vierde lid, is van toepassing.
Artikel 4:4. Verstrekking politiegegevens artikelen 8, 9, 10 en 13
(artikel 18, eerste lid)
Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9,
10 en 13 van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven voor een goede
uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan Onze Minister van Justitie
en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten
behoeve van:
– het verrichten van dreiging- en risico-evaluaties en het
vaststellen van bewaking- en beveiligingsopdrachten en adviezen door
de evaluatiedriehoek, met het oog op het bewaken en beveiligen van
personen, objecten en diensten;
– het nemen van een beslissing omtrent een maatregel strekkende
tot beperking van de vrijheid van beweging, als voorzien in de Wet
bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid.
Artikel 4:5. Verstrekking artikel 9- of 10-gegevens op incidentele
basis of ten behoeve van een samenwerkingsverband (artikel 21)
1.In de gevallen waarin de verantwoordelijke beslist tot
verstrekking van politiegegevens op grond van artikel 19 of artikel
20, eerste lid, van de wet, worden geen politiegegevens verstrekt die
worden verwerkt overeenkomstig artikel 9 of artikel 10 van de wet.
2.Indien dringend noodzakelijk voor een goede uitvoering van de
politietaak kan de verantwoordelijke in afwijking van het eerste lid
beslissen tot verstrekking van politiegegevens die worden verwerkt
overeenkomstig artikel 9 of 10, eerste lid, onderdelen a en c van de
wet, na overleg met een functionaris die is aangewezen op grond van
artikel 2:10.
Artikel 4:6. Rechtstreekse verstrekking politiegegevens (artikel 23,
tweede lid)
Aan de volgende daartoe bepaald aangewezen personen kunnen op grond
van artikel 23, tweede lid, van de wet, rechtstreeks politiegegevens,
die worden verwerkt op grond van de artikelen 8, 9 of 10, eerste lid,
onderdelen a en c, en 13 van de wet worden verstrekt, voor zover zij
deze behoeven voor de volgende doeleinden:
a. de ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten
behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, onderdeel
a;
b. de ambtenaren van Onze Minister van Buitenlandse Zaken, ten
behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, onderdeel
c;
c. de personen, werkzaam bij het Meldpunt Ongebruikelijke
Transacties, ten behoeve van de taak van het meldpunt, bedoeld in
artikel 13 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme;
d. de ambtenaren die werkzaam zijn bij de nationale politiële
contactpunten, bedoeld in artikel 5:3, vierde lid.
Artikel 4:7. Verstrekking politiegegevens ten behoeve van
beleidsinformatie, wetenschappelijk onderzoek en statistiek (artikel 22,
tweede lid)
1.Politiegegevens, die worden verwerkt op grond van de artikelen 8
en 13, eerste lid, van de wet, kunnen slechts worden verstrekt ten
behoeve van beleidsinformatie en wetenschappelijk onderzoek en
statistiek nadat aan de betrokken onderzoeker daartoe schriftelijk
toestemming is verleend door:
a. Onze Minister van Justitie, indien het gegevens betreft die
worden verwerkt met het oog op de uitvoering van een taak onder
het gezag van de officier van justitie, of
b. de burgemeester, indien het gegevens betreft die worden
verwerkt met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag
van de burgemeester.
2.De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gegeven
indien
a. het onderzoek het algemeen belang dient;
b. de organisatie van de politie niet onnodig wordt belast;
c. het onderzoek zonder de betrokken gegevens niet kan worden
uitgevoerd, en
d. de persoonlijke levenssfeer van de betreffende personen niet
onevenredig wordt geschaad.
3.Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorwaarden
worden verbonden.
4.De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt ter kennis
gebracht van de betreffende verantwoordelijke en geldt als machtiging
tot het verstrekken van de omschreven gegevens.
5.Rechtstreekse benadering van personen, over wie politiegegevens
worden verwerkt, door de onderzoeker vindt niet plaats, tenzij dit
uitdrukkelijk is toegestaan bij de toestemming ingevolge het eerste
lid. Deze toestemming kan slechts worden verleend indien rechtstreekse
benadering voor het doel van het onderzoek onvermijdelijk is.
6.Indien politiegegevens, als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of
13 van de wet,.op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet worden
verstrekt ten behoeve van het in het eerste lid omschreven doel, is
het bepaalde in het tweede, derde, vierde en vijfde lid van
toepassing.
Artikel 4:8. Geheimhoudingsplicht
Bij de verstrekking van politiegegevens aan derden, op grond van de
artikelen 19 en 20 van de wet, wijst de verantwoordelijke de betrokken
personen en instanties op de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 7,
tweede lid, van de wet.
Paragraaf 5. Verstrekking politiegegevens aan het buitenland
Artikel 5:1. Verstrekking politiegegevens buitenland (artikel 17,
zesde lid)
1. Aan autoriteiten in een land binnen het Koninkrijk, in een ander
land of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die
zijn belast met de uitvoering van de politietaak, kunnen
politiegegevens worden verstrekt, voorzover dit noodzakelijk is voor
de goede uitvoering van de politietaak in het Europese deel van
Nederland, dan wel voorzover dit noodzakelijk is voor de goede
uitvoering van de politietaak in het desbetreffende land dan wel het
openbare lichaam ingeval van:
a. de opsporing van een ernstig misdrijf of de voorkoming van
een ernstig gevaar voor de openbare orde,
b. een verzoek met betrekking tot een bepaalde persoon of een
bepaald geval, of
c. de uitvoering van taken die overeenkomen met de taken ten
dienste van de justitie, als bedoeld in artikel 1, onderdeel g,
van de Politiewet 1993, op grond van een verzoek met betrekking
tot een bepaalde persoon of een bepaald geval.
2. De gegevens worden verstrekt onder de algemene voorwaarde dat
deze slechts verder kunnen worden verwerkt voor het doel waarvoor ze
zijn verstrekt. In bijzondere gevallen kunnen de verstrekte gegevens
verder worden verwerkt ten behoeve van de voorkoming van een
onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid. Op
verzoek van de ontvangende persoon of instantie kan de
verantwoordelijke instemmen met de verdere verwerking van verstrekte
gegevens voor een ander doel voor zover dit noodzakelijk is voor de
goede uitvoering van de politietaak in dat land of de openbare
lichamen.
3. De verstrekking van politiegegevens, die worden verwerkt in
verband met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of de
handhaving van de openbare orde, vindt plaats door tussenkomst van het
Korps landelijke politiediensten. De verstrekking kan zonder
tussenkomst van dit korps plaatsvinden overeenkomstig afspraken met
politieautoriteiten in het buitenland, voor zover deze afspraken zijn
goedgekeurd door:
a. Onze Minister van Justitie, indien het gegevens betreft die
worden verwerkt in het kader van de taakuitvoering onder het gezag
van de officier van justitie;
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
voor zover het gegevens betreft die worden verwerkt in het kader
van de taakuitvoering onder het gezag van de burgemeester.
4. In de grensgebieden kan de verstrekking, bedoeld in de eerste
zin van het derde lid, zonder tussenkomst van het Korps landelijke
politiediensten plaatsvinden voor zover dit voortvloeit uit een
verdrag waar ook België of Duitsland als verdragssluitende partij bij
betrokken zijn of uit een besluit, bedoeld in artikel 34, tweede lid
van, het Verdrag betreffende de Europese Unie.
5. Politiegegevens die betrekking hebben op de in artikel 5 van de
wet genoemde kenmerken worden slechts verstrekt indien dit met het oog
op een juiste beantwoording van een door een buitenlandse
politieautoriteit gestelde vraag onvermijdelijk is.
6. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
politiegegevens die worden verwerkt op grond van artikel 10, eerste
lid, onderdeel b van de wet. Verstrekking van gegevens die worden
verwerkt op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel a of onderdeel
c, van de wet vindt slechts plaats na instemming van de betrokken
officier van justitie, respectievelijk de betrokken burgemeester.
7. Indien politiegegevens worden ontvangen van een land binnen het
Koninkrijk, van een ander land of van de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba of van een internationale organisatie dan wordt
de verstrekkende instantie desgevraagd geïnformeerd over de
verwerking van de verstrekte gegevens en het daardoor behaalde
resultaat.
8. Politiegegevens die worden verwerkt door het Meldpunt
Ongebruikelijke Transacties kunnen worden verstrekt aan van
overheidswege aangewezen administratieve of politiële meldpunten in
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in een land
binnen het Koninkrijk of in een ander land die een vergelijkbare taak
hebben als het meldpunt. Het bepaalde in het derde lid vindt geen
toepassing.
Artikel 5:2. Verstrekking politiegegevens binnen de EU t.b.v.
strafrechtelijke handhaving rechtsorde (artikel 17, zesde lid)
1. Aan personen of instanties in een andere lidstaat van de
Europese Unie, die zijn belast met de voorkoming en opsporing van
strafbare feiten in de betreffende lidstaat, worden politiegegevens
verstrekt onder gelijke voorwaarden als aan politieambtenaren in
Nederland, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van
die taak en behoudens de toepassing van de gronden, bedoeld in het
tweede lid.
2. De verstrekking kan worden geweigerd of aan beperkende
voorwaarden worden onderworpen indien dit:
a. een geval betreft als bedoeld in artikel 2:13;
b. essentiële nationale veiligheidsbelangen zou schaden;
c. het welslagen van een lopend onderzoek of een verwerking,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de wet of de
veiligheid van personen in gevaar zou brengen;
d. duidelijk disproportioneel of irrelevant zou zijn met het
oog op de doelen waarvoor om verstrekking van de gegevens is
verzocht;
e. betrekking heeft op een strafbaar feit dat in Nederland
strafbaar is gesteld met een gevangenisstraf van één jaar of
minder;
f. betrekking heeft op politiegegevens die uitsluitend kunnen
worden verstrekt na instemming van de officier van justitie en
deze geen toestemming geeft voor de verstrekking;
g. betrekking heeft op politiegegevens die zijn verkregen van
een andere lidstaat of van een derde land en deze geen toestemming
geeft voor de verstrekking.
3. Aan personen of instanties in een andere lidstaat, als bedoeld
in het eerste lid, worden politiegegevens verstrekt, voor zover zij
deze behoeven ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving
van de openbare orde in verband met grootschalige evenementen. De
politiegegevens kunnen uitsluitend worden verstrekt indien definitieve
veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de
desbetreffende personen tijdens de evenementen strafbare feiten zullen
plegen of dat zij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid
vormen. De politiegegevens worden verstrekt onder de voorwaarde dat
deze worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt, in elk
geval uiterlijk na één jaar.
4. Artikel 5:1, tweede, derde, vierde, vijfde en zevende lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5:3. Rechtstreeks geautomatiseerde verstrekking
politiegegevens binnen de EU (artikel 17, zesde lid)
1.Verstrekking van politiegegevens betreffende de voorkoming en
opsporing van strafbare feiten, aan politieautoriteiten in een andere
lidstaat van de Europese Unie kan rechtstreeks plaatsvinden door
middel van de geautomatiseerde vergelijking van de categorieën van
politiegegevens, bedoeld in het tweede lid.
2.De vergelijking van gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt
plaats in afzonderlijke gevallen en betreft dactyloscopische gegevens.
3.Indien bij de gegevensvergelijking wordt vastgesteld dat gegevens
overeenkomen dan worden uitsluitend de overeenkomende gegevens
verstrekt. Voor verstrekking van nadere, met betrekking tot de
overeenkomende gegevens beschikbare persoon- of zaaksgegevens is een
verzoek, als bedoeld in artikel 552h van het Wetboek van
Strafvordering, vereist. De verdere verwerking van de verstrekte
politiegegevens is uitsluitend toegestaan met het oog op:
a. de vaststelling of de vergeleken profielen overeenstemmen;
b. de voorbereiding en indiening van een verzoek om rechtshulp;
c. de protocollering van de gegevens.
Na afloop van de gegevensvergelijking worden de verstrekte gegevens
onverwijld gewist, tenzij verdere verwerking noodzakelijk is ten
behoeve van de doelen, als bedoeld in onderdeel b of c.
4.De verstrekking vindt uitsluitend plaats aan ambtenaren die
werkzaam zijn bij daartoe aangewezen nationale politiële
contactpunten en die zijn geautoriseerd voor de geautomatiseerde
vergelijking van de politiegegevens. De lijst van ambtenaren, die zijn
geautoriseerd tot de geautomatiseerde bevraging of vergelijking als
bedoeld in het eerste lid, wordt desgevraagd ter beschikking gesteld
aan de andere lidstaten en aan het College bescherming
persoonsgegevens.
5.Artikel 23, derde lid, van de wet is van overeenkomstige
toepassing.
6.Het bepaalde in artikel 5:1, zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 5:4. Verstrekking politiegegevens aan gemeenschappelijke
teams binnen de EU (artikel 17, zesde lid)
1.Aan de politieambtenaar uit een andere lidstaat van de Europese
Unie, die is toegevoegd aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam als
bedoeld in artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering dat is
gevestigd in Nederland, kunnen politiegegevens worden verstrekt op
gelijke voet als aan Nederlandse politieambtenaren, voor zover zij
deze behoeven voor de doeleinden waarvoor het gemeenschappelijke
onderzoeksteam is ingesteld.
2.Aan de Nederlandse politieambtenaar die is toegevoegd aan een
gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het
Wetboek van Strafvordering dat is gevestigd in een andere lidstaat van
de Europese Unie, kunnen politiegegevens worden verstrekt met het oog
op de gebruikmaking daarvan voor de doeleinden waarvoor het
gemeenschappelijke onderzoeksteam is ingesteld.
Artikel 5:5. Verstrekking politiegegevens aan Europol (artikel 17,
zesde lid)
1.Aan Europol worden gegevens verstrekt ten behoeve van de
vervulling van de doelstelling en taken van die dienst op grond van de
Europol-Overeenkomst.
2.De gegevens worden verstrekt door tussenkomst van het Korps
landelijke politiediensten. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van
Nederlandse verbindingsofficieren die bij Europol worden geplaatst.
3.De verstrekking van gegevens kan in afzonderlijke gevallen worden
geweigerd indien de gronden, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de
Europol-Overeenkomst van toepassing zijn.
Paragraaf 6. Diversen
Artikel 6:1. Overeenkomstige toepassing informanten (artikel 12,
vijfde lid)
1.Het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing op de volgende categorieën van personen:
a. infiltranten;
b. personen die in aanmerking zijn gebracht voor
beschermingsmaatregelen, als bedoeld in het Besluit
getuigenbescherming.
2.De verwerking, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vindt
slechts plaats omtrent:
a. verdachten;
b. personen in de omgeving van de verdachte wier handelen van
invloed kan zijn op het doel van de verwerking, als bedoeld in het
eerste lid, en de bescherming van de infiltrant;
c. infiltranten;
d. begeleiders;
e. opsporingsambtenaren;
f. leden van het openbaar ministerie.
3.De verwerking, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vindt
slechts plaats omtrent:
a. getuigen ten aanzien van wie een dreiging bestaat;
b. personen in de omgeving van de getuigen;
c. verdachten;
d. personen in de omgeving van de verdachte wier handelen van
invloed kan zijn op het doel van de verwerking, als bedoeld in het
eerste lid, en de bescherming van de getuige;
e. begeleiders;
f. opdrachtgevers.
Artikel 6:2. Ondersteunende taken (artikel 13, vierde lid)
1.Over de verwerkingen bedoeld in artikel 13, eerste, tweede en
derde lid, van de wet, wordt tevoren schriftelijk vastgelegd:
a. ten behoeve van welk specifiek doel ter ondersteuning van de
politietaak de gegevens verder worden verwerkt;
b. de categorieën van personen over wie gegevens ten behoeve
van het betreffende doel verder worden verwerkt en de soorten van
de over hen op te nemen gegevens;
c. de termijn waarbinnen dan wel de gevallen waarin het verder
verwerken van de betreffende gegevens wordt beëindigd;
d. de frequentie waarmee de gegevens ter voldoening aan de
onder c bedoelde verplichting tot beëindiging van de verwerking
worden gecontroleerd;
e. de verantwoordelijke of verantwoordelijken die de gegevens
verder verwerken;
f. indien sprake is van een bewerker, degene die als bewerker
optreedt.
2.Over de verwerkingen bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de
wet, wordt bovendien tevoren schriftelijk vastgelegd welke van de
betreffende gegevens voor de korpsen rechtstreeks raadpleegbaar worden
gesteld en welke aan de korpsen ter beschikking worden gesteld voor
zover zij deze nodig hebben voor de uitvoering van de politietaak.
3.De op grond van het eerste en tweede lid schriftelijk vastgelegde
gegevens worden ter inzage gelegd gedurende de tijd dat de gegevens
ingevolge artikel 32, derde lid, van de wet beschikbaar zijn.
Artikel 6:3. Vergoeding van kosten (artikel 31, eerste lid)
1.Voor een mededeling als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de
wet, kan de verantwoordelijke ter vergoeding van kosten een bedrag van
ten hoogste€ 4,50 in rekening brengen aan betrokkene.
2.De betaling van de geldsom geschiedt door betaling met een wettig
betaalmiddel of op enige andere door de verantwoordelijke toegestane
wijze van betaling.
3.Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie kan het bedrag,
bedoeld in het eerste lid, jaarlijks worden aangepast.
Artikel 6:4. Protocolplicht (artikel 32, vierde lid)
1.De schriftelijke vastlegging van het doel van het onderzoek,
bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, omvat een omschrijving
van het onderwerp waar het onderzoek op is gericht en op welk deel van
de uitoefening van de politietaak het onderzoek betrekking heeft.
2.Indien politiegegevens geautomatiseerd worden vergeleken met
andere gegevens of in combinatie met elkaar worden verwerkt, als
bedoeld in artikel 11, eerste, tweede, vierde en vijfde lid van de
wet, worden van die verwerking de volgende gegevens vastgelegd:
a. de gegevens die voor de rechtstreekse raadpleging zijn
gebruikt;
b. de identiteit of het kenmerk van de politieambtenaar die de
rechtstreekse raadpleging heeft uitgevoerd;
c. de gegevens op grond waarvan kan worden nagegaan welke
gegevens ter beschikking zijn gesteld voor verdere verwerking voor
een doel, als bedoeld in artikel 9 of 10 van de wet;
3.Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing
indien politiegegevens ter beschikking worden gesteld voor hernieuwde
verwerking op grond van artikel 9 of 10 van de wet, bedoeld in artikel
14, derde lid, van de wet.
4.Indien politiegegevens op grond van paragraaf 3 van de wet worden
verstrekt, worden van die verstrekking de volgende gegevens
vastgelegd:
a. de identiteit van de verzoeker;
b. de datum van de verstrekking;
c. een omschrijving van de verstrekte gegevens;
d. het doel van de verstrekking.
5.Indien politiegegevens op grond van paragraaf 3 van de wet
rechtstreeks langs geautomatiseerde weg, als bedoeld in artikel 23,
tweede lid, van de wet worden verstrekt, worden van die verstrekking
de volgende gegevens vastgelegd:
a. een uniek kenmerk van de verzoeker;
b. de gegevens die ten behoeve van de gegevensvergelijking door
de verzoeker zijn ingebracht;
c. de gegevens op grond waarvan kan worden nagegaan welke
gegevens naar aanleiding van de gegevensvergelijking zijn
verstrekt inclusief de mededeling van het niet voorhanden zijn van
een gegeven;
d. de datum en het tijdstip van de verstrekking.
6.De verplichtingen van het vierde en vijfde lid zijn niet van
toepassing op de verstrekking van gegevens op grond van artikel 16,
eerste lid, onderdeel c, van de wet.
Artikel 6:5. Audits (artikel 33, vijfde lid)
1.Twee jaren na inwerkingtreding van de wet, en vervolgens eenmaal
in de vier jaren, laat de verantwoordelijke de uitvoering van de bij
of krachtens de wet gegeven regels door een privacy audit controleren,
op bij regeling van Onze Ministers te bepalen wijze.
2.De controle heeft betrekking op de wijze waarop het verwerken van
politiegegevens is georganiseerd, de maatregelen en procedures die
daarop van toepassing zijn en de werking van deze maatregelen en
procedures.
3.Een onafhankelijke auditor die voldoet aan de bij regeling van
Onze Ministers te stellen eisen van werkwijze, deskundigheid en
betrouwbaarheid voert de controle uit.
4.De hercontrole, bedoeld in artikel 33, derde lid, van de wet,
vindt plaats op bij regeling van Onze Ministers te bepalen wijze.
5.Bij regeling van Onze Ministers kan bepaald worden dat ter
voorbereiding op de controle, bedoeld in het eerste lid, interne
audits plaatsvinden en kunnen regels worden gesteld over de wijze
waarop deze audits worden verricht.
Artikel 6:6. Gegevensverwerking door het Meldpunt Ongebruikelijke
Transacties
1. Bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties worden
persoonsgegevens verwerkt over de volgende categorieën van personen:
a. personen ten aanzien van wie een melding heeft
plaatsgevonden van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke
transactie;
b. personen die als opdrachtgever, begeleider, tussenpersoon,
begunstigde of lastgever betrokken zijn bij een verrichte of
voorgenomen ongebruikelijke transactie;
c. personen, ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat
van het plegen van een misdrijf en personen die zijn veroordeeld
terzake van het plegen van een misdrijf, indien noodzakelijk voor
het doel van het meldpunt ongebruikelijke transacties;
d. personen, die betrokken zijn bij een verrichte of
voorgenomen financiële transactie, ten aanzien waarvan een
melding heeft plaatsgevonden op grond van de Wet melding
ongebruikelijke transacties BES of bij een meldpunt in een land
binnen het Koninkrijk of in een ander land;
e. personen, die betrokken zijn bij een verdachte transactie;
f. personen, die werkzaam zijn bij het meldpunt ongebruikelijke
transacties, bij de politie, bij justitie, bij een instantie
belast met het toezicht op de personen en instellingen die onder
de wettelijke meldplicht vallen dan wel met enige
publiekrechtelijke taak, bij een instelling of bij een buitenlands
meldpunt, die als contactpersoon optreden voor wat betreft de
verstrekking van gegevens door of aan het meldpunt;
g. personen, ten aanzien van wie een voor het doel van het
meldpunt relevante relatie met een gemelde ongebruikelijke
transactie bekend is geworden of vermoedelijk bekend zal worden,
en deze relatie een andere is dan die bedoeld in de voorgaande
onderdelen.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verwijderd zodra
zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van de verwerking. De
gegevens worden vernietigd uiterlijk vijf jaar na de datum van laatste
opneming.
Paragraaf 6a. Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 6a:1. (toepasselijkheid op Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
Dit besluit is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba met inachtneming van het in deze paragraaf
bepaalde met dien verstande dat voor de toepassing of lezing van een
aantal bepalingen in dit besluit artikel 36b onderscheidenlijk artikel
36c, eerste lid, van de wet in acht moet worden genomen.
Artikel 6a:2. (omzetting bepalingen naar toepasselijkheid Bonaire,
Sint Eustatius en Saba)
1. Voor de toepassing van:
a. artikel 2:4, eerste lid, wordt in plaats van «de ambtenaren
van politie die werkzaam zijn bij een daartoe ingerichte eenheid
die specifiek is belast met de verwerking van politiegegevens als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet»
gelezen: de daartoe door de verantwoordelijke aangewezen
ambtenaren van politie;
b. artikel 2:5, eerste lid, wordt in plaats van «de ambtenaren
van politie die zijn belast met de verwerking van politiegegevens
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de wet»
gelezen: de daartoe door de verantwoordelijke aangewezen
ambtenaren van politie;
c. artikel 2:5, tweede lid, wordt in plaats van «de ambtenaren
van politie die zijn belast met de verwerking van politiegegevens
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet»
gelezen: de daartoe door de verantwoordelijke aangewezen
ambtenaren van politie;
d. artikel 2:7, eerste lid, wordt in plaats van «artikel 14,
eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme»gelezen: artikel 3, eerste lid, van de Wet melding
ongebruikelijke transacties BES;
e. artikel 2:8wordt in plaats van «kunnen worden geautoriseerd
de ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een eenheid die
met de uitvoering van deze taak is belast» gelezen: kunnen
daartoe door de verantwoordelijke aangewezen ambtenaren van
politie worden belast;
f. artikel 2:10, tweede lid, wordt in plaats van «het hoofd
van de betreffende eenheid die is belast met de verwerking van
politiegegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a,
b of c, van de wet, dan wel het hoofd van een eenheid met een
vergelijkbare taak of hun plaatsvervanger» gelezen: de ambtenaren
van politie die daartoe door de verantwoordelijke zijn aangewezen.
g. artikel 2:13, eerste lid, onder d, wordt in plaats
van«rijksrecherche» gelezen «recherche» en in plaats van «het
College van procureurs-generaal» gelezen: de procureur-generaal;
h. artikel 2:13, eerste lid, onder f, wordt in plaats van «het
College van procureurs-generaal» gelezen: de procureur-generaal;
i. artikel 2:13, tweede lid, wordt in plaats van «De
terbeschikkingstelling van persoonsgegevens, die worden verwerkt
door het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, kan worden
geweigerd» gelezen: Onverminderd artikel 6 van de Wet melding
ongebruikelijke transacties BES, kan de terbeschikkingstelling van
persoonsgegevens, die worden verwerkt door het Meldpunt
Ongebruikelijke Transacties, worden geweigerd;
j. artikel 2:13, tweede lid, onderdeel c, wordt in plaats van
«artikel 16, eerste lid, onderdeel c» gelezen «artikel 36d,
eerste lid, onderdeel a» en in plaats van «artikel 3:1»
gelezen:artikel 6a:3.;
k. artikel 4:1, eerste lid, onderdeel b, wordt in plaats van
«artikel 1, onderdeel h, van de Luchtvaartwet» gelezen «artikel
1, eerste lid, onderdeel i van de Luchtvaartwet BES» en wordt in
plaats van «Opiumwet» gelezen: Opiumwet 1960 BES;
l. artikel 4:6, onder c, wordt in plaats van «bedoeld in
artikel 13 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme» gelezen: bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
Wet melding ongebruikelijke transacties BES;
m. artikel 4:7, eerste lid, onder b, wordt in plaats van «de
burgemeester»telkens gelezen: de gezaghebber;
n. artikel 5:1, eerste lid, aanhef, wordt in plaats van «in
een land binnen het Koninkrijk, in een ander land of in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba» gelezen «in
een land binnen het Koninkrijk of in een ander land' en wordt in
plaats van «het Europese deel van Nederland» gelezen «de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba» en wordt in
plaats van «land dan wel het openbare lichaam» gelezen: land;
o. artikel 5:1, eerste lid, onder c, wordt in plaats van
«artikel 1, onderdeel g, van de Politiewet 1993» gelezen:
artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Rijkswet politie van
Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
p. artikel 5:1, tweede lid, wordt in plaats van «dat land of
de openbare lichamen» gelezen: dat land.
q. artikel 5:1, derde lid, wordt in plaats van «het Korps
landelijke politiediensten» gelezen «de officier van justitie»
en vervalt de tweede zin;
r. artikel 5:1, zesde lid, wordt in plaats van «burgemeester»
gelezen: gezaghebber.
s. artikel 5:1, zevende lid, wordt in plaats van «van een land
binnen het Koninkrijk, van een ander land of van de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba» gelezen: van een ander
land.
t. artikel 5:1, achtste lid, wordt in plaats van «in de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of in een land
binnen het Koninkrijk of in een ander land» gelezen: in een land
binnen het Koninkrijk of in een ander land.
u. artikel 6:3, eerste lid, wordt in plaats van «€ 4,50»
gelezen: USD 5;
v. artikel 6:4, vierde en vijfde lid, wordt telkens na
«paragraaf 3»ingevoegd: en artikel 36d.
w. artikel 6:4, zesde lid, wordt in plaats van «artikel 16,
eerste lid, onderdeel c,» gelezen: artikel 36d, eerste lid,
onderdeel a,;
x. artikel 6:6, eerste lid, onderdeel d, wordt in plaats van
«op grond van de Wet melding ongebruikelijke transacties BES»
gelezen: op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme.
2. Deartikelen 2:3, derde lid, 2:4, tweede lid, 4:2, derde en
vierde lid,4:3, derde tot en met zesde lid, 4:3a, 4:4, tweede
gedachtestreepje,4:6, onderdeel d, 4:7, eerste lid, onderdeel b, 5:1,
vierde lid, 5:2, 5:3, 5:4, 5:5 en 6:1, eerste lid, onder b, en derde
lid zijn niet van toepassing
Artikel 6a:3. Ernstige inbreuk rechtsorde misdrijven (artikel 10,
eerste lid, onderdeel a, onder 3°)
In afwijking vanartikel 3:1 zijn de misdrijven, bedoeld in artikel
10, eerste lid, onderdeel a, onder 3° juncto artikel 36c, eerste lid,
onderdeel c, van de wet die gezien hun aard of samenhang met andere door
de betrokkene begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde
opleveren:
a. de misdrijven bedoeld in de artikelen 324, onderdelen 4° en
5°, en artikel 431 van het Wetboek van Strafrecht BES, voor zover
de feiten een schade van ten minste USD 14 000 veroorzaakt hebben en
betrokkene tevens een misdrijf als bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, juncto artikel 36c, eerste lid,
onderdeel c, van de wet heeft begaan;
b. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 246, 253, 256, 256a,
257, 258 en 286f van het Wetboek van Strafrecht BES;
c. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 183, 184, 377 en 379
van het Wetboek van Strafrecht BES en de artikelen 185 en 186 van
het Wetboek van Strafrecht BES in verband met de artikelen 187 en
188 van dat wetboek;
d. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 230, 231, 232, 236 en
237 van het Wetboek van Strafrecht BES, voor zover de feiten een
schade van ten minste USD 28 000 veroorzaakt hebben;
e. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 196a en 203a van het
Wetboek van Strafrecht BES;
f. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 3a, eerste lid en 4,
eerste lid, onderdelen b, c en d, telkens onder A van de Opiumwet
1960 BES;
g. de misdrijven, bedoeld in de artikelen 3 en 5 van de
Vuurwapenwet BES, voor zover de feiten betrekking hebben op het
voorhanden hebben van vuurwapens en explosieven.
Artikel 6a:4. Ernstig gevaar rechtsorde misdrijven (artikel 10,
eerste lid, onderdeel b)
In afwijking van artikel 3:2 zijn de categorieën van misdrijven,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet, die door hun
omvang of ernst of hun samenhang met andere misdrijven een ernstig
gevaar voor de rechtsorde opleveren:
a. terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 84a van het
Wetboek van Strafrecht BES;
b. mensenhandel als bedoeld in artikel 286f van het Wetboek van
Strafrecht BES;
c. mensensmokkel als bedoeld in artikel 203a van het Wetboek van
Strafrecht BES.
Artikel 6a:5. Verstrekking politiegegevens artikelen 8 en 13, eerste
lid (artikel 18, eerste lid)
1. In afwijking van artikel 4:2, eerste lid, kunnen politiegegevens
die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid,
van de wet en voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering
van hun taak, worden verstrekt aan:
a. het Waarborgfonds Motorverkeer, als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
motorrijtuigen BES, voor zover het betreft gegevens omtrent de
personalia en de verblijfplaats van benadeelden en zij deze
gegevens behoeven voor de hulp aan benadeelden ten behoeve van het
geldend maken van een recht op schadevergoeding, als bedoeld in
artikel 17 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
BES;
b. degene die namens een reclasseringsinstelling
reclasseringswerkzaamheden verricht ten behoeve van die
werkzaamheden;
c. de voogdijraad ten behoeve van de uitvoering van één van
de bij wet aan de voogdijraad opgedragen taken;
d. Onze Minister van Justitie ten behoeve van het verwerken van
gegevens omtrent de identiteit van vreemdelingen en de verdere
verstrekking van die gegevens aan instanties die zijn betrokken
bij de uitvoering van de Wet toelating en uitzetting BES, ten
behoeve van de vaststelling van de identiteit vreemdelingen, en
aan andere instanties met een publieke taak belast, ten behoeve
van registratie, identificatie en verificatie van vreemdelingen,
hun documenten of hun verblijfsrechtelijke positie;
e. de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2, van
de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, ten behoeve van de
uitvoering van de in die wet opgedragen taken;
f. benadeelden van strafbare feiten, waaronder begrepen de
personen die in verband met die feiten in hun rechten zijn
getreden of ingevolge enige wettelijke bepaling terzake van die
rechten een recht van verhaal hebben gekregen, voor zover zij deze
gegevens behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen
komen;
g. de door Onze Minister van Justitie aangewezen organisatie,
ten behoeve van de verzending van beschikkingen en transacties en
de tenuitvoerlegging van ontnemings- en
schadevergoedingsmaatregelen;
h. de Dienst Terugkeer en Vertrek, voor zover het betreft
gegevens over vreemdelingen die zijn verkregen in het kader van de
uitoefening van het toezicht, bedoeld in artikel 22a van de Wet
toelating en uitzetting BES, of de opsporing van strafbare feiten,
ten behoeve van de begeleiding van de terugkeer of het vertrek uit
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van
vreemdelingen die geen toelating tot verblijf hebben;
2. Artikel 4:2, tweede lid, is van toepassing.
3. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8 en 13, eerste lid, van de wet kunnen, voor zover zij deze behoeven
voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan de door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid respectievelijk
Onze Minister van Financiën aangewezen ambtenaren, die zijn belast
met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
Wet arbeid vreemdelingen BES respectievelijk de hoofdstukken I en VIII
van de Belastingwet BES ten behoeve van de inschatting van de
veiligheidsrisico’s met betrekking tot de uitoefening van
vorenbedoeld toezicht.
4. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8 en 13, eerste lid, van de wet, kunnen worden verstrekt aan de
basisadministratie persoonsgegevens van een van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius of Saba, bedoeld in artikel 2 van de Wet
basisadministraties persoonsgegevens BES, met het oog op de
signalering van veranderingen in de gegevens die in de
basisadministraties zijn opgenomen.
Artikel 6a:6. Verstrekking politiegegevens artikelen 8, 9, 10 en 13
(artikel 18, eerste lid)
1. In afwijking van artikel 4:3, eerste lid, kunnen politiegegevens
die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, eerste lid,
onderdelen a en c juncto artikel 36c, eerste lid, onder c, en 13 van
de wet en voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van
hun taak, worden verstrekt aan:
a. Onze Minister van Justitie, ten behoeve van:
– de uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de
Gratiewet;
– de beoordeling van de benoeming, de herbenoeming of het
ontslag van de leden van de commissies van toezicht bij de
gestichten, bedoeld in artikel 41 van de Wet beginselen
gevangeniswezen BES;
– het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag als
bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de
verklaringen omtrent het gedrag BES;
– de taakuitvoering van het Meldpunt Ongebruikelijke
Transacties.
b. de directeuren van de gestichten, bedoeld in artikel 2 van
de Wet beginselen gevangeniswezen BES en de functionarissen van de
Dienst Justitiële inrichtingen van het Ministerie van Justitie,
ten behoeve van:
1. het nemen van beslissingen over hetzij de aanstelling of
het ontslag van personeel, hetzij de toelating tot het
gesticht van personen die niet worden ingesloten in het
gesticht, voor zover dat noodzakelijk is voor de orde of
veiligheid in het gesticht respectievelijk de voorziening;
2. het nemen van beslissingen over het verlaten van het
gesticht bij wijze van verlof;
3. het treffen van maatregelen met betrekking tot de
voorkoming van strafbare feiten door of met betrekking tot
gedetineerden, de handhaving van de orde en veiligheid in het
justitiële gesticht, of de ongestoorde tenuitvoerlegging van
de vrijheidsbeneming.
c. de commandant van de Koninklijke marechaussee, ten behoeve
van de uitoefening van de controle, bedoeld in artikel 22, derde
lid, van de Luchtvaartwet BES;
d. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
ten behoeve van het verrichten van een onderzoek naar de
betrouwbaarheid en geschiktheid ten aanzien van ambtenaren van
politie van het politiekorps voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
personen die anderszins werkzaamheden verrichten voor een
politiekorps alsmede buitengewone agenten van politie;
e. de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ten behoeve van het
nemen van beslissingen omtrent de toelating, het verblijf of de
ongewenstverklaring, als bedoeld in de Wet toelating en uitzetting
BES, de Rijkswet op het Nederlanderschap of een verdrag dan wel
een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke
organisatie, als bedoeld in artikel 25 van de Wet toelating en
uitzetting BES;
f. de Rijksvertegenwoordiger en de gezaghebber van Bonaire,
Sint Eustatius of Saba, ten behoeve van hun adviserende taak,
bedoeld in het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de
Orde van Oranje-Nassau;
g. gedragsdeskundigen, voor zover het betreft auditieve of
audiovisuele registraties van het verhoor van een persoon naar
aanleiding van een ernstig strafbaar feit, voor het beoordelen van
het verhoor en het opstellen van een deskundigenrapportage ten
behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, het gerechtelijk
vooronderzoek of het onderzoek ter terechtzitting.
2. In afwijking van artikel 4:2, tweede lid, kunnen politiegegevens
als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt aan leden van het
openbaar ministerie ten behoeve van de adviserende taak in het kader
van de uitvoering van de hierna te noemen wetten en door tussenkomst
van dat openbaar ministerie in het kader van vorenbedoelde taak,
verder worden verstrekt aan:
a. de Nederlandsche Bank, ten behoeve van
– het verkrijgen van inzicht in de voornemens,
handelingen en antecedenten, bedoeld in de Regeling
integriteit financiële markten BES, ter onderzoek of voldaan
is aan de eisen of voorwaarden bedoeld in:
1°. de artikelen 4, eerste lid, onderdelen e, f en l, 9,
eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 4, eerste lid,
onderdelen e en f, en 46, tweede lid, van de Wet toezicht
bank- en kredietwezen 1994 BES;
2°. de artikelen 17, tweede lid, 55, onderdeel c, juncto
artikel 17, tweede lid, en 81, tweede lid, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf BES;
3°. de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, 5, eerste
lid, onderdeel f en 8, tweede lid, en 11, eerste lid, van de
Wet toezicht trustwezen BES;
– het verkrijgen van inzicht in de voornemens,
handelingen en antecedenten, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
van het Besluit Pensioenwet BES, ter vaststelling van de
betrouwbaarheid van een persoon, als bedoeld in artikel 5a,
vijfde lid, Pensioenwet BES.
b. de Autoriteit Financiële Markten, ten behoeve van het
verkrijgen van inzicht in de voornemens, handelingen en
antecedenten, bedoeld in de Regeling integriteit financiële
markten BES, ter onderzoek of voldaan is aan de eisen of
voorwaarden bedoeld in:
1°. de artikelen 4, eerste lid, onderdeel a, 11, onderdeel
e, juncto artikel 4, eerste lid, onderdeel a, 15, eerste lid,
onderdeel a en 22, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 15,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht
beleggingsinstellingen en administrateurs BES;
2°. de artikelen 6, eerste lid, onderdeel f en 7, tweede
lid, onderdeel a, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf
BES.
3. Aan de verdere verstrekking van de op grond van het tweede lid
verstrekte politiegegevens kunnen door het openbaar ministerie nadere
voorwaarden worden gesteld. Die voorwaarden kunnen onder meer
betreffen het ter beschikking stellen of doorgeven van die gegevens of
inlichtingen daarover aan derden.
4. De op grond van het tweede lid verstrekte gegevens worden door
de in dat lid genoemde personen en instanties niet langer dan
gedurende een termijn van twaalf maanden na datum van verkrijgen
bewaard. Gegevens die door de leden van het openbaar ministerie verder
zijn verstrekt, kunnen langer worden bewaard met bijzondere
toestemming van het
5. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c, en 13, eerste lid, van de
wet, kunnen worden verstrekt aan de Minister van Justitie, ten behoeve
van het nemen van een beslissing op grond van de Wapenwet BES en de
Vuurwapenwet BES. Deze gegevens kunnen tevens worden verstrekt aan een
bestuursorgaan dat beslist naar aanleiding van een ingesteld
administratief beroep.
Artikel 6a:7. (verstrekking aan Europese deel van Nederland)
1. Politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen
8, 9, 10, eerste lid, onderdelen a en c juncto artikel 36c, eerste
lid, onder c, en 13 van de wet kunnen worden verstrekt aan leden van
het openbaar ministerie met het oog op het verder verstrekken aan het
openbaar ministerie in het Europese deel van Nederland ten behoeve van
de adviserende taak van laatstbedoeld openbaar ministerie in het kader
van de uitvoering van de wetten, genoemd in artikel 4:3, tweede lid,
en, door tussenkomst van dat openbaar ministerie in het kader van
vorenbedoelde taak, verder worden verstrekt aan:
a. de Nederlandsche Bank, ten behoeve van de uitoefening van de
taken, genoemd in artikel 4:3, tweede lid, onderdeel a;
b. Onze Minister van Financiën ten behoeve van de uitoefening
van de taken, genoemd inartikel 4:3, tweede lid, onderdeel b;
c. de Autoriteit Financiële Markten, ten behoeve van de taken,
genoemd in artikel 4:3, tweede lid, onderdeel c.
2. Artikel 6a:6, derde en vierde lid, is van toepassing.
Paragraaf 7. Slotbepalingen
Artikel 7:1. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
politiegegevens in werking treedt.
Artikel 7:2. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit politiegegevens.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 14 december 2007
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
De Minister van Defensie,
E. van Middelkoop
Uitgegeven de eenentwintigste december 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|