|
BESLUIT van 19 oktober 2007, houdende algemene regels
voor inrichtingen (Besluit algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 29 maart 2007, nr. DJZ2007031290, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de Richtlijn nr. 2003/30/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 (PbEU
L 123) ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere
hernieuwbare brandstoffen in het vervoer, Richtlijn nr. 91/271/EEG van
de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende het stedelijk
afvalwater (PbEG L 135), Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende
gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), Richtlijn 2000/53/EG van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 1999
inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten
gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde
werkzaamheden en installaties (PbEG L 85), Richtlijn 2000/59/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27
november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval
en ladingresiduen (PbEG L 332), Richtlijn 2000/91/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de
energieprestatie van gebouwen (PbEU L 1), Richtlijn 2000/60/EG
van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor
communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L
327), Richtlijn 2006/11/EG van 15 februari 2006 betreffende de
verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het
aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), Richtlijn
80/86/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming
van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van
bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L 20), Richtlijn 2006/118/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12
december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen
verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PbEG L 371) en
de artikelen 8.1, tweede lid, 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer
en de artikelen 2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c
van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
De Raad van State gehoord (advies van 28 juni
2007, nr. W08.07.0082/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 oktober
2007, nr. DJZ2007098397, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving,
uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Afdeling 1.1. Begripsbepalingen,
omhangbepaling, reikwijdte en procedurele bepalingen
§ 1.1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aangewezen oppervlaktewaterlichaam:
oppervlaktewaterlichaam dat op grond van artikel 1.7, eerste lid,
onderdeel b, is aangewezen;
ADR: de op 30 september 1957 te Genève
totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale
vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
afgewerkte olie: afgewerkte olie als
bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen;
afleverinstallatie:geheel van de al dan
niet onder de grond liggende tank of tanks met daaraan gekoppelde
leidingen, appendages, één of meer afleverzuilen, voorzover
aanwezig, een kassa en, voorzover aanwezig, één of meer
betaalautomaten;
afvangrendement: hoeveelheid damp van
lichte olie die door een EU-systeem voor dampretour fase-II wordt
afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid damp van lichte olie die in
de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem,
uitgedrukt als percentage;
andere hernieuwbare brandstoffen:
andere hernieuwbare brandstoffen als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel c, van richtlijn 2003/30/EG;
autodemontagebedrijf: inrichting voor
het demonteren van autowrakken;
autowrak:voertuig dat een afvalstof is
in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de wet;
autowrakkenrichtlijn: richtlijn nr.
2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PbEG L 269);
bedrijfsduurcorrectie:correctie als
bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, zijnde de
logaritmische verhouding tussen de tijdsduur dat de geluidsbron
gedurende de beoordelingstijd in werking is, en de duur van die
beoordelingsperiode;
bedrijventerrein:cluster aaneengesloten
percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een
bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet
begrepen een gezoneerd industrieterrein;
beheerder: beheerder als bedoeld in
artikel 1.1 van de Waterwet;
beperkt kwetsbaar object: beperkt
kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
bijkomend gevaar: een gevaar naast de
grootste gevaarseigenschap als bedoeld in het ADR;
biobrandstof:biobrandstof als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, vanrichtlijn 2003/30/EG,
waaronder in elk geval de biobrandstoffen, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, van richtlijn 2003/30/EG, worden verstaan;
bodembedreigende activiteit:
bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A 3
van de NRB;
bodembedreigende stof: stof die de
bodem kan verontreinigen als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A3 van
de NRB;
bodembeschermende maatregel: op de
gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening
toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak,
onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie
of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van
de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de
uitvoering is gewaarborgd;
bodembeschermende voorziening: een
vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding
of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van
immissies in de bodem;
bovengrondse opslagtank: opslagtank die
geheel boven de bodem is gelegen;
brandcompartiment:brandcompartiment als
bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003;
BTEX:benzeen, tolueen, ethylbenzeen en
xyleen;
bunkerstation:drijvend bouwsel dat
wegens zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst en dat
bestemd of in gebruik is voor de opslag of levering van brandstof voor
voortstuwing van schepen;
consumentenvuurwerk:consumentenvuurwerk
als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
CMR-stof:stof of preparaat die volgens
bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEGgeclassificeerd is als
Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of als Mutageen categorie 1 of 2 of
als «Voor de voortplanting giftig» categorie 1 of 2;
damp/lichte olie-verhouding: verhouding
tussen het volume bij atmosferische druk van damp van lichte olie die
door een EU-systeem voor dampretour fase-II loopt en het volume van de
geleverde lichte olie;
debiet van lichte olie: totale
jaarlijkse hoeveelheid lichte olie die uit mobiele tanks aan een
inrichting wordt geleverd;
dierlijke bijproducten: bijproducten
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van Verordening nr.
1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van
gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie
bestemde dierlijke bijproducten;
doelmatig beheer van afvalwater:
zodanig beheer van afvalwater dat daarbij rekening wordt gehouden met
de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.29a van de wet;
equivalent geluidsniveau:: equivalent
geluidsniveau als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
etmaalwaarde:de hoogste van de volgende
drie waarden:
a. de waarde van het
langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) tussen 07.00 en
19.00 uur (dag);
b. de met 5 dB(A) verhoogde waarde
van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) tussen
19.00 en 23.00 uur (avond);
c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde
van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) tussen
23.00 en 07.00 uur (nacht);
EU-systeem voor dampretour fase-II:
apparatuur als bedoeld in artikel 2, onder 6, van richtlijn nr.
2009/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009
inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van
motorvoertuigen in benzinestations (PbEU L 285);
gasdrukmeet-en regelstation categorie
A: gasdrukmeet- en regelstation met:
– een ontwerpcapaciteit die
kleiner of gelijk aan 650 normaal kubieke meter per uur is met een
maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk
aan 0,1 bar is;
– een ontwerpcapaciteit die
kleiner of gelijk aan 10 normaal kubieke meter per uur is met een
maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk
aan 16 bar is;
gasdrukmeet-en regelstation categorie
B: gasdrukmeet- en regelstation met een ontwerpcapaciteit die kleiner
of gelijk aan 6000 normaal kubieke meter per uur is met een maximale
operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 16 bar
is, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie A;
gasdrukmeet- en regelstation categorie
C: gasdrukmeet- en regelstation met een maximale operationele
inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk aan 100 bar is, niet
zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie A of gasdrukmeet- en
regelstation categorie B;
gasfles: een verplaatsbare drukhouder
met een waterinhoud van niet meer dan 150 liter;
geluidsgevoelige ruimte:
geluidsgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geluidhinder;
geluidsniveau:geluidsniveau in dB(A)
als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
geurgevoelig object: geurgevoelig
object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij;
gevaarlijke stoffen: stoffen en
voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts
onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen,
materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime
Dangerous Goods Code;
gevel:gevel als bedoeld in artikel 1
juncto artikel 1b, vijfde lid, van de Wet geluidhinder;
gevoelige gebouwen: woningen en
gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden
aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van
die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
gevoelige objecten: gevoelige gebouwen
en gevoelige terreinen;
gevoelige terreinen: terreinen die op
grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
geluidsgevoelige terreinen, met uitzondering van die terreinen
behorende bij de betreffende inrichting;
gezoneerd industrieterrein:
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
inerte goederen: goederen die geen
bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn;
ISO: door de Internationale Organisatie
voor Standaardisatie uitgegeven norm;
jachthaven: inrichting voor het bieden
van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen;
koelinstallatie:een combinatie van met
koudemiddel gevulde onderdelen die met elkaar zijn verbonden en die
tezamen een gesloten koudemiddelcircuit vormen waarin het koudemiddel
circuleert met het doel warmte op te nemen of af te staan;
kunststeen: blokken van korrels of
brokken van natuursteen met bindmiddel;
kwetsbaar object: kwetsbaar object als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van het Besluit externe
veiligheid inrichtingen;
Lden: de geluidsbelastingsindicator
zoals opgenomen in artikel 3, onder f, van richtlijn nr. 2002/49/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni
2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai;
Lnight: de geluidsbelastingsindicator
zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni
2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai;
landbouwinrichting:inrichting als
bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw milieubeheer;
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: (LAr,LT)
het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse
optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en
beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen
industrielawaai;
lassen van textiel: het door middel van
warmteopwekking of warmtetoevoer aaneenhechten van textiel;
lekbak:een voorziening waarvan de
bodembeschermende werking door de daarop afgestemde bodembeschermende
maatregelen is gewaarborgd, en die zich rondom of onder een
bodembedreigende activiteit bevindt en in staat is de bij normale
bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen;
lozen:het brengen van:
1°. afvalwater of andere
afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een
oppervlaktewaterlichaam;
2°. afvalwater of overige
vloeistoffen op of in de bodem;
3°. afvalwater of andere
afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel;
4°. afvalwater of andere
afvalstoffen in een openbaar ontwateringstelsel;
5°. afvalwater of andere
afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;
6°. afvalwater of andere
afvalstoffen in een andere voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, of
7°. afvalwater of andere
afvalstoffen met behulp van een werk niet zijnde een voorziening
voor de inzameling en het transport van afvalwater op een
zuiveringtechnisch werk;
LQ:Limited Quantities, gelimiteerde
hoeveelheden als bedoeld in het ADR;
massastroom:massa van een bepaalde stof
of stoffen die per tijdseenheid wordt geëmitteerd, uitgedrukt in
massa per uur;
maximaal geluidsniveau: (LAmax)
maximaal geluidsniveau gemeten in de meterstand «F» of «fast», als
vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en
rekenen industrielawaai;
meststoffengroep:aanduiding van de
gevaarscategorie van vaste minerale anorganische meststoffen
overeenkomstig de indeling van PGS 7;
natte koeltoren: installatie gebruikt
voor het afvoeren van overtollige warmte uit productieprocessen en
gebouwen door middel van het vernevelen van water;
natuursteen: uit de natuur gewonnen
blokken en platen van steen;
NEN:door de Stichting Nederlands
Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
NeR: door InfoMil uitgegeven
Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht;
niet aangewezen
oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam dat geen aangewezen
oppervlaktewaterlichaam is;
noodsignalen:noodsignalen die onder de
klasse 1.3 of klasse 1.4 van het ADR vallen;
normaal kubieke meter: afgashoeveelheid
bij 273,15 Kelvin en 101,3 kilo Pascal en betrokken op droge lucht;
NRB: door InfoMil uitgegeven
Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten;
odour unit: Europese eenheid voor
geurconcentratie volgens NEN-EN-13725;
opslagtank:een opslagvoorziening voor
gas met een inhoud van ten minste 150 liter of een opslagvoorziening
voor vloeistof met een inhoud van ten minste 300 liter, uitgezonderd
een intermediate bulk container die voldoet aan hoofdstuk 6.5 van het
ADR;
PAK’s: som van naftaleen, anthraceen,
fluorantheen, benzo(g,h,i)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen,
benzo(k)fluorantheen en indeno(1,2,3-cd)pyreen;
PER:tetrachlooretheen;
PGS:Publicatiereeks Gevaarlijke
Stoffen;
pleziervaartuig:schip bestemd of
gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding;
praktijkruimte: ruimte voor chemisch,
natuurkundig of medisch onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs
en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;
propaan:product, hoofdzakelijk
bestaande uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden ethaan,
butanen en butenen, voor zover de dampspanning bij 343 Kelvin (70
graden Celsius) ten hoogste 3100 kilopascal (31 bar) bedraagt;
propeen: zeer licht ontvlambaar tot
vloeistof verdicht gas met UN-nummer 1077;
pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik: pyrotechnische artikelen voor theatergebruik als
bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
richtlijn 2003/30/EG: richtlijn nr.
2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 8 mei 2003 (PbEU L 123) ter bevordering van het gebruik van
biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer;
rookzwak kruit: kruit dat onder de
klasse 1.3 van het ADR valt;
spuitbus:niet-hervulbare houder van
metaal, glas of kunststof die een samengeperst, vloeibaar gemaakt of
opgelost gas bevat, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of
poedervormige stof, en voorzien van een aftapinrichting die het
mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in de vorm van een
suspensie van vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm van
schuim, pasta of poeder of in vloeibare of gasvormige toestand;
stookinstallatie: stookinstallatie als
bedoeld in het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties
milieubeheer;
theatervuurwerk:theatervuurwerk als
bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
totaal stikstof: de som van nitraat-,
nitriet-, organisch en ammonium stikstof waarvan de emissiemetingen
worden uitgevoerd, bedoeld in artikel 2.3;
traditioneel schieten: door
schutterijen of schuttersgilden schieten met buksen ofwel geweren
vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht;
vast object: locatiegebonden
constructie of gedeelte daarvan;
verblijfsruimten:verblijfsruimten als
bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van het Besluit geluidhinder;
verbruik van vluchtige organische
stoffen: verbruik van vluchtige organische stoffen als bedoeld in het
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;
verdichten: reduceren van het volume;
verkleinen: in kleinere delen opdelen;
verpakkingsgroep:een groep, waarin
bepaalde stoffen op grond van hun gevaarlijkheid tijdens het vervoer
conform het ADR zijn ingedeeld voor verpakkingsdoeleinden:
1°. verpakkingsgroep I: zeer
gevaarlijke stoffen;
2°. verpakkingsgroep II:
gevaarlijke stoffen;
3°. verpakkingsgroep III: minder
gevaarlijke stoffen;
vervoerseenheid met gevaarlijke
stoffen: een voertuig, oplegger of aanhanger met een conform het ADR
voor het vervoer van gevaarlijke stoffen toegelaten tank,
tankcontainer, tankbatterij, laadketel, laadruimte of laadvloer waarin
gevaarlijke stoffen aanwezig zijn;
verwaarloosbaar bodemrisico: een
situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van
bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de
kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een
immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt;
vloeibare brandstof: lichte olie,
halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de
accijns;
vloeistofdichte vloer of verharding:
vloer of verharding direct op de bodem die waarborgt dat geen
vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer of
verharding kan komen;
vloeistofkerende voorziening: lekbak,
tankput, vloer, verharding of een andere doelmatige fysieke
voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om met
de daarop afgestemde bodembeschermende maatregelen te voorkomen dat
deze stoffen in de bodem kunnen geraken;
vluchtige organische stoffen: stoffen
als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn
milieubeheer;
voertuig:
1°. bedrijfsauto als bedoeld in
artikel 1.1 van de Regeling voertuigen met een maximum gewicht van
ten hoogste 3500 kilogram;
2°. personenauto als bedoeld in
artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, of
3°. bromfiets als bedoeld in
artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, niet zijnde een voertuig
op twee wielen;
voorziening voor het beheer van
afvalwater: een openbaar vuilwaterriool, openbaar hemelwaterstelsel,
openbaar ontwateringstelsel, een andere voorziening voor de inzameling
en het transport van afvalwater, een zuiveringtechnisch werk of een
zuiveringsvoorziening;
vuilwaterriool:
1°. een openbaar vuilwaterriool;
2°. een andere voorziening voor de
inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, aangesloten
op een zuiveringsvoorziening, die blijkens een vergunning als
bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet mede voor het zuiveren van
stedelijk afvalwater is bedoeld, of aangesloten op een
zuiveringtechnisch werk; of
3°. een werk, niet zijnde een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater,
aangesloten op een zuiveringtechnisch werk;
vuurwerk:vuurwerk als bedoeld in
artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
warmtekrachtinstallatie:stookinstallatie,
bestemd voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht waarbij de
warmte nuttig wordt aangewend;
windturbine: een apparaat voor het
opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind;
woning:een gebouw of een deel van een
gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd;
zuiveringsvoorziening:werk voor het
zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringtechnisch werk is;
zwart kruit: kruit dat onder de klasse
1.1 van het ADR valt.
2. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt ten aanzien van emissies naar de lucht,
verstaan onder:
bron:emissie naar de lucht van een
bewerkingseenheid al dan niet voorzien van emissiebeperkende
voorzieningen en ongeacht de vraag of die emissie gecombineerd met
andere emissies wordt geloosd op één of meer puntbronnen;
emissieconcentratie-eis:per bron voor
onderscheiden afgascomponenten als bovengrens te hanteren
emissieconcentratie ten aanzien van emissies naar de lucht, uitgedrukt
in massa per normaal kubieke meter;
grensmassastroom:een drempelwaarde per
stofklasse, uitgedrukt in gram emissie per uur, waarboven een emissie
naar de lucht als relevant beschouwd wordt;
meetmethode:het geheel van
monsterneming, monsterbehandeling en analyse ten behoeve van de
kwantificering van emissies;
stofcategorie:clustering van stoffen op
basis van vergelijkbare fysische of chemische eigenschappen,
overeenkomstig paragraaf 4.4 van de NeR;
stofklasse:onderverdeling binnen een
stofcategorie op basis van vergelijkbare (toxicologische)
eigenschappen, overeenkomstig paragraaf 4.5 van de NeR;
gA:gasvormige anorganische stoffen als
bedoeld in de NeR;
gO:gasvormige organische stoffen als
bedoeld in de NeR;
MVP:minimalisatieverplichte stoffen als
bedoeld in de NeR;
puntbron:een gefixeerd punt van
gekanaliseerde en daarmee in principe kwantificeerbare emissies naar
de lucht;
S: totaal stof, als bedoeld in de NeR;
sO:stofvormige organische stoffen als
bedoeld in de NeR;
sA:stofvormige anorganische stoffen als
bedoeld in de NeR.
3. Een wijziging van artikel 3, onder f
en i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de
beheersing van omgevingslawaai, gaat voor de toepassing van de in het
eerste lid gegeven omschrijving van Lden en Lnight gelden met ingang
van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet
zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 1.2
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld
in artikel 1.1 van de wet, alsmede het bestuursorgaan dat bevoegd zou
zijn een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen of
de beheerder, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 6.2 van de
Waterwet;
inrichting type A: een inrichting:
a. waarvoor geen omgevingsvergunning
is vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
b. waar, indien binnen een afstand
van 50 meter van de grens van de inrichting gevoelige objecten
aanwezig zijn, in de periode tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld vier
of minder transportbewegingen, als bedoeld inartikel 1.11, eerste
lid, plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig
voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer dan 3500 kilogram is;
c. waarbij mede op basis van de aard
van de inrichting, niet aannemelijk is dat in enig vertrek van de
inrichting het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de
ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie,
meer bedraagt dan:
1°. 70 dB(A), indien dit vertrek
in- of aanpandig is gelegen met gevoelige gebouwen;
2°. 80 dB(A), indien onderdeel
1° niet van toepassing is;
d. waar in de buitenlucht of op een
open terrein van de inrichting geen muziek ten gehore wordt
gebracht;
e. waar in de buitenlucht geen
oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
f. waar geen koelinstallatie aanwezig
is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer
dan 30 kilogram koudemiddel; en
g. waar geen activiteiten worden
verricht met afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig
zijn;
h. waarbinnen geen van de in
hoofdstukken 3 en 4alsmede de in de hoofdstukken 3 en 4 van de
Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer genoemde
activiteiten of slechts één of meer van de volgende activiteiten
dan wel deelactiviteiten worden verricht:
1°. het vervaardigen van
voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken in de
inrichting;
2°. het in werking hebben van
stookinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de
verwarming van tapwater;
3°. het bieden van
parkeergelegenheid in een parkeergarage voor maximaal 30
personenauto’s;
4°. het aanwezig hebben van een
noodstroomaggregaat dat niet meer dan 50 uren per jaar in
werking is;
5°. het lozen van huishoudelijk
afvalwater in een vuilwaterriool;
6°. het lozen van afvloeiend
hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende
voorziening;
7°. het lozen van koelwater
anders dan in een vuilwaterriool;
8°. het lozen van grondwater bij
ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1,
eerste lid, op of in de bodem of met een duur van ten hoogste 48
uur;
9° het opslaan in opslagtanks
van maximaal 1.000 liter gasolie of biodiesel die voldoet aan
NEN-EN 14214;
10° het opslaan in opslagtanks
van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen, minerale olie of
biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;
11°. het opslaan van gevaarlijke
stoffen als bedoeld in artikel 2.1.8, tweede lid en het derde
lid, onder a tot en met d van het Besluit brandveilig gebruik
bouwwerken;
12°. het opslaan in verpakking
van maximaal 50 liter gasolie of biodiesel die voldoet aan
NEN-EN 14214;
13°. het opslaan in verpakking
van stoffen, niet zijnde gevaarlijke stoffen;
14°. het lozen ten gevolge van
reinigingswerkzaamheden aan vaste objecten, die periodiek worden
uitgevoerd en waarbij uitsluitend vuilafzetting wordt
verwijderd;
inrichting type B: een inrichting
waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist voor een activiteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht en die geen inrichting type A of C is;
inrichting type C: een inrichting die
behoort tot een categorie van inrichtingen die op grond van artikel 1.1,
derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is aangewezen,
voor zover daartoe geen gpbv-installatie behoort, behoudens indien het
betreft een installatie die betrekking heeft op het afleveren van lichte
olie aan motorvoertuigen;
maatwerkvoorschrift: voorschrift als
bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de wet, inhoudende:
a. een beschikking waarbij het
bevoegd gezag aanvullende eisen stelt; dan wel
b. een ontheffing waarbij het bevoegd
gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart
al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden;
wet: de Wet milieubeheer.
Artikel 1.2a
In afwijking van artikel 1.2 worden
gedeputeerde staten van de provincie waarin een inrichting type B of C
geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen voor zover dit een
inrichting is als bedoeld in categorie 28.4 of 28.5 van onderdeel C,
bijlage 1, van het Besluit omgevingsrecht, aangemerkt als bevoegd gezag.
Artikel 1.3
1. Met goederen als bedoeld bij of
krachtens dit besluit worden gelijkgesteld desbetreffende goederen die
rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een
andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een
douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in
een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend
Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een
beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
2. Met keuringsverklaringen als bedoeld
bij of krachtens dit besluit worden gelijkgesteld
keuringsverklaringen, afgegeven door een onafhankelijke
keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel
in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die
partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag
dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van
onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen
wordt nagestreefd.
3. Met beroepseisen als bedoeld bij of
krachtens dit besluit worden gelijkgesteld beroepseisen die worden
gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is
bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat
Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt
nagestreefd.
4. Met een certificaat of accreditatie
als bedoeld bij of krachtens dit besluit of in een bij of krachtens
dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regeling, de NeR of de
NRB, voor zover de tekst daarvan ingevolge het bepaalde krachtens
artikel 1.7, derde lid, bij de toepassing van dit besluit in acht moet
worden genomen, wordt gelijkgesteld een certificaat of accreditatie
afgegeven door een daartoe bevoegde instelling in een andere lidstaat
van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat
van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede
daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van
onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten
minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale
onderzoekingen of documenten wordt nagestreefd.
5. Met de bij of krachtens dit besluit
genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen, de NeR en de NRB, voor
zover de tekst daarvan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 1.7,
derde lid, bij de toepassing van dit besluit in acht moet worden
genomen, worden gelijkgesteld regels die zijn vastgesteld en
bekendgemaakt in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in
een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij
is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat
Nederland bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale regels wordt
nagestreefd.
§ 1.1.1a. Omhangbepaling
Artikel 1.3a
Dit besluit berust mede op de artikelen
6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7 van
de Waterwet.
§ 1.1.2. Reikwijdte en andere
procedurele bepalingen
Artikel 1.4
1. Degene die een inrichting type A
drijft voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
Afdeling 1.2 is niet van toepassing ten aanzien van een inrichting
type A.
2. Degene die een inrichting type B
drijft voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
3. Degene die een inrichting type C
drijft voldoet aan de regels gesteld bij of krachtens:
a. hoofdstuk 3;
b. artikel 4.6 voor zover het het
opslaan van ten hoogste 3.000 liter gasolie, smeerolie en
afgewerkte olie bij een inrichting als bedoeld in artikel 3.17,
betreft;
c. paragraaf 4.8.2, voor zover het
gaat om een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het
afmeren van pleziervaartuigen die gewoonlijk wordt aangedaan door
zeegaande pleziervaartuigen;
d. hoofdstuk 1, afdelingen 2.1 tot
en met 2.4, en 2.10 en hoofdstuk 6 voor zover deze betrekking
hebben op activiteiten binnen de inrichting waarop de regels,
bedoeld in de onderdelen a tot en met d van toepassing zijn.
4. Onverminderd het eerste en tweede
lid, voldoet een ieder die loost vanuit een inrichting type A of B
voor het lozen waarvoor de beheerder bevoegd gezag is aan de bij of
krachtens dit besluit gestelde regels, met uitzondering van afdeling
1.2.
5. Onverminderd het derde lid, voldoet
een ieder die loost vanuit een inrichting type C voor het lozen
waarvoor de beheerder bevoegd gezag is aan de regels genoemd in het
derde lid, met uitzondering van afdeling 1.2.
6. In afwijking van het derde lid
voldoet degene die een inrichting type C drijft waartoe een
gpbv-installatie behoort die betrekking heeft op het afleveren van
lichte olie aan motorvoertuigen, aan artikel 3.20 en aanhoofdstuk 1,
afdelingen 2.1 tot en met 2.4, afdeling 2.10 en hoofdstuk 6, voor
zover deze betrekking hebben op de activiteit binnen de inrichting
waarop artikel 3.20 van toepassing is.
Artikel 1.5 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 1.6
1. Vrijstelling wordt verleend van de
verboden, bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de
Waterwet, voor lozingen vanuit:
a. inrichtingen type A of
inrichtingen type B, voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld
bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6b, 3.32 tot en met
3.34, 4.19, 4.74c, 4.104, 4.109,4.113a, 4.113b; of
b. inrichtingen type C, voor zover
aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen
3.1 tot en met 3.6b en 3.32 tot en met 3.34.
2. Dit besluit is niet van toepassing
op:
a. het in een
oppervlaktewaterlichaam:
1°. in een werk aanbrengen of
houden van bouwstoffen;
2°. aanbrengen, verspreiden of
tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie alsmede het houden
van die aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of
baggerspecie;
3°. lozen ten gevolge van het
toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het
Besluit bodemkwaliteit van toepassing is;
b. het lozen ten gevolge van
agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij dan
wel activiteiten die daarmee verband houden;
c. het lozen waarvoor de verboden,
bedoeld in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet,
gelden.
Artikel 1.7
1. Bij ministeriële regeling kunnen in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat:
a. ter bescherming van het milieu
regels worden gesteld ter uitwerking van de hoofdstukken 2, 3 en
4;
b. ter uitwerking van de bij of
krachtens dit besluit voor het lozen in een
oppervlaktewaterlichaam gestelde regels, oppervlaktewaterlichamen
worden aangewezen, die met het oog op het lozen geen bijzondere
bescherming behoeven; en
c. bodembedreigende activiteiten
worden aangewezen, waarop afdeling 2.4 niet van toepassing is.
2. Bij ministeriële regeling kan in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de
verplichting worden opgelegd te voldoen aan maatwerkvoorschriften die
nodig zijn ter bescherming van het milieu gesteld door het bevoegd
gezag met betrekking tot de regels, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, en kan worden bepaald in welke mate die
maatwerkvoorschriften kunnen afwijken van de regels, bedoeld in
onderdeel a.
3. Bij ministeriële regeling worden in
overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat regels
gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen
tekst van:
a. de bij of krachtens dit besluit
genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen;
b. de NeR; en
c. de NRB.
Artikel 1.8
Indien bij of krachtens dit besluit is
bepaald dat een daarbij aangegeven maatregel ter bescherming van het
milieu moet worden toegepast kan een andere maatregel worden toegepast
indien het bevoegd gezag heeft beslist dat met die maatregel ten minste
een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.
Artikel 1.9
Van de beschikking waarbij bij of
krachtens dit besluit een maatwerkvoorschrift wordt gesteld, wordt
kennisgegeven in één of meer dagbladen, nieuwsbladen of
huis-aan-huisbladen.
Artikel 1.9a
Met toepassing van artikel 28, eerste
lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet, is paragraaf 4.1.3.3. van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om
accreditatie als bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, onder a.
Afdeling 1.2. Melding
Artikel 1.10
1. Degene die een inrichting opricht,
meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd
gezag.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een
inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is
niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is
gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die
melding verstrekte gegevens en op grond van de artikelen 1.11, 1.12,
1.13 en 1.14 geen andere gegevens zouden moeten worden verstrekt.
3. Bij de melding worden de volgende
gegevens verstrekt:
a. het adres en het nummer van de
Kamer van Koophandel van de inrichting;
b. de naam en het adres van degene
die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan
verandert, en, indien dit iemand anders is, van degene die de
inrichting drijft of zal drijven;
c. het tijdstip waarop de
inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden
gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan
verwezenlijkt zal zijn;
d. de aard en omvang van de
activiteiten en processen in de inrichting;
e. de indeling en uitvoering van de
inrichting, waarbij de grenzen van het terrein van de inrichting,
de ligging en de indeling van de gebouwen, de functie van de te
onderscheiden ruimten en de ligging van de bedrijfsriolering en de
plaats van de lozingspunten worden aangegeven; en
f. een situatieschets, met een
schaal van ten minste 1:10.000 waarop de ligging van de inrichting
ten opzichte van de omgeving is aangegeven en die is voorzien van
een noordpijl.
4. Het bestuursorgaan dat een melding
ontvangt waarvoor een ander bestuursorgaan mede bevoegd gezag is,
stuurt onverwijld een kopie van de melding aan dat andere bevoegde
gezag. De melding wordt geacht mede bij dat andere bevoegde gezag te
zijn gedaan.
Artikel 1.11
1. Bij de melding, bedoeld in artikel
1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien
tussen 19.00 en 7.00 uur naar verwachting gemiddeld meer dan vier
transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa
van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan
3.500 kilogram en binnen een afstand van 50 meter van de grens van de
inrichting gevoelige objecten aanwezig zijn. Het gemiddelde als
bedoeld in de eerste volzin betreft een gemiddelde gemeten over de
periode van een jaar. De eerste volzin is niet van toepassing op
inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor de
openbare verkoop aan derden van vloeibare brandstof, mengsmering en
aardgas voor het wegverkeer en inrichtingen waar uitsluitend of in
hoofdzaak horeca-activiteiten plaatsvinden.
2. Bij de melding, bedoeld in artikel
1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien
het, mede op basis van de aard van de inrichting, aannemelijk is dat:
a. in enig vertrek van de
inrichting het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door
de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve
bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
1°. 70 dB(A), indien dit
vertrek in- of aanpandig is gelegen met gevoelige gebouwen;
2°. 80 dB(A), indien onderdeel
1° niet van toepassing is; of
b. in de buitenlucht of op een open
terrein van de inrichting muziek ten gehore zal worden gebracht.
3. Bij de melding, bedoeld in artikel
1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien de
melding betrekking heeft op een of meer windturbines.
4. Bij de melding, bedoeld in artikel
1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien in
de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de
buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt.
5. Bij de melding, bedoeld in artikel
1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien de
melding betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in categorie
27.3 van onderdeel C, bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht.
6. Bij de melding, bedoeld in artikel
1.10, wordt een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd indien
airbags of gordelspanners worden geneutraliseerd door deze te
ontsteken.
7. Het bevoegd gezag kan besluiten dat
het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als
bedoeld in het eerste tot en met zesde lid niet is vereist, indien
aannemelijk is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT)
en de maximale geluidsniveaus (LAmax) veroorzaakt door de inrichting
niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19,
2.20, 6.12dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de
omgevingsvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit
glastuinbouw.
8. Indien er een melding is gedaan als
bedoeld in artikel 1.10, eerste of tweede lid, en aannemelijk is dat,
in andere gevallen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid,
het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal
geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige
installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte
werkzaamheden en activiteiten of veroorzaakt door de verandering
daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17,
2.19, 2.20, 6.12dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de
omgevingsvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit
glastuinbouw, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van
de melding besluiten dat binnen een door het bevoegd gezag gestelde
termijn een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd.
9. Het bevoegd gezag kan binnen vier
weken na ontvangst van de melding, bedoeld in artikel 1.10, besluiten
dat een rapport van een akoestisch onderzoek wordt overgelegd indien
de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en een
rapport van een akoestisch onderzoek noodzakelijk is voor zonebeheer.
10. Uit het rapport van een akoestisch
onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of
geluidsberekeningen of aan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17,
2.19, 2.20, 3.14a, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde
geluidswaarden van de omgevingsvergunning, het Besluit landbouw
milieubeheer of het Besluit glastuinbouw kan worden voldaan. In het
rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te
voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden
overschreden.
11. In de gevallen, bedoeld in het
vijfde lid, geeft het rapport tevens een beschrijving van het
langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de
inrichting op de zonegrens en op geluidgevoelige objecten binnen de
zone op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of aan de
geluidsvoorwaarden voor de zone kan worden voldaan.
12. Het akoestisch onderzoek wordt
uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen
industrielawaai.
13. In afwijking van het twaalfde lid
wordt het akoestisch onderzoek voor windturbines uitgevoerd
overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 1.12
Indien op grond van artikel 7 van het
Besluit uniforme saneringen met een sanering kan worden begonnen nadat
vijf werkdagen zijn verstreken vanaf de datum van ontvangst van de
melding, bedoeld in artikel 6 van dat besluit, meldt degene die
voornemens is te lozen vanuit die bodemsanering als bedoeld in artikel
3.1, tweede, derde en vierde lid, in afwijking van de termijn bedoeld in
artikel 1.10, eerste lid, dit ten minste vijf werkdagen voordat met het
lozen wordt aangevangen.
Artikel 1.13
Indien het lozen van grondwater bij
ontwatering als bedoeld in artikel 3.2, derde, vijfde en zevende lid,
langer dan 48 uur doch ten hoogste 8 weken duurt, meldt degene die
voornemens is te lozen in afwijking van de termijn bedoeld in artikel
1.10, eerste lid, dit ten minste vijf werkdagen voordat met het lozen
wordt aangevangen.
Artikel 1.13a
Bij een melding, als bedoeld in artikel
1.10, wordt, indien de melding betreft het lozen ten gevolge van sloop-,
renovatie en nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten, als bedoeld
inartikel 3.6b, tevens een in dat artikel genoemd werkplan gevoegd.
Artikel 1.14
Bij een melding als bedoeld in artikel
1.10 worden indien sprake is van een lozing van huishoudelijk afvalwater
in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem als bedoeld in
artikel 3.4 de volgende gegevens gemeld:
a. het aantal inwonerequivalenten dat
wordt geloosd; en
b. de wijze van behandeling van het
afvalwater.
Artikel 1.14a
1. Bij een melding als bedoeld in
artikel 1.10worden:
a. indien sprake is van het gericht
werken met een biologisch agens die is of wordt ingedeeld in groep
2 in een laboratorium of praktijkruimte als bedoeld in artikel
4.122, de ligging van de ruimten gemeld waar gewerkt wordt met een
biologisch agens die is of wordt ingedeeld in groep 2,
b. indien sprake is van het gericht
werken met een biologisch agens, anders dan dat bedoeld onder a,
en dat behoort tot een soort die bij ministeriële regeling is
aangewezen, gemeld tot welke soort het biologisch agens behoort.
2. Voor de groepsindeling, bedoeld in
het eerste lid, onder a, wordt aangesloten bij de indeling in
risico-groepen van richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de
werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische
agentia op het werk.
Artikel 1.15
Degene die een inrichting drijft
verstrekt desgevraagd aan het bevoegd gezag binnen de door dat
bestuursorgaan gestelde redelijke termijn, voor zover hij daarover
beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alle gegevens over stoffen en
preparaten en producten waarin stoffen of preparaten zijn verwerkt, die
het bevoegd gezag redelijkerwijs nodig heeft voor het stellen van
maatwerkvoorschriften.
Artikel 1.16
1. Bij een melding als bedoeld in
artikel 1.10 worden, indien sprake is van het opslaan, overslaan of
verwerken van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig
zijn, de volgende gegevens gemeld:
a. de afvalstoffen en de
activiteiten met afvalstoffen, bedoeld in onderdeel 28.10, onder
1° tot en met 31° van onderdeel C, bijlage 1, bij het Besluit
omgevingsrecht, en
b. per handeling per afvalstof de
maximale opslagcapaciteit en de verwerkingscapaciteit per jaar.
2. Indien de afvalstoffen, bedoeld in
het eerste lid, worden ingezameld bij of worden afgegeven door een
andere persoon dan degene die de inrichting drijft, wordt bij de
melding een beschrijving gevoegd van de procedures van acceptatie en
controle van de ontvangen afvalstoffen als bedoeld inartikel 2.14b.
Artikel 1.17
1. Bij een melding als bedoeld in
artikel 1.10 wordt, indien sprake is van de oprichting van een
zuiveringtechnisch werk of verandering van een zuiveringtechnisch werk
die van invloed is op de geurbelasting op gevoelige objecten, een
rapport van een geuronderzoek gevoegd.
2. Uit het rapport van een
geuronderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt:
a. op grond van de verrichte
geurberekeningen of aan de waarden, bedoeld inartikel 3.5b, eerste
en tweede lid, dan wel artikel 6.19b, tweede tot en met vijfde
lid, is voldaan, en
b. welke voorzieningen worden
getroffen om de geuremissie te beperken.
Hoofdstuk 2. Algemene regels ten aanzien
van alle activiteiten
Afdeling 2.1. Zorgplicht
Artikel 2.1
1. Degene die een inrichting drijft en
weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn
dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de
inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen
ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door
naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt
die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en
voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
2. Onder het voorkomen of beperken van
het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het
eerste lid wordt verstaan:
a. een doelmatig gebruik van
energie;
b. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
bodemverontreiniging;
c. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van het grondwater;
d. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;
e. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
luchtverontreiniging;
f. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van
geluidhinder;
g. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van
geurhinder;
h. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van
lichthinder;
i. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van
stofhinder;
j. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van
trillinghinder;
k. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het beperken van de nadelige gevolgen voor
het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de
inrichting;
l. het voorkomen van risico’s
voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat
niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen
en de gevolgen hiervan;
m. het zorgen voor een goede staat
van onderhoud van de inrichting;
n. de bescherming van de doelmatige
werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater;
o. het doelmatig beheer van
afvalwater;
p. het doelmatig beheer van
afvalstoffen;
q. het beschermen van de duisternis
en het donkere landschap in door het bevoegd gezag aangewezen
gebieden.
3. Het bevoegd gezag kan met betrekking
tot de verplichting bedoeld in het eerste lid maatwerkvoorschriften
stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit
niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede
inhouden dat de door de inrichting te verrichten activiteiten worden
beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten
worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige
gevolgen voor het milieu veroorzaakt.
Afdeling 2.2. Lozingen
Artikel 2.2
1. Het lozen van afvalwater op of in de
bodem en het lozen van afvalwater en andere afvalstoffen in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet
zijnde een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of
krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.6 3.6a, 3.32 tot en met 3.34,
4.19, 4.74c, 4.104, 4.109, 4.113a, is toegestaan.
2. In afwijking van het eerste lid is
lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder
doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
3. Het bevoegd gezag kan bij
maatwerkvoorschrift bepalen dat het eerste en tweede lid niet van
toepassing zijn en dat lozen op of in de bodem of in een voorziening
voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een
vuilwaterriool is toegestaan indien het belang van de bescherming van
het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en
eigenschappen van de lozing daartegen niet verzet.
4. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld
in het derde lid kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot:
a. de samenstelling, eigenschappen
of hoeveelheid van de lozing en het meten en registreren daarvan;
b. te treffen maatregelen;
c. de duur van de lozing; en
d. de plaats van het lozingspunt.
5. Het eerste en het tweede lid zijn
niet van toepassing op lozen in de bodem waaraan in een vergunning op
grond van artikel 6.4 of artikel 6.5, onderdeel b, van de Waterwet,
dan wel een vergunning op grond van een verordening van het waterschap
voorschriften zijn gesteld.
6. Indien een maatwerkvoorschrift als
bedoeld in het derde lid een lozing betreft die aanzienlijke gevolgen
voor het milieu kan hebben, is op de voorbereiding van het
maatwerkvoorschrift afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing.
Artikel 2.2a
Indien er sprake is van een zodanige
combinatie van meerdere activiteiten, dat een scheiding van het
afvalwater, afkomstig van die activiteiten, niet doelmatig is, kan het
bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich
daartegen niet verzet, op verzoek van de aanvrager bij
maatwerkvoorschrift aan het lozen voorwaarden stellen, die afwijken van
de voorwaarden die aan het lozen als gevolg van een afzonderlijke
activiteit bij of krachtens hoofdstuk 3 of 4 zijn gesteld.
Artikel 2.3
1. Emissiemetingen ter controle op de
naleving van de emissie-eisen voor het lozen worden uitgevoerd
volgens:
a. NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2
ten aanzien van arseen, barium, berylium, boor, cadmium, chroom,
cobalt, ijzer, koper, molybdeen, nikkel, lood, seleen, tin,
titaan, uranium, vanadium, zilver en zink, waarbij de ontsluiting
van de elementen plaats vindt volgens NEN-EN-ISO 15587-1 en NEN
6961;
b. NEN-EN-1483 ten aanzien van
kwik;
c. NEN-EN-ISO 14403 ten aanzien van
vrij cyanide in afvalwater;
d. NEN-EN-ISO 15680 ten aanzien van
benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen en naftaleen;
e. NEN 6401 ten aanzien van
vluchtige organohalogeenverbindingen;
f. NEN-EN-ISO 6468 ten aanzien van
aromatische organohalogeenverbindingen;
g. NEN-EN-ISO 10301 ten aanzien van
chlooretheen (vinylchloride), dichloormethaan, tetrachlooretheen
(PER), tetrachloormethaan, trichlooretheen, trichloormethaan,
1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, 1,2-dichlooretheen,
cis-1,2-dichlooretheen, trans-1,2-dichlooretheen
1,1,1-trichloorethaan en 1,1,2-trichloorethaan;
h. NEN 6676 ten aanzien van
extraheerbare organohalogeenverbindingen;
i. NEN-EN-ISO 9377-2 ten aanzien
van olie;
j. NEN-EN-ISO 17993 ten aanzien van
polyaromatische koolwaterstoffen;
k. ISO 5815-1/2 of NEN-EN 1899-1/2
ten aanzien van het biochemisch zuurstof verbruik;
l. NEN 6633 ten aanzien van het
chemisch zuurstof verbruik;
m. NEN-EN-ISO 13395 ten aanzien van
nitrietstikstof en nitraatstikstof;
n. NEN-ISO 5663 of NEN 6646 ten
aanzien van organisch stikstof (Kjeldahlstikstof);
o. NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of
NEN 6604 ten aanzien van ammoniumstikstof;
p. NEN-ISO 5813 of NEN-ISO 5814 ten
aanzien van het zuurstofgehalte;
q. NEN-EN 872 ten aanzien van
onopgeloste stoffen;
r. NEN-ISO 15681-1 en NEN-ISO
15681-2 ten aanzien van fosfor totaal;
s. NEN 6414 ten aanzien van
temperatuur; en
t. ISO 11083 ten aanzien van chroom
VI.
2. De monstername ten behoeve van de
emissiemetingen ter controle van de naleving van de emissie-eisen voor
het lozen wordt uitgevoerd volgens NEN-6600-1 en de conservering van
het monster wordt uitgevoerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3. Het monster
wordt niet gefiltreerd en de onopgeloste stoffen worden meegenomen in
de analyse.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid kunnen andere methoden voor emissiemetingen, monstername en
conservering worden gebruikt, indien deze gelijkwaardig zijn aan de in
die leden genoemde methoden.
Afdeling 2.3. Lucht
Artikel 2.4
De artikelen 2.5 en 2.6 zijn uitsluitend
van toepassing op emissies van stoffen bij activiteiten waarvoor bij of
krachtens de artikelen 3.38, 3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en
met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58,
4.60, 4.62, 4.65,4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119
en4.125, ten aanzien van emissies naar de lucht regels zijn gesteld.
Artikel 2.5
1. Indien de som van de onder normale
procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van
stoffen naar de lucht binnen een zelfde stofklasse vanuit alle bronnen
in de inrichting de in tabel 2.5 opgenomen grensmassastroom van die
stofklasse overschrijdt, emitteren al die bronnen afzonderlijk niet
meer dan de in tabel 2.5 opgenomen emissieconcentratie-eis behorende
bij die stofklasse.
2. Voor stofklasse S geldt dat alle
bronnen in de inrichting afzonderlijk:
a. niet meer dan 5 milligram per
normaal kubieke meter emitteren, indien de massastroom van een
stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende
één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze
stofklasse vanuit al die bronnen, groter of gelijk is aan 200 gram
per uur; of
b. niet meer dan 50 milligram per
normaal kubieke meter emitteren, indien de massastroom van een
stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende
één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze
stofklasse vanuit al die bronnen, kleiner is dan 200 gram per uur.
3. Voor stofklasse sO geldt dat alle
bronnen in de inrichting afzonderlijk:
a. niet meer dan 5 milligram per
normaal kubieke meter emitteren, indien de massastroom van een
stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende
één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze
stofklasse vanuit al die bronnen, groter of gelijk is aan 100 gram
per uur; of
b. niet meer dan 50 milligram per
normaal kubieke meter emitteren, indien de massastroom van een
stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende
één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze
stofklasse vanuit al die bronnen, kleiner is dan 100 gram per uur.
4. Indien voor een bron geen
filtrerende afscheider kan worden toegepast, emitteert deze bron in
afwijking van het tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a,
afzonderlijk niet meer dan 20 milligram per normaal kubieke meter.
5. Onverminderd het eerste lid is voor
de stofcategorieën MVP, sA en gO de in tabel 2.5 bij die stofklasse
genoemde emmissieconcentratie-eis voor alle bronnen afzonderlijk van
toepassing indien:
a. de gedurende één uur
optredende massastromen van stoffen uit een stofklasse genoemd in
tabel 2.5 tezamen met de gedurende hetzelfde uur optredende
massastromen van stoffen uit de eerstvolgende hogere stofklasse
genoemd in die tabel, vanuit alle bronnen in de inrichting de in
die tabel genoemde grensmassastroom van de laatstbedoelde
stofklasse overschrijdt;
b. de gedurende één uur
optredende massastromen van afzonderlijke stofklassen binnen één
stofcategorie tezamen vanuit alle bronnen in de inrichting de in
tabel 2.5 genoemde grensmassastroom van de hoogste stofklasse
genoemd in die tabel van die stofcategorie overschrijdt.
6. Indien eisen zijn gesteld aan de
emissie van chroom VI-verbindingen wordt ten aanzien van de
berekeningen in het eerste en vijfde lid gerekend met de afwijkende
massastroom en emissieconcentratie-eis zoals opgenomen in de
betreffende artikelen van hoofdstuk 4.
Tabel 2.5
Stofcategorie
|
Stofklasse |
Grensmassastroom
g/uur |
Emissieconcentratie-eis
Milligram per normaal kubieke meter |
|
MVP |
MVP1 |
0,15 |
0,05 |
|
MVP2 |
2,5 |
1 |
|
sA |
sA.1 |
0,25 |
0,05 |
|
sA.2 |
2,5 |
0,5 |
|
sA.3 |
10 |
5 |
|
gA |
gA.1 |
2,5 |
0,5 |
|
gA.2 |
15 |
3 |
|
gA.3 |
150 |
30 |
|
gA.4 |
2000 |
50 |
|
gA.5 |
2000 |
200 |
|
gO |
gO.1 |
100 |
20 |
|
gO.2 |
500 |
50 |
|
gO.3 |
500 |
100 |
Artikel 2.6
Indien de massastroom van een bron op
jaarbasis kleiner is dan de in tabel 2.6 genoemde vrijstellingsgrens
gelden in afwijking vanartikel 2.5 en de emissieconcentratie-eisen voor
stoffen waarvoor inhoofdstuk 4 eisen ten aanzien van emissies naar de
lucht zijn gesteld, de daarin genoemde emissieconcentratie-eisen niet
voor de emissie van die bron.
Tabel 2.6
| Stofcategorie |
Stofklasse |
Vrijstellingsgrens
(kilogram per jaar) |
|
MVP |
MVP1 |
0,075 |
|
MVP2 |
1,25 |
|
S |
S |
100 |
|
sO |
sO |
50 |
|
sA |
sA.1 |
0,125 |
|
sA.2 |
1,25 |
|
sA.3 |
5 |
|
gA |
gA.1 |
1,25 |
|
gA.2 |
7,5 |
|
gA.3 |
75 |
|
gA.4 |
1000 |
|
gA.5 |
1000 |
|
gO |
gO.1 |
50 |
|
gO.2 |
250 |
|
gO.3 |
250 |
Artikel 2.7
1. Indien de NeR daartoe aanleiding
geeft kan het bevoegd gezag de emissieconcentratie-eisen, bedoeld in
de artikelen 2.5 en 2.6, en de emissieconcentratie-eisen voor stoffen
waarvoor in dehoofdstukken 3 en 4 eisen ten aanzien van de emissies
naar de lucht zijn gesteld, bij maatwerkvoorschrift niet van
toepassing verklaren en met inachtneming van de NeR ten aanzien van
stoffen genoemd in die artikelen en hoofdstukken andere
emissieconcentratie-eisen dan wel andere eisen stellen ter beperking
van de emissies naar de lucht.
2. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het controleren van
emissies naar de lucht als bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6 ten
aanzien van alle activiteiten waarvoor bij of krachtens de
hoofdstukken 3 en 4 eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn
gesteld indien:
a. de inrichting een andere
maatregel heeft gekozen dan de maatregel die is erkend op grond
van de ministeriële regeling, bedoeld in 1.7;
b. de toegepaste emissiebeperkende
techniek in combinatie met de geëmitteerde stoffen leidt tot hoge
storinggevoeligheid, er veel onderhoud nodig is dan wel er veel
fluctuaties zijn in de aard en grootte van de emissies;
c. de grootte en aard van de
emissies daartoe aanleiding geven;
d. de grootte van emissies die
kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperkende techniek,
daartoe aanleiding geven.
3. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de
controle van een emissiebeperkende techniek die door de inrichting
wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.38, 3.43, 4.21, 4.23,
4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en
met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65,4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94,
4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119 en4.125 te voldoen indien geen of naar de
mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de
emissiebeperkende techniek.
Artikel 2.8
1. Indien bij ministeriële regeling op
grond van artikel 1.7 is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen
ter bescherming van het milieu kunnen worden toegepast en degene die
de inrichting drijft op een andere wijze voldoet aan de eisen ten
aanzien van de emissies naar de lucht van stoffen die bij of krachtens
dehoofdstukken 3 en 4 zijn gesteld:
a. wordt op verzoek van het bevoegd
gezag éénmalig aangetoond of de grensmassastromen zoals bedoeld
in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3 en 4, vanwege het in
werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden; of
b. wordt op verzoek van het bevoegd
gezag indien een of meer grensmassastromen als bedoeld in artikel
2.5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan
de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid,
gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in deartikelen 3.38,
3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en
met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62,
4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119
en4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld
door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een
emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag,
met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de
massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel
2.6.
2. Het eerste lid, onderdelen a en b,
is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting
indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante
toename van de emissie.
3. Emissiemetingen ter controle op de
naleving van de emissie-eisen worden uitgevoerd overeenkomstig
paragraaf 3.7 van de NeR en volgens:
a. NEN-EN 13284-1, dan wel in het
geval van continue metingen, volgens NEN-EN 13284-2, ten aanzien
van totaal stof;
b. ISO 16740, ten aanzien van
chroom VI -verbindingen;
c. NEN-EN 14385, ten aanzien van
zware metalen;
d. NEN-EN 1911-1, 1911-2 en 1911-3,
dan wel in het geval van continue metingen volgens VDI 3480-3, ten
aanzien van zoutzuur;
e. NEN 2819, ten aanzien van
waterstoffluoride;
f. NEN-EN 14792, dan wel in het
geval van continue metingen volgens NEN-ISO 10849, ten aanzien van
stikstofoxiden; en
g. NEN 2826, ten aanzien van
ammoniak.
4. Toetsing van emissiemetingen aan de
emissieconcentratie-eisen als bedoeld in artikel 2.5 en in
dehoofdstukken 3 en 4 vindt plaats overeenkomstig paragraaf 3.7 van de
NeR.
5. In afwijking van het derde lid
kunnen andere bepalingsmethoden worden gebruikt indien deze
gelijkwaardig zijn aan de in dat lid genoemde methoden.
Afdeling 2.4. Bodem
Artikel 2.9
1. Indien in een inrichting een
bodembedreigende activiteit wordt verricht worden bodembeschermende
voorzieningen en bodembeschermende maatregelen getroffen waarmee een
verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
2. De bodembeschermde voorzieningen en
bodembeschermende maatregelen voldoen aan de bij ministeriële
regeling gestelde eisen in verband met de goede werking van die
voorzieningen en maatregelen, en omtrent de controle van die eisen
alsmede aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen in verband
met de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren.
3. In de bij ministeriële regeling te
bepalen gevallen zendt degene die de inrichting drijft de resultaten
van het onderzoek in verband met de mogelijkheid om
bodemverontreiniging te kunnen signaleren, bedoeld in het tweede lid,
aan het bij die regeling aangegeven bestuursorgaan.
Artikel 2.10
1. Om een verwaarloosbaar bodemrisico
te realiseren voldoet een ondergrondse opslagtank aan de bij
ministeriële regeling gestelde eisen in verband met:
a. de goede werking van die
opslagtank;
b. de mogelijkheid om
bodemverontreiniging te kunnen signaleren.
2. Een kathodische bescherming voldoet
aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen in verband met de
goede werking van die bescherming.
Artikel 2.11
1. Indien in de inrichting een
bodembedreigende activiteit wordt verricht, wordt uiterlijk binnen
drie maanden na oprichting van de inrichting, een rapport met de
resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit toegestuurd aan
het bevoegd gezag.
2. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het uitvoeren van een
onderzoek naar de bodemkwaliteit bij een verandering van de
inrichting, indien het gelet op de aard of de mate waarin de
inrichting verandert, nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen met
het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem
die kan of is ontstaan door een bodembedreigende activiteit.
3. Indien in de inrichting een
bodembedreigende activiteit is verricht wordt uiterlijk binnen zes
maanden na beëindiging van de inrichting of na beëindiging van het
opslaan van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een
ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een
onderzoek naar de bodemkwaliteit toegezonden aan het bevoegd gezag. In
dit rapport wordt ten minste vermeld:
a. de naam en adres van degene die
het onderzoek heeft verricht;
b. de wijze waarop het onderzoek is
verricht;
c. de aard en de mate van de
aangetroffen verontreinigende stoffen en de herkomst daarvan;
d. de mate waarin de bodemkwaliteit
is gewijzigd ten opzichte van de situatie bij de oprichting of de
verandering van de inrichting voor zover die situatie is
vastgelegd in een rapport;
e. de wijze waarop en de mate
waarin de bodemkwaliteit wordt hersteld als bedoeld in het vijfde
lid.
4. De onderzoeken en rapporten, bedoeld
in het eerste, tweede en derde lid, worden uitgevoerd
onderscheidenlijk opgesteld door een persoon of een instelling die
daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit
bodemkwaliteit.
5. Indien uit het rapport, bedoeld in
het derde lid, blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in
de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de
inrichting drijft er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending
van dat rapport aan het bevoegd gezag de bodemkwaliteit is hersteld
tot:
a. de situatie bij oprichting of
verandering van de inrichting voor zover die situatie is
vastgelegd in een rapport;
b. de achtergrondwaarden als
bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit indien er geen rapport als
bedoeld in onderdeel a beschikbaar is.
Herstel vindt plaats voor zover dat met
de beste beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is.
6. Het herstel van de bodemkwaliteit
als bedoeld in het vijfde lid geschiedt door een persoon of een
instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit
bodemkwaliteit.
7. Degene die de inrichting drijft
meldt de aanvang en de afronding van de werkzaamheden, bedoeld in het
vijfde lid, direct aan het bevoegd gezag.
8. De onderzoeken, bedoeld in het
eerste tot en met derde lid, voldoen aan NEN 5740 en richten zich
uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden
ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of vormden en
op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, zullen
plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden.
9. Een aanwezige vloeistofdichte vloer
of verharding wordt ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het
eerste lid of tweede lid, niet doorboord of anderszins aangetast.
10. Bij ministeriële regeling kunnen
bodembedreigende activiteiten worden aangewezen waarop dit artikel
geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.
Afdeling 2.5. Afvalbeheer
Artikel 2.12
1. Het is verboden:
a. gevaarlijke afvalstoffen te
mengen met afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen;
b. afvalstoffen te mengen met
andere afvalstoffen die wat betreft aard, samenstelling of
concentraties niet vergelijkbaar zijn, en
c. afvalstoffen te mengen met
stoffen of materialen, niet zijnde afvalstoffen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op afvalstoffen, voor
zover:
a. de afvalstoffen geen gevaarlijke
afvalstoffen zijn;
b. de afvalstoffen niet van buiten
de inrichting afkomstig zijn, en
c. het gescheiden houden en
gescheiden afgeven van de afvalstoffen redelijkerwijs niet kan
worden gevergd.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, aanhef en onder b en c, is niet van toepassing op het mengen:
a. ten behoeve van recycling als
product of als materiaal, en
b. van afvalwater waarvan het lozen
bij of krachtens dit besluit op dezelfde wijze is toegestaan,
voorafgaand aan dat lozen.
4. Bij ministeriële regeling worden
categorieën van afvalstoffen aangewezen waarin per categorie de
afvalstoffen wat betreft aard, samenstelling en concentratie in ieder
geval vergelijkbaar zijn.
Artikel 2.13
Degene die de inrichting drijft
verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of
spelmaterialen, of andere materialen die uit de inrichting afkomstig
zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van 25 meter
van de inrichting.
Artikel 2.14
Indien binnen een inrichting een
afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof, textiel, steenachtige
materialen of gips als grondstof wordt ingezet voor het vervaardigen,
samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande
uit metaal, hout, kunststof, textiel, steenachtige materialen of gips en
de eigenschappen van de afvalstof afwijken van de gangbare grondstof kan
het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen om nadelige gevolgen
voor het milieu die kunnen ontstaan door het afwijken van de
eigenschappen, te voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is te
beperken.
Artikel 2.14a
1. Het is verboden afvalstoffen te
verbranden.
2. Het is verboden afvalstoffen op of
in de bodem te brengen met het doel ze daar te laten.
3. Het tweede lid geldt niet voor het
toepassen van bouwstoffen en het toepassen van grond of baggerspecie,
waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is.
4. Het tweede lid geldt niet voor het
lozen op of in de bodem.
5. Het is verboden afvalstoffen
voorafgaand aan nuttige toepassing langer dan drie jaren op te slaan.
6. Het is verboden afvalstoffen
voorafgaand aan verwijdering langer dan een jaar op te slaan.
7. Uiterlijk binnen acht weken na de
beëindiging van de inrichting worden de daarin aanwezige afvalstoffen
uit de inrichting afgevoerd.
Artikel 2.14b
1. Indien binnen een inrichting
afvalstoffen worden op- of overgeslagen of verwerkt die worden
ingezameld bij of afgegeven door een andere persoon dan degene die de
inrichting drijft, is binnen de inrichting een actuele beschrijving
aanwezig van de procedures van acceptatie en controle van de ontvangen
afvalstoffen, die nodig zijn voor een doelmatig beheer van die
afvalstoffen.
2. De beschrijving, bedoeld in het
eerste lid, onderscheidt groepen van afvalstoffen waarvoor vanuit het
oogpunt van doelmatig beheer van afvalstoffen verschillende procedures
worden gehanteerd en omvat per onderscheiden groep van afvalstoffen in
ieder geval de volgende elementen:
a. het type ontdoener waarvan
afvalstoffen worden aangenomen, voor zover dit gevolgen heeft voor
de acceptatie en controle;
b. de eisen die degene die de
inrichting drijft, stelt aan de manier waarop de afvalstoffen
worden aangeboden;
c. de manier waarop de afvalstoffen
worden gecontroleerd bij ontvangst, en
d. de manier waarop de afvalstoffen
die op een milieuhygiënisch relevante manier afwijken van wat
gangbaar is voor de categorie, worden behandeld.
3. Degene die de inrichting drijft
draagt er zorg voor dat:
a. de procedures van acceptatie en
controle, bedoeld in het eerste lid, binnen de inrichting in acht
worden genomen, en
b. de afvalstoffen binnen de
inrichting uitsluitend worden ingenomen voor zover die procedures
worden nageleefd.
4. Het bevoegd gezag kan in het belang
van het doelmatig beheer van afvalstoffen bij maatwerkvoorschrift
eisen stellen aan de invulling van de procedures, bedoeld in het
eerste lid.
Afdeling 2.6. Energiebesparing
Artikel 2.15
1. Degene die de inrichting drijft
neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van
vijf jaar of minder of alle energiebesparende maatregelen die een
positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van
15%.
2. Indien aannemelijk is dat niet wordt
voldaan aan het eerste lid, kan het bevoegd gezag degene die de
inrichting drijft waarvan het energieverbruik in enig kalenderjaar
groter is dan 200.000 kilowatt uur aan elektriciteit of groter is dan
75.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen, verplichten
om binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn, onderzoek te
verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt of aan het eerste lid
wordt voldaan.
3. Indien uit het onderzoek, bedoeld in
het tweede lid, blijkt dat niet wordt voldaan aan het eerste lid,
neemt degene die de inrichting drijft de in het eerste lid bedoelde
maatregelen binnen een door het bevoegd gezag te bepalen redelijke
termijn.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het energiegebruik in de inrichting in enig
kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kilowatt uur aan elektriciteit en
kleiner is dan 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan
brandstoffen.
Afdeling 2.7. Verkeer en vervoer
Artikel 2.16 [Treedt in werking per
01-01-2014]
1. Degene die een inrichting drijft,
treft ten aanzien van het vervoer van de eigen werknemers van en naar
de inrichting de in de ministeriële regeling genoemde maatregelen,
waarbij kan worden bepaald dat maatregelen worden getroffen die
tezamen ten minste het op grond van die ministeriële regeling
benodigde aantal punten behalen.
2. Indien in de inrichting meer dan 500
werknemers werkzaam zijn kan het bevoegd gezag degene die de
inrichting drijft verplichten om binnen een door het bevoegd gezag te
bepalen termijn onderzoek naar personenvervoer te verrichten of te
laten verrichten waaruit blijkt welke aanvullende maatregelen kunnen
worden toegepast. Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van dat
onderzoek bij maatwerkvoorschrift aanvullende maatregelen
voorschrijven.
3. Het bevoegd gezag kan in afwijking
van het eerste lid een lager aantal punten dan het in de ministeriële
regeling vastgestelde puntenaantal vaststellen indien degene die de
inrichting drijft aantoont dat het gezien de aard en ligging van de
inrichting op geen enkele manier mogelijk is om het puntenaantal zoals
opgenomen in de ministeriële regeling te bereiken.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing indien er in de inrichting minder dan 50 werknemers
werkzaam zijn.
Afdeling 2.8. Geluidhinder
Artikel 2.17
1. Voor het langtijdgemiddelde
beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax,
veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en
toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden
en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de
onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
a. de niveaus op de in tabel 2.17a
genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die
tabel aangegeven waarden;
Tabel 2.17a
|
|
07:00–19:00 uur |
19:00–23:00 uur |
23:00–07:00 uur |
|
LAr,LTop de gevel van gevoelige
gebouwen |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
|
LAr,LTin in- en aanpandige
gevoelige gebouwen |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
LAmaxop de gevel van gevoelige
gebouwen |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
|
LAmaxin in- en aanpandige gevoelige
gebouwen |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
b. de in de periode tussen 07.00 en
19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax
niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
c. de in tabel 2.17a aangegeven
waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden
indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming
geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
geluidsmetingen;
d. de in tabel 2.17a aangegeven
waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens
van het terrein;
e. de waarden in in- en aanpandige
gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en
verblijfsruimten; en
f. de in tabel 2.17a aangegeven
waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een
gezoneerd industrieterrein.
2. Ten aanzien van een inrichting die
is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, waarbij binnen een
afstand van 50 meter geen gevoelige objecten, anders dan gevoelige
objecten gelegen op het gezoneerde industrieterrein, zijn gelegen,
bedraagt in afwijking van het eerste lid, het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting
aanwezige installaties en toestellen, alsmede door die inrichting
verrichte werkzaamheden en activiteiten niet meer dan de in tabel
2.17b bij het betreffende tijdstip aangegeven waarde. De eerste
volzin is niet van toepassing op windturbines.
Tabel 2.17b
|
|
07.00–19.00 uur |
19.00–23.00 uur |
23.00–07.00 uur |
|
LAr,LTop een afstand van 50 meter
vanaf de grens van de inrichting |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
3. In afwijking van het eerste lid
geldt voor een inrichting die is gelegen op een bedrijventerrein,
dat:
a. het langtijdgemiddelde
beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax)
op de in tabel 2.17c genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer
bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
b. de in de periode tussen 07:00
uur en 19:00 uur in tabel 2.17c opgenomen maximale
geluidsniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op laad- en
losactiviteiten;
c. de in tabel 2.17c aangeven
waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet van
toepassing zijn, indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen
geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of
doen uitvoeren van geluidsmetingen;
d. de in tabel 2.17c aangegeven
waarden op de gevel ook van toepassing zijn bij gevoelige
terreinen op de grens van het terrein;
e. de waarden in in- en
aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige
ruimten en verblijfsruimten, en
f. de in tabel 2.17c aangegeven
waarden gelden niet op gevoelige objecten die zijn gelegen op
een gezoneerd industrieterrein.
Tabel 2.17c
|
|
07.00-19.00 uur |
19.00-23.00 uur |
23.00-07.00 uur |
|
LAr,LTop de gevel van gevoelige
gebouwen op het bedrijventerrein |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
|
LAr,LTin in- en aanpandige
gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
LAmax op de gevel van gevoelige
gebouwen op het bedrijventerrein |
75 dB(A) |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
|
LAmax in in- en aanpandige
gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
4. In afwijking van het eerste en het
tweede lid, geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)
en het maximaal geluidsniveau (LAmax, bij een inrichting die
uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor openbare verkoop van
vloeibare brandstoffen, mengsmering of aardgas aan derden voor
motorvoertuigen voor het wegverkeer, dat:
a. de geluidsniveaus op de in
tabel 2.17d genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen
dan de in die tabel aangegeven waarden;
b. de in de periode tussen 07.00
en 21.00 uur in tabel 2.17d opgenomen maximale geluidsniveaus
LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
Tabel 2.17d
|
|
07:00–21:00 uur |
21:00–07:00 uur |
|
LAr,LTop de gevel van gevoelige
gebouwen |
50 dB(A) |
40 dB(A) |
|
LAmaxop de gevel van gevoelige
gebouwen |
70 dB(A) |
60 dB(A) |
c. de in tabel 2.17d aangegeven
waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de
grens van het terrein;
d. indien de inrichting is
gelegen op een gezoneerd industrieterrein en binnen een afstand
van 50 meter geen gevoelige objecten, anders dan gevoelige
objecten gelegen op het gezoneerde industrieterrein zijn
gelegen, de waarden van het langtijdgemiddelde
beoordelingsniveau (LAr,LT) uit tabel 2.17d gelden op een
afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting; en
e. de in tabel 2.17d aangegeven
waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op
een gezoneerd industrieterrein.
Artikel 2.18
1. Bij het bepalen van de
geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12,
blijft buiten beschouwing:
a. het stemgeluid van personen op
een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de
inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een
binnenterrein;
b. het stemgeluid van bezoekers op
het open terrein van een inrichting voor sport- of
recreatieactiviteiten;
c. het geluid ten behoeve van het
oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of
het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke
bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met
het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
d. het geluid van het traditioneel
ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van
de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire
inrichtingen;
e. het ten gehore brengen van
muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de
buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren
per week op militaire inrichtingen;
f. het ten gehore brengen van
onversterkte muziek tenzij en voor zover daarvoor bij
gemeentelijke verordening regels zijn gesteld;
g. het traditioneel schieten,
tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels
zijn gesteld;
h. het stemgeluid van kinderen op
een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een
inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur
voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het
onderwijs;
i. het stemgeluid van kinderen op
een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een
instelling voor kinderopvang.
2. Bij het bepalen van de
geluidsniveaus, bedoeld inartikel 2.17 wordt voor muziekgeluid geen
bedrijfsduurcorrectie toegepast.
3. Bij het bepalen van het maximaal
geluidsniveau LAmax, bedoeld in artikel 2.17blijft buiten beschouwing
het geluid als gevolg van:
a. het komen en gaan van bezoekers
bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport-
en recreatieactiviteiten plaatsvinden;
b. het verrichten in de open lucht
van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband
staan.
4. De maximale geluidsniveaus LAmax,
bedoeld in artikel 2.17 zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van
toepassing ten aanzien van aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij
laad- en losactiviteiten indien:
a. degene die de inrichting drijft
aantoont dat het maximaal geluidsniveau LAmax, genoemd in tabel
2.17a, niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en
b. het niveau van het
aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 meter van het motorvoertuig
niet hoger is van 65dB(A).
5. Bij gemeentelijke verordening kunnen
ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels worden gesteld
met betrekking tot:
a. het ten gehore brengen van
onversterkte muziek, en
b. het traditioneel schieten.
Artikel 2.19 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Bij gemeentelijke verordening kunnen
voorwaarden worden vastgesteld op grond waarvan krachtens de
verordening gebieden worden aangewezen waarin de in de verordening
opgenomen geluidsnormen gelden die afwijken van de waarden, bedoeld in
artikel 2.17 indien de in dat artikel genoemde waarden gelet op de
aard van de gebieden niet passend zijn.
Alvorens een gebied wordt aangewezen
worden de gevolgen hiervan voor de in die gebieden gelegen
inrichtingen, de bewoners van die gebieden en andere belanghebbenden
in kaart gebracht.
2. In een gebied als bedoeld in het
eerste lid bedragen de waarden binnen een geluidsgevoelige ruimte of
een verblijfsruimte voor zover deze niet zijn gelegen op een gezoneerd
industrieterrein, op de volgende tijdstippen niet meer dan de in tabel
2.19 aangegeven waarden:
Tabel 2.19
|
|
07.00–19.00 uur |
19.00–23.00 uur |
23.00–07.00 uur |
|
LAr,LT |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
|
LAmax |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
3. Bij het bepalen van het maximaal
geluidsniveau (LAmax), bedoeld in het tweede lid, blijft buiten
beschouwing het geluid als gevolg van:
a. het komen en gaan van
bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak
horeca-, sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden;
b. het verrichten in de open
lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw
verband staan.
4. De in het tweede lid genoemde
waarden gelden niet indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen
geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
uitvoeren van geluidsmetingen.
5. In een verordening als bedoeld in
het eerste lid kan worden bepaald dat het bevoegd gezag ten aanzien
van een gebied dat krachtens de verordening is aangewezen
overeenkomstig artikel 2.20maatwerkvoorschriften kan stellen.
Artikel 2.20
1. In afwijking van de waarden, bedoeld
in deartikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12, kan het bevoegd gezag bij
maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau
LAmaxvaststellen.
2. Het bevoegd gezag kan slechts hogere
waarden vaststellen dan de waarden, bedoeld in deartikelen 2.17, 2.19
dan wel 6.12, indien binnen geluidsgevoelige ruimten dan wel
verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de
akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van
maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd.
3. De in het tweede lid bedoelde
etmaalwaarde is niet van toepassing indien de gebruiker van deze
gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid
uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen.
4. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen over de plaats waar de waarden, bedoeld
in de artikelen 2.17,2.19 dan wel 6.12, voor een inrichting gelden.
5. Het bevoegd gezag kan bij
maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de
inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden
genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.
6. In afwijking van de waarden, bedoeld
in deartikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12 kan het bevoegd gezag bij
maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting,
anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21, andere waarden
voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal
geluidsniveau LAmax vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij
voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de
activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de
activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de
activiteit plaatsvindt.
Artikel 2.21
1. De waarden bedoeld in de artikelen
2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12 zijn voor zover de naleving van deze
normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op
dagen of dagdelen in verband met de viering van:
a. festiviteiten die bij of
krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de
gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;
b. andere festiviteiten die
plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens
een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per
gebied of categorie van inrichtingen kan verschillen en niet meer
mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar.
2. Bij of krachtens gemeentelijke
verordening kunnen voorwaarden worden verbonden aan de festiviteiten
ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
3. Een festiviteit als bedoeld in het
eerste lid die maximaal een etmaal duurt, maar die zowel voor als na
00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één
dag.
Artikel 2.22
1. Bij het bepalen van het maximaal
geluidsniveau LAmax, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19,2.20 dan wel
6.12, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van het
uitrukken van motorvoertuigen ten behoeve van ongevallenbestrijding,
brandbestrijding en gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na
een ongeval.
2. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het treffen van
technische en organisatorische maatregelen ten aanzien van het
uitrukken van motorvoertuigen bij ongevallenbestrijding,
brandbestrijding en gladheidbestrijding, indien dat bijzonder is
aangewezen in het belang van het milieu.
Afdeling 2.9. Trillinghinder
Artikel 2.23
1. Trillingen, veroorzaakt door de tot
de inrichting behorende installaties of toestellen alsmede de tot de
inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten,
bedragen in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, met
uitzondering van geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten gelegen
op een gezoneerd industrieterrein, niet meer dan de trillingsterkte,
genoemd in tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel
B«Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch
Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen.
2. De waarden gelden niet indien de
gebruiker van de geluidsgevoelige ruimten of verblijfsruimten geen
toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren
van trillingmetingen.
3. Het bevoegd gezag kan bij
maatwerkvoorschrift het eerste lid niet van toepassing verklaren en
een andere trillingsterkte toelaten. Deze trillingsterkte is niet
lager dan de streefwaarden die zijn gedefinieerd voor de gebouwfunctie
wonen in de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B«Hinder voor
personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam.
Afdeling 2.10. Financiële zekerheid
Artikel 2.24
1. Degene die een inrichting drijft
waarin vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse tank
wordt opgeslagen stelt door verzekering of anderszins financiële
zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid die voortvloeit uit
verontreiniging van de bodem als gevolg van dat opslaan of het drijven
van het tankstation. De eerste volzin is niet van toepassing op het
Rijk.
2. De zekerheid bedraagt€ 225.000 per
ondergrondse tank. Bij meer dan zes ondergrondse tanks bedraagt de
zekerheid in totaal €1.361.340,65.
3. De zekerheid wordt in stand gehouden
vanaf het tijdstip waarop het opslaan aanvangt tot vier weken na
toezending van een rapport als bedoeld in artikel 2.11, derde lid, aan
het bevoegd gezag.
4. Indien uit een rapport als bedoeld
in artikel 2.11, derde lid, blijkt dat de bodem met vloeibare
brandstof of met afgewerkte olie is verontreinigd, wordt, in afwijking
van het derde lid, de financiële zekerheid in stand gehouden tot het
tijdstip waarop gedeputeerde staten aan degene die opslaat of een
tankstation voor het wegverkeer drijft, schriftelijk hebben verklaard
dat de door hen nodig geachte maatregelen zijn genomen. Degene die
opslaat of een tankstation voor het wegverkeer drijft, kan
gedeputeerde staten schriftelijk verzoeken om een verklaring als
bedoeld in de eerste volzin. Gedeputeerde staten beslissen op het
verzoek uiterlijk vier weken nadat het verzoek is verzonden.
Artikel 2.25
Degene die een inrichting drijft waarin
vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse tank wordt
opgeslagen, legt binnen acht weken nadat hij met deze activiteit is
aangevangen aan het bevoegd gezag schriftelijk bewijsstukken over,
waaruit blijkt dat:
a. wordt voldaan aan artikel 2.24,
eerste en tweede lid;
b. voor zover sprake is van het
drijven van een tankstation voor het wegverkeer kan worden voldaan
aan artikel 2.24, vierde lid;
c. degene die contractueel instaat
voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in
artikel 2.24, eerste lid, voor zover sprake is van het drijven van
een tankstation voor het wegverkeer, het bevoegd gezag zo spoedig
mogelijk schriftelijk in kennis zal stellen van het tijdstip waarop
die zekerheid is of zal komen te vervallen, alsmede van de opneming
van uitsluitingen en andere fundamentele wijzigingen in de
afgesloten overeenkomst die de gestelde zekerheid inperken; en
d. de persoon, bedoeld in onderdeel
b, tot een jaar na de in dat onderdeel bedoelde schriftelijke
kennisgeving garant staat voor herstel of vergoeding van schade die
is ontstaan tijdens de looptijd van de financiële zekerheid.
Artikel 2.26
Degene die een tankstation voor het
wegverkeer drijft, draagt er zorg voor dat de vorm van de financiële
zekerheid en de hoedanigheid van degene die contractueel instaat voor de
financiële dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 2.24,
eerste lid, niet wordt gewijzigd dan nadat aan het bevoegd gezag een
schriftelijk bewijsstuk is overgelegd, waaruit blijkt dat de gewijzigde
financiële zekerheid voldoet aan artikel 2.24.
Artikel 2.27
Burgemeester en wethouders van de
gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht, van gemeenten
die zijn aangewezen krachtens artikel 88, negende lid, van de Wet
bodembescherming, en een regionaal openbaar bestuur als bedoeld in de
Kaderwet bestuur in verandering, treden voor de toepassing van artikel
2.24, vierde lid, in de plaats van gedeputeerde staten. Een regionaal
openbaar lichaam als bedoeld in de vorige volzin treedt slechts in de
plaats van gedeputeerde staten, indien de in dit artikel bedoelde
bevoegdheden bij die algemene maatregel van bestuur zijn overgedragen.
Hoofdstuk 3. Bepalingen met betrekking
tot activiteiten in inrichtingen, tevens geldend voor inrichtingen type
c
Afdeling 3.1. Afvalwaterbeheer
§ 3.1.1. Bodemsanering en
proefbronnering
Artikel 3.1
1. Deze paragraaf is van toepassing op
een saneringsonderzoek en een bodemsanering in de zin van de Wet
bodembescherming. Bij het lozen van grondwater vanuit een
proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek of vanuit een
bodemsanering wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het
negende lid.
2. Het lozen in een aangewezen
oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en
het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is
toegestaan, indien bij het lozen:
a. geen visuele verontreiniging
plaatsvindt;
b. het gehalte aan naftaleen in
enig steekmonster ten hoogste 0,2 microgram per liter bedraagt;
c. het gehalte aan PAK’s in enig
steekmonster ten hoogste 1 microgram per liter bedraagt; en
d. in enig steekmonster de
emissiewaarden van de in dit artikel opgenomen tabel 3.1a niet
worden overschreden.
Tabel 3.1a
Stoffen
|
emissiewaarde |
|
BTEX |
50 microgram per liter |
|
Vluchtige
organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor |
20 microgram per liter |
|
Aromatische
organohalogeenverbindingen |
20 microgram per liter |
|
Minerale olie |
500 microgram per liter |
|
Cadmium |
4 microgram per liter |
|
Kwik |
1 microgram per liter |
|
Koper |
11 microgram per liter |
|
Nikkel |
41 microgram per liter |
|
Lood |
53 microgram per liter |
|
Zink |
120 microgram per liter |
|
Chroom |
24 microgram per liter |
|
Onopgeloste stoffen |
50 milligram per liter |
3. Het lozen, in een niet-aangewezen
oppervlaktewaterlichaam, is toegestaan, indien bij het lozen:
a. geen visuele verontreiniging
plaatsvindt;
b. het gehalte aan naftaleen in
enig steekmonster ten hoogste 0,2 microgram per liter bedraagt;
c. het gehalte aan PAK's in enig
steekmonster ten hoogste 1 microgram per liter bedraagt; en
d. in enig steekmonster de
emissiewaarden van de in dit artikel opgenomen tabel 3.1b niet
worden overschreden.
Tabel 3.1b
Stoffen
|
emissiewaarde |
|
Benzeen |
2 microgram per liter |
|
Tolueen |
7 microgram per liter |
|
Ethylbenzeen |
4 microgram per liter |
|
Xyleen |
4 microgram per liter |
|
Tetrachlooretheen |
3 microgram per liter |
|
Trichlooretheen |
20 microgram per liter |
|
1,2-dichlooretheen |
20 microgram per liter |
|
1,1,1-trichloorethaan |
20 microgram per liter |
|
Vinylchloride |
8 microgram per liter |
|
Som van de vijf hier bovenstaande
stoffen |
20 microgram per liter |
|
Monochloorbenzeen |
7 microgram per liter |
|
Dichloorbenzenen |
3 microgram per liter |
|
Trichloorbenzenen |
1 microgram per liter |
|
Minerale olie |
50 microgram per liter |
|
Cadmium |
0,4 microgram per liter |
|
Kwik |
0,1 microgram per liter |
|
Koper |
1,1 microgram per liter |
|
Nikkel |
4,1 microgram per liter |
|
Lood |
5,3 microgram per liter |
|
Zink |
12 microgram per liter |
|
Chroom |
2,4 microgram per liter |
|
Onopgeloste stoffen |
20 milligram per liter |
4. Het lozen op of in de bodem is
toegestaan indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet
meer bedraagt dan de streefwaarden in tabel 1 van de bijlage bij de
circulaire bodemsanering 2009.
5. Het lozen, bedoeld in het eerste
lid, in een vuilwaterriool is verboden.
6. Indien lozen als bedoeld in het
eerste lid in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in
een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater,
niet zijnde een vuilwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk is:
a. is, in afwijking van het
vijfde lid, het lozen vanuit een proefbronnering in het
vuilwaterriool toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste
stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter;
b. kan het bevoegd gezag bij
maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing verklaren
en het lozen vanuit een bodemsanering in een vuilwaterriool
toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu
zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van
het afvalwater niet tegen het lozen in een vuilwaterriool
verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
7. Het bevoegd gezag kan bij
maatwerkvoorschrift afwijken van:
a. de gehalten aan naftaleen en
PAK’s, bedoeld in onderdelen b en c van het tweede en het
derde lid, de emissiewaarden, bedoeld in onderdeel d van het
tweede en het derde lid en de streefwaarden, bedoeld in het
vierde lid, en hogere waarden of gehalten bepalen, indien
genoemde waarden of gehalten niet door toepassing van beste
beschikbare technieken kunnen worden bereikt en het belang van
de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen het lozen
met een hogere waarde of een hoger gehalte;
b. de gehalten aan naftaleen en
PAK’s, bedoeld in onderdelen b en c van het tweede en het
derde lid, en lagere waarden bepalen, indien het belang van de
bescherming van het milieu tot het stellen van een lagere waarde
noodzaakt;
c. de waarden bedoeld in het
tweede lid, onderdeel d, en lagere waarden bepalen indien vanuit
een voorziening bedoeld in dat lid geloosd wordt in een
niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam, of op of in de bodem en
het belang van bescherming van het milieu noodzaakt tot het
stellen van een lagere waarde.
8. De lagere gehalten, bedoeld in het
zevende lid, onderdeel c, worden niet lager vastgesteld dan:
a. de waarden opgenomen in tabel
3.1b, indien geloosd wordt in een oppervlaktewaterlichaam;
b. de streefwaarden, bedoeld in
het vierde lid, indien geloosd wordt op of in de bodem.
9. Het te lozen grondwater, bedoeld
in het eerste lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
§ 3.1.2. Lozen van grondwater bij
ontwatering
Artikel 3.2
1. Bij het lozen van grondwater bij
ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste
lid, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het tiende
lid.
2. Het lozen op of in de bodem is
toegestaan.
3. Het lozen in een
oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien:
a. het gehalte onopgeloste stoffen
in enig steekmonster ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt;
en
b. als gevolg van het lozen geen
visuele verontreiniging optreedt.
4. Het bevoegd gezag kan met betrekking
tot het lozen, bedoeld in het derde lid, bij maatwerkvoorschrift
afwijken van:
a. het gehalte, genoemd in dat lid
en een hoger gehalte vaststellen, indien genoemd gehalte niet door
toepassing van beste beschikbare technieken kan worden bereikt en
het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het
lozen met een hoger gehalte verzet; en
b. bepalen dat visuele
verontreiniging mag optreden, indien visuele verontreiniging niet
door toepassing van beste beschikbare technieken kan worden
voorkomen en het belang van de bescherming van het milieu zich
niet verzet tegen het lozen, waarbij visuele verontreiniging
optreedt.
5. Het lozen, in een voorziening voor
de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een
vuilwaterriool, is toegestaan indien het gehalte onopgeloste stoffen
in enig steekmonster ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt en
het ijzergehalte in enig steekmonster ten hoogste 5 milligram per
liter bedraagt.
6. Het bevoegd gezag kan met betrekking
tot lozen als bedoeld in het vijfde lid bij maatwerkvoorschrift of
verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer
afwijken van:
a. de gehalten, bedoeld in dat lid
en hogere gehalten vaststellen, indien eerstgenoemde gehalten niet
door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen worden
bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet
verzet tegen het lozen met een hoger gehalte;
b. het ijzergehalte, bedoeld in dat
lid en een lager ijzergehalte bepalen, indien het belang van
bescherming van het milieu tot het stellen van een lager gehalte
noodzaakt.
7. Het lozen, in een vuilwaterriool is
verboden, tenzij:
a. het lozen ten hoogste 8 weken
duurt;
b. de geloosde hoeveelheid ten
hoogste 5 kubieke meter per uur bedraagt; en
c. het gehalte onopgeloste stoffen
in enig steekmonster ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt.
8. Het bevoegd gezag kan met betrekking
tot de tijdsduur en de hoeveelheid, bedoeld in het zevende lid bij
maatwerkvoorschrift of bij verordening als bedoeld in artikel 10.32a
van de Wet milieubeheer andere waarden stellen.
9. Het te lozen grondwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
10. De per tijdseenheid geloosde
hoeveelheid grondwater kan voor de toepassing van het zevende lid op
een doelmatige wijze worden bepaald.
§ 3.1.3. Lozen van hemelwater, dat niet
afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 3.3
1. Deze paragraaf is van toepassing op
het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
a. niet afkomstig is van een
bodembeschermende voorziening als bedoeld inartikel 2.9;
b. geen hemelwater is waarop de
artikelen 3.33 en 3.34 van toepassing zijn.
Bij het lozen wordt ten minste voldaan
aan het tweede tot en met het vierde lid.
2. Het lozen van afvloeiend hemelwater
vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen op of
in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een
oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
3. Gewasbeschermingsmiddelen, waaronder
onkruidbestrijdingsmiddelen, worden slechts op half-open en gesloten
verhardingen gebruikt, indien:
a. sprake is van pleksgewijze
behandeling door middel van selectieve toepassingstechnieken; en
b. de kans op neerslag voor een
periode van 24 uur na het voorgenomen gebruik niet groter is dan
40% volgens het weerbericht, bedoeld in artikel 5 van de Wet op
het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, voor de
desbetreffende regio van het land.
4. Gewasbeschermingsmiddelen, waaronder
onkruidbestrijdingsmiddelen, worden niet gebruikt in of nabij
straatkolken of putten.
§ 3.1.4. Behandelen van huishoudelijk
afvalwater op locatie
Artikel 3.4
1. Deze paragraaf is van toepassing op
het lozen van huishoudelijk afvalwater en het behandelen van dit
afvalwater voorafgaand daaraan. Het lozen van huishoudelijk afvalwater
in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem is toegestaan
indien het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een
bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een
vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten en de
afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een
zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt
dan:
a. 40 meter bij niet meer dan 10
inwonerequivalenten;
b. 100 meter bij meer dan 10 doch
minder dan 25 inwonerequivalenten;
c. 600 meter bij 25 doch minder dan
50 inwonerequivalenten;
d. 1500 meter bij 50 doch minder
dan 100 inwonerequivalenten; en
e. 3000 meter bij 100 tot en met
200 inwonerequivalenten.
2. De afstand, bedoeld in het eerste
lid, wordt berekend:
a. vanaf de kadastrale grens van
het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en
b. langs de kortste lijn waarlangs
de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden
aangelegd.
3. Indien de afstand, bedoeld in het
eerste lid, minder bedraagt dan de afstanden, genoemd in dat lid, kan
het bevoegd gezag indien het belang van de bescherming van de bodem of
de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zich daartegen niet
verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen op of in de bodem of in een
oppervlaktewaterlichaam toestaan:
a. voor een door hem vast te
stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een
afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van het vuilwaterriool
of het zuiveringtechnisch werk reeds bestaande
zuiveringsvoorziening; of
b. indien voor een deel van het
huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt binnen de inrichting waarvan
de vervuilingswaarde niet groter is dan 3 inwonerequivalenten
aansluiting op de bedrijfsriolering die op een vuilwaterriool is
aangesloten niet doelmatig is, waarbij kan worden bepaald dat het
afvalwater door een zuiveringsvoorziening wordt geleid.
Artikel 3.5
1. Bij het lozen van huishoudelijk
afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam worden
de volgende grenswaarden niet overschreden:
Tabel 3.5
|
|
Lozen op of in de
bodem en in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam |
|
Lozen in een niet
aangewezen oppervlaktewaterlichaam |
|
|
Parameter |
Representatief
etmaalmonster |
Steekmonster |
Representatief
etmaalmonster |
Steekmonster |
|
Biochemisch zuurstof verbruik |
30 milligram per liter |
60 milligram per liter |
20 milligram per liter |
40 milligram per liter |
|
Chemisch zuurstof verbruik |
150 milligram per liter |
300 milligram per liter |
100 milligram per liter |
200 milligram per liter |
|
Totaal stikstof |
|
|
30 milligram per liter |
60 milligram per liter |
|
Ammoniumstikstof |
|
|
2 milligram per liter |
4 milligram per liter |
|
Onopgeloste stoffen |
30 milligram per liter |
60 milligram per liter |
30 milligram per liter |
60 milligram per liter |
|
Fosfor totaal |
|
|
3 milligram per liter |
6 milligram per liter |
2. Bij lozen op of in de bodem wordt
het huishoudelijk afvalwater op een zodanige wijze geloosd, dat de
nadelige gevolgen voor het milieu zo veel mogelijk worden beperkt.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op een lozing van huishoudelijk afvalwater van minder dan
6 inwonerequivalenten indien het afvalwater is geleid door een
zuiveringsvoorziening die voldoet aan bij ministeriële regeling
bepaalde eisen.
4. Het bevoegd gezag kan, bij lozen
in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam, indien het belang
van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt bij
maatwerkvoorschrift de eisen bedoeld in het derde lid niet van
toepassing verklaren en daarbij bepalen dat het huishoudelijk
afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorziening dient te worden
geleid.
5. In afwijking van het eerste lid,
kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het
milieu zich daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende
aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn bij
maatwerkvoorschrift bepalen dat bij het lozen niet aan de in dat lid
genoemde waarden behoeft te worden voldaan. Het bevoegd gezag kan
daarbij:
a. andere waarden vaststellen;
b. bepalen dat het huishoudelijk
afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorziening dient te
worden geleid.
6. Het te lozen huishoudelijk
afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
§ 3.1.4a. Behandeling van stedelijk
afvalwater
Artikel 3.5a
Deze paragraaf is van toepassing op
zuiveringtechnische werken, voor zover het de waterlijn betreft met
inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.
Artikel 3.5b
1. De geurbelasting als gevolg van een
zuiveringtechnisch werk is ter plaatse van geurgevoelige objecten niet
meer dan 0,5 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel.
2. In afwijking van het eerste lid is
de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter
plaatse van geurgevoelige objecten gelegen op een gezoneerd
industrieterrein, een bedrijventerrein danwel buiten de bebouwde kom,
niet meer dan 1 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel.
3. Onverminderd het eerste en tweede
lid, wordt bij een zuiveringtechnisch werk voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 3.5c
De geurbelasting, bedoeld in artikel
3.5b, eerste en tweede lid, en artikel 6.19b, tweede tot en met vijfde
lid, wordt bepaald volgens de bij ministeriële regeling te stellen
eisen.
Artikel 3.5d
1. In afwijking van artikel 2.9 worden
bij het ontwerp, de aanleg en het gebruik van het gedeelte van de
waterlijn, vanaf het ontvangstwerk tot de selector of beluchtingstank,
alsmede van het gedeelte van het zuiveringtechnisch werk waar
slibontwatering, opslag en leidingwerk met primair slib plaatsvindt,
bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen
getroffen waarmee een aanvaardbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.
2. De bodembeschermende voorzieningen
en bodembeschermende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, voldoen
aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen over de goede
werking van die voorzieningen en maatregelen, en over de controle van
die eisen alsmede aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen
over de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren en
indien nodig te herstellen.
§ 3.1.5. Lozen van koelwater
Artikel 3.6
1. Deze paragraaf is van toepassing op
het lozen van koelwater. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan
het tweede tot en met het zevende lid.
2. Het lozen van koelwater waaraan geen
chemicaliën zijn toegevoegd in een oppervlaktewaterlichaam of in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet
zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan indien de warmtevracht niet
meer bedraagt dan:
a. 1000 Kilojoule per seconde,
indien het een aangewezen oppervlaktewaterlichaam betreft;
b. 10 Kilojoule per seconde, indien
het een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam betreft.
3. De warmtevracht van een
koelwaterlozing wordt berekend als het product van:
a. het lozingsdebiet van koelwater
in kubieke meter per seconde;
b. het verschil tussen de
lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende
oppervlaktewaterlichaam in graden Celsius;
c. de warmtecapaciteit van het
koelwater hetgeen gelijk is aan 4190 Kilojoule per kubieke meter
per graad temperatuursverhoging.
4. Het bevoegd gezag kan indien het
belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet,
bij maatwerkvoorschrift het tweede lid niet van toepassing verklaren
en het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht dan bedoeld in
het tweede lid of waaraan in beperkte mate chemicaliën zijn
toegevoegd toestaan.
5. Indien het lozen, bedoeld in het
tweede lid, een temperatuurstijging zou veroorzaken die tot beperking
van de warmtevracht noodzaakt, kan het bevoegd gezag bij
maatwerkvoorschrift voor de warmtevracht lagere waarden vaststellen
dan bedoeld in het tweede lid.
6. Het lozen van koelwater als bedoeld
in het tweede lid vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats
indien het lozen van dat koelwater in een oppervlaktewaterlichaam of
in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater
niet zijnde een vuilwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
7. De warmtevracht van een lozing van
koelwater kan op een doelmatige wijze worden bepaald, dan wel door
degene die de inrichting drijft aannemelijk worden gemaakt.
§ 3.1.6. Lozen ten gevolge van
werkzaamheden aan vaste objecten
Artikel 3.6a
1. Bij het lozen ten gevolge van
reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere
onderhoudswerkzaamheden aan vaste objecten wordt ten minste voldaan
aan het tweede tot en met het vijfde lid.
2. Indien bij de werkzaamheden, bedoeld
in het eerste lid, lozen in een oppervlaktewaterlichaam kan
plaatsvinden, worden bij ministeriële regeling aangegeven maatregelen
getroffen om het in dat oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen, die
bij de werkzaamheden worden gebruikt dan wel van het vast object
vrijkomen, te voorkomen dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet
mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Indien voorkomen
redelijkerwijs niet mogelijk is, is na het treffen van maatregelen
bedoeld in de eerste volzin lozen in een oppervlaktewaterlichaam
toegestaan.
3. Het lozen in een vuilwaterriool is
verboden, tenzij het lozen betreft als bedoeld in het vierde lid.
4. Bij reinigingswerkzaamheden, die
periodiek worden uitgevoerd en waarbij uitsluitend vuilafzetting wordt
verwijderd, is het lozen van reinigingswater in een voorziening voor
de inzameling en het transport van afvalwater en op of in de bodem
toegestaan.
5. Het bevoegd gezag kan bij
maatwerkvoorschrift afwijken van het derde lid en het lozen ten
gevolge van gevelreiniging en graffitiverwijdering in een
vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het
milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen
van het afvalwater niet tegen het lozen in een vuilwaterriool
verzet.Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.6b
1. Bij het lozen in een
oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van sloop-, renovatie-of
nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten wordt ten minste voldaan aan
het tweede en derde lid.
2. Het lozen, dat gelet op de locatie
van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet
kan worden voorkomen, is toegestaan.
3. Bij de werkzaamheden, bedoeld in het
eerste lid, worden maatregelen getroffen om het lozen te voorkomen dan
wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. De
maatregelen worden beschreven in een werkplan.
Afdeling 3.2. Installaties
§ 3.2.1. In werking hebben van een
warmtekrachtinstallatie
Artikel 3.7
Deze paragraaf is van toepassing op
inrichtingen waarbij sprake is van het gelijktijdig produceren van
elektrische energie en thermische energie door middel van een
warmtekrachtinstallatie, indien:
a. de installatie een totaal
motorisch vermogen heeft van maximaal 15 megawatt;
b. de installatie een nominaal
vermogen heeft van meer dan 100 kilowatt;
c. ten behoeve van de installatie
geen andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt
gebruikt; en
d. zich in de inrichting geen
broeikasgasinstallaties bevinden als bedoeld in artikel 16.1 van de
wet.
Artikel 3.8
Een warmtekrachtinstallatie voldoet ten
behoeve van:
a. het voorkomen van risico’s voor
de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan; en
b. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico;
aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
Artikel 3.9
1. Van een warmtekrachtinstallatie is
het jaargemiddeld rendement ten minste 65%, berekend volgens de
formule: de som van het energetisch rendement van de opwekking van
kracht plus tweederde deel van het energetisch rendement van de
productie van nuttig aan te wenden warmte.
2. De warmtekrachtinstallatie wordt
zodanig in bedrijf gehouden dat de hoeveelheid warmte die nuttig
gebruikt wordt zo hoog mogelijk is en de hoeveelheid warmte die
ongebruikt aan de omgeving wordt afgegeven zo klein mogelijk is. Onder
ongebruikte warmte wordt mede verstaan de warmte die door de
noodkoeler wordt afgegeven.
Artikel 3.10
1. Jaarlijks wordt het
brandstofverbruik en de geproduceerde elektriciteit geregistreerd.
2. Indien de warmtekrachtinstallatie is
aangesloten op een noodkoeler wordt jaarlijks de hoeveelheid nuttig
toegepaste warmte geregistreerd.
3. Indien de warmtekrachtinstallatie
niet is aangesloten op een noodkoeler wordt het thermisch rendement
eenmaal per vier jaar vastgesteld.
4. De in het eerste en tweede lid
bedoelde registraties worden gedurende vijf kalenderjaren na
dagtekening bewaard en zijn in de inrichting aanwezig of binnen een
termijn die wordt gesteld door het bevoegd gezag voor deze
beschikbaar.
§ 3.2.2. In werking hebben van een
installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van
aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
Artikel 3.11
Deze paragraaf is van toepassing op het
in werking hebben van een installatie voor het reduceren van
aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of
aardgaskwaliteit, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie
A, indien:
a. de maximale inlaatzijdige werkdruk
maximaal 10.000 kilo Pascal bedraagt;
b. geen expansieturbine aanwezig is;
c. geen drukverhogende installatie
aanwezig is;
d. de gastoevoerleiding een diameter
van maximaal 50,8 centimeter heeft.
Artikel 3.12
1. In inrichtingen waar gasdrukmeet- en
regelstations categorie B en C in werking zijn, is een
bedrijfsnoodplan aanwezig.
2. Het bedrijfsnoodplan omvat
informatie betreffende:
a. het gebouw, de technische
installaties, de locaties van gevaarlijke stoffen en de
beschikbare hulpmiddelen;
b. de interne organisatie en taken
en verantwoordelijkheden;
c. de actieplannen en maatregelen
gebaseerd op alle reëel te achten calamiteiten en incidenten;
d. de interne en externe
meldingsstructuur bij calamiteiten en incidenten;
e. het beheer van het
bedrijfsnoodplan.
3. Het bedrijfsnoodplan alsmede
wijzigingen daarvan wordt toegestuurd aan het bevoegd gezag en de
regionale brandweer.
4. Degene die de inrichting als bedoeld
in het eerste lid drijft heeft op inzichtelijke wijze binnen de
inrichting dan wel binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn,
beschikbaar:
a. het algemene beheerssysteem voor
milieu- en veiligheidsaspecten waarmee aan de bij of krachtens dit
besluit gestelde regels wordt voldaan;
b. periodieke onderhoudsschema’s
en de resultaten van inspecties;
c. een actuele plattegrond en
situatietekening van de inrichting.
5. Het bedienend personeel heeft
toegang tot:
a. een schema van het aardgasmeet-
of regelstation en de toegepaste appendages;
b. een schema van de in- en
uitgaande leidingen met hun afsluiters;
c. rapporten van eerdere
beproevingen.
6. Met betrekking tot de opstelplaats
van een gasdrukmeet- en regelstation ten opzichte van buiten de
inrichting gelegen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten,
worden de in tabel 3.12 opgenomen afstanden in acht genomen:
Tabel 3.12 veiligheidsafstanden
Categorie-indeling
|
Opstellingswijze |
Kwetsbare objecten |
Beperkt kwetsbare
objecten |
|
B |
Kast |
4 meter |
2 meter |
|
(semi-)Ondergronds station |
4 meter |
2 meter |
|
Kaststation |
6 meter |
4 meter |
|
Open opstelling/vrijstaand gebouw |
10 meter |
4 meter |
|
C |
Alle stations t/m 40 000 normaal
kubieke meter per uur aardgas |
15 meter |
4 meter |
|
Alle stations boven 40 000 normaal
kubieke meter per uur aardgas |
25 meter |
4 meter |
7. De in tabel 3.12 genoemde
afstanden voor een ondergronds dan wel semi-ondergronds station
mogen worden gehalveerd indien het gasvoerende deel geheel
ondergronds ligt. Kasten mogen tegen gebouwen worden geplaatst mits
wordt voldaan aan de bepalingen van NEN 1059.
8. Onverminderd het eerste tot en met
zevende lid wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan.
§ 3.2.3. In werking hebben van een
windturbine
Artikel 3.13
1. Deze paragraaf is van toepassing op
een windturbine of een combinatie van windturbines.
2. De artikelen 2.17 tot en met 2.22
zijn niet van toepassing op een windturbine of een combinatie van
windturbines.
Artikel 3.14
1. Een windturbine wordt ten minste
eenmaal per kalenderjaar beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen,
onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van
windturbines.
2. Indien wordt geconstateerd of indien
het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de
windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de
omgeving in het geding is, wordt de windturbine onmiddellijk buiten
bedrijf gesteld en het bevoegd gezag daaromtrent geïnformeerd. De
windturbine wordt eerst weer in bedrijf genomen nadat alle gebreken
zijn hersteld.
3. Indien een windturbine als gevolg
van het in werking treden van een beveiliging buiten bedrijf is
gesteld, wordt deze pas weer in werking gesteld nadat de oorzaak van
het buiten werking stellen is opgeheven.
4. Bij het inwerking hebben van een
windturbine worden ten behoeve van het voorkomen of beperken van
slagschaduw en lichtschittering de bij ministeriële regeling te
stellen maatregelen toegepast.
5. Een windturbine voldoet ten behoeve
van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat
ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 3.14a
1. Een windturbine of een combinatie
van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van
geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van
ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en bij
gevoelige terreinen op de grens van het terrein.
2. Onverminderd het eerste lid kan het
bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met
cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een
andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde
vaststellen ten aanzien een van de windturbines of een combinatie van
windturbines.
3. In afwijking van het eerste lid kan
het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere
lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen.
Artikel 3.15
1. De metingen van de geluidemissie ter
bepaling van de bronsterkte van een windturbine of een combinatie van
windturbines worden uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële
regeling te stellen eisen.
2. De drijver van de inrichting
registreert de bij ministeriële regeling te bepalen gegevens welke
gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening worden bewaard en ter
inzage gehouden.
Artikel 3.15a
1. Het plaatsgebonden risico voor een
buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een
windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6
per jaar.
2. Het plaatsgebonden risico voor een
buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt
door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger
dan 10-5 per jaar.
3. Ten behoeve van het bepalen van het
plaatsgebonden risico, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij
ministeriële regeling afstanden worden vastgesteld, die minimaal
aanwezig moeten zijn tussen een windturbine of een combinatie van
windturbines en een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar dan wel
beperkt kwetsbaar object.
4. Indien op grond van het derde lid
afstanden zijn vastgesteld, worden die in acht genomen en zijn het
eerste en tweede lid niet van toepassing.
5. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over de berekening van het plaatsgebonden
risico.
§ 3.2.4. In werking hebben van een
installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater
Artikel 3.16
Bij het in werking hebben van een
installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater worden
ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is
het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder de bij
ministeriële regeling te stellen maatregelen genomen.
§ 3.2.5. In werking hebben van een natte
koeltoren
Artikel 3.16a
Deze paragraaf is van toepassing op het
in werking hebben van een natte koeltoren die water in aërosolvorm in
de lucht kan brengen.
Artikel 3.16b
Bij het in werking hebben van een natte
koeltoren wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is
het zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en de kans
dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste
voldaan aan de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen.
Afdeling 3.3. Voorzieningen
§ 3.3.1. Afleveren van vloeibare
brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer
Artikel 3.17
1. Deze paragraaf is van toepassing op
een inrichting voor het afleveren van vloeibare brandstof en
gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer.
2. De voorschriften die bij of
krachtens deze paragraaf gesteld worden aan het afleveren van
vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor
het wegverkeer zijn tevens van toepassing op het afleveren van
vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas anders dan aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen, indien dit plaats
vindt bij een installatie waar ook wordt afgeleverd aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid voldoet een inrichting type C waarop het Besluit landbouw
milieubeheer van toepassing is of die een glastuinbouwbedrijf type B
als bedoeld in het Besluit glastuinbouw is, uitsluitend aan artikel
3.20.
Artikel 3.18
1. De afleverzuil bij een
aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas
aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die aardgas als motorbrandstof
gebruiken bevindt zich op een afstand van ten minste 10 meter van
kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Indien per etmaal meer dan
300 personenauto’s worden gevuld, bedraagt deze afstand 15 meter.
Indien per etmaal meer dan 100 autobussen worden gevuld, bedraagt deze
afstand 20 meter. De bufferopslag bevindt zich op een afstand van
kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zoals aangegeven in tabel
3.18.
Tabel 3.18
Waterinhoud bufferopslag
|
Afstand |
|
Minder dan 3000 liter |
10 meter |
|
Vanaf 3000 tot 5000 liter |
15 meter |
|
Meer dan 5000 liter |
20 meter |
2. Een aardgas-afleverinstallatie
voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen
voor het wegverkeer voldoet aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan.
Artikel 3.19
Het afleveren van vloeibare brandstof aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer voldoet ten behoeve van:
a. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover dat
niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
luchtverontreiniging, aan de bij ministeriële regeling te stellen
eisen; en
b. het voorkomen van risico’s voor
de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan, ten minste aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
Artikel 3.20
1. Het afleveren van lichte olie aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer vindt plaats via een EU-systeem
voor dampretour fase-II, indien:
a. het debiet van lichte olie meer
dan 500 kubieke meter per jaar bedraagt, of
b. het debiet van lichte olie meer
dan 100 kubieke meter per jaar bedraagt en de inrichting is
gelegen onder permanent in gebruik zijnde woon- of werkruimten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op inrichtingen die uitsluitend in verband met de
vervaardiging en aflevering aan nieuwe motorvoertuigen voor het
wegverkeer lichte olie afleveren.
3. Een EU-systeem voor dampretour
fase-II heeft:
a. een afvangrendement van damp van
lichte olie van 85%;
b. een damp/lichte olie-verhouding
van ten minste 0,95 en ten hoogste 1,05.
4. Een EU-systeem voor dampretour
fase-II:
a. is voorzien van een keurmerk
waaruit blijkt dat het is goedgekeurd overeenkomstig de bij
ministeriële regeling aangewezen testprocedure voor dampretour
fase-II door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad
voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-EN-ISO/IEC
17020, en
b. voldoet aan de bij ministeriële
regeling gestelde eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s
voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat
niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen
en de gevolgen hiervan.
5. Een EU-systeem voor dampretour
fase-II wordt ten minste eenmaal per jaar op de goede werking
gecontroleerd overeenkomstig de testprocedure, bedoeld in het vierde
lid, onder a, door een onafhankelijke inspectie-instelling of ten
minste eenmaal per drie jaar wanneer een automatisch bewakingssysteem
is geïnstalleerd.
6. Een automatisch bewakingssysteem als
bedoeld in het vijfde lid is in staat om:
a. storingen daarin en in het
functioneren van het EU-systeem voor dampretour fase-II op te
sporen;
b. deze storingen te melden aan
degene die de inrichting drijft, en
c. de toevoer van lichte olie naar
de afleverzuil automatisch te stoppen indien de storing niet
binnen zeven dagen is verholpen.
7. Indien bij de controle, bedoeld in
het vijfde lid, afwijkingen worden geconstateerd, worden deze
afwijkingen onverwijld opgeheven.
8. Degene die de inrichting drijft,
maakt door middel van een uithangbord, sticker of andere melding in de
inrichting duidelijk zichtbaar dat een EU-systeem voor dampretour
fase-II is geïnstalleerd.
9. Het bevoegd gezag kan voor het
afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, in
de gevallen dat het eerste lid niet van toepassing is, bij
maatwerkvoorschrift eisen stellen ten behoeve van:
a. het voorkomen van geurhinder ten
gevolge van het afleveren van lichte olie, of
b. het beperken van de emissie van
benzeen ten gevolge van het afleveren van lichte olie.
Artikel 3.20a
Het inpandig afleveren van lichte olie
vindt niet plaats.
Artikel 3.21
1. Op plaatsen waar vloeibare brandstof
wordt afgeleverd, die metaalhoudende additieven bevat, wordt op een
label aangegeven hoeveel metaalhoudende additieven de betrokken
brandstof bevat. Dit label bevat in elk geval de tekst: Bevat
metaalhoudende additieven. Het wordt duidelijk zichtbaar bevestigd op
de plaats waar de informatie over de brandstofsoort is aangegeven en
is van zodanige afmetingen en van een zodanig lettertype dat het
duidelijk zichtbaar en gemakkelijk leesbaar is.
2. Op of direct bij een afleverzuil die
bestemd is voor het afleveren van vloeibare brandstof ten behoeve van
openbare verkoop aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die voor meer
dan 5% bestaat uit ethanol, wordt duidelijk zichtbaar de volgende
tekst vermeld: Deze brandstof bevat meer dan 5% biobrandstoffen en is
niet geschikt voor motorvoertuigen die voor het gebruik daarvan niet
zijn uitgerust.
3. Indien op een afleverpunt van
vloeibare brandstof voor motorvoertuigen voor het wegverkeer de
doorzet aan lichte olie meer dan 500 kubieke meter per jaar bedraagt,
is ten minste één afleverpunt aanwezig van lichte olie waaraan ten
hoogste 5% ethanol is toegevoegd.
Artikel 3.22
1. Degene die de inrichting drijft
neemt de resultaten van de metingen, keuringen en controles, bedoeld
in artikel 3.20 op in een installatieboek.
2. Het installatieboek bevat tevens:
a. een plattegrond op een schaal
van ten minste één op tweehonderdvijftig aanduidende de uit- en
inwendige samenstelling van de inrichting en toebehoren;
b. alle bewijzen van
gecertificeerde of geaccrediteerde aanleg en inspectie die op
grond van dit besluit uitgevoerd worden.
3. De resultaten van de metingen,
keuringen en controles worden in ieder geval tot het beschikbaar zijn
van de resultaten van de eerstvolgende meting, keuring dan wel
controle, maar ten minste drie jaar opgenomen in het installatieboek.
4. Het installatieboek wordt in de
inrichting bewaard of binnen een termijn die wordt gesteld door het
bevoegd gezag voor deze beschikbaar.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing op een inrichting voor het afleveren van lichte olie anders
dan voor de openbare verkoop.
Artikel 3.23
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop
het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer plaatsvindt, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en
met het vierde lid.
2. Het afvalwater wordt geleid door een
slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt
conform NEN-EN 858-1 en 2.
3. Het gehalte aan olie in het
afvalwater na de afscheider bedraagt niet meer dan 200 milligram per
liter in enig steekmonster.
4. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
§ 3.3.2. Het wassen van motorvoertuigen
of carrosserie-onderdelen daarvan
Artikel 3.23a
1. Deze paragraaf is van toepassing op
het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan.
2. Deze paragraaf is niet van
toepassing op landbouwinrichtingen, glastuinbouwbedrijven en op
inrichtingen type C die zijn bestemd voor het kweken, fokken, mesten,
houden, verhandelen, verladen of wegen van landbouwhuisdieren.
3. Deze paragraaf is niet van
toepassing op het inwendig reinigen van tanks en tankwagens en het
inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere
transportmiddelen.
Artikel 3.24
Bij het wassen van motorvoertuigen of
carrosserie-onderdelen daarvan wordt ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen.
Artikel 3.25
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop
motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan worden gewassen,
wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
2. Het afvalwater bevat in enig
steekmonster niet meer dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste
stoffen per liter.
3. In afwijking van het tweede lid mag
het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig
steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan
vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en
olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1
en 2.
4. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
§ 3.3.3. Tandheelkunde
Artikel 3.26
Ten behoeve van het verwijderen van
amalgaam wordt bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater
afkomstig van tandheelkundige bewerkingen het amalgaamhoudend afvalwater
geleid door een amalgaamafscheider, die voldoet aan de eisen gesteld in
NEN-EN-ISO 11143.
§ 3.3.4. Opslaan van propaan
Artikel 3.27
Deze paragraaf is van toepassing op
inrichtingen waarbij sprake is van het opslaan van propaan indien:
a. het opslaan van propaan geschiedt
in opslagtanks elk met een inhoud van maximaal 13 kubieke meter;
b. niet meer dan twee opslagtanks
binnen de inrichting aanwezig zijn; en
c. propaan uitsluitend in de gasfase
aan een opslagtank wordt onttrokken behoudens het leegmaken van een
opslagtank voor verplaatsing.
Artikel 3.28
1. Met betrekking tot de opstelplaats
van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met
propaan en de opstelplaats van de tankwagen worden ten opzichte van
buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten,
de in tabel 3.28 opgenomen afstanden in acht genomen, waarbij de
afstanden gelden van het vulpunt en de opslagtank, gerekend vanaf de
aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de
leidingen en de pomp bij de opslagtank:
Tabel 3.28 veiligheidsafstanden
|
|
Bevoorrading tot en
met 5 keer per jaar |
Bevoorrading meer
dan 5 keer per jaar |
|
Opslagtank met propaan tot en met 5
kubieke meter |
10 meter |
20 meter |
|
Opslagtank met propaan groter dan 5
kubieke meter tot en met 13 kubieke meter |
15 meter |
25 meter |
2. Een opslagtank met propaan, het
vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de
tankwagen is gelegen op ten minste de helft van de afstanden,
genoemd in tabel 3.28, indien het objecten betreft waar ook een
opslagtank met propaan of propeen aanwezig is.
3. In afwijking van het eerste lid
worden met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met
propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de
opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van gebouwen bestemd voor
het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van
minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, dan wel gebouwen
waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot
gedeelte van de dag aanwezig zijn, de volgende afstanden in acht
genomen:
a. bij een opslagtank met propaan
tot en met 5 kubieke meter: 25 meter;
b. bij een opslagtank met propaan
van meer dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter: 50
meter.
4. Onverminderd het eerste tot en met
derde lid, voldoet een opslagtank met propaan alsmede de
bijbehorende leidingen en appendages ten behoeve van het voorkomen
van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor
zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de
risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
§ 3.3.5. Opslaan van vloeibare brandstof
en afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks
Artikel 3.29
Deze paragraaf is van toepassing op het
opslaan van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse tanks
van metaal of kunststof van maximaal 150 kubieke meter.
Artikel 3.30
Bij het in gebruik hebben en het
beëindigen van het gebruik van een ondergrondse opslagtank die wordt
dan wel werd gebruikt voor de opslag van vloeibare brandstof of
afgewerkte olie wordt ten behoeve van:
a. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico;
b. het voorkomen van risico’s voor
de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan;
c. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van het grondwater,
voldaan aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
§ 3.3.6. Opslaan en overslaan van
goederen
Artikel 3.31
1. Deze paragraaf is van toepassing op
het op- en overslaan van inerte goederen.
2. Onverminderd het eerste lid is deze
paragraaf van toepassing op een inrichting type B bij:
a. het op- en overslaan van
goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is
geregeld in de paragrafen 3.3.4, 3.3.5, 3.3.7, 4.1.1 tot en met
4.1.4 en4.1.7;
b. het composteren van groenafval.
3. Onverminderd het eerste lid is deze
paragraaf van toepassing op een inrichting type C bij:
a. het op- en overslaan van
goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is
geregeld in de paragrafen 3.3.4, 3.3.5, 3.3.7, 4.1.1 tot en met
4.1.4 en 4.1.7, bij:
1°. een autodemontagebedrijf;
2°. een zuiveringtechnisch
werk, of
3°. een inrichting waar
uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet;
b. het lozen in een aangewezen
oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het op-en overslaan van
andere goederen dan inerte goederen.
4. Bij ministeriële regeling worden
goederen aangewezen welke in ieder geval worden aangemerkt als inerte
goederen.
Artikel 3.32
Goederen worden in de buitenlucht zodanig
op- of overgeslagen dat:
a. zoveel mogelijk wordt voorkomen
dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2
meter van de bron met het blote oog waarneembaar is;
b. verontreiniging van de omgeving
zoveel mogelijk wordt beperkt;
c. zoveel mogelijk wordt voorkomen
dat goederen in een oppervlaktewaterlichaam geraken;
d. zoveel mogelijk wordt voorkomen
dat goederen in een voorziening voor het beheer van afvalwater
geraken.
Artikel 3.33
1. Het in een oppervlaktewaterlichaam,
op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van
afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen, is
toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig
steekmonster niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
2. Het in een vuilwaterriool lozen van
afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen vindt slechts
dan in een vuilwaterriool plaats indien het lozen, bedoeld in het
eerste lid, redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan
onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
3. Het bevoegd gezag kan in het belang
van de bescherming van het milieu met betrekking tot het lozen,
bedoeld in het eerste lid, bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste
stoffen lagere emissiegrenswaarden vaststellen.
4. Het te lozen afvalwater, bedoeld in
het eerste en tweede lid, kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
5. Indien de opgeslagen inerte goederen
worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in
contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
Artikel 3.34
1. Bij het lozen van afvalwater
afkomstig van het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte
goederen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met negende
lid.
2. Indien opgeslagen goederen als
bedoeld in het eerste lid worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met
die goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit
bevochtigen gebruikt.
3. Het in een aangewezen
oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat in contact is geweest
met goederen als bedoeld in het eerste lid waaruit geen vloeibare
bodembedreigende stoffen kunnen lekken, is toegestaan indien in enig
steekmonster de emissiegrenswaarden, vermeld in tabel 3.34, niet
worden overschreden.
Tabel 3.34
Parameter
|
Emissiegrenswaarde |
|
Chemisch zuurstof verbruik |
200 milligram per liter |
|
Onopgeloste stoffen |
300 milligram per liter |
|
Som zware metalen (som van arseen,
chroom, koper, lood, nikkel en zink) |
1 milligram per liter |
|
Minerale olie |
20 milligram per liter |
|
PAK’s (som van naftaleen,
anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen,
benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen) |
50 microgram per liter |
|
Extraheerbaar organisch chloor |
5 microgram per liter |
|
Totaal stikstof |
10 milligram per liter |
|
Fosfor |
2 milligram per liter |
4. Het bevoegd gezag kan met
betrekking tot het lozen, bedoeld in het derde lid, bij
maatwerkvoorschrift hogere emissiegrenswaarden vaststellen, voor
zover het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen
niet verzet.
5. Het bevoegd gezag kan in belang
van bescherming van het milieu met betrekking tot het lozen, bedoeld
in het derde lid, bij maatwerkvoorschrift voor onopgeloste stoffen
lagere emissiegrenswaarden vaststellen.
6. Het lozen van afvalwater, bedoeld
in het derde lid, in een vuilwaterriool is toegestaan indien het
gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram
per liter.
7. Het lozen van afvalwater dat in
contact is geweest met goederen als bedoeld in het eerste lid
waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken in een
vuilwaterriool is toegestaan indien enig steekmonster niet meer
bevat dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste
stoffen per liter.
8. In afwijking van het zevende lid
mag het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig
steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan
vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en
olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN
858-1 en 2.
9. Het te lozen afvalwater, bedoeld
in het derde tot en met achtste lid, kan op een doelmatige wijze
worden bemonsterd.
10. Bij ministeriële regeling worden
goederen aangewezen die voor de toepassing van deze paragraaf in
ieder geval worden aangemerkt als goederen waaruit vloeibare
bodembedreigende stoffen kunnen lekken.
Artikel 3.35
1. Het boven een
oppervlaktewaterlichaam opslaan van goederen, niet zijnde inerte
goederen, vindt niet plaats, tenzij het opslaan benedendeks
plaatsvindt op een binnenschip.
2. Indien goederen, niet zijnde inerte
goederen, boven een oppervlaktewaterlichaam aanwezig zijn, wordt ten
behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het
zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een
oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
Artikel 3.36
1. Bij het opslaan en overslaan van
goederen, niet zijnde inerte goederen, wordt ten behoeve van het
realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Bij het opslaan en overslaan van
bederfelijke afvalstoffen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel
beperken van geurhinder voldaan aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
Artikel 3.37
1. Bij de volgende windsnelheden vinden
afhankelijk van de stuifgevoeligheid van de goederen, behorend tot de
stuifklassen volgens bijlage 4.6 van de NeR, geen overslagactiviteiten
plaats:
a. S1 en S2 bij een windsnelheid
groter dan 8 meter per seconde;
b. S3 bij een windsnelheid groter
dan 14 meter per seconde.
2. Indien degene die de inrichting
drijft aantoont dat door het treffen van maatregelen verspreiding en
morsing van losse goederen ten gevolge van de weersomstandigheden
wordt voorkomen kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het
eerste lid niet van toepassing verklaren en overslagactiviteiten bij
grotere windsnelheden dan aangegeven in het eerste lid onder
voorwaarden toestaan. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op de
toe te passen maatregelen om verspreiding of morsing van goederen te
voorkomen of op hogere maximale windsnelheden dan genoemd in het
eerste lid, waarboven overslag niet meer is toegestaan.
Artikel 3.38
1. Het opslaan en mengen van goederen
behorend tot stuifklassen S1 of S3 van bijlage 4.6 van de NeR vindt
plaats in gesloten ruimtes.
2. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in
gesloten ruimtes de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of
groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
3. Bij pneumatisch transport van
stuifgevoelige goederen behorend tot stuifklasse S1 of S2 van bijlage
4.6 van de NeR is de emissie van totaal stof uit een container,
bulktransportwagen of ander transportmiddel niet hoger dan 10
milligram per normaal kubieke meter.
Artikel 3.39
Bij het opslaan, overslaan en mengen van
stuifgevoelige goederen in gesloten ruimtes worden ten behoeve van het
voorkomen dan wel beperken van diffuse emissie en om het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht te bevorderen ten minste de
bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
Artikel 3.40
1. Bij het voldoen aan artikel 3.32,
onder a en b, wordt de opslag van asbesthoudende afvalstoffen bij een
inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet ten
minste overeenkomstig artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit
2005 uitgevoerd.
2. In afwijking van artikel 2.9, zijn
de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 van de bijlage bij het Besluit landbouw
milieubeheer van overeenkomstige toepassing op het opslaan van vaste
mest en het composteren van groenafval, afgedragen gewas of
bloembollenafval.
§ 3.3.7. Het demonteren van autowrakken
en daarmee samenhangende activiteiten
Artikel 3.41
Deze paragraaf is van toepassing op:
a. het demonteren van autowrakken;
b. het aftappen van vloeistoffen uit
autowrakken;
c. het opslaan van bij het demonteren
van autowrakken en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken
vrijkomende afvalstoffen, en
d. het neutraliseren van airbags en
gordelspanners.
Artikel 3.42
Bij de activiteiten, bedoeld in artikel
3.41, wordt ten behoeve van:
a. een doelmatig beheer van
afvalstoffen;
b. het voorkomen van risico’s voor
de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan, en
c. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico;
ten minste voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 3.43
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het ontsteken van airbags en gordelspanners de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom
kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Bij het ontsteken van airbags en
gordelspanners worden ten behoeve van het voorkomen dan wel het
beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling
voorgeschreven maatregelen toegepast.
Artikel 3.44
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van het demonteren van autowrakken wordt ten
minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.
2. Het afvalwater bevat in enig
steekmonster niet meer dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste
stoffen per liter.
3. In afwijking van het tweede lid mag
het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig
steekmonster bedragen, indien het afvalwater voorafgaand aan
vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en
olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1
en 2.
4. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
Hoofdstuk 4. Bepalingen met betrekking
tot overige activiteiten in inrichtingen; niet geldend voor inrichtingen
type c met uitzondering van de in artikel 1.4, derde lid, onderdeel b en
cgenoemde activiteiten
Afdeling 4.1. Op- en overslaan van
gevaarlijke en andere stoffen en gassen en het vullen van gasflessen
§ 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen
en bodembedreigende stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, vaste
kunstmeststoffen, asbest, gedemonteerde airbags en gordelspanners en
andere ontplofbare stoffen
Artikel 4.1
1. De verpakking en de opslag van
gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking voldoen ten behoeve
van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat
ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste
aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Indien in een opslagvoorziening
bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in
verpakking meer dan 2.500 kilogram gevaarlijke stoffen, niet zijnde
gasflessen behorende tot de ADR klasse 2, aanwezig zijn, bedraagt de
afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van
derden ten minste 20 meter.
3. Indien de opslagvoorziening bestemd
voor de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking is
uitgevoerd als brandcompartiment of indien tussen de opslagvoorziening
en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende
omvang aanwezig is, bedraagt de afstand, bedoeld in het tweede lid,
ten minste 8 meter.
4. Het tweede en derde lid zijn niet
van toepassing indien in de opslagvoorziening geen brandbare
gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.
5. Indien in een in de buitenlucht
gesitueerde opslagvoorziening meer dan 1.000 liter brandbare gassen in
gasflessen gemeten naar de totale waterinhoud aanwezig zijn, bedraagt
de afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning
van derden ten minste 15 meter. Indien tussen de opslagvoorziening en
de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang
aanwezig is, bedraagt de afstand, bedoeld in de eerste zin, ten minste
7,5 meter.
6. Het voorhanden hebben en het gebruik
van gasflessen die gevuld zijn met autogas is verboden, met
uitzondering van wisselreservoirs ten behoeve van interne
transportmiddelen. De eerste volzin is niet van toepassing op
gedemonteerde LPG-tanks van motorvoertuigen.
7. De verpakking en de opslag van
vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en afvalstoffen
waaruit vloeibaar bodembedreigende stoffen kunnen lekken voldoen ten
behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, aan de
bij ministeriële regeling te stellen eisen.
8. Ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is het boven een
oppervlaktewaterlichaam opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking,
CMR-stoffen in verpakking, bodembedreigende stoffen in verpakking en
van lege, ongereinigde verpakkingen van gevaarlijke stoffen,
CMR-stoffen en vloeibare bodembedreigende stoffen verboden, met
uitzondering van:
a. het opslaan benedendeks op een
binnenschip dat beschikt over een certificaat van onderzoek als
bedoeld in artikel 6 van het Binnenvaartbesluit, of
b. het opslaan van gasflessen.
9. Indien gevaarlijke stoffen of
CMR-stoffen in verpakking of vloeibare bodembedreigende stoffen in
verpakking boven een oppervlaktewaterlichaam aanwezig zijn, wordt ten
behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het
zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een
oppervlaktewaterlichaam ten minste voldaan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen.
10. Dit artikel is niet van toepassing
op de opslag van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, asbest, gedemonteerde
airbags, gordelspanners en vaste kunstmeststoffen in verpakking.
§ 4.1.2. Opslaan van vuurwerk en andere
ontplofbare stoffen
Artikel 4.2
1. Inbeslaggenomen vuurwerk met aan
consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen dat wordt opgeslagen
in politiebureaus en theatervuurwerk wordt opgeslagen in een
brandveiligheidsopslagkast, die voldoet aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s
voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan.
2. De opslag van vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik vindt niet plaats in
combinatie met het afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering of
aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het
wegverkeer.
Artikel 4.3
1. Zwart kruit, rookzwak kruit en
noodsignalen worden opgeslagen in een brandcompartiment dat voldoet
aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van het
voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan.
2. Een brandcompartiment bestemd voor
de opslag van zwart kruit of rookzwak kruit is gelegen op een afstand
van ten minste 8 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
Artikel 4.4
1. Een voorziening voor de opslag van
meer dan 10.000 patronen voor vuurwapens, dan wel onderdelen daarvan,
is gelegen op een afstand van ten minste 8 meter van kwetsbare of
beperkt kwetsbare objecten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de voorziening, bedoeld in dat lid, in een
brandcompartiment is gesitueerd.
§ 4.1.3. Opslaan van stoffen in
opslagtanks
Artikel 4.5
1. Bij het in gebruik hebben en het
beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt
dan wel werd gebruikt voor de opslag van zuurstof, koolzuur, lucht,
argon, helium of stikstof wordt ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
2. Indien in een inrichting een
bovengrondse opslagtank, bestemd voor de opslag van zuurstof, op een
afstand van minder dan 10 meter is gelegen van een andere opslagtank,
bestemd voor de opslag van propaan, propeen of een gas als bedoeld in
het eerste lid, is de opslagtank bestemd voor de opslag van zuurstof
gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of
beperkt kwetsbare objecten.
Artikel 4.5a
1. Met betrekking tot de opstelplaats
van een opslagtank met propeen, het vulpunt van een opslagtank met
propeen en de opstelplaats van de tankwagen worden ten opzichte van
buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten,
de in tabel 4.5a opgenomen afstanden in acht genomen, waarbij de
afstanden gelden van het vulpunt en de bovengrondse opslagtank,
gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het
bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij de opslagtank:
Tabel 4.5a veiligheidsafstanden
|
|
Bevoorrading tot en
met 5 keer per jaar |
Bevoorrading meer
dan 5 keer per jaar |
|
Opslagtank met propeen tot en met 5
kubieke meter |
10 meter |
20 meter |
|
Opslagtank met propeen groter dan 5
kubieke meter tot en met 13 kubieke meter |
15 meter |
25 meter |
2. Een opslagtank met propeen, het
vulpunt van een opslagtank met propeen en de opstelplaats van de
tankwagen is gelegen op ten minste de helft van de afstanden,
genoemd in tabel 4.5a, indien het objecten betreft waar ook een
opslagtank met propeen of propaan aanwezig is.
3. In afwijking van het eerste lid
worden met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met
propeen, het vulpunt van een opslagtank met propeen en de
opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van gebouwen bestemd voor
het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van
minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, dan wel gebouwen
waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot
gedeelte van de dag aanwezig zijn, de volgende afstanden in acht
genomen:
a. bij een opslagtank met propeen
tot en met 5 kubieke meter: 25 meter;
b. bij een opslagtank met propeen
van meer dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter: 50
meter.
4. Onverminderd het eerste tot en met
derde lid, voldoet een opslagtank met propeen alsmede de
bijbehorende leidingen en appendages ten behoeve van het voorkomen
van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor
zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de
risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
Artikel 4.6
Bij het in gebruik hebben en het
beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank of een
opslagtank boven een oppervlaktewaterlichaam die wordt dan wel werd
gebruikt voor de opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte olie,
stoffen van ADR klasse 8 verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend
gevaar, PER, stoffen van ADR klasse 5.1 of andere vloeibare
bodembedreigende stoffen wordt ten behoeve van:
a. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico;
b. het voorkomen van risico’s voor
de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan;
c. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,
voldaan aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
§ 4.1.4. Parkeren van vervoerseenheden
met gevaarlijke stoffen
Artikel 4.7
1. De afstand tussen een geparkeerde
vervoerseenheid met gevaarlijke stoffen en een woning van derden
bedraagt ten minste 20 meter. Deze afstand wordt gemeten vanaf de rand
van de vervoerseenheid tot de gevel van de woning.
2. In een geparkeerde vervoerseenheid
met gevaarlijke stoffen zijn gevaarlijke stoffen van verpakkingsgroep
I en gevaarlijke stoffen van de klasse ADR 1 of 6.2, met uitzondering
van categorie I3 en I4 niet aanwezig.
3. Het eerste en het tweede lid zijn
niet van toepassing op het opstellen van vervoerseenheden met
gevaarlijke stoffen in verband met aanmelden of andere formaliteiten,
of op het opstellen van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen voor
het verrichten van laad- of loshandelingen.
4. Met betrekking tot het parkeren van
vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen wordt ten behoeve van het
voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen
§ 4.1.5 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.8 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.9 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.10 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.11 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.12 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.13 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.14 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 4.15 [Vervallen per 01-01-2011]
§ 4.1.6. Het vullen van gasflessen met
propaan en/of butaan
Artikel 4.16
Een vulstation voor het vullen van
gasflessen voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is
het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de
kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan aan de
bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.1.7. Opslaan van vaste
kunstmeststoffen
Artikel 4.17
Onverminderdparagraaf 3.3.6 wordt bij het
opslaan van vaste kunstmeststoffen ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor
de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
Afdeling 4.2. Installaties
§ 4.2.1. In werking hebben van een
stookinstallatie
Artikel 4.18 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 4.19
1. Het spuien van een stoomketel
geschiedt in een geschikte spuitank dan wel in een andere geschikte
voorziening die ten minste voldoen aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
2. Indien spuiwater van een stoomketel
of condensaat van rookgassen van een stookinstallatie niet in een
openbaar vuilwaterriool geloosd kan worden, is lozing op of in de
bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toegestaan.
§ 4.2.2. In werking hebben van een
koelinstallatie
Artikel 4.20
1. Een koelinstallatie met een inhoud
van 12 kilogram of meer aan natuurlijk koudemiddel voldoet ten behoeve
van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat
ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij
ministeriële regeling gestelde eisen.
2. Onverminderd het eerste lid, voldoet
een ammoniakkoelsysteem ten minste aan de bij ministeriële regeling
gestelde eisen.
3. Een koelinstallatie als bedoeld in
het eerste lid en een ammoniakkoelsysteem als bedoeld in het tweede
lid worden ten minste eenmaal per twee kalenderjaren gekeurd op veilig
functioneren, lekkages en energiezuinigheid.
4. Een keuring als bedoeld in het derde
lid wordt verricht door een onafhankelijk deskundig persoon die van de
keuring een rapport opmaakt dat hij aan de drijver van de inrichting
ter beschikking stelt.
5. Indien een keuring uitwijst dat de
koelinstallatie onderhoud behoeft, vindt dat onderhoud binnen twee
weken na de keuring plaats. Degene die de inrichting drijft vraagt
naar een bewijs waaruit blijkt wanneer, door wie en welk onderhoud is
verricht.
6. Het laatst opgestelde
keuringsrapport en het laatst opgestelde onderhoudsbewijs worden
bewaard.
7. In een kunstijsbaan waar een
ammoniakkoelinstallatie wordt toegepast wordt een indirect
ammoniakkoelsysteem als bedoeld in hoofdstuk 2.4 van PGS 13 toegepast.
8. In deze paragraaf wordt verstaan
onder «natuurlijk koudemiddel»:de toepassing als koudemiddel van
koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een
gereguleerde stof of een preparaat dat een zodanige stof bevat als
bedoeld in het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende
stoffen dan wel een gefluoreerd broeikasgas of een preparaat dat een
zodanig gas bevat als bedoeld in het Besluit gefluoreerde
broeikasgassen milieubeheer.
Afdeling 4.3. Activiteiten met betrekking
tot hout en kurk
§ 4.3.1. Mechanische bewerkingen van
hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen
Artikel 4.21
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten,
kurken of houtachtige voorwerpen, de emissieconcentratie van totaal
stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of
groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Bij de mechanische bewerkingen van
hout of kurk, dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen
worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse
emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de
buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen
toegepast.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen
in de buitenlucht door derden op de winterberging bij een jachthaven.
Artikel 4.21a
Bij het verkleinen van hout of kurk dan
wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen wordt ten behoeve van
het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.3.2. Reinigen, coaten en lijmen van
hout of kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen
Artikel 4.22
1. Het is verboden om in de buitenlucht
hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen met behulp
van een nevelspuit te coaten of te lijmen dan wel met behulp van een
nevelspuit te reinigen met vluchtige organische stoffen houdende
producten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het niet mogelijk is om deze activiteiten in het
inpandige deel van de inrichting te verrichten vanwege de omvang van
het te bewerken object.
Artikel 4.23
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie
van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom naar de lucht van totaal stof kleiner
is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het coaten op grond van artikelen 4.22, tweede lid,
in de buitenlucht plaatsvindt.
Artikel 4.24
1. Degene die de inrichting drijft
neemt bij het reinigen, coaten of lijmen van hout of kurk dan wel van
houten, kurken of houtachtige voorwerpen de bij ministeriële regeling
gestelde emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige
organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch
uitvoerbaar zijn.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen
bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan
1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting drijft als
bedoeld in het eerste lid, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin
het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar
wordt geregistreerd.
4. Het eerste en derde lid is niet van
toepassing op het verbruik van vluchtige organische stoffen waarvan
het in de handel brengen is gereguleerd door het Besluit organische
oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer.
5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld
in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard
en ter inzage gehouden.
6. Indien de drempelwaarden, genoemd in
bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn
milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde
lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.25
Bij het reinigen, coaten en lijmen van
hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen worden ten
behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van
stofhinder;
c. het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht;
d. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder;
e. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
Artikel 4.26
1. Bij het lozen van afvalwater
afkomstig van het reinigen, coaten of lijmen van hout of kurk dan wel
houten, kurken of houtachtige voorwerpen in een vuilwaterriool wordt
ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.
2. Het lozen van afvalwater, bedoeld in
het eerste lid, is toegestaan indien het afvalwater niet meer bevat
dan 2 milligram lood per liter en 2 milligram zink per liter.
3. De in eerste lid genoemde waarden
gelden voor representatieve etmaalmonsters. Voor steekmonsters gelden
een factor drie hogere waarden.
4. In afwijking van het tweede lid
wordt afvalwater dat meer dan 3 milligram vluchtige
organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor per liter in enig
steekmonster bevat, niet geloosd.
5. Het te lozen afvalwater, bedoeld in
het tweede lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
Afdeling 4.4. Activiteiten met betrekking
tot kunststof
§ 4.4.1. Kunststofverwerking en
mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten
Artikel 4.27
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Bij extrusie en spuitgieten van
kunststof en bij de mechanische bewerkingen van kunststof of
kunststofproducten worden ten behoeve van het voorkomen dan wel
beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen
in de buitenlucht door derden bij een jachthaven.
Artikel 4.27a
Bij extrusie en spuitgieten van kunststof
en het verkleinen van kunststof of kunststofproducten wordt ten behoeve
van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de
bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.4.2. Reinigen, coaten en lijmen van
kunststof of kunststofproducten
Artikel 4.28
1. Het is verboden om in de buitenlucht
kunststof of kunststofproducten met behulp van een nevelspuit te
coaten of te lijmen dan wel met behulp van een nevelspuit te reinigen
met vluchtige organische stoffen houdende producten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het niet mogelijk is om deze activiteiten in het
inpandige deel van de inrichting te verrichten vanwege de omvang van
het te bewerken object.
Artikel 4.29
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie
van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het coaten op grond van artikel 4.28, tweede lid, in
de buitenlucht plaatsvindt.
Artikel 4.30
1. Degene die de inrichting drijft
neemt bij het reinigen, coaten of lijmen van kunststof of
kunststofproducten de bij ministeriële regeling gestelde
emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische
stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar
zijn.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen
bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan
1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting drijft als
bedoeld in het eerste lid, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin
het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar
wordt geregistreerd.
4. Het eerste en derde lid zijn niet
van toepassing op het verbruik van vluchtige organische stoffen
waarvan het in de handel brengen is gereguleerd door het Besluit
organische oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer.
5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld
in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard
en ter inzage gehouden.
6. indien de drempelwaarden, genoemd in
bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn
milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde
lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.31
Bij het reinigen, coaten en lijmen van
kunststof of kunststofproducten worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van
stofhinder;
c. het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht;
d. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder;
e. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
Afdeling 4.5. Activiteiten met betrekking
tot metaal
§ 4.5.1. Spaanloze, verspanende en
thermische bewerking en mechanische eindafwerking van metalen
Artikel 4.32
1. Het is verboden om in de buitenlucht
verspanende en thermische bewerkingen en mechanische eindafwerking van
metalen uit te voeren.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het niet mogelijk is om in het inpandig deel van de
inrichting verspanende en thermische bewerking en mechanische
eindafwerking van metalen uit te voeren vanwege het volume of het
gewicht van het te bewerken object.
3. Bij het uitvoeren van
fijnverspanende bewerkingen aan metalen in de buitenlucht wordt ten
behoeve van het voorkomen van stofhinder voldaan aan bij ministeriële
regeling te stellen eisen.
Artikel 4.33
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij smeden, shredderen, droogverspanende bewerkingen, thermische
bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van metalen, de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de werkzaamheden op grond van de artikelen 4.32,
tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
Artikel 4.34
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij droogverspanende bewerkingen, thermische bewerkingen en bij
mechanische eindafwerking van roestvast staal, de emissieconcentratie
van chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van chroom
VI-verbindingen naar de lucht, berekend als chroom, meer bedraagt dan
0,5 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de werkzaamheden op grond van de artikelen 4.32,
tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
Artikel 4.35
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het snijden van koper:
a. de emissieconcentratie van
koperverbindingen berekend als koper, niet meer dan 5 milligram
per normaal kubieke meter indien de massastroom van
koperverbindingen naar de lucht berekend als koper, meer bedraagt
dan 10 gram per uur;
b. de emissieconcentratie van
koperrook berekend als koper, niet meer dan 0,5 milligram per
normaal kubieke meter indien de massastroom van koperrook naar de
lucht berekend als koper, meer bedraagt dan 2,5 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de werkzaamheden op grond van artikel 4.32, tweede
lid, in de buitenlucht worden verricht.
Artikel 4.36
Bij verspanende bewerkingen waar
metaalbewerkingsvloeistoffen worden verneveld of verdampt worden
maatregelen getroffen om zichtbare verspreiding van druppels en nevels
die vrijkomen bij verspanende bewerkingen waarbij bewerkingsvloeistoffen
worden gebruikt, in de buitenlucht te voorkomen.
Artikel 4.37
Bij het smeden, droogverspanende
bewerkingen, thermische bewerking en mechanische eindafwerking van
metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de
buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen
toegepast.
Artikel 4.38
Bij spaanloze, verspanende en thermische
bewerkingen en mechanische eindafwerkingen van metalen wordt ten behoeve
van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de
bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.5.2. Lassen van metalen
Artikel 4.39
1. Het is verboden om in de buitenlucht
laswerkzaamheden te verrichten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het niet mogelijk is om in het inpandig deel van de
inrichting te lassen vanwege de omvang van het te lassen object.
Artikel 4.40
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij laswerkzaamheden behorend tot de klassen III tot en met VII als
genoemd in de Praktijkrichtlijn Lasrook, beschrijving doeltreffende
maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen en/of aanverwante
processen, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de laswerkzaamheden op grond van de artikelen 4.39,
tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
Artikel 4.41
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het lassen van roestvast staal of Berylliumlegeringen de
emissieconcentratie van:
a. chroom VI-verbindingen, berekend
als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht,
berekend als chroom, meer bedraagt dan 0,5 gram per uur; en
b. berylliumverbindingen, berekend
als beryllium, niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van berylliumverbindingen naar de
lucht, berekend als Beryllium, meer bedraagt dan 0,15 gram per
uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de laswerkzaamheden op grond van deartikelen 4.39,
tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
Artikel 4.42
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het lassen van materialen die geverfd zijn met loodmenie de
emissieconcentratie van loodverbindingen, berekend als lood, niet
hoger dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de
massastroom van loodverbindingen naar de lucht, berekend als lood,
meer bedraagt dan 2,5 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de laswerkzaamheden op grond van deartikelen 4.39,
tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden verricht.
Artikel 4.43
Bij het lassen van metalen worden ten
behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het
doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij
ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
§ 4.5.3. Solderen van metalen
Artikel 4.44
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij solderen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. niet meer dan 50 milligram per
normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200
gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op zachtsolderen indien het jaarverbruik van soldeermiddel
minder bedraagt dan 250 ton.
Artikel 4.45
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij hardsolderen met cadmiumhoudend soldeermiddel de emissieconcentratie
van cadmium en cadmiumverbindingen, niet meer dan 0,05 milligram per
normaal kubieke meter indien de massastroom van cadmium en
cadmiumverbindingen naar de lucht meer bedraagt dan 10 gram per uur.
Artikel 4.46
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij solderen met vloeimiddelen die leiden tot gasvormige emissies naar
de lucht de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de
stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gA.4, gA.5, gO.1, gO.2 en gO.3, naar de
lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde
emissieconcentratie-eis inartikel 2.5 indien de massastroom gelijk of
groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde
grensmassastroom.
Artikel 4.47
1. Op verzoek van het bevoegd gezag
overlegt degene die de inrichting drijft waar metalen worden
gesoldeerd informatie ten aanzien van:
a. de samenstelling en het
jaarverbruik van de verschillende vloeimiddelen en
soldeermaterialen, gesorteerd naar de verschillende procesvormen;
b. een overzicht van de aard en
omvang van de gasvormige emissies naar de lucht die bij het
solderen vrijkomen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing indien het jaarverbruik van vloeimiddelen niet meer
bedraagt dan 100 kilogram.
Artikel 4.48
Bij het solderen van metalen worden ten
behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het
doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij
ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
§ 4.5.4. Stralen van metalen
Artikel 4.49
1. Het is verboden om in de buitenlucht
straalwerkzaamheden te verrichten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het niet mogelijk is om in het inpandige deel van de
inrichting te stralen vanwege de omvang van het te stralen object.
3. Bij het stralen in de buitenlucht
wordt ten behoeve van het voorkomen van stofhinder voldaan aan bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 4.50
1. Onverminderd de artikelen 2.5 tot en
met 2.6is bij straalwerkzaamheden de emissieconcentratie van:
a. totaal stof niet meer dan 5
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram
per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;
b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
MVP1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;
c. sA.1 stoffen niet meer dan 0,05
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
sA.1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,25 gram per uur;
d. sA.2 stoffen niet meer dan 0,5
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
sA.2 stoffen naar de lucht groter is dan 2,5 gram per uur;
e. sA.3 stoffen niet meer dan 5,0
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
sA.3 stoffen naar de lucht groter is dan 10 gram per uur;
f. sO stoffen niet meer dan 5,0
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
sO stoffen naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 100 gram
per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom kleiner is dan 100 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de straalwerkzaamheden op grond van artikel 4.49,
tweede lid, in de buitenlucht worden verricht.
3. Bij het stralen van metalen worden
ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en
het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij
ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
Artikel 4.51
Bij het stralen van metalen wordt ten
behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan
aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.5.5. Reinigen, lijmen en coaten van
metalen
Artikel 4.52
In deze paragraaf wordt onder het
reinigen van metalen niet verstaan het wassen van motorvoertuigen of
carrosserie-onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 3.23a en het
afspuiten van pleziervaartuigen als bedoeld in paragraaf 4.6.6.
Artikel 4.53
1. Het is verboden om in de buitenlucht
metalen met behulp van een nevelspuit te coaten of te lijmen dan wel
met behulp van een nevelspuit te reinigen met vluchtige organische
stoffen houdende producten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het niet mogelijk is om deze activiteiten in het
inpandige deel van de inrichting te verrichten vanwege de omvang van
het te bewerken object.
Artikel 4.54
1. Onverminderd de artikelen 2.5 tot en
met 2.6is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het coaten op grond van artikel 4.53, tweede lid, in
de buitenlucht plaatsvindt.
Artikel 4.55
1. Degene die de inrichting drijft
neemt bij het reinigen, coaten of lijmen van metalen voorwerpen met
betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële
regeling gestelde emissiereducerende maatregelen tenzij deze niet
kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen
bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan
1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting drijft als
bedoeld in het eerste lid, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin
het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar
wordt geregistreerd.
4. Het eerste en derde lid is niet
toepassing op het verbruik van vluchtige organische stoffen waarvan
het in de handel brengen is gereguleerd door het Besluit organische
oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer.
5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld
in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard
en ter inzage gehouden.
6. Indien de drempelwaarden, genoemd in
bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn
milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde
lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.56
Bij het reinigen, coaten en lijmen van
metalen worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van
stofhinder;
c. het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht;
d. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder;
e. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
§ 4.5.6. Aanbrengen anorganische
deklagen op metalen
Artikel 4.57
1. Het is verboden om in de buitenlucht
anorganische deklagen op metalen aan te brengen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op schooperen indien het niet mogelijk is om deze
werkzaamheden in het inpandige deel van de inrichting uit te voeren
vanwege de omvang van het te bewerken object.
Artikel 4.58
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen de
emissieconcentratie van:
a. totaal stof niet meer dan 5
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram
per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom van totaal stof naar de lucht kleiner is dan
200 gram per uur;
b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
MVP1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;
c. sA.1 stoffen niet meer dan 0,05
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
sA.1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,25 gram per uur;
d. sA.2 stoffen niet meer dan 0,5
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
sA.2 stoffen naar de lucht groter is dan 2,5 gram per uur;
e. sA.3 stoffen niet meer dan 5,0
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de
sA.3 stoffen naar de lucht groter is dan 10 gram per uur;
f. sO stoffen niet meer dan 5,0
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sO
stoffen naar de lucht gelijk is of groter is dan 100 gram per uur,
en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de
massastroom kleiner is dan 100 gram per uur.
Artikel 4.59
Bij het aanbrengen van anorganische
deklagen van metaal worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van
stofhinder;
c. het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht;
d. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder;
e. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
§ 4.5.7. Beitsen en etsen van metalen
Artikel 4.60
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het beitsen en etsen van metalen en metalen voorwerpen de
emissieconcentratie van:
a. waterstoffluoride niet meer dan
3 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
waterstoffluoride naar de lucht groter is dan 15 gram per uur;
b. zoutzuur niet meer dan 10
milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
zoutzuur naar de lucht groter is dan 150 gram per uur, tenzij de
concentratie aan zoutzuur in de ongereinigde massastroom kleiner
is dan 1 gram per normaal kubieke meter in welk geval de
emissieconcentratie van zoutzuur niet meer is dan 30 milligram per
normaal kubieke meter;
c. salpeterzuur niet meer dan 30
milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
salpeterzuur groter is dan 150 gram per uur;
d. zwavelzuur niet meer dan 3
milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
zwavelzuur groter is dan 15 gram per uur;
e. azijnzuur niet meer dan 50
milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
azijnzuur groter is dan 500 gram per uur.
2. Bij het beitsen en etsen van metalen
worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse
emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de
buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen
toegepast.
Artikel 4.61
Bij het beitsen en etsen van metalen
wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar
bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.5.8. Elektrolytisch en stroomloos
aanbrengen van metaallagen op metalen
Artikel 4.62
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van chroom en
cadmiumlagen de emissieconcentratie van:
a. chroom VI-verbindingen, berekend
als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht,
berekend als chroom, groter is dan 0,5 gram per uur;
b. cadmium en cadmiumverbindingen
niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter indien de
massastroom van cadmium en cadmiumverbindingen groter is dan 0,25
gram per uur.
2. Bij het elektrolytisch en stroomloos
aanbrengen van metaallagen op metalen worden ten behoeve van het
voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële
regeling te bepalen maatregelen toegepast.
Artikel 4.63
Bij het elektrolytisch en stroomloos
aanbrengen van metaallagen wordt ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
§ 4.5.9. Drogen van metalen
Artikel 4.64
1. Bij het drogen van metalen is het
gebruik van oplosmiddelen niet toegestaan.
2. Indien degene die de inrichting
drijft aantoont dat het niet mogelijk is om anders te drogen dan met
behulp van oplosmiddelen kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift
het eerste lid niet van toepassing verklaren en het gebruik van
oplosmiddelen bij het drogen van metalen onder voorwaarden toestaan.
Deze voorwaarden beogen de nadelige gevolgen van het drogen met behulp
van oplosmiddelen te voorkomen of indien dat niet mogelijk is, zoveel
mogelijk te beperken voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is.
Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor
de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken
worden toegepast.
§ 4.5.10. Aanbrengen van conversielagen
op metalen
Artikel 4.65
1. Onverminderd de artikelen 2.5 tot en
met 2.6is bij het chroomzuuranodiseren en het zwavelzuuranodiseren de
emissieconcentratie van:
a. chroom VI-verbindingen berekend
als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht
berekend als chroom, groter is dan 0,5 gram per uur;
b. zwavelzuur niet meer dan 3
milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
zwavelzuur naar de lucht groter is dan 15 gram per uur.
2. Bij het aanbrengen van
conversielagen op metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel
beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
Artikel 4.66
Het gebruik van perfluoroctaansulfonaten
bij anodiseren is verboden.
Artikel 4.67
Bij het aanbrengen van conversielagen op
metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar
bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.5.11. Thermisch aanbrengen van
metaallagen op metalen
Artikel 4.68
1. Onverminderd de artikelen 2.5 tot en
met 2.6is bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen:
a. de emissieconcentratie van
totaal stof niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan
of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram
per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de lucht
kleiner is dan 200 gram per uur;
b. de emissieconcentratie van
zinkchloride niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van zinkchloride naar de lucht groter
is dan 10 gram per uur;
c. de emissieconcentratie van
chloorverbindingen, niet zijnde zinkchloride, niet meer dan 30
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
chloorverbindingen naar de lucht groter is dan 150 gram per uur.
2. Bij het thermisch aanbrengen van
metaallagen op metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel
beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
Artikel 4.69
Bij het thermisch aanbrengen van
metaallagen op metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
§ 4.5.12. Lozen van afvalwater afkomstig
van activiteiten in § 4.5.1 tot en met 4.5.11
Artikel 4.70
Bij het in het vuilwaterriool lozen van
afvalwater afkomstig van de activiteiten genoemd in de paragrafen 4.5.1
tot en met 4.5.11 wordt ten minste voldaan aan de artikelen 4.71 tot en
met 4.74.
Artikel 4.71
1. Het afvalwater bevat in enig
steekmonster niet meer dan 20 milligram olie per liter.
2. In afwijking van het eerste lid
bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in
enig steekmonster indien het afvalwater wordt geleid door een
olie-afscheider die voldoet aan en wordt gebruikt conform NEN-EN 858-1
en 2.
3. Het te lozen afvalwater, bedoeld in
het eerste en het tweede lid, kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
Artikel 4.72
1. Het lozen van metalen en hulpstoffen
wordt beperkt door toepassing van beste beschikbare technieken.
2. Het gebruik van kwik is verboden.
3. Ter beperking van het lozen van
metalen en hulpstoffen wordt ten minste voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen daaromtrent.
Artikel 4.73
1. Onverminderd artikel 4.72 worden bij
het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als
bedoeld in de paragrafen 4.5.7, 4.5.8, 4.5.10 en 4.5.11, de
emissiegrenswaarden genoemd in kolom A van tabel 4.73 niet
overschreden.
Tabel 4.73
Stof
|
emissiegrenswaarde
in milligram per liter |
|
| |
Kolom A |
Kolom B |
|
Chroom |
0,5 |
1,0 |
|
Chroom VI |
0,1 |
0,1 |
|
Koper |
0,5 |
2,0 |
|
Lood |
0,5 |
2,0 |
|
Nikkel |
0,5 |
2,0 |
|
Zilver |
0,1 |
1,0 |
|
Tin |
2,0 |
3,0 |
|
Zink |
0,5 |
2,0 |
|
Vrij cyanide |
0,2 |
1,0 |
De in tabel 4.73 genoemde waarden
gelden voor representatieve etmaalmonsters. Voor steekmonsters
gelden een factor drie hogere waarden.
2. Bij het lozen in het
vuilwaterriool van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen
als bedoeld in het eerste lid bedraagt het gehalte aan vluchtige
organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor niet meer dan 0,1
milligram per liter.
3. Het te lozen afvalwater, bedoeld
in het eerste lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
Artikel 4.74
1. Bij maatwerkvoorschrift kan het
bevoegd gezagartikel 4.73, eerste lid, niet van toepassing verklaren
en hogere gehalten vaststellen dan de gehalten, bedoeld in dat lid.
2. Het bevoegd gezag kan een
maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid slechts vaststellen
indien:
a. de som van de vrachten van de
metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver na het
proces maar voor de eindzuivering minder dan 200 gram per dag
bedraagt, of de gehalten genoemd in kolom A van tabel 4.73 niet
met de best beschikbare technieken kunnen worden bereikt, met dien
verstand dat het bij maatwerkvoorschrift toegestane gehalte niet
meer bedraagt dan de gehalten genoemd in kolom B van tabel 4.73;
b. aannemelijk is dat de som van de
vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en
zilver na het proces maar voor de eindzuivering minder dan 80 gram
per dag bedraagt, met dien verstande dat het bij
maatwerkvoorschrift toegestane som van de gehaltes van de metalen
chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver niet meer
bedraagt dan 15 milligram per liter indien het de som van de
metalen in een representatief etmaalmonster betreft of niet meer
dan 45 milligram per liter indien het de som van de gehaltes van
deze metalen in een steekmonster betreft.
3. Het te lozen afvalwater, bedoeld in
het tweede lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
Afdeling 4.5a. Activiteiten met
betrekking tot natuursteen of kunststeen
§ 4.5a.1. Mechanische bewerkingen van
natuursteen of kunststeen
Artikel 4.74a
Het is verboden om in de buitenlucht
mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen uit te voeren.
Artikel 4.74b
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter
is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram
per uur.
Artikel 4.74c
1. Indien bij de mechanische bewerking
van natuursteen of kunststeen water als koel- of smeermiddel wordt
toegepast, wordt gebruik gemaakt van een gesloten watercircuit,
waarbij water wordt gereinigd en hergebruikt voor zover dat
redelijkerwijs mogelijk is.
2. Bij het lozen van afvalwater
afkomstig van het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen
wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het vijfde lid.
3. Het in een oppervlaktewaterlichaam,
op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van
afvalwater afkomstig van:
– het mechanisch bewerken van
natuursteen,
– een luchtreinigingsinstallatie
voor het mechanisch bewerken van natuursteen, of
– het reinigen van apparatuur of
werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen,
is toegestaan indien geen flocculanten
zijn toegevoegd.
4. Bij het lozen als bedoeld in het
derde lid bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan
50 milligram per liter.
5. Het lozen in een vuilwaterriool van
afvalwater afkomstig van:
– het mechanisch bewerken van
natuursteen of kunststeen,
– een luchtreinigingsinstallatie
voor het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen, of
– het reinigen van apparatuur of
werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen of
kunststeen,
vindt slechts plaats indien: het
gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram
per liter en de korreldiameter van onopgeloste stoffen niet meer dan
0,75 millimeter bedragen.
6. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
Artikel 4.74d
Bij de mechanische verwerking van
natuursteen of kunststeen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel
beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies
naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
§ 4.5a.2. Aanbrengen van lijmen, harsen
en coatings op natuursteen of kunststeen
Artikel 4.74e
Het is verboden in de buitenlucht met
behulp van een nevelspuit lijmen, harsen en coatings aan te brengen op
natuursteen of kunststeen.
Artikel 4.74f
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of
kunststeen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is
aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram
per uur.
Artikel 4.74g
Bij het aanbrengen van lijmen, harsen en
coatings op natuursteen of kunststeen worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder;
c. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico;
de bij ministeriële regeling
voorgeschreven maatregelen toegepast.
§ 4.5a.3. Chemisch behandelen van
natuursteen of kunststeen
Artikel 4.74h
Bij het chemisch behandelen van
natuursteen of kunststeen worden ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven
maatregelen toegepast.
Afdeling 4.6. Activiteiten met betrekking
tot motoren, motorvoer- en vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten
§ 4.6.1. Lozen van afvalwater (algemeen)
Artikel 4.75
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van een of meer activiteiten als bedoeld in
deparagrafen 4.6.2, 4.6.3, 4.6.5 en 4.6.6 wordt ten minste voldaan aan
het tweede tot en met het vijfde lid.
2. In het afvalwater afkomstig van het
reviseren van motoren worden de emissiegrenswaarden genoemd in tabel
4.75 niet overschreden:
Tabel 4.75
Stoffen
|
Emissiegrenswaarde |
|
BTEX-som |
15 milligram per liter |
|
Vluchtige
organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor |
100 microgram per liter |
|
Olie |
20 milligram per liter |
|
PAK’s (som van naftaleen,
anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen,
benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen) |
5 microgram per liter |
|
Koper |
1 milligram per liter |
|
Nikkel |
3 milligram per liter |
|
Lood |
3 milligram per liter |
|
Zink |
3 milligram per liter |
|
Chroom |
2 milligram per liter |
3. Ander afvalwater dan het
afvalwater, bedoeld in het tweede lid, dat afkomstig is uit een
ruimte waar een activiteit als bedoeld in het eerste lid wordt
uitgevoerd of van een vloeistofdichte vloer of verharding waarop die
activiteit wordt uitgevoerd wordt niet geloosd, indien het in enig
steekmonster meer bevat dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste
stoffen per liter.
4. In afwijking van het derde lid
bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in
enig steekmonster indien het afvalwater, voor vermenging met ander
afvalwater, wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die
voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
5. Het te lozen afvalwater, bedoeld
in het tweede en derde lid, kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
§ 4.6.2. Bieden van parkeergelegenheid
in een parkeergarage
Artikel 4.76
1. Bij een mechanische ventilatie in
een parkeergarage met ten minste 20 parkeerplaatsen worden ten behoeve
van:
a. het doelmatig verspreiden van
emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken
van geurhinder;
c. het voorkomen dan wel beperken
van luchtverontreiniging door benzeen,
de bij ministeriële regeling te
bepalen maatregelen toegepast.
2. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen:
a. ten aanzien van de beperking van
de emissie van benzeen uit een parkeergarage indien dit nodig is
in het belang van de luchtkwaliteit;
b. ten aanzien van de
aanzuigopeningen en uitblaasopeningen van de mechanische
ventilatie van een parkeergarage en de uitvoering en het onderhoud
van de ventilatoren indien dit nodig is in het belang van de
luchtkwaliteit dan wel indien dit nodig is om de geurhinder te
voorkomen dan wel te beperken.
§ 4.6.3. Afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen
Artikel 4.77
1. Met betrekking tot een bunkerstation
waarin lichte olie wordt opgeslagen, wordt ten opzichte van buiten de
inrichting gelegen kwetsbare objecten een afstand aangehouden van 20
meter gerekend vanaf de zijden van het bunkerstation alsmede het
vulpunt van het bunkerstation.
2. Met betrekking tot een op de wal
geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van lichte olie
aan vaartuigen wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen
kwetsbare objecten een afstand aangehouden van 20 meter gerekend vanaf
het afleverpunt alsmede het vulpunt van de installatie.
3. Binnen een afstand van 20 meter van
een bunkerstation waarin lichte olie wordt opgeslagen gerekend vanaf
de zijden van het bunkerstation alsmede het vulpunt van het
bunkerstation en binnen een afstand van 20 meter van een op de wal
geplaatste vaste afleverinstallatie voor het afleveren van lichte olie
aan vaartuigen gerekend vanaf het afleverpunt alsmede het vulpunt van
de installatie is overnachting en recreatief verblijf door derden niet
toegestaan.
4. Indien een bunkerstation waarin geen
lichte olie wordt opgeslagen, is gelegen aan een doorgaande vaarroute,
wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten
een afstand aangehouden van 20 meter gerekend vanaf de aan de
vaarroute grenzende zijde van het bunkerstation.
Artikel 4.78
1. Bij het afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen zijn voldoende absorptiemiddelen en andere
hulpmiddelen aanwezig voor de eerste bestrijding van een
waterverontreiniging ten gevolge van morsingen of een calamiteit bij
het afleveren van brandstof.
2. Een installatie voor het afleveren
van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen alsmede de daarbij behorende
tankinstallatie, is zodanig uitgevoerd dat bij wisselende
waterstanden, voor zover deze ter plaatse optreden, als gevolg van die
waterstanden geen nadelige gevolgen voor het milieu optreden.
3. Het bevoegd gezag kan, indien uit de
aard en de ligging van de installatie onduidelijk zou kunnen zijn
welke absorptie- en hulpmiddelen het meest zijn aangewezen,
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de hoeveelheid en de
soort middelen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.79
Bij het afleveren van vloeibare
brandstoffen aan vaartuigen wordt ten behoeve van:
a. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico;
b. het voorkomen van risico’s voor
de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan;
c. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;
d. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder,
ten minste voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.6.4. Afleveren van vloeibare
brandstof en gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor
het wegverkeer en vaartuigen
Artikel 4.80
Deze paragraaf is van toepassing op
inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd
aardgas, indien uitsluitend wordt afgeleverd anders dan aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen.
Artikel 4.80a
Het inpandig afleveren van lichte olie
vindt niet plaats.
Artikel 4.81
1. De installatie voor het afleveren
van gecomprimeerd aardgas, anders dan aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer en vaartuigen, bevindt zich op een afstand van ten minste
10 meter van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
2. Een aardgas-afleverinstallatie voor
het afleveren van gecomprimeerd aardgas, anders dan aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen voldoet ten behoeve
van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat
ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 4.82
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van een vloeistofdichte vloer of verharding
waarboven het afleveren van motorbrandstof, anders dan aan
motorvoertuigen voor het wegverkeer en vaartuigen plaatsvindt, wordt
ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
2. Het afvalwater wordt geleid door een
slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2.
3. Het gehalte aan olie in het
afvalwater na de afscheider bedraagt niet meer dan 200 milligram per
liter in enig steekmonster bepaald overeenkomstig de bepalingsmethode.
4. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
Artikel 4.83
Bij het afleveren van vloeibare
brandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer en
vaartuigen, wordt:
a. ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
luchtverontreiniging voldaan aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen; en
b. ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor
zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de
risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan,
ten minste voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.6.5. Onderhouden en repareren van
motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten en
proefdraaien van verbrandingsmotoren
Artikel 4.84
1. In een inrichting voor onderhoud en
reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een autodemontagebedrijf of
een inrichting voor het opslaan van autowrakken in het kader van
hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen
instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie, zijn
niet meer dan vier autowrakken aanwezig.
2. Het is niet toegestaan, anders dan
bij een autodemontagebedrijf, een autowrak en de daarin aanwezige
materialen of onderdelen te verwijderen of nuttig toe te passen,
behoudens voor zover:
1°. het de opslag betreft, of
2°. het accessoires betreft die
worden gedemonteerd omdat de laatste eigenaar of houder van het
autowrak hierom anders dan in de uitoefening van zijn beroep of
bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires opnieuw te
gebruiken ten behoeve van een ander motorvoertuig waarvan hij
eigenaar of houder is.
3. Het proefdraaien van
verbrandingsmotoren vindt niet in de buitenlucht plaats.
4. Bij het onderhouden of repareren van
motoren, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of bij het
proefdraaien van verbrandingsmotoren wordt ten behoeve van:
a. het voorkomen of beperken van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor
zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de
risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen
zich voordoen en de gevolgen hiervan;
b. het voorkomen of beperken van
geurhinder;
c. het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht;
d. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
ten minste voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 4.85
In afwijking van artikel 4.84, derde lid,
is het proefdraaien van motoren van pleziervaartuigen in de buitenlucht
toegestaan voor zover de motor zich in het vaartuig bevindt.
§ 4.6.6. Onderhouden en repareren en
afspuiten van pleziervaartuigen
Artikel 4.86
1. In afwijking van de artikelen 4.32
en 4.39 is het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen door
derden bij een jachthaven toegestaan.
2. In afwijking van de artikelen 4.22,
4.28 en 4.53 vinden verfspuitwerkzaamheden aan pleziervaartuigen door
derden bij een jachthaven waarbij verf met een nevelspuit wordt
opgebracht plaats in een daartoe bestemde ruimte.
Artikel 4.87
Degene die een inrichting drijft waar
derden gelegenheid wordt geboden om pleziervaartuigen te onderhouden, te
repareren of af te spuiten voldoet ten behoeve van het voorkomen van
milieuverontreiniging bij die werkzaamheden ten minste aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 4.88
Bij het onderhouden, repareren en
afspuiten van pleziervaartuigen wordt ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen.
Afdeling 4.7. Activiteiten met betrekking
tot papier en textiel
§ 4.7.1. Ontwikkelen en afdrukken van
fotografisch materiaal
Artikel 4.89
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van het ontwikkelen en afdrukken van
fotografisch materiaal wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en
met het vijfde lid.
2. Bij het ontwikkelen en afdrukken van
fotografisch materiaal worden in goede staat verkerende afkwetsrollen
gebruikt en een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.
3. In afwijking van het tweede lid
behoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast indien per
jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en
in de inrichting gedragsvoorschriften aanwezig zijn en worden
nageleefd gericht op de beperking van de zilveremissie.
4. Het gehalte aan zilver in het
afvalwater afkomstig van het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch
materiaal bedraagt in enig steekmonster minder dan 4 milligram per
liter.
5. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
§ 4.7.2. Zeefdrukken
Artikel 4.90
1. Voor de eindreiniging van
zeefdrukramen worden uitsluitend reinigingsmiddelen gebruikt met een
vlampunt groter dan 55 graden Celsius of op waterbasis.
2. Indien voor de zeefdruk per jaar
meer dan 1.000 kilogram inkt op basis van organische oplosmiddelen
gebruikt wordt, wordt een registratie bijgehouden van het verbruik aan
vluchtige organische stoffen in kilogram per jaar.
3. De registratie, bedoeld in het
tweede lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter
inzage gehouden.
Artikel 4.91
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van zeefdruk wordt ten minste voldaan aan het
tweede en derde lid en artikel 4.92.
2. Bij het reinigen van zeefdrukramen
wordt het lozen van oplosmiddelen en inkten zoveel mogelijk voorkomen
door het verwijderen van inkt en het strippen van de sjabloon
procesmatig te scheiden. Het lozen mag uitsluitend bestaan uit het
lozen van spoelwater afkomstig van het polijsten, ontvetten of
ontwikkelen van het zeefdrukgaas, sjabloonverwijdering of
schaduwbeeldverwijdering.
3. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
Artikel 4.92
Bij het lozen als bedoeld in artikel
4.91wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de
stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die
informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en
preparaten zoals opgenomen in de nota «Het beoordelen van stoffen en
preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water» van de
Commissie Integraal Waterbeheer blijkt dat de stof wordt aangemerkt als
een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
Artikel 4.93
Bij het zeefdrukken wordt ten behoeve van
a. het voorkomen dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van
geurhinder;
b. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
voldaan aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
§ 4.7.3. Vellenoffset druktechniek
Artikel 4.94
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter
is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram
per uur.
Artikel 4.94a
1. Degene die de inrichting drijft,
neemt bij het bedrukken met vellenoffset met betrekking tot vluchtige
organische stoffen de bij ministeriële regeling voorgeschreven
emissiereducerende maatregelen, tenzij deze niet kosteneffectief of
technisch uitvoerbaar zijn.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen
bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan
1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting als
bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding
waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram
wordt geregistreerd.
4. Indien het totaal verbruik van
vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde
activiteiten meer bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, geeft de
oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid:
a. per kwartaal informatie over het
verbruik aan isopropylalcohol of andere vluchtige organische
stoffen welke als toevoegmiddel in het vochtwater worden gebruikt,
b. per kwartaal informatie over het
gewicht van het bedrukte substraat dan wel informatie over het
aantal druks en het aantal gebruikte torens,
c. per jaar een berekening van het
verbruik aan isopropylalcohol of andere vluchtige organische
stoffen welke als toevoegmiddel in het vochtwater worden gebruikt,
per ton substraat of per 1.000 toren-druks,
d. per kwartaal informatie over de
ingekochte reinigingsmiddelen, onderscheiden naar vluchtigheid, en
e. per jaar informatie over het
verbruik aan vluchtige organische stoffen als gevolg van de
toepassing van inkten.
5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld
in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard
en ter inzage gehouden.
6. Indien het bedrukken met
vellenoffset plaatsvindt in samenhang met het coaten van het substraat
en daarbij de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden
overschreden, zijn het eerste tot en met het vijfde lid niet van
toepassing op het bedrukken met vellenoffset en het reinigen van de
daarbij gebruikte apparatuur en is dat besluit van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.94b
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van:
a. het toepassen van
vellenoffsettechnieken;
b. het reinigen van de daarbij
gebruikte apparatuur, en
c. de vormvervaardiging exclusief
fotografische processen,
wordt ten minste voldaan aan het tweede
tot en met het vierde lid.
2. Het afvalwater afkomstig van het
reinigen van rubberdoeken en drukvormen van vellenoffsetpersen bevat,
voor vermenging met ander afvalwater, niet meer dan 200 milligram olie
per liter in enig steekmonster.
3. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
4. Bij het lozen, bedoeld in het eerste
lid, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van
de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van
die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en
preparaten zoals opgenomen in de nota «Het beoordelen van stoffen en
preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water» van de
Commissie Integraal Waterbeheer, blijkt dat de stof wordt aangemerkt
als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.
Artikel 4.94c
1. Bij de vervaardiging van drukvormen
voor het bedrukken met vellenoffset worden geen chroomzouthoudende
ets- en correctiemiddelen toegepast.
2. Bij het ontwikkelen en naharden van
kopieerlagen voor het bedrukken met vellenoffset worden geen
chroomhoudende oplossingen gebruikt.
Artikel 4.94d
Bij het bedrukken met vellenoffset worden
ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies;
b. het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht;
c. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder, en
d. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling
voorgeschreven maatregelen toegepast.
§ 4.7.3a. Bewerken, lijmen, coaten en
lamineren van papier of karton
Artikel 4.94e
1. Degene die de inrichting drijft
neemt bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton met
betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële
regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen tenzij deze
niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen
bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan
1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting als
bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding
waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per
jaar wordt geregistreerd.
4. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld
in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard
en ter inzage gehouden.
5. Indien de drempelwaarden, genoemd in
bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn
milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het
vierde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.94f
Bij het lijmen, coaten en lamineren van
papier of karton worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder, en
c. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling
voorgeschreven maatregelen toegepast.
Artikel 4.94g
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6
is bij het mechanisch verkleinen van papier en karton en van papieren
en kartonnen producten de emissieconcentratie van totaal stof niet
meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk
is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Bij het mechanisch verkleinen van
papier en karton en van papieren en kartonnen producten worden ten
behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het
doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij
ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
3. Bij het mechanisch verkleinen van
papier en karton en van papieren en kartonnen producten wordt ten
behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.7.4. Reinigen en wassen van textiel
Artikel 4.95
1. Het reinigen van textiel vindt voor
zover daar chemische stoffen bij worden gebruikt, uitsluitend plaats
met behulp van PER of niet-gechloreerde alifatische koolwaterstoffen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
andere stoffen dan genoemd in het eerste lid, worden aangewezen.
3. Degene die een inrichting drijft
waarin activiteiten worden uitgeoefend als bedoeld in het eerste lid,
voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige
organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.
4. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld
in het derde lid, bevat ten minste de volgende gegevens:
a. het totaal aan inkoop van
VOS-houdende producten in het betreffende kalenderjaar;
b. de voorraad aan VOS-houdende
producten en afvalstoffen op 1 januari van elk jaar;
c. de totale hoeveelheid vluchtige
organische stoffen aanwezig in afvalstoffen, die in het
betreffende kalenderjaar uit de inrichting zijn afgevoerd;
d. het totale verbruik van
vluchtige organische stoffen in het verstreken kalenderjaar, te
berekenen uit het verschil tussen de ingekochte hoeveelheden, de
afgevoerde hoeveelheden, de aan de leverancier geretourneerde
hoeveelheden en het voorraadverschil, en
e. de totale hoeveelheid textiel,
uitgedrukt in kilogram gereinigd textiel, die is gereinigd.
5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld
in het derde lid, wordt ten minste gedurende drie jaren bewaard en ter
inzage gehouden.
Artikel 4.96
1. Bij het reinigen en wassen van
textiel is de immissieconcentratie van PER in een besloten ruimte van
een gevoelig object, die geen deel uitmaakt van de inrichting, per
week gemiddeld niet meer dan 0,25 milligram per normaal kubieke meter.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de gebruiker van een ruimte als bedoeld in dat lid
geen toestemming geeft voor het verrichten van een meting als bedoeld
in dat lid.
3. Bij het reinigen en wassen van
textiel is de immissieconcentratie van PER ter plaatse van gevoelige
objecten en niet tot de inrichting behorende balkons, terrassen of
tuinen, per jaar gemiddeld niet meer dan 0,25 milligram per normaal
kubieke meter.
4. Voor het bepalen van de
immissieconcentratie van PER, bedoeld in het eerste of derde lid,
wordt de methode met absorptiemateriaal of de methode met continu
registrerende meetapparatuur toegepast.
5. In afwijking van artikel 1.1 wordt
voor de toepassing van dit artikel verstaan onder gevoelig object: een
gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor het verblijf
van personen of een object, gebouw of terrein dat bestemd is voor
verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterreinen voor ten
hoogste vijftien kampeermiddelen.
Artikel 4.97
1. Bij het meten van de
immissieconcentratie van PER in de binnenlucht in een besloten ruimte
van een gevoelig object, die geen deel uitmaakt van de inrichting,
bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de methode met
absorptiemateriaal zijn het tweede tot en met vijftiende lid van
toepassing.
2. Voor de metingen wordt gebruik
gemaakt van monsterneming door middel van adsorptiemateriaal in
buisjes of badges.
3. De toe te passen buisjes of badges
hebben een detectielimiet van 0,1 milligram per normaal kubieke meter
of lager en zijn volgens de schriftelijke verklaring van de fabrikant
of leverancier geschikt voor de toepassing bij deze meetmethode.
4. Bij de toepassing van buisjes of
badges de door de fabrikant of leverancier opgestelde
gebruiksvoorschriften worden in acht genomen.
5. De bemonstering van de binnenlucht
kan zowel passief als actief plaatsvinden. In geval van actieve
bemonstering vindt deze plaats met een daartoe geschikte pomp.
6. De gasconcentratie in de binnenlucht
wordt na analyse van de koolbuisjes berekend uit het quotiënt van de
aangetroffen hoeveelheid PER in de bemonstering en het totaal
doorgezogen luchtvolume.
7. De te bemonsteren ruimte is een
ruimte waar personen verblijven of werkzaam zijn en direct grenst aan
de inrichting.
8. De plaats van monsterneming wordt
vrij in de betreffende ruimte gepositioneerd op een zodanige plaats
dat gassen kunnen worden bemonsterd. De afstand tussen die plaats en
een vloer, een wand en het plafond van de te bemonsteren ruimte is ten
minste 50 centimeter.
9. De buisjes of badges zijn gedurende
de voorgeschreven meettijd in de ruimte op dezelfde plek aanwezig.
10. Gedurende de bemonsteringsperiode
mag in de te bemonsteren ruimte geen gebruik worden gemaakt van
oplosmiddelhoudende materialen.
11. Het al dan niet aanwezig zijn van
personen, de duur van die aanwezigheid en de wijze van ventileren en
de duur daarvan gedurende een meting in de ruimte worden in een
verslag vastgelegd.
12. De meettijd bedraagt ten minste
één week.
13. Met de buisjes of badges wordt een
gemiddelde immissieconcentratie gemeten over de meetperiode.
14. De gemeten of de berekende
immissieconcentratie mag uitsluitend voor de gevoelige objecten worden
gecorrigeerd met de expositieduur, op basis van de gemiddelde
verblijfstijd in zodanig object die redelijkerwijs mag worden
verondersteld.
15. Van een meting wordt een verslag
gemaakt dat op het eerste verzoek van het bevoegd gezag wordt
overgelegd en gedurende ten minste twee jaren na de eerstvolgende
meting in de inrichting wordt bewaard.
Artikel 4.98
1. Bij het meten van de
immissieconcentratie van PER in de binnenlucht in een besloten ruimte
van een gevoelig object, die geen deel uitmaakt van de inrichting,
bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de methode met
continu registrerende meetapparatuur zijn het tweede tot en met tiende
lid van toepassing.
2. Er wordt gebruik gemaakt van continu
registrerende meetapparatuur die een detectielimiet heeft van 0,1
milligram per normaal kubieke meter of lager.
3. Er wordt gemeten gedurende ten
minste een hele werkdag waarbij het begin van een meting ligt op ten
minste een uur voor de start van de bedrijfsvoering en het einde van
een meting ligt op een uur na het beëindigen van de bedrijfsvoering
op die werkdag.
4. De weekgemiddelde
immissieconcentratie wordt berekend door de gemiddelde gemeten
immissieconcentratie tijdens de bedrijfsvoering te vermenigvuldigen
met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op weekbasis en
het totaal aantal uren in een week dat 168 uur bedraagt.
5. De gemeten of berekende
immissieconcentratie mag uitsluitend voor een besloten ruimte van een
gevoelig object worden gecorrigeerd met de expositieduur op basis van
de gemiddelde verblijfstijd in die besloten ruimte, die redelijkerwijs
mag worden verondersteld.
6. De te bemonsteren ruimte is een
ruimte waar personen verblijven of werkzaam zijn en direct grenst aan
de inrichting.
7. De plaats van monsterneming wordt
vrij in de betreffende ruimte gepositioneerd op een zodanige plaats
dat gassen kunnen worden bemonsterd. De afstand tussen die plaats en
een vloer, een wand en het plafond van de te bemonsteren ruimte is ten
minste 50 centimeter.
8. Gedurende de bemonsteringsperiode in
de te bemonsteren ruimte mag geen gebruik worden gemaakt van
oplosmiddelhoudende materialen.
9. Het al dan niet aanwezig zijn van
personen, de duur van die aanwezigheid, de wijze van ventileren en de
duur daarvan gedurende een meting in de ruimte, worden in een verslag
vastgelegd.
10. Van een meting een verslag wordt
gemaakt dat op het eerste verzoek van het bevoegd gezag wordt
overgelegd en gedurende ten minste twee jaren na de eerstvolgende
meting in de inrichting wordt bewaard.
Artikel 4.99
1. Bij het meten van de
immissieconcentratie van PER in de buitenlucht, bedoeld in artikel
4.96, vierde lid, door middel van de methode met absorptiemateriaal
zijn het tweede tot en met negentiende lid van toepassing.
2. Er wordt gebruik gemaakt van
monsterneming door middel van absorptiemateriaal in buisjes of badges.
3. De toe te passen buisjes of badges
hebben een detectielimiet van 0,1 milligram per normaal kubieke meter
of lager en zijn volgens de schriftelijke verklaring van de fabrikant
of leverancier geschikt voor de toepassing bij deze meetmethode.
4. Bij de toepassing van buisjes of
badges worden de door de fabrikant of leverancier opgestelde
gebruiksvoorschriften in acht worden.
5. De bemonstering van de buitenlucht
kan zowel passief als actief plaatsvinden. In geval van actieve
bemonstering vindt deze plaats met een daartoe geschikte pomp.
6. De gasconcentratie in de buitenlucht
wordt na analyse van de koolbuisjes berekend uit het quotiënt van de
aangetroffen hoeveelheid PER in de bemonstering en het totaal
doorgezogen luchtvolume.
7. De meettijd bedraagt ten minste twee
weken.
8. De monstername vindt plaats in de
buitenlucht en bij de keuze van een meetplaats wordt in beschouwing
genomen:
a. de afstand van het emissiepunt
tot het dichtstbij gelegen gevoelige object, en
b. de te verwachten wijze van
emissie, waaronder het concentratieverloop in de tijd.
9. De aanwezige en mogelijke
emissieplaatsen en gevoelige objecten worden geïnventariseerd
overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde selectielijst
meetplaatsen PER-imissiemeting.
10. Als gevoelige objecten worden
aangemerkt:
a. te openen ramen, deuren en
ventilatieroosters;
b. terrassen;
c. balkons;
d. tuinen; en
e. perceelsgrens.
11. Per geïnventariseerde
emissieplaats wordt de omvang van de emissie ingeschat.
12. De afstand tot een gevoelig object
wordt bepaald of ingeschat en ingedeeld in de volgende categorieën:
a. minder dan 5 meter;
b. vanaf 5 tot 15 meter;
c. vanaf 15 tot 25 meter;
d. vanaf 25 meter.
13. Uit de geïnventariseerde gevoelige
objecten wordt een selectie gemaakt van de gevoelige objecten die de
meeste relevantie hebben.
14. De resultaten van de inventarisatie
van aanwezige en mogelijke meetplaatsen en gevoelige objecten, bedoeld
in het negende lid, de inschatting van de emissie, bedoeld in het
elfde lid, en de indeling en selectie van gevoelige objecten, bedoeld
in het twaalfde en dertiende lid, worden in een verslag opgenomen.
15. Een meting vindt plaats ter plaatse
van de geselecteerde gevoelige objecten, bedoeld in het dertiende lid.
Indien het gevoelige object geen perceelsgrens is, vindt tevens op de
perceelsgrens een meting plaats. Indien meting op de perceelsgrens
niet mogelijk is, wordt een plaats genomen die zo dicht mogelijk bij
de perceelsgrens ligt.
16. De exacte plaats van elke
meetplaats wordt op een situatietekening aangegeven, die wordt
opgenomen in een verslag.
17. Het meetinstrumentarium wordt ter
plaatse van een meetplaats bevestigd.
18. De jaargemiddelde
immissieconcentratie is gelijk aan de gemiddelde concentratie die
gedurende twee weken wordt gemeten.
19. Van een meting wordt een verslag
gemaakt dat op eerste verzoek van het bevoegd gezag wordt overgelegd
en gedurende ten minste twee jaren na de eerstvolgende meting in de
inrichting wordt bewaard.
Artikel 4.100
1. Bij het meten van de
immissieconcentratie van PER in de buitenlucht, bedoeld in artikel
4.96, vierde lid, door middel van de methode met continu registrerende
meetapparatuur zijn het tweede tot en met twintigste lid van
toepassing.
2. Er wordt gebruik gemaakt van continu
registrerende meetapparatuur dat een detectielimiet heeft van 0,1
milligram per normaal kubieke meter of lager.
3. Er wordt gemeten gedurende ten
minste een hele werkdag waarbij het begin van een meting ligt op ten
minste een uur voor de start van de bedrijfsvoering en het einde van
een meting ligt op een uur na het beëindigen van de bedrijfsvoering
op die werkdag.
4. De meting wordt uitgevoerd bij de op
de meetplaats van toepassing zijnde meest voorkomende windcondities
met betrekking tot de windrichting en windsnelheid.
5. Indien een gevoelig object zich niet
aan de lijzijde van de meest voorkomende windrichting bevindt, wordt
een meting uitgevoerd gedurende een tweede hele werkdag bij een
tegenovergestelde windrichting.
6. Voor het vaststellen van de meest
voorkomende windcondities wordt gebruik gemaakt van de jaargegevens
van het KNMI weerstation dat het dichtst bij de locatie is gelegen en
deze gegevens worden in een verslag vermeld.
7. Een meting wordt niet uitgevoerd
wanneer er neerslag valt noch wanneer het mistig is.
8. De monstername vindt plaats in de
buitenlucht en bij de keuze van een meetplaats wordt in beschouwing
genomen:
a. de afstand van het emissiepunt
tot het dichtstbij gelegen gevoelige object; en
b. de te verwachten wijze van
emissieconcentratieverloop in de tijd.
9. Aanwezige en mogelijke
emissieplaatsen van gevoelige objecten worden geïnventariseerd
overeenkomstig de bij ministeriële regeling vastgestelde
selectielijst meetplaatsen PER-imissiemeting.
10. Als gevoelige objecten worden
aangemerkt:
a. te openen ramen, deuren en
ventilatieroosters;
b. terrassen;
c. balkons;
d. tuinen; en
e. de perceelsgrens.
11. Per geïnventariseerde
emissieplaats wordt de omvang van de emissie ingeschat.
12. De afstand tot een
geïnventariseerd gevoelig object wordt bepaald of ingeschat en
ingedeeld in de volgende categorieën:
a. minder dan 5 meter;
b. vanaf 5 tot 15 meter;
c. vanaf 15 tot 25 meter;
d. vanaf 25 meter.
13. Uit de geïnventariseerde gevoelige
objecten wordt een selectie gemaakt van de gevoelige objecten die de
meeste relevantie hebben.
14. De resultaten van de inventarisatie
van aanwezige en mogelijke meetplaatsen en gevoelige objecten, bedoeld
in het tiende lid, de inschatting van de emissie, bedoeld in het elfde
lid, en de indeling en selectie van gevoelige objecten, bedoeld in het
twaalfde en dertiende lid, worden in een verslag opgenomen.
15. Een meting vindt plaats ter plaatse
van de geselecteerde gevoelige objecten, bedoeld in het dertiende lid.
Indien het gevoelige object geen perceelsgrens is, vindt tevens op de
perceelsgrens een meting plaats. Indien meting op de perceelsgrens
niet mogelijk is wordt een plaats genomen die zo dicht mogelijk bij de
perceelsgrens ligt.
16. De exacte plaats van elke
meetplaats wordt op een situatietekening aangegeven, die wordt
opgenomen in een verslag.
17. Het meetinstrumentarium wordt ter
plaatse van een meetplaats bevestigd.
18. De gemiddelde immissieconcentratie
wordt bepaald door de gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen
met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op jaarbasis en
het totaal aantal uren per jaar. Het totaal aantal uren per jaar
bedraagt 8760. Vervolgens wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met
de expositieduur die redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het
gevoelige object. De toe te passen expositieduur wordt ter goedkeuring
aan het bevoegd gezag voorgelegd.
19. Zowel de niet gecorrigeerde als de
gecorrigeerde waarde van de berekende jaargemiddelde immissie wordt in
een verslag vermeld.
20. Van een meting wordt een verslag
gemaakt dat op eerste verzoek van het bevoegd gezag wordt overgelegd
en gedurende ten minste twee jaren na de eerstvolgende meting in de
inrichting wordt bewaard.
Artikel 4.101
1. Een machine bestemd voor het
reinigen met een koolwaterstof wordt zo ingesteld, gebruikt en
onderhouden dat de hoeveelheid van die koolwaterstof in het gereinigde
textiel en in de vrijkomende drooglucht niet meer bedraagt dan 20 gram
per kilogram gereinigd textiel.
2. Indien bij ministeriële regeling
als bedoeld in artikel 4.95, tweede lid, een andere stof wordt
aangewezen dan die genoemd in het eerste lid, kan bij die regeling
tevens de ten hoogste toelaatbare hoeveelheid van die stof in het
gereinigde textiel en in de vrijkomende drooglucht worden aangegeven.
3. De drijver van de inrichting bewaart
het laatste keurings- en onderhoudsrapport, waaruit mede blijkt wie en
wanneer de keuring of het onderhoud heeft onderscheidenlijk is
verricht.
Artikel 4.102
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van het reinigen en wassen van textiel wordt
ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.
2. Afvalwater afkomstig van het
wasproces bevat in enig steekmonster niet meer dan 0,1 milligram PER
per liter.
3. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
Artikel 4.103
Bij het reinigen en wassen van textiel
wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar
bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.7.4a. Mechanische bewerking en
verwerking van textiel
Artikel 4.103a
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien en het verkleinen van
textiel en producten van textiel, de emissieconcentratie van totaal stof
niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter
is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram
per uur.
Artikel 4.103b
Bij het geautomatiseerd weven, spinnen en
breien en verkleinen van textiel en producten van textiel, worden ten
behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het
doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij
ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
Artikel 4.103ba
Bij het verkleinen van textiel en
producten van textiel wordt ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
§ 4.7.4b. Lassen van textiel
Artikel 4.103c
Bij het lassen van textiel wordt ten
behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.7.4c. Lijmen en coaten van textiel
Artikel 4.103d
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van
totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is
aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht kleiner is
dan 200 gram per uur.
Artikel 4.103e
1. Degene die de inrichting drijft,
neemt bij het lijmen en coaten van textiel de bij ministeriële
regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen met betrekking
tot vluchtige organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of
technisch uitvoerbaar zijn.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen
bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan
1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting als
bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding
waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per
jaar wordt geregistreerd.
4. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld
in het derde lid, wordt ten minste drie jaren in de inrichting bewaard
en ter inzage gehouden.
5. Indien de drempelwaarden, genoemd in
bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn
milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het
vierde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.103f
Bij het reinigen, lijmen en coaten van
textiel worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van
geurhinder;
c. het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling
voorgeschreven maatregelen toegepast.
Afdeling 4.8. Overige activiteiten
§ 4.8.1. Inwendig reinigen van tanks,
tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen
Artikel 4.104
1. Bij het inwendig reinigen van tanks
en tankwagens wordt het in het afvalwater geraken van het product zo
veel mogelijk voorkomen.
2. Indien in de inrichting afvalwater
ontstaat met een soortgelijke samenstelling als het afvalwater dat
ontstaat bij het inwendig reinigen van tanks en tankwagens, is het
toegestaan laatstgenoemd afvalwater te lozen op dezelfde wijze als het
afvalwater van soortgelijke samenstelling mits het afvalwater van
soortgelijke samenstelling door een zuiveringsvoorziening wordt
geleid, die is gedimensioneerd op de totale afvalwaterstroom.
Artikel 4.104a
1. Het in het vuilwaterriool lozen van
afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen en ontsmetten van
vrachtwagens en andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is
vervoerd, voldoet ten minste aan het tweede en derde lid.
2. Het afvalwater afkomstig van het
inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere
transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, wordt voor
vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een
vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt
conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan
met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daarin vermeld
worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen
heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
3. Bij maatwerkvoorschrift kan het
bevoegd gezag het tweede lid niet van toepassing verklaren en het
lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan indien, gelet
op het gehalte vet en onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater
in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen
nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de
voorzieningen voor het beheer van afvalwater.Artikel 2.2, vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.104b
Bij het inwendig reinigen en ontsmetten
van vrachtwagens en andere transportmiddelen wordt ten behoeve van het
realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 4.104c
Bij het in het vuilwaterriool lozen van
afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van veegwagens en
vuilniswagens bevat het afvalwater in enig steekmonster niet meer dan
300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
§ 4.8.2. Bieden van gelegenheid tot het
afmeren van pleziervaartuigen
Artikel 4.105
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van ingenomen bilgewater van pleziervaartuigen wordt ten minste
voldaan aan de voorwaarden genoemd in het derde tot en met het vijfde
lid.
2. Het afvalwater bevat in enig
steekmonster niet meer dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste
stoffen per liter.
3. In afwijking van het derde lid mag
het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig
steekmonster bedragen indien het afvalwater, voorafgaand aan de
vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en
olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1
en 2.
4. Het te lozen afvalwater kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
Artikel 4.106
1. In het belang van het doelmatig
beheer van afvalstoffen worden in een jachthaven van gebruikers van de
jachthaven in ieder geval de afvalstoffen genoemd onder a tot en met
d, ingenomen.
a. Indien een jachthaven beschikt
over meer dan 50 ligplaatsen en binnen de jachthaven het afleveren
van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen plaatsvindt, neemt de
jachthaven in:
1°. afgewerkte olie en
smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen, en
2°. olie- en vethoudend afval
van onderhoud aan pleziervaartuigen.
b. Indien een jachthaven beschikt
over meer dan 50 ligplaatsen en binnen de jachthaven onderhoud en
reparatie van pleziervaartuigen door derden plaatsvindt, wordt in
de jachthaven tevens ingenomen:
1°. afgewerkte olie en
smeervet van onderhoud aan pleziervaartuigen;
2°. olie-en vethoudend afval
van onderhoud aan pleziervaartuigen, en
3°. afvalstoffen van
reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan pleziervaartuigen,
die binnen de jachthaven door derden worden uitgevoerd.
c. Indien een jachthaven beschikt
over meer dan 50 ligplaatsen, daaronder niet begrepen ligplaatsen
uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen die geen
binnenboordmotor hebben, wordt in de jachthaven tevens bilgewater
ingenomen.
d. Indien een jachthaven beschikt
over meer dan 50 ligplaatsen, daaronder niet begrepen ligplaatsen
uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen zonder een vaste
afsluitbare verblijfsruimte, wordt in de jachthaven tevens
huishoudelijk afvalwater en de inhoud van chemische toiletten
ingenomen.
2. Indien twee of meer jachthavens in
elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen wordt voldaan aan het
eerste lid indien de voorzieningen gemeenschappelijk worden
aangebracht en beheerd en daartoe een overeenkomst is gesloten. De
overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.
3. Indien een jachthaven in de
onmiddellijke nabijheid is gelegen van een inrichting waarbinnen
uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet is voldaan aan het
eerste lid indien de voorzieningen van de inrichting waar uitvoering
wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet voldoen aan het eerste lid en
gemeenschappelijk worden gebruikt op grond van een overeenkomst tussen
de jachthaven en de inrichting. De overeenkomst wordt ter goedkeuring
voorgelegd aan het bevoegd gezag.
4. Voor de inzameling, bedoeld in het
eerste lid, wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de
gebruikers van de inrichting.
5. Indien een jachthaven op grond van
het eerste lid niet behoeft te beschikken over een voorziening voor de
inzameling van een bepaalde categorie afvalstoffen, wordt binnen de
jachthaven duidelijk aangegeven waar de gebruikers van de jachthaven
hun afvalstoffen kunnen afgeven.
Artikel 4.107
1. In afwijking van artikel 4.106,
eerste lid, worden de in dat lid genoemde afvalstoffen in een
jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande
pleziervaartuigen ingenomen ongeacht het aantal ligplaatsen in die
inrichting.
2. Degene die een jachthaven drijft die
gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, maakt bij
de inning van het havengeld kenbaar welk aandeel daarvan bestemd is
voor het instandhouden van de voorzieningen voor het in ontvangst
nemen en verder beheren van afvalstoffen.
3. Degene die een jachthaven drijft die
gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, stelt, na
overleg met betrokken partijen, eens in de drie jaar een passend plan
vast voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen,
en legt dit plan ter goedkeuring voor aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.108
Ten aanzien van een jachthaven die
gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen en is
aangewezen krachtens artikel 6 van de Wet voorkoming verontreiniging
door schepen, zijn de artikelen 4.106 en4.107 niet van toepassing.
§ 4.8.3. Bereiden van voedingsmiddelen
Artikel 4.109
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en
daarmee samenhangende activiteiten wordt ten minste voldaan aan het
derde tot en met het vijfde lid.
2. Indien niet in een vuilwaterriool
geloosd kan worden, is lozen anders dan in een vuilwaterriool
toegestaan indien het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk
afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van
huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het
afvalwater van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee
samenhangende activiteiten.
3. Afvalwater dat afvalstoffen bevat,
die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of
vermalen, wordt niet geloosd.
4. Het vethoudende afvalwater wordt
voorafgaand aan de vermenging met ander niet-vethoudend afvalwater
geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden
gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en
2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daarin
vermeld worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige
gevolgen heeft met het oog op het doelmatig functioneren van de
afscheider.
5. Bij maatwerkvoorschrift kan het
bevoegd gezag het vierde lid niet van toepassing verklaren en het
lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan indien gelet op
het vetgehalte in het te lozen afvalwater in combinatie met de
hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen
heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer
van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4.110
Bij het bereiden van voedingsmiddelen
worden ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder de
bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
§ 4.8.4. Slachten van dieren, uitsnijden
van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten
Artikel 4.111
1. Het slachten van dieren en het
bewerken van dierlijke bijproducten vindt inpandig plaats.
2. Bij het in het vuilwaterriool lozen
van afvalwater afkomstig van het bewerken van dierlijke bijproducten
of het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar dieren zijn
geslacht, karkassen zijn bewerkt, vlees is uitgesneden van karkassen
of karkasdelen, vis is uitgesneden, organen worden verwerkt of
dierlijke bijproducten worden bewerkt, wordt ten minste voldaan aan
het derde tot en met het zesde lid.
3. Het afvalwater, bedoeld in het
tweede lid, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater
geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden
gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en
2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar
vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor
het doelmatig functioneren van de afscheider.
4. Bij de plaatsing van een
vetafscheider die wordt ingezet voor het afvalwater, bedoeld in het
tweede lid, wordt een rapport opgesteld waarin staat beschreven hoe
invulling is gegeven aan paragraaf 6.3 van NEN-EN 1825-2. Dit rapport
wordt binnen de inrichting bewaard.
5. Het afvalwater, bedoeld in het
tweede lid, wordt voorafgaand aan het lozen op een vuilwaterriool niet
onderworpen aan een biologische behandeling.
6. Het bevoegd gezag kan, indien het
belang van de bescherming van het milieu en in het bijzonder het
belang van de bescherming van de doelmatige werking van de
voorzieningen voor het beheer van afvalwater zich hiertegen niet
verzetten, bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing
verklaren.
Artikel 4.111a
1. Bij het broeien of koken van
dierlijke bijproducten worden ten behoeve van het voorkomen dan wel,
voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling voorgeschreven
maatregelen toegepast.
2. Bij het pekelen wordt:
a. ten behoeve van het realiseren
van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling
voorgeschreven maatregelen toegepast,
b. ter bescherming van de
doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van
afvalwater, en
c. ten behoeve van het voorkomen
dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk
beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,
ten minste de bij ministeriële
regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
Artikel 4.112
Bij het slachten van dieren wordt:
a. ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen;
b. ten behoeve van het voorkomen dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder ten minste voldaan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen.
§ 4.8.5. Bieden van gelegenheid voor het
beoefenen van sport
Artikel 4.113
1. De verlichting ten behoeve van
sportbeoefening in de buitenlucht is uitgeschakeld:
a. tussen 23.00 uur en 07.00 uur;
en
b. indien er geen sport beoefend
wordt noch onderhoud plaatsvindt.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op dagen of dagdelen in verband met:
a. de viering van festiviteiten die
bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in
de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;
b. de viering van andere
festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het
aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te
wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per
kalenderjaar;
c. door het bevoegd gezag
aangewezen activiteiten in een inrichting, anders dan
festiviteiten als bedoeld in onderdeel b, waarbij het aantal aan
te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel tezamen niet
meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.
3. Een festiviteit of activiteit als
bedoeld in het tweede lid die maximaal een etmaal duurt, maar die
zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als
plaatshebbende op één dag.
§ 4.8.5a. Recreatieve visvijvers
Artikel 4.113a
1. Het lozen van spuiwater uit
recreatieve visvijvers in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de
bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van
afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan.
2. Het lozen van spuiwater uit
recreatieve visvijvers in een vuilwaterriool is verboden.
§ 4.8.5b. Gebruiken van
gewasbeschermingsmiddelen op sport- en recreatieterreinen
Artikel 4.113b
1. Bij het lozen van
gewasbeschermingsmiddelen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge
van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een sport- of
recreatieterrein in de nabijheid van een oppervlaktewaterlichaam wordt
ten minste voldaan aan het tweede tot en met het derde lid.
2. Binnen een afstand van een meter
vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden
gewasbeschermingsmiddelen niet gebruikt met apparatuur die bestemd is
voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met
uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde
spuitdop.
3. Binnen een afstand van 14 meter
vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam:
a. worden gewasbeschermingsmiddelen
slechts gebruikt met mechanisch voortbewogen apparatuur, indien
deze uitsluitend is voorzien van driftarme doppen, en zodanig is
ingesteld dat de spuitdoppen zich niet hoger dan 50 cm boven de
grond bevinden;
b. wordt geen gebruik gemaakt van
een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik
maakt van een werkdruk van 5 bar of hoger;
c. worden geen
gewasbeschermingsmiddelen gebruikt bij een windsnelheid van meer
dan 5 meter per seconde gemeten op spuitdophoogte.
§ 4.8.6. In werking hebben acculader
Artikel 4.114
Bij het opladen van accu’s die
vloeibare bodembedreigende stoffen bevatten wordt ten behoeve van het
realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.8.7. In werking hebben van een
noodstroomaggregaat
Artikel 4.115
Bij het in werking hebben van een
noodstroomaggregaat wordt ten behoeve van het realiseren van een
verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
§ 4.8.8. Traditioneel schieten
Artikel 4.116
Bij het traditioneel schieten wordt:
a. in afwijking van artikel 2.9,
eerste lid, ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat
niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken van de belasting van de
bodem, en
b. ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor
zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de
risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.8.9. In werking hebben van een
crematorium en in gebruik hebben van een strooiveld
Artikel 4.117
Het is verboden in een crematieoven
kisten te verbranden die met lood of zink bekleed zijn. Metalen en
kunststof handvatten en andere versierselen van kunststof of metaal
worden voor invoer van de kist verwijderd.
Artikel 4.118
Bij het in werking hebben van een
crematieoven worden ten behoeve van:
a. het zo volledig mogelijk
verbranden van rookgassen, en
b. het zo veel mogelijk beperken van
het ontstaan van stikstofoxiden,
de bij ministeriële regeling
voorgeschreven maatregelen toegepast.
Artikel 4.119
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is
bij het in werking hebben van een crematieoven de emissieconcentratie
van kwik en kwikverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per normaal
kubieke meter, indien de massastroom van kwik naar de lucht gelijk is
aan of groter is dan 0,25 gram per uur.
Artikel 4.120
In afwijking van artikel 2.9, eerste lid,
worden bij het verstrooien van crematie-as op een strooiveld ten behoeve
van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel
mogelijk beperken van de belasting van de bodem de bij ministeriële
regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.
§ 4.8.10. In werking hebben van een
laboratorium of een praktijkruimte
Artikel 4.122
Deze paragraaf is van toepassing op
inrichtingen waarbij sprake is van een laboratorium of een
praktijkruimte, met uitzondering van praktijkruimten voor het middelbaar
onderwijs en laboratoria ten behoeve van huisartsen, dierenartsen,
apothekers, tandartsen of tandtechnici.
Artikel 4.123
Bij het lozen van afvalwater afkomstig
van een laboratorium of een praktijkruimte op het vuilwaterriool wordt
ten behoeve van de bescherming van het milieu ten minste voldaan aan de
bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 4.124
1. Bij het lozen van afvalwater
afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte in een
vuilwaterriool worden de emissiegrenswaarden, vermeld in tabel 4.124,
niet overschreden.
Tabel 4.124
|