|
BESLUIT van 1 mei 1990, houdende emissie-eisen voor
stookinstallaties
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 2 februari 1989, Centrale Directie Juridische Zaken,
afdeling Wetgeving, nr. MJZ 0229029, gedaan in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikelen 2a en 30e van
de Hinderwet (Stb. 1981, 410);
De Raad van State gehoord (advies van 12 juli
1989, nr. W08.89.0074);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 april
1990, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, nr. MJZ
23490011, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
- 1.
- In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
- brandstof: een
brandstof in de zin van de Wet
inzake de luchtverontreiniging;
- b.
- kolen:
steenkool of uit steenkool vervaardigde vaste brandstoffen,
bruinkool en geperste bruinkool;
- c.
- zware
stookolie: zware stookolie in de zin van de Wet
op de accijns (Stb. 1991,
561) alsmede aardolie en produkten van aardolie waarvan het
vloeipunt boven 40°C ligt;
- d.
- gasolie:
gasolie in de zin van de Wet
op de accijns;
- e.
- ketelinstallatie:
een installatie, bestaande uit een ketel waarin brandstoffen
worden verstookt, daaronder begrepen de bij de installatie
behorende voorzieningen voor de reiniging van rookgas, en in
hoofdzaak bedoeld om kracht op te wekken of om warmte over
te dragen aan water of stoom dan wel een combinatie daarvan;
- f.
- bestaande
ketelinstallatie: een ketelinstallatie die voor 1 augustus
1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus
1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de
ketelinstallatie geheel vervangen is dan wel, anders dan ter
voldoening aan dit besluit, de combinatie van brander en
vuurhaard door een andere is vervangen of aan die combinatie
wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;
- g.
- gasturbine:
een werktuig, bestaande uit een compressor, één of meer
verbrandingskamers en een turbine waarin brandstof met
behulp van door de compressor gecomprimeerde lucht wordt
verstookt, waarna het geproduceerde verbrandingsgas in de
turbine tot een lagere druk expandeert en daarbij arbeid
afgeeft aan een roterende as;
- h.
- bestaande
gasturbine: een gasturbine die voor 1 augustus 1990 is
opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een
vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de gasturbine
geheel vervangen is dan wel, anders dan ter voldoening aan
dit besluit, wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw
overeenkomen;
- i.
- gasturbine-installatie:
een installatie, bestaande uit een of meer gasturbines
waarin brandstof wordt verstookt, met een of meer
bijbehorende ketelinstallaties waar de verbrandingsgassen
van deze gasturbine dan wel gasturbines doorheen worden
gevoerd teneinde warmte over te dragen aan een medium dat
niet in direct contact treedt met die gassen en waarin al of
niet brandstof wordt verstookt en waarbij geen dan wel
nagenoeg geen extra lucht voor de verbranding wordt
toegevoerd;
- j.
- bestaande
gasturbine-installatie: een gasturbine-installatie die voor
1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor
1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat
tijdstip de gasturbineinstallatie geheel vervangen is dan
wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, wijzigingen
zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;
- k.
- zuigermotor:
een installatie, bestaande uit een toestel waarin een door
verbranding van brandstof verkregen gasmengsel een zuiger in
beweging brengt voor de aandrijving van een werktuig;
- l.
- bestaande
zuigermotor: een zuigermotor die voor 1 augustus 1990 is
opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een
vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de
zuigermotor geheel is vervangen;
- m.
- stookinstallatie:
een ketelinstallatie, een gasturbine-installatie, een
gasturbine of een zuigermotor, die is opgesteld in een
inrichting waarop het Besluit
emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A niet
van toepassing is;
- n.
- warmte-inhoud
van een hoeveelheid brandstof: de op de onderste
verbrandingswaarde betrokken hoeveelheid energie die bij de
verbranding van die hoeveelheid brandstof vrijkomt;
- o.
- thermisch
vermogen: de warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid
brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een
stookinstallatie;
- p.
- bevoegd gezag:
het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning
krachtens artikel 8.1 van
de Wet milieubeheer voor de betrokken inrichting te
verlenen;
- q.
- vergunning:
een vergunning krachtens artikel
8.1 van de Wet milieubeheer.
- 2.
- Voor de toepassing van
dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt het begrip
vergunning uitsluitend gebruikt ter aanduiding van het gedeelte
van de vergunning dat betrekking heeft op de stookinstallatie.
- 3.
- Voor stookinstallaties
die behoren tot een inrichting waarvoor de vergunningplicht is
opgeheven, geldt voor de toepassing van dit besluit in plaats
van de datum van vergunningverlening de datum van oprichting van
de stookinstallatie.
Artikel 2
| 1. |
Dit besluit is van
toepassing op:
| a. |
een
ketelinstallatie, een gasturbine of een
gasturbine-installatie, waarin kolen, zware
stookolie, gasolie of aardgas dan wel een mengsel
van twee of meer van deze brandstoffen wordt
verstookt;
|
| b. |
een
zuigermotor waarin gasolie of gasvormige
brandstoffen dan wel een mengsel van deze
brandstoffen wordt verstookt, en welke wordt
gebruikt voor de aandrijving van:
| 1°. |
een
elektrische generator of gascompressor in
een installatie voor warmtekrachtkoppeling
onderscheidenlijk in een
warmtepompinstallatie;
|
| 2°. |
een
pomp of een compressor, die continu wordt
gebruikt voor de produktie of het transport
van aardgas, welke ontworpen is voor een
jaarlijkse bedrijfstijd van ten minste 5000
uur.
|
|
|
| 2. |
In afwijking van
het eerste lid, zijn van de toepassing van dit besluit
uitgezonderd:
| a. |
een
bestaande gasturbine-installatie, waarvan tenminste
een ketelinstallatie op kolen wordt gestookt;
|
| b. |
een met
zware stookolie, gasolie of aardgas gestookte
ketelinstallatie met een thermisch vermogen van 0,9
MW of minder per ketel;
|
| c. |
een
gasturbine-installatie of een gasturbine, die
jaarlijks minder dan 500 uren in bedrijf is;
|
| d. |
een
gasturbine-installatie of een gasturbine, waarvan
het netto asvermogen minder bedraagt dan 1 MW;
|
| e. |
een
bestaande zuigermotor, waarin het aandeel van
gasvormige brandstoffen in de warmte-inhoud van de
toegevoerde brandstof minder dan 50% bedraagt;
|
| f. |
een
stookinstallatie die blijkens een daarvoor verleende
vergunning wordt gebruikt voor het onderzoeken,
beproeven of demonstreren van experimentele
verbrandingstechnieken of van technieken ter
bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide,
stikstofoxiden of stof;
|
| g. |
een
bestaande ketelinstallatie die bestemd is voor
tijdelijk bedrijf van niet meer dan 500 uren per
jaar;
|
| h. |
een
stookinstallatie waarvoor emissie-eisen zijn gesteld
bij of krachtens het Besluit
verbranden afvalstoffen.
|
|
Artikel 3
- 1.
- Degene die een
inrichting drijft, waarin zich een stookinstallatie bevindt,
voldoet aan de voorschriften die aan de vergunning zijn
verbonden en aan de voorschriften die zijn opgenomen in de bij
dit besluit behorende bijlage.
- 2.
- Degene die een
inrichting drijft, waarin zich een stookinstallatie bevindt en
waarvoor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel
8.40 van de Wet milieubeheer geldt, voldoet aan de
voorschriften die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende
bijlage.
Artikel 4
Onze Minister stelt nadere
regels met betrekking tot de wijze waarop de concentraties aan
zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof in het rookgas en het voldoen
aan de andere vereisten van dit besluit moeten worden vastgesteld.
Artikel 5
- 1.
- Dit besluit treedt in
werking met ingang van de derde kalendermaand na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het
wordt geplaatst.
- 2.
- In afwijking van het
eerste lid treden:
- a.
- voorschrift
3.1.1, onder c,
- b.
- voorschrift
4.1.1, onder c,
- c.
- voorschrift
4.1.2, onder c,
- d.
- voorschrift
5.1.4, onder b,
- e.
- voorschrift
5.2.2, onder b, en
- f.
- voorschrift
7.1, onder a, 2°,
opgenomen in de bij
dit besluit behorende bijlage, eerst in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende voorschriften verschillend kan worden gesteld.
Artikel 6
Dit besluit kan worden
aangehaald als: Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer
B.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal
worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 1 mei 1990
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.G.M. Alders
Uitgegeven de vijftiende mei
1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage behorende bij het
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B
Inhoud
|
I
|
Begrippen
|
|
II
|
Voorschriften
|
|
1
|
Uitgangspunten
voor de berekening of vaststelling van de uitworp van een
stookinstallatie, het rendement van een gasturbine, het
rendement van een zuigermotor en het thermisch vermogen van
een ketelinstallatie
|
|
2
|
Emissie-eisen voor
een met kolen gestookte ketelinstallatie
|
|
2.1
|
Emissie-eisen voor
een met kolen gestookte ketelinstallatie waarvoor op of na 1
augustus 1990 vergunning is verleend
|
|
2.2
|
Emissie-eisen voor
een bestaande, met kolen gestookte ketelinstallatie
|
|
3
|
Emissie-eisen voor
een met zware stookolie of gasolie gestookte
ketelinstallatie
|
|
3.1
|
Emissie-eisen voor
een met zware stookolie of gasolie gestookte
ketelinstallatie waarvoor op of na 1 augustus 1990
vergunning is verleend
|
|
3.2
|
Emissie-eisen voor
een bestaande, met zware stookolie of gasolie gestookte
ketelinstallatie
|
|
4
|
Emissie-eisen voor
een met aardgas gestookte ketel-installatie
|
|
4.1
|
Emissie-eisen voor
een met aardgas gestookte ketelinstallatie waarvoor op of na
1 augustus 1990 vergunning is verleend
|
|
4.2
|
Emissie-eisen voor
een bestaande, met aardgas gestookte ketelinstallatie
|
|
5
|
Emissie-eisen voor
een gasturbine en een gasturbineinstallatie
|
|
5.1
|
Emissie-eisen voor
een gasturbine en een gasturbine-installatie waarvoor op of
na 1 augustus 1990 vergunning is verleend
|
|
5.2
|
Emissie-eisen voor
een bestaande gasturbine en een bestaande
gasturbine-installatie
|
|
6
|
Emissie-eisen voor
een ketelinstallatie gecombineerd met een gasturbine
|
|
7
|
Emissie-eisen voor
een zuigermotor
|
|
8
|
Storingen en
voorvallen
|
|
8A
|
Toepassing van
factoren
|
|
8B
|
Bevoegdheden van
het bevoegd gezag
|
|
9
|
Gelijktijdig
gebruik van brandstoffen
|
|
10
|
Meetmethoden
|
|
10.1
|
Toepassingsgebied
|
|
10.2
|
Meetmethode
zwaveldioxide
|
|
10.3
|
Meetmethode
stikstofoxiden
|
|
10.4
|
Meetmethode stof
|
|
10.5
|
Meet- en
registratieverplichtingen
|
I. Begrippen
In deze bijlage en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aardgas van
standaardkwaliteit: aardgas waarvan de onderste verbrandingswaarde
38 MJ/kg is;
rookgas: het mengsel van
gassen met de vaste of vloeibare stoffen die zich daarin bevinden,
dat bij het verbruik van brandstoffen vrijkomt en dat naar de
buitenlucht wordt afgevoerd;
belasting: het deel van
het thermische vermogen, waarbij de stookinstallatie daadwerkelijk
wordt bedreven;
ISO-luchtcondities: een
temperatuur van 288° Kelvin, een druk van 101,3 kPa en een
relatieve vochtigheid van 60 procent;
motorrendement: het
procentuele aandeel van de warmte-inhoud van de toegevoerde
brandstoffen, dat bij de hoogste belasting waarbij de zuigermotor
continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities in arbeid wordt
omgezet;
gasturbinerendement: het
procentuele aandeel van de warmte-inhoud van de toegevoerde
brandstoffen, dat bij de hoogste belasting waarbij de gasturbine
continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities in netto-arbeid
wordt omgezet.
II. Voorschriften
1. Uitgangspunten voor
de berekening of vaststelling van de uitworp van een
stookinstallatie, het rendement van een gasturbine, het rendement
van een zuigermotor en het thermisch vermogen van een
ketelinstallatie
1.1. Voor de berekening
van de uitworp van een stookinstallatie moet de massaconcentratie
aan zwaveldioxide, stikstofoxiden of stof in het rookgas worden
herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van:
| a. |
6 procent,
indien het een stookinstallatie voor kolen betreft;
|
| b. |
3 procent,
indien het een stookinstallatie anders dan onder a
betreft.
|
1.2. Voor de berekening
van de uitworp van een stookinstallatie geldt als het volume van
het rookgas: het volume bij een temperatuur van 273 Kelvin en een
druk van 101,3 kPa, na aftrek van het volume van het erin
aanwezige water, berekend als waterdamp.
1.3. Voor de berekening
van de uitworp van een stookinstallatie moet de massaconcentratie
aan stikstofoxiden in het rookgas worden berekend als
massaconcentratie aan stikstofdioxide.
1.4. Voor de
vaststelling van het gasturbinerendement en het motorrendement
moet, behoudens tegenbewijs, worden uitgegaan van het door de
fabrikant gegarandeerde gasturbinerendement onderscheidenlijk
motorrendement.
1.5. Voor de
vaststelling van het thermisch vermogen van een ketelinstallatie
moet, behoudens tegenbewijs, worden uitgegaan van het door de
fabrikant opgegeven of gegarandeerde thermisch vermogen.
2. Emissie-eisen voor
een met kolen gestookte ketelinstallatie
2.1. Emissie-eisen
voor een met kolen gestookte ketelinstallatie, waarvoor op of na
1 augustus 1990 vergunning is verleend
2.1.1. De uitworp van
zwaveldioxide met het rookgas van een met kolen gestookte
ketelinstallatie waarvoor op of na 1 augustus 1990 vergunning is
verleend, mag niet meer bedragen dan 700 mg/m3.
2.1.2. De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een met kolen gestookte
ketelinstallatie mag niet meer bedragen dan:
| a. |
indien op of
na 1 augustus 1990, doch voor 15 oktober 1992 vergunning
is verleend: 500 mg/m3;
|
| b. |
indien op of
na 15 oktober 1992, doch voor 1 januari 1994 vergunning
is verleend: 200 mg/m3;
|
| c. |
indien op of
na 1 januari 1994 vergunning is verleend: 100 mg/m3.
|
2.1.3. De uitworp van
stof met het rookgas van een met kolen gestookte
ketelinstallatie mag niet meer bedragen dan:
| a. |
indien op of
na 1 augustus 1990, doch voor 15 oktober 1992 vergunning
is verleend: 50 mg/m3;
|
| b. |
indien op of
na 15 oktober 1992 vergunning is verleend: 20 mg/m3.
|
2.1.4. Indien van een
ketelinstallatie na de datum van vergunningverlening de
combinatie van brander en vuurhaard door een andere combinatie
is vervangen of daaraan wijzigingen zijn aangebracht die met
nieuwbouw van de ketelinstallatie overeenkomen, dan wel de
ketelinstallatie geheel is vervangen, geldt voor de toepassing
van de voorschriften 2.1.1 tot en met 2.1.3 in plaats van de
datum van vergunningverlening, de datum waarop voor de wijziging
of de vervanging de vergunning is gewijzigd, of indien wijziging
van de vergunning niet vereist is, de datum waarop bedoelde
wijzigingen zijn aangebracht of de vervanging heeft
plaatsgevonden.
2.2. Emissie-eisen
voor een bestaande, met kolen gestookte ketelinstallatie
2.2.1. Zodra op of na
15 oktober 1992 de branders van een bestaande, met kolen
gestookte ketelinstallatie met een thermisch vermogen van meer
dan 20 MW worden vervangen, doch uiterlijk met ingang van 1
januari 1998, mag de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas
niet meer bedragen dan 650 mg/m3.
3. Emissie-eisen voor
een met zware stookolie of gasolie gestookte ketelinstallatie
3.1. Emissie-eisen
voor een met zware stookolie of gasolie gestookte
ketelinstallatie waarvoor op of na 1 augustus 1990 vergunning is
verleend
3.1.1. De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een met zware stookolie of
gasolie gestookte ketelinstallatie mag niet meer bedragen dan:
| a. |
indien op of
na 1 augustus 1990, doch voor 15 oktober 1992 vergunning
is verleend: 300 mg/m3;
|
| b. |
indien op of
na 15 oktober 1992, doch voor 1 mei 1998 vergunning is
verleend: 150 mg/m3;
|
| c. |
indien op of
na 1 mei 1998 vergunning is verleend: 120 mg/m3.
|
3.1.1a Voor een
ketelinstallatie met een vermogen minder dan 2,5 MW, berekend op
de bovenste verbrandingswaarde van de brandstof, waarvoor een
vergunning is verleend voor 1 mei 1998, geldt het bepaalde in
voorschrift 3.1.1, onder a en b, zodra de branders van de
ketelinstallatie worden vervangen.
3.1.2. Indien van een
ketelinstallatie na de datum van vergunningverlening de
combinatie van brander en vuurhaard door een andere combinatie
is vervangen of daaraan wijzigingen zijn aangebracht die met
nieuwbouw van de ketelinstallatie overeenkomen, dan wel de
ketelinstallatie geheel is vervangen, geldt voor de toepassing
van voorschrift 3.1.1 in plaats van de datum van
vergunningverlening, de datum waarop voor de wijziging of de
vervanging de vergunning is gewijzigd, of indien wijziging van
de vergunning niet vereist is, de datum waarop bedoelde
wijzigingen zijn aangebracht of de vervanging heeft
plaatsgevonden.
3.1.3. Voorschrift
3.1.1 is niet van toepassing op een ketelinstallatie waarin
zowel aardgas als zware stookolie of gasolie kunnen worden
gestookt, indien slechts zware stookolie of gasolie wordt
gestookt:
| a. |
ingeval in
verband met de weersomstandigheden of storingen in de
aardgastoevoer geen levering van aardgas kan
plaatsvinden;
|
| b. |
teneinde een
noodzakelijke verversing van de voorraad zware stookolie
of gasolie, die wordt aangehouden met het oog op de
omstandigheden bedoeld onder a,
mogelijk te maken.
|
3.2. Emissie-eisen
voor een bestaande, met zware stookolie of gasolie gestookte
ketelinstallatie
3.2.1. De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een bestaande, met zware
stookolie of gasolie gestookte ketelinstallatie mag met ingang
van 15 oktober 1992 niet meer bedragen dan 700 mg/m3.
3.2.2. Zodra op of na
15 oktober 1992 de branders van een bestaande, met zware
stookolie of gasolie gestookte ketelinstallatie worden
vervangen, doch uiterlijk met ingang van 1 januari 1998, mag de
uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedragen
dan:
| a. |
indien gasolie
wordt gestookt: 200 mg/m3;
|
| b. |
indien zware
stookolie wordt gestookt: 400 mg/m3.
|
3.2.2a Voor een
ketelinstallatie met een vermogen minder dan 2,5 MW, berekend op
de bovenste verbrandingswaarde van de brandstof, geldt het
bepaalde in voorschrift 3.2.1 onderscheidenlijk voorschrift
3.2.2, onder a en b, zodra de branders van de ketelinstallatie
worden vervangen.
3.2.3. De
voorschriften 3.2.1 en 3.2.2 zijn niet van toepassing op een
bestaande ketelinstallatie waarin zowel aardgas als zware
stookolie of gasolie kunnen worden gestookt, indien slechts
zware stookolie of gasolie wordt gestookt:
| a. |
ingeval in
verband met de weersomstandigheden of storingen in de
aardgastoevoer geen levering van aardgas kan
plaatsvinden;
|
| b. |
teneinde een
noodzakelijke verversing van de voorraad zware stookolie
of gasolie, die wordt aangehouden met het oog op de
omstandigheden bedoeld onder a,
mogelijk te maken.
|
4. Emissie-eisen voor
een met aardgas gestookte ketelinstallatie
4.1. Emissie-eisen
voor een met aardgas gestookte ketelinstallatie waarvoor op of
na 1 augustus 1990 vergunning is verleend
4.1.1 De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een met aardgas gestookte
ketelinstallatie mag niet meer bedragen dan:
| a. |
indien op of
na 1 augustus 1990, doch voor 15 oktober 1992 vergunning
is verleend: 200 mg/m3;
|
| b. |
indien op of
na 15 oktober 1992, doch voor 1 mei 1998 vergunning is
verleend: 100 mg/m3;
|
| c. |
indien op of
na 1 mei 1998 vergunning is verleend: 70 mg/m3.
|
4.1.2 Voor een
ketelinstallatie met een vermogen minder dan 2,5 MW, berekend op
de bovenste verbrandingswaarde van de brandstof, waarvoor
vergunning is verleend voor 1 mei 1998, geldt het bepaalde in
voorschrift 4.1.1, onder a en b, zodra de branders van de
ketelinstallatie worden vervangen.
4.1.3. Indien van een
ketelinstallatie na de datum van vergunningverlening de
combinatie van brander en vuurhaard door een andere combinatie
is vervangen of daaraan wijzigingen zijn aangebracht die met
nieuwbouw van de ketelinstallatie overeenkomen, dan wel de
ketelinstallatie geheel is vervangen, geldt voor de toepassing
van het voorschrift 4.1.1 in plaats van de datum van
vergunningverlening, de datum waarop voor de wijziging of de
vervanging de vergunning is gewijzigd, of indien wijziging van
de vergunning niet vereist is, de datum waarop bedoelde
wijzigingen zijn aangebracht of de vervanging heeft
plaatsgevonden.
4.2. Emissie-eisen
voor een bestaande, met aardgas gestookte ketelinstallatie
4.2.1 De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een bestaande, met aardgas
gestookte ketelinstallatie met een vermogen van 2,5 MW of meer,
berekend op de bovenste verbrandingswaarde van de brandstof, mag
niet meer bedragen dan:
| a. |
met ingang van
15 oktober 1992: 500 mg/m3;
|
| b. |
zodra op of na
15 oktober 1992 de branders worden vervangen, doch
uiterlijk met ingang van 1 januari 1998: 150 mg/m3;
|
| c. |
zodra bij een
ketelinstallatie met een thermisch vermogen van 10 MW of
minder na 1 mei 1998 de branders worden vervangen: 70
mg/m3.
|
4.2.2 De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een bestaande, met aardgas
gestookte ketelinstallatie met een vermogen minder dan 2,5 MW,
berekend op de bovenste verbrandingswaarde van de brandstof,
mag, zodra de branders van de ketelinstallatie worden vervangen,
niet meer bedragen dan 70 mg/m3.
5. Emissie-eisen voor
een gasturbine en een gasturbine-installatie
5.1. Emissie-eisen
voor een gasturbine en een gasturbine-installatie waarvoor op of
na 1 augustus 1990 vergunning is verleend
5.1.1. De uitworp van
zwaveldioxide en stof met het rookgas van een ketelinstallatie
van een gasturbine-installatie waarin kolen worden gestookt en
waarvoor op of na 1 augustus 1990 vergunning is verleend, mag
niet meer bedragen dan:
| a. |
voor
zwaveldioxide 700 mg/m3;
|
| b. |
voor stof 50
mg/m3.
|
5.1.2 De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een gasturbine mag
teruggerekend op ISO-luchtcondities en betrokken op de
warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof, niet meer bedragen
dan:
| a. |
indien de
vergunning is verleend op of na 1 augustus 1990, doch
voor 1 mei 1998: 200 g/GJ, vermenigvuldigd met een
factor gelijk aan eendertigste van het
gasturbinerendement;
|
| b. |
indien de
vergunning is verleend op of na 1 mei 1998: 65 g/GJ.
|
5.1.3. De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een gasturbine-installatie
waarvoor op of na 1 augustus 1990 vergunning is verleend, mag,
teruggerekend op ISO-luchtcondities en betrokken op de
warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof niet meer bedragen
dan 135 g/GJ, vermenigvuldigd met een factor gelijk aan
eendertigste van het gasturbinerendement.
5.1.4. In plaats van
de in voorschrift 5.1.3 vermelde waarde van 135 g/GJ geldt een
waarde van 65 g/GJ:
| a. |
met ingang van
15 oktober 1992, indien op of na 15 oktober 1992
vergunning is verleend;
|
| b. |
met ingang van
1 januari 1994, indien op of na 1 augustus 1990, doch
voor 15 oktober 1992 vergunning is verleend.
|
5.1.5. Indien de
factor gelijk aan eendertigste van het gasturbinerendement,
bedoeld in de voorschriften 5.1.2 en 5.1.3, kleiner is dan 1,
wordt deze factor op 1 gesteld.
5.1.6. Voor de
toepassing van de voorschriften 5.1.2 tot en met 5.1.5 wordt,
indien in een gasturbine of een gasturbine-installatie ander
aardgas dan aardgas van standaardkwaliteit wordt gestookt, in
afwijking van de voorschriften 5.1.2 en 5.1.3, de factor,
bedoeld in die voorschriften, vermenigvuldigd met een factor
gelijk aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van
de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ/kg, ten opzichte van
een verbrandingswaarde van 38 MJ/kg, met dien verstande dat de
laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 1,1 mag bedragen.
5.2. Emissie-eisen
voor een bestaande gasturbine en een bestaande
gasturbine-installatie
5.2.1. De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een bestaande gasturbine mag
met ingang van 1 maart 1991, teruggerekend op ISO-luchtcondities
en betrokken op de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof,
niet meer bedragen dan 200 g/GJ vermenigvuldigd met een factor
gelijk aan eendertigste van het gasturbinerendement.
5.2.2. De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een bestaande
gasturbine-installatie mag, teruggerekend op ISO-luchtcondities
en betrokken op de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof
niet meer bedragen dan:
| a. |
met ingang van
1 maart 1991: 135 g/GJ,
|
| b. |
met ingang van
1 januari 1994: 65 g/GJ,
|
vermenigvuldigd met
een factor gelijk aan eendertigste van het gasturbinerendement.
5.2.3. Indien de
factor gelijk aan eendertigste van het gasturbine-rendement,
genoemd in de voorschriften 5.2.1 en 5.2.2, kleiner is dan 1,
wordt deze op 1 gesteld.
5.2.4. Voor de
toepassing van de voorschriften 5.2.1 tot en met 5.2.3 wordt,
indien in een bestaande gasturbine of een bestaande
gasturbine-installatie ander aardgas dan aardgas van
standaardkwaliteit wordt gestookt, in afwijking van de
voorschriften 5.2.1 en 5.2.2 de factor, bedoeld in die
voorschriften, vermenigvuldigd met een factor gelijk aan de
verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette
brandstof, uitgedrukt in MJ/kg, ten opzichte van een
verbrandingswaarde van 38 MJ/kg, met dien verstande dat de
laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 1,1 mag bedragen.
5.2.5. De
voorschriften 5.2.1 en 5.2.2 zijn niet van toepassing indien het
bevoegd gezag in een nadere eis een datum heeft vastgesteld
waarop de bestaande gasturbine of de bestaande
gasturbine-installatie buiten bedrijf moet zijn genomen;
voornoemde datum wordt gerelateerd aan het in gebruik zijn van
de gasturbine of gasturbine-installatie gedurende 25 000 uren,
gerekend na 1 maart 1991 voor de eis, bedoeld in de
voorschriften 5.2.1 en 5.2.2, onder a,
of na 1 januari 1994 voor de eis bedoeld in voorschrift 5.2.2,
onder b.
6. Emissie-eisen voor
een ketelinstallatie gecombineerd met een gasturbine
6.1
Indien een
ketelinstallatie op een zodanige wijze met een gasturbine is
gecombineerd dat zij tezamen geen gasturbine-installatie vormen,
zijn voor deze combinatie met betrekking tot de uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas uitsluitend voor de
ketelinstallatie emissie-eisen van toepassing.
6.2
Indien op een combinatie
als bedoeld in voorschrift 6.1, voorschrift 4.1.1, onder a,
van toepassing is, geldt in plaats van de emissie-eis van 200 mg/m3,
een emissie-eis van 240 mg/m3.
7. Emissie-eisen voor
een zuigermotor
7.1
De uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas van een zuigermotor mag,
teruggerekend op ISO-luchtcondities en betrokken op de
warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof, niet meer bedragen
dan:
| a. |
indien het
aandeel van gasvormige brandstoffen in de warmte-inhoud
van de toegevoerde brandstoffen 50% of meer bedraagt en
| 1°. |
op of na
1 augustus 1990 vergunning is verleend: 270 g/GJ,
|
| 2°. |
op of na
1 januari 1994 vergunning is verleend, in
afwijking van het bepaalde onder 1°: 140 g/GJ,
|
vermenigvuldigd
met eendertigste van het motorrendement. Voor met
gasvormige brandstoffen anders dan aardgas, gestookte
zuigermotoren geldt voorschrift 7.1, onderdeel a, met
ingang van 1 januari 2000.
|
| b. |
indien het
aandeel van gasvormige brandstoffen in de warmte-inhoud
van de toegevoerde brandstof minder dan 50% bedraagt: 400
g/GJ, vermenigvuldigd met eendertigste van het
motorrendement.
|
7.2
Met betrekking tot een
zuigermotor waarvan het asvermogen niet meer bedraagt dan 50 kW,
geldt in plaats van de in voorschrift 7.1, onder a,
1 of 2, genoemde waarden een waarde van 800 g/GJ en in plaats van
de onder b genoemde waarde een waarde
van 1200 g/GJ.
7.3 Een bestaande
zuigermotor met een asvermogen van meer dan 50 kW waarin het
aandeel van gasvormige brandstoffen in de warmte-inhoud van de
toegevoerde brandstoffen 50 procent of meer bedraagt, wordt
zodanig gebruikt, dat, teruggerekend op ISO-luchtcondities, de
uitworp van stikstofoxiden met het rookgas, betrokken op de
warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof, met ingang van 1
januari 2000 niet meer bedraagt dan:
| a. |
500 g/GJ, indien
vergunning is verleend voor 29 mei 1987;
|
| b. |
800 g/GJ,
vermenigvuldigd met eendertigste van het motorrendement,
indien vergunning is verleend in de periode van 29 mei
1987 tot 1 augustus 1990.
|
Het bepaalde onder a en
b is niet van toepassing op een bestaande zuigermotor indien deze
voor 1 januari 2001 uit bedrijf wordt genomen.
7.4
Indien een zuigermotor
na de datum van vergunningverlening geheel is vervangen, geldt
voor de toepassing van de voorschriften 7.1, 7.2 en 7.3 in plaats
van de datum van vergunningverlening, de datum waarop voor de
vervanging de vergunning is gewijzigd, of indien wijziging van de
vergunning niet vereist is, de datum waarop de vervanging heeft
plaatsgevonden.
8. Storingen en
voorvallen
8.1
Een met kolen gestookte
ketelinstallatie die is uitgerust met voorzieningen voor de
ontzwaveling van rookgassen, mag bij het tijdelijk uitvallen van
die voorzieningen, met kolen in bedrijf worden gehouden gedurende
ten hoogste 72 achtereenvolgende uren en voor ten hoogste in
totaal 240 uren per kalenderjaar.
8.2
Het bevoegd gezag kan in
een nadere eis een termijn vaststellen, gedurende welke een
stookinstallatie die, vanwege een storing in het functioneren,
niet met inachtneming van de eisen die in dit besluit met
betrekking tot stikstofoxiden en stof zijn gesteld kan worden
gebruikt, in bedrijf mag blijven.
8A. Toepassing van
factoren
8A.1. Indien ten aanzien
van een ketelinstallatie die sinds een voor 15 oktober 1992
gelegen tijdstip wordt bedreven met toepassing van
luchtvoorverwarming:
| a. |
voorschrift
3.2.2 of
|
| b. |
voorschrift
4.2.1, onder b,
|
van toepassing is, kan
het bevoegd gezag in plaats van de emissie-eis, genoemd in het
onder a of b
bedoelde voorschrift, bij nadere eis - met inachtneming van
voorschrift 8A.3 - voor de ketelinstallatie een emissie-eis
stellen, waarvan de waarde wordt berekend door vermenigvuldiging
van de in dat voorschrift aangegeven waarde met een factor voor
luchtvoorverwarming, zijnde:
waarbij t1 is de
temperatuur van de toegevoerde lucht, uitgedrukt in graden
Celsius.
8A.2. Indien ten aanzien
van een ketelinstallatie waarin sinds een voor 15 oktober 1992
gelegen tijdstip een kwaliteit van aardgas wordt gestookt, die
afwijkt van standaardkwaliteit, voorschrift 4.2.1, onder b, van
toepassing is, kan het bevoegd gezag in plaats van de in de
bedoelde voorschriften genoemde emissie-eis, bij nadere eis - met
inachtneming van voorschrift 8A.3 - een emissie-eis stellen,
waarvan de waarde wordt berekend door vermenigvuldiging van de in
voorschrift 4.2.1, onder b, aangegeven waarde met een factor voor
de kwaliteit aardgas die afwijkt van standaardkwaliteit, zijnde:
waarbij Sa is de
stookwaarde van het gebruikte aardgas, uitgedrukt in MJ/kg.
8A.3. Bij nadere eis
krachtens voorschrift 8A.1 of 8A.2 kan als emissie-eis geen hogere
waarde worden vastgesteld dan:
| a. |
indien
voorschrift 3.2.2, onder a, van
toepassing is: 225 mg/m3;
|
| b. |
indien
voorschrift 3.2.2, onder b, van
toepassing is: 450 mg/m3;
|
| c. |
indien
voorschrift 4.2.1, onder b, van toepassing is: 350 mg/m3.
|
8B. Bevoegdheden van
het bevoegd gezag
8B.1. Het bevoegd gezag
kan - onverminderd voorschrift 8B.2 - bij het verlenen of wijzigen
van een vergunning emissie-eisen stellen, die afwijken van de in
deze bijlage opgenomen emissie-eisen, voor zover dat in de
voorschriften 8B.3 tot en met 8B.7 is aangegeven.
8B.2. Indien op het
tijdstip waarop voorschrift 8B.3 in werking treedt, in de
vergunning een strengere emissie-eis voor de stookinstallatie is
opgenomen dan de emissie-eis die ingevolge genoemd voorschrift
voor die installatie gesteld kan worden, blijft die strengere
emissie-eis gelden. Bij het verlenen van een nieuwe vergunning
voor dezelfde stookinstallatie kan het bevoegd gezag de strengere
emissie-eis opnieuw stellen.
8B.3. Het bevoegd gezag
kan in de vergunning:
| a. |
voor een met
kolen gestookte ketelinstallatie een strengere emissie-eis
stellen dan de in voorschrift 2.1.3, onder a,
gestelde emissie-eis voor stof, doch niet strenger dan 20
mg/m3;
|
| b. |
voor een met
gasolie gestookte ketelinstallatie, wanneer de branders
worden vervangen, een strengere emissie-eis stellen dan de
in voorschrift 3.1.1, onder a,
gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden, doch niet
strenger dan 200 mg/m3;
|
| c. |
voor een met
aardgas gestookte ketelinstallatie wanneer de branders
worden vervangen, een strengere emissie-eis stellen dan
| 1°. |
de in
voorschrift 4.1.1, onder a, gestelde emissie-eis
voor stikstofoxiden, doch niet strenger dan 150
mg/m3 voor een
ketelinstallatie met een thermisch vermogen van
meer dan 10 MW;
|
| 2°. |
de in
voorschrift 4.1.1, onder a, of in voorschrift
4.1.1, onder b, gestelde emissie-eis voor
stikstofoxiden, doch niet strenger dan 70 mg/m3
voor een ketelinstallatie met een thermisch
vermogen van 10 MW of minder.
|
|
| d. |
voor een
gasturbine waarvoor op of na 15 oktober 1992, doch voor 1
mei 1998 vergunning is verleend, een strengere emissie-eis
stellen dan de in voorschrift 5.1.2,onder a, gestelde
emissie-eis voor stikstofoxiden, indien deze strengere
emissie-eis niet noodzaakt tot injectie van water, stoom
of een ander inert materiaal, doch niet strenger dan een
die overeenkomt met vervanging van de waarde van 200 g/GJ
door 65 g/GJ;
|
| e. |
voor een
gasturbine waarvoor op of na 1 mei 1998 vergunning is
verleend, een strengere emissie-eis stellen dan de in
voorschrift 5.1.2, onder b, gestelde emissie-eis voor
stikstofoxiden, indien deze strengere emissie-eis niet
noodzaakt tot injectie van water, stoom of een ander inert
materiaal, doch niet strenger dan 45 g/GJ;
|
| f. |
voor een
gasturbine-installatie waarvoor op of na 1 augustus 1990
vergunning is verleend een strengere emissie-eis stellen
dan de in voorschrift 5.1.3 gestelde emissie-eis voor
stikstofoxiden, doch niet strenger dan een die overeenkomt
met vervanging van de waarde van 135 g/GJ door 100 g/GJ;
|
| g. |
voor een
zuigermotor waarop voorschrift 7.2 van toepassing is, een
strengere emissie-eis stellen dan een in dat voorschrift
gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden, doch niet
strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de
waarden van 800 g/GJ onderscheidenlijk 1200 g/GJ door 270
g/GJ onderscheidenlijk 400 g/GJ;
|
| h. |
voor een
zuigermotor waarop voorschrift 7.1, onder a,
1° of 2°, van toepassing is, een strengere emissie-eis
stellen dan een in die artikelonderdelen gestelde
emissie-eis voor stikstofoxiden, doch niet strenger dan
een die overeenkomt met vervanging van de waarden van 270
g/GJ onderscheidenlijk 140 g/GJ door 100 g/GJ;
|
| i. |
voor een
zuigermotor waarop voorschrift 7.1, onder b,
van toepassing is, een strengere emissie-eis stellen dan
de in dat voorschrift gestelde emissie-eis voor
stikstofoxiden, doch niet strenger dan een die overeenkomt
met vervanging van de waarde van 400 g/GJ door 150 g/GJ.
|
| j. |
voor een
zuigermotor waarop voorschrift 7.3, onder b, van
toepassing is, een strengere emissie-eis stellen dan een
in dat voorschrift gestelde emissie-eis voor
stikstofoxiden, doch niet strenger dan een die overeenkomt
met vervanging van de waarde van 800 g/GJ door 270 g/GJ.
|
8B.4. Het bevoegd gezag
kan in de vergunning een strengere emissie-eis stellen dan met
toepassing van voorschrift 8B.2 of 8B.3 gestelde emissie-eis,
indien:
| a. |
de aanvrager of
houder van de vergunning in staat en bereid is om aan die
strengere emissie-eis te voldoen;
|
| b. |
volgens de
actuele stand van de techniek aan een strengere
emissie-eis kan worden voldaan, terwijl voor een andere
stookinstallatie in de inrichting met toepassing van
voorschrift 8B.6 een minder strenge emissie-eis is
gesteld.
|
8B.5 Het bevoegd gezag
kan voor een bestaande zuigermotor voor andere gassen dan aardgas
een minder strenge emissie-eis stellen dan de in voorschrift 7.3,
onder a, gestelde emissie-eis voor zover naar zijn oordeel de
gasmotor gezien de actuele stand der techniek niet zodanig kan
worden aangepast of verbouwd dat aan laatstgenoemd onderdeel van
het voorschrift kan worden voldaan.
8B.6. Het bevoegd gezag
kan voor een gasturbine-installatie in de vergunning een minder
strenge emissie-eis voor stikstofoxiden stellen dan de in
voorschrift 5.1.4, onder b, of 5.2.2,
onder b, gestelde emissie-eis, voor
zover naar zijn oordeel de installatie, gezien de actuele stand
der techniek, niet zodanig kan worden aangepast of verbouwd dat
aan het bepaalde in de genoemde voorschriften kan worden voldaan.
8B.7. Het voorschrift
8B.6 is slechts van toepassing, indien een vergunningvoorschrift
waarin een minder strenge emissie-eis wordt gesteld, voor het
tijdstip waarop een emissie-eis, gesteld in voorschrift 5.1.4,
onder b, of 5.2.2, onder b,
op de stookinstallatie van toepassing wordt, in de vergunning is
opgenomen.
8B.8. In afwijking van
de voorschriften 8B.1 tot en met 8B.7 stelt het bevoegd gezag,
indien tot de inrichting een gpbv-installatie behoort, voor een
tot die gpbv-installatie behorende stookinstallatie strengere
emissie-eisen dan de in deze bijlage voor die installatie gestelde
emissie-eisen, indien met laatstbedoelde eisen niet wordt voldaan
aan de artikelen 8.8 en 8.11,
derde lid, van de Wet milieubeheer.
9. Gelijktijdig
gebruik van brandstoffen
9.1
Bij gelijktijdig gebruik
van verschillende brandstoffen in een stookinstallatie mag de
uitworp van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof met het rookgas
niet meer bedragen dan het gemiddelde van de uitworp die voor elke
brandstof afzonderlijk zou zijn toegestaan. Het gemiddelde van de
uitworp moet worden berekend naar het aandeel in de warmte-inhoud
van de toegevoerde brandstoffen.
De uitworp voor de
brandstoffen moet worden bepaald met toepassing van de op die
stookinstallatie betrekking hebbende emissie-eisen dan wel het Besluit
zwavelgehalte brandstoffen (Stb.
1988, 415).
Voor de berekening van
het aandeel van aardgas in het gemiddelde van de emissie-eis voor
zwaveldioxide moet een waarde worden gehanteerd van 35 mg/m3.
9.2
Voorschrift 9.1 is voor
wat betreft de uitworp van stikstofoxiden niet van toepassing op
gasturbines, gasturbine-installaties of zuigermotoren.
10. Meetmethoden
10.1.
Toepassingsgebied
10.1.1. De
voorschriften 10.2.1 tot en met 10.4.9 zijn van toepassing op
stookinstallaties waarvoor bij dit besluit emissie-eisen zijn
gesteld of waarvoor na inwerkingtreding van dit besluit, door
het bevoegd gezag een strengere eis dan bij dit besluit wordt
gesteld.
10.2. Meetmethode
zwaveldioxide
10.2.1. De
concentratie aan zwaveldioxide in rookgas bij het stoken van
kolen moet worden bepaald door middel van een afzonderlijke
meting, tenzij continue meting plaatsvindt dan wel het in acht
nemen van de emissie-eisen uitsluitend door middel van het
stoken van kolen met een bepaald zwavelgehalte geschiedt.
10.2.2. Wanneer het in
acht nemen van de emissie-eisen voor zwaveldioxide uitsluitend
door middel van het stoken van kolen met een bepaald
zwavelgehalte geschiedt, dient te allen tijde aan de hand van
gegevens met betrekking tot het zwavelgehalte van de ingezette
kolen en andere gegevens die noodzakelijk zijn om de uitworp aan
zwaveldioxide te berekenen, te kunnen worden aangetoond dat aan
de van toepassing zijnde emissie-eis wordt voldaan. Degene die
de inrichting drijft, is verplicht op aanwijzing van het bevoegd
gezag op een door dat gezag te bepalen tijdstip, het
zwavelgehalte van de in te zetten kolen te laten bepalen, door
een door het bevoegd gezag geaccepteerd instituut. Het bevoegd
gezag maakt van deze bevoegdheid ten hoogste éénmaal per
kalenderjaar gebruik.
10.2.3. De gegevens,
bedoeld in voorschrift 10.2.2, moeten worden geregistreerd.
10.2.4. Indien de
concentratie aan zwaveldioxide in rookgas moet worden bepaald
door middel van een afzonderlijke meting, moeten in ieder geval
de gegevens met betrekking tot de hoeveelheid kolen, het
zwavelgehalte van de kolen en de hoeveelheid kalk worden
geregistreerd.
10.2.5. Continue
meting voor de bepaling van de concentratie aan zwaveldioxide in
het rookgas is rechtstreekse continue meting van de concentratie
in het rookgas.
10.2.6. Indien de
concentratie aan zwaveldioxide in rookgas wordt bepaald door
middel van continue meting, geldt de emissie-eis als in acht
genomen, indien van de meetuitkomsten gedurende een
kalenderjaar:
| a. |
geen
kalendermaandgemiddelde de waarde van de emissie-eis te
boven gaat;
|
| b. |
97 procent van
alle 48-uursgemiddelden niet hoger ligt dan 110 procent
van de waarde van de emissie-eis.
|
10.2.7. Voor de
toepassing van voorschrift 10.2.6 worden meetuitkomsten
verkregen tijdens perioden als bedoeld in voorschrift 8.1 niet
meegerekend.
10.2.8. Voor de
toepassing van voorschrift 10.2.6 wordt de uitworp tijdens het
opstarten en stilleggen van de ketelinstallatie niet
meegerekend.
10.2.9. Een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.2.1 moet
uiterlijk twaalf maanden nadat een emissie-eis op de
stookinstallatie van toepassing is geworden, zijn verricht.
10.2.10. Een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.2.9 moet
worden verricht bij een belasting van meer dan 60 procent.
10.2.11. Bij een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.2.9 geldt een
emissie-eis als in acht genomen, indien geen enkele meetuitkomst
boven de waarde van de emissie-eis ligt.
10.2.12. Indien één
van de meetuitkomsten die onderdeel uitmaken van één
afzonderlijke meting boven de waarde van de emissie-eis ligt,
mag binnen een door het bevoegd gezag vast te stellen periode op
grond van een serie nadere metingen alsnog worden vastgesteld of
aan de emissie-eis is voldaan.
10.3. Meetmethode
stikstofoxiden
10.3.1. De
concentratie aan stikstofoxiden in rookgas moet bij een
afzonderlijke ketelinstallatie alsmede bij een stookinstallatie
als bedoeld in voorschrift 6.1 worden bepaald door middel van
een afzonderlijke meting of door continue meting.
10.3.2 Indien in een
ketelinstallatie als bedoeld in voorschrift 10.3.2.a uitsluitend
branders zijn geïnstalleerd, die behoren tot een type dat,
blijkens keuring door een door Onze Minister aan te wijzen
instantie, bij toepassing in zo'n installatie ertoe leidt dat de
uitworp van stikstofoxiden voldoet aan de gestelde eis, is aan
het bepaalde in voorschrift 4.1.1. onderscheidenlijk voorschrift
4.2.1. voldaan en blijft voorschrift 10.3.1. buiten toepassing.
10.3.2a Voorschrift
10.3.2 is van toepassing op een ketelinstallatie voor aardgas:
| a. |
met een
thermisch vermogen van 7,5 MW of minder, die uitsluitend
gebruikt wordt voor het verhitten van water of stoom bij
een druk niet hoger dan 1 MPa, zonder dat daarbij
luchtvoorverwarming wordt toegepast, en
|
| b. |
waarop
voorschrift 4.1.1 of 4.2.1 van toepassing is.
|
10.3.3. Continue
meting voor de bepaling van de concentratie aan stikstofoxiden
bij een stookinstallatie als bedoeld in voorschrift 10.3.1 is:
| a. |
rechtstreekse
continue meting van de concentratie in het rookgas, of;
|
| b. |
continue
meting van een of meer parameters van de voor een
stookinstallatie vastgelegde uitworpkarakteristiek voor
stikstofoxiden. De uitworpkarakteristiek en de keuze van
de continu te meten parameters dienen zodanig te zijn
dat de concentratie aan stikstofoxiden in het rookgas
daarmee steeds ondubbelzinnig kan worden vastgesteld.
|
10.3.4. Indien bij een
stookinstallatie als bedoeld in voorschrift 10.3.1 de
concentratie aan stikstofoxiden wordt bepaald door middel van
continue meting, geldt de emissie-eis als in acht genomen indien
van de meetuitkomsten in een kalenderjaar:
| a. |
geen
kalendermaandgemiddelde de waarde van de emissie-eis te
boven gaat;
|
| b. |
95 procent van
alle 48-uursgemiddelden niet hoger ligt dan 110 procent
van de waarde van de emissie-eis.
|
10.3.5. Voor de
toepassing van voorschrift 10.3.4 wordt de uitworp tijdens
perioden als bedoeld in voorschrift 8.2 niet meegerekend.
10.3.6. Een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.3.1 wordt
telkens wanneer een emissie-eis op een stookinstallatie van
toepassing wordt, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
vier weken nadien verricht. Voor zover voor 15 oktober 1992 een
emissie-eis op een stookinstallatie van toepassing is geworden
wordt, in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin, de
afzonderlijke meting uiterlijk twaalf maanden nadat deze
emissie-eis is gaan gelden, verricht.
10.3.7. Een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.3.6 moet
worden verricht bij een belasting van meer dan 60 procent.
10.3.8. Bij een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.3.6 geldt een
emissie-eis als in acht genomen indien geen enkele meetuitkomst
boven de waarde van de emissie-eis ligt.
10.3.9. Indien één
van de meetuitkomsten die onderdeel uitmaken van een
afzonderlijke meting, boven de waarde van de emissie-eis ligt,
mag binnen een door het bevoegd gezag vast te stellen periode op
grond van een serie andere metingen alsnog worden vastgesteld of
aan de emissie-eis is voldaan.
10.3.10. De
concentratie aan stikstofoxiden in rookgas moet bij een
gasturbine of een gasturbine-installatie worden bepaald door
middel van:
| a. |
continue
meting indien ter bestrijding van de uitworp van
stikstofoxiden met het rookgas injectie van water of
stoom, dan wel een inert materiaal wordt toegepast;
voorschrift 10.3.3 is van overeenkomstige toepassing;
|
| b. |
een
afzonderlijke meting in andere gevallen dan die bedoeld
onder a.
|
10.3.11. De
concentratie aan stikstofoxiden in rookgas moet bij een
zuigermotor worden bepaald door middel van een afzonderlijke
meting.
10.3.12. Indien een
zuigermotor waarin uitsluitend aardgas wordt gestookt, behoort
tot een type dat blijkens keuring door een door Onze Minister
aan te wijzen instantie met betrekking tot de uitworp van
stikstofoxiden voldoet aan de in voorschrift 7.1 of 7.2 gestelde
eis voor de categorie waartoe dat type behoort en de zuigermotor
wordt gedreven conform de bedrijfsvoorschriften van de
leverancier voor dat type, wordt aan voorschrift 7.1 of 7.2
voldaan en blijft voorschrift 10.3.11 buiten toepassing. De
juiste afstelling van de motor dient in ieder geval tijdens
onderhoudsbeurten te worden gecontroleerd, hetgeen dient te
blijken uit de daarvan gemaakte rapportage.
10.3.13. Indien de
concentratie aan stikstofoxiden bij een gasturbine of een
gasturbine-installatie wordt bepaald door continue meting, geldt
de emissie-eis als in acht genomen indien:
| a. |
van de
meetuitkomsten geen 24 uursgemiddelde boven de
emissie-eis uitkomt in geval voorschrift 5.1.4 of 5.2.2,
onder b, van toepassing is;
|
| b. |
van de
meetuitkomsten geen halfuursgemiddelde boven de
emissie-eis uitkomt in de andere gevallen dan die
bedoeld onder a.
|
10.3.14. Voor de
toepassing van voorschrift 10.3.13 wordt de uitworp tijdens
perioden als bedoeld in voorschrift 8.2 en de uitworp tijdens
het opstarten en stilleggen van een gasturbine-installatie niet
meegerekend.
10.3.15 Een
afzonderlijke meting als bedoeld in de voorschriften 10.3.10,
onder b, en 10.3.11 wordt telkens wanneer een emissie-eis van
toepassing wordt, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
vier weken nadien verricht en vervolgens iedere keer na afloop
van een periode van drie jaar. In afwijking van het bepaalde in
de eerste volzin, wordt voor een bestaande zuigermotor een
eerste afzonderlijke meting uitgevoerd voor 1 maart 2000, tenzij
uit een afzonderlijke meting uitgevoerd na inwerkingtreding van
dit besluit, maar voor 1 januari 2000 is gebleken dat aan de in
voorschrift 7.3 gestelde eis is voldaan.
10.3.16. Een
afzonderlijke meting van de concentratie aan stikstofoxiden als
bedoeld in de voorschriften 10.3.10, onder b,
en 10.3.11 moet geschieden bij de hoogste belasting waarbij een
gasturbine of een zuigermotor continue kan worden bedreven, en:
| a. |
indien de
maximale bijstook in de bijbehorende ketelinstallatie of
ketelinstallaties volgens de ontwerpspecificatie 10
procent of meer is van het thermische vermogen van de
gasturbine-installatie, bij een bijstook in de
bijbehorende ketelinstallatie of ketelinstallaties van
10 procent of, indien dat meer is, bij een minimale
bijstook:
| 1°. |
overeenkomstig
de desbetreffende specificatie in de
vergunningvoorschriften, of, bij het ontbreken
daarvan,
|
| 2°. |
overeenkomstig
de desbetreffende ontwerpspecificatie;
|
|
| b. |
indien de
maximale bijstook in de bijbehorende ketelinstallatie of
ketelinstallaties volgens de ontwerpspecificatie minder
is dan 10 procent van het thermische vermogen van de
gasturbine-installatie, bij een maximale bijstook in de
bijbehorende ketelinstallatie of ketelinstallaties.
|
10.3.17. Op een
afzonderlijke meting als bedoeld in de voorschriften 10.3.10 en
10.3.11 zijn de voorschriften 10.3.8 en 10.3.9 van
overeenkomstige toepassing.
10.4. Meetmethode
stof
10.4.1. De
concentratie aan stof in rookgas bij een ketelinstallatie voor
kolen moet worden bepaald door middel van een afzonderlijke
meting of door continue meting.
10.4.2. Continue
meting voor de bepaling van de concentratie aan stof in het
rookgas is rechtstreekse continue meting van de concentratie in
het rookgas.
10.4.3. Indien de
concentratie aan stof wordt bepaald door middel van continue
meting, geldt de emissie-eis als in acht genomen indien van de
meetuitkomsten gedurende een kalenderjaar:
| a. |
geen
kalendermaandgemiddelde de waarde van de emissie-eis te
boven gaat;
|
| b. |
97 procent van
alle 48-uursgemiddelden niet hoger ligt dan 110 procent
van de waarde van de emissie-eis.
|
10.4.4. Voor de
toepassing van voorschrift 10.4.3 worden meetuitkomsten
verkregen tijdens perioden als bedoeld in voorschrift 8.1 niet
meegerekend.
10.4.5. Voor de
toepassing van voorschrift 10.4.3 wordt de uitworp tijdens het
opstarten en stilleggen van de ketelinstallatie niet
meegerekend.
10.4.6. Een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.4.1 moet
uiterlijk twaalf maanden nadat een emissie-eis op de
ketelinstallatie van toepassing is geworden, worden verricht.
10.4.7. Een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.4.6, moet
worden verricht bij een belasting van meer dan 60 procent.
10.4.8. Bij een
afzonderlijke meting als bedoeld in voorschrift 10.4.6, geldt
een emissie-eis als in acht genomen, indien geen enkele
meetuitkomst boven de waarde van de emissie-eis ligt.
10.4.9. Indien één
van de meetuitkomsten die onderdeel uitmaken van één
afzonderlijke meting, boven de waarde van de emissie-eis ligt,
mag binnen een door het bevoegd gezag vast te stellen periode op
grond van een serie nadere metingen alsnog worden vastgesteld of
aan de emissie-eis is voldaan.
10.5. Meet- en
registratieverplichtingen
10.5.1. De resultaten
van de krachtens de voorschriften 10.1.1 tot en met 10.4.9
uitgevoerde metingen alsmede de andere gegevens die nodig zijn
om te kunnen beoordelen of in overeenstemming met dit besluit is
gehandeld, moeten door degene die de inrichting drijft, in de
inrichting ter beschikking worden gehouden voor controle door
het bevoegd gezag, indien het:
| a. |
meetresultaten
of andere gegevens betreft, die betrekking hebben op
afzonderlijke metingen, gedurende de verdere levensduur
van de stookinstallatie;
|
| b. |
andere
meetresultaten of andere gegevens betreft, gedurende
drie kalenderjaren.
|
10.5.2. Het bevoegd
gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot het goed
functioneren van een stookinstallatie en met betrekking tot
voorschrift 10.5.1.
|