| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
GENETISCH GEMODIFICEERDE ORGANISMEN MILIEUBEHEER
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 januari 1990 tot vaststelling van een
algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 24 van de Wet
milieugevaarlijke stoffen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 6 februari 1989, nr. MJZ 0629072, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de
Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur;
Overwegende dat het in het milieu brengen van
genetisch gemodificeerde organismen ongewenste effecten op mens of
milieu kan hebben;
Dat deze effecten vanwege het
reproductievermogen onomkeerbaar kunnen zijn;
Dat een volledig inzicht in de mechanismen die
leiden tot deze effecten nog ontbreekt;
Dat de mogelijke onomkeerbaarheid van de
effecten enerzijds en het ontbreken van een volledig inzicht anderzijds
een beoordeling vooraf van het in het milieu brengen van genetisch
gemodificeerde organismen wenselijk maken;
Gelet op de artikelen 24 en 26 van de Wet
milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639) en artikel 2 van de
Hinderwet (Stb. 1981, 410);
Gezien het advies van de Centrale raad voor de
milieuhygiëne (advies van 25 november 1988, nr. GGO-88/1247);
De Raad van State gehoord (advies van 12 juli
1989, nr. W08.89.0122);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 januari
1990, nr. MJZ 2219077, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretarissen van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
b. genetisch materiaal: desoxyribonucleïne-zuur (DNA) en
ribonucleïnezuur (RNA);
c. genetische modificatie: het veranderen van genetisch
materiaal op een wijze die van nature niet mogelijk is door
voortplanting of recombinatie;
d. micro-organismen: cellulaire en niet-cellulaire
micro-biologische entiteiten met het vermogen tot
vermenigvuldiging of tot overbrenging van genetisch materiaal,
daaronder mede begrepen daaronder mede begrepen virussen,
viroïden, en dierlijke en plantencellen in cultuur;
e. organismen: micro-organismen en andere biologische
entiteiten met het vermogen tot vermenigvuldiging of tot
overbrenging van genetisch materiaal;
f. genetisch gemodificeerde organismen: organismen, met
uitzondering van menselijke wezens, waarvan het genetisch
materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk
is door voortplanting of natuurlijke recombinatie;
g. ingeperkt gebruik: genetische modificatie van organismen of
vermeerderen, opslaan, aan een ander ter beschikking stellen,
toepassen, voorhanden hebben, vervoeren, met uitzondering van
vervoeren als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder c, zich
ontdoen of vernietigen van genetisch gemodificeerde organismen in
een afgesloten ruimte dan wel in een installatie of in apparatuur
in een inrichting als bedoeld in categorie 21 van bijlage I bij
het Besluit omgevingsrecht, indien met betrekking tot die
afgesloten ruimte, die installatie of die apparatuur fysische
barrières of een combinatie van fysische met chemische of
biologische barrières zijn of worden toegepast om het contact van
die organismen met mens en milieu te beperken, overeenkomstig door
Onze Minister te stellen regels;
h. richtlijn 98/81: richtlijn nr. 98/81/EG van de Raad van de
Europese Unie van 26 oktober 1998 tot wijziging van Richtlijn
90/219/EEG inzake het ingeperkt gebruik van genetisch
gemodificeerde micro-organismen;
i. zelfklonering: verwijdering van genetisch materiaal uit een
organisme, gevolgd door het terugbrengen van dit genetisch
materiaal of van een deel daarvan, al dan niet in vitro,
enzymatisch, chemisch of mechanisch bewerkt, in cellen van
hetzelfde organisme of van een nauw verwante soort die door
natuurlijke fysiologische processen chromosomaal DNA kan
uitwisselen met het eerstbedoelde organisme;
j. richtlijn nr. 2001/18: richtlijn nr. 2001/18/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 maart
2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch
gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van
Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PbEG L 106);
k. in de handel brengen: het al dan niet tegen betaling ter
beschikking stellen van genetisch gemodificeerde organismen aan
derden, uitgezonderd:
1º. het ter beschikking stellen voor ingeperkt gebruik;
2º. het ter beschikking stellen uitsluitend ten behoeve
van activiteiten overeenkomstig de voorschriften in paragraaf
3.2;
l. overige doeleinden: activiteiten met genetisch
gemodificeerde organismen niet zijnde ingeperkt gebruik of het in
de handel brengen;
m. product: een in de handel gebracht preparaat, bestaande uit
een genetisch gemodificeerd organisme, een combinatie van
genetisch gemodificeerde organismen of deze bevattende;
n. milieurisicoanalyse: de beoordeling overeenkomstig bijlage
II bij richtlijn nr. 2001/18 van optredende risico's voor mens of
milieu welke de doelbewuste introductie in het milieu van de te
introduceren genetisch gemodificeerde organismen of een combinatie
daarvan met zich mee kan brengen;
o. risicoanalyse: de beoordeling overeenkomstig artikel 5 van
optredende risico's voor mens of milieu welke ingeperkt gebruik
van genetisch gemodificeerde organismen met zich mee kan brengen;
p. verordening 1946/2003: verordening (EG) nr. 1946/2003 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli
2003 betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van
genetisch gemodificeerde organismen (PbEU L 287);
q. verordening 1829/2003: verordening (EG) nr. 1829/2003 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22
september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en
diervoeders (PbEU L 268);
r. verordening 1830/2003: verordening (EG) nr. 1830/2003 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22
september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van
genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met
genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen
en diervoeders en tot wijziging van richtlijn 2001/18/EG (PbEU L
268).
2. Onder genetisch gemodificeerd organisme dan wel genetisch
gemodificeerde organismen wordt mede verstaan: een combinatie van
genetisch gemodificeerde organismen.
Artikel 1a [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1b [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1c [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1d [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1e [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1f [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1g [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1h [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1i [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1j [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1k [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1l [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1m [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1n [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1o [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1p [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1q [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1r [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1s [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1t [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 1u [Vervallen per 01-10-1993]
§ 2. Ingeperkt gebruik
§ 2.1. Werkingssfeer
Artikel 2
1.Voor de toepassing van paragraaf 2 worden de genetisch
gemodificeerde organismen onderscheiden in de volgende groepen:
a. groep I: genetisch gemodificeerde micro-organismen die
voldoen aan de krachtens het tweede lid gestelde regels dan wel
waarvan na toepassing van het vierde lid is vastgesteld dat zij
eveneens voldoen aan de criteria voor indeling in groep I;
b. groep II: overige genetisch gemodificeerde micro-organismen;
c. groep III: overige genetisch gemodificeerde organismen, niet
zijnde micro-organismen.
2.Onze Minister stelt regels voor de indeling van genetisch
gemodificeerde organismen. Hij stelt daarbij onder meer vast welke
door hem aangewezen organismen en vectoren geschikt zijn voor de
vervaardiging van organismen die behoren tot groep I. Voorts kan hij
daarbij vaststellen of een insertie geschikt is voor de vervaardiging
van die organismen.
3.Het ontwerp van de regels, bedoeld in het tweede lid, wordt door
Onze Minister in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt
de gelegenheid geboden gedurende een bij die bekendmaking vast te
stellen termijn opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis
van Onze Minister te brengen.
4.Degene die wil overgaan tot handelingen met genetisch
gemodificeerde micro-organismen die zijn vervaardigd met behulp van
organismen en vectoren die niet zijn aangewezen overeenkomstig het
tweede lid, tweede volzin, dan wel degene die een zodanig organisme
wil vervaardigen, kan Onze Minister verzoeken vast te stellen dat de
betrokken organismen of vectoren geschikt zijn voor de vervaardiging
van organismen die behoren tot groep I. Onze Minister beslist op het
verzoek binnen vier weken. Met betrekking tot het verzoek is artikel
13 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de
toepassing van artikel 13, tweede lid, de in de voorgaande volzin
genoemde termijn wordt opgeschort.
Artikel 3
1. Voor de toepassing van paragraaf 2 wordt ingeperkt gebruik van
genetisch gemodificeerde micro-organismen onderscheiden in de volgende
categorieën:
a. categorie A: handelingen als bedoeld in categorie 21,
onderdeel a, van bijlage I, onder C, bij het Besluit
omgevingsrecht;
b. categorie B: overige handelingen.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de indeling van
handelingen in de categorieën A en B. Artikel 2, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 3b [Vervallen per 01-10-1993]
Artikel 4
Paragraaf 2 is niet van toepassing op:
a. de tijdelijke opslag tijdens vervoer van genetisch
gemodificeerde organismen:
1º. niet zijnde micro-organismen dan wel planten of dieren
in associatie met genetisch gemodificeerde organismen die zich
bevinden in een vervoerseenheid die voldoet aan door Onze
Minister te stellen regels voor vervoer buiten de inrichting die
bestemd is voor activiteiten met genetisch gemodificeerde
organismen, en de verpakking is voorzien van gegevens van de
geadresseerde en de afzender;
2º. die zich bevinden in een vervoerseenheid die voldoet aan
de regels gesteld op basis van artikel 4b, tweede lid, onder a,
van de Wegenverkeerswet 1994, en op basis van artikel 2 van het
Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, onderscheidenlijk zijn
verpakt overeenkomstig regels gesteld op basis van artikel 26,
eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, en de
artikelen 2 en 5, derde lid, van het Besluit vervoer gevaarlijke
stoffen, en de verpakking is voorzien van gegevens van de
geadresseerde en de afzender;
b. het vervaardigen, vervoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan
een ander ter beschikking stellen of zich ontdoen van typen van
genetisch gemodificeerde micro-organismen die zijn opgesomd in
bijlage II, deel C, bij richtlijn 98/81;
c. het vervaardigen van organismen door, dan wel het vervoeren,
toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen
of zich ontdoen van organismen die zijn vervaardigd door:
1°. celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van
eukaryotische soorten, met inbegrip van de productie van
hybridoma's en de fusie van plantencellen,
2°. zelfklonering van niet-pathogene, van nature voorkomende
micro-organismen die geen bijkomende agentia bezitten en
aantoonbaar veilig zijn gebleken bij langdurig gebruik, dan wel
ingebouwde biologische barrières bezitten die niet van invloed
zijn op de optimale groei in kunstmatige media, maar beperkte
overlevings- of vermenigvuldigingskansen bieden zonder
schadelijke effecten voor mens en milieu, of
3°. celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van
prokaryotische soorten die genetisch materiaal uitwisselen door
middel van bekende fysiologische processen,
tenzij bij de vervaardiging daarvan als recipiënt of
ouderorganisme gebruik wordt gemaakt van genetisch gemodificeerde
organismen, die niet zijn verkregen op de onder 1°, 2° of 3° of
de in bijlage 1, onderdeel 1, onder a of b, beschreven wijze en ten
aanzien waarvan geen toepassing heeft plaatsgehad van artikel 23,
tweede lid, onder d, dan wel van genetisch gemodificeerde organismen
die niet vallen onder artikel 23, tweede lid, onder e.
§ 2.2. Voorafgaande risico-analyse
Artikel 5
1.Degene die voornemens is over te gaan tot ingeperkt gebruik,
maakt, voordat hij daarmee begint, een analyse van de risico’s voor
mens of milieu die aan dat gebruik kunnen zijn verbonden. Hij maakt
daarvan een schriftelijke samenvatting, die hij ter beschikking houdt
van Onze Minister en van het gezag dat in het kader van de Wet
milieubeheer bevoegd is ten aanzien van de inrichting waar de
betrokken handeling plaatsvindt.
2.Onze Minister stelt regels omtrent de gegevens die de analyse
bevat. Tevens kan hij daarbij nadere regels stellen met betrekking tot
de samenvatting. Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
§ 2.3. Veiligheidsvoorschriften
Artikel 6
1.Onze Minister kan regels stellen die voor de houders van een
vergunning krachtens artikel 17 gelden naast of in plaats van de aan
die vergunning verbonden voorschriften.
2.Voorts beziet degene die handelingen met genetisch gemodificeerde
organismen verricht, dan wel zodanige organismen vervaardigt, bij
ingeperkt gebruik jaarlijks of zoveel keren meer als de aard van de
betrokken handelingen vereist, de getroffen maatregelen opnieuw, ten
einde rekening te houden met nieuw verworven wetenschappelijke of
technische kennis inzake risicobeheersing en behandeling en het beheer
van afvalstoffen; zo nodig treft hij verdergaande maatregelen.
§ 2.4. Vergunningverlening
§ 2.4.1. Algemene bepalingen
Artikel 7
1.Onze Minister kan regels stellen omtrent de verdere gegevens die
bij de aanvragen om een vergunning, bedoeld in de artikelen 8, eerste
lid, 9, eerste lid, 10, eerste lid, en 11, eerste lid, worden
ingediend. Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.Ingeval organismen die behoren tot verschillende groepen in
combinatie worden toegepast, kan worden volstaan met een gezamenlijke
aanvraag om een vergunning.
§ 2.4.2. Vervaardigen van en handelingen met genetisch
gemodificeerde organismen
Artikel 8
1.Degene die handelingen van categorie A verricht met organismen
die behoren tot groep I, dan wel zodanige organismen vervaardigt,
dient daarvoor, voordat hij daartoe voor de eerste keer overgaat, een
aanvraag om een vergunning in bij Onze Minister.
2.De aanvraag om een vergunning bevat in ieder geval de gegevens,
bedoeld in bijlage 4, onderdeel 1.
3.De persoon, bedoeld in het eerste lid, maakt jaarlijks voor 1
juni een verslag over de in het eerste lid bedoelde handelingen in het
voorafgaande kalenderjaar en houdt dit gedurende 5 jaar ter
beschikking van Onze Minister. Artikel 7, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1.Degene die handelingen van categorie B verricht met organismen
die behoren tot groep I, dient daarvoor, voordat hij daartoe overgaat,
een aanvraag om een vergunning in bij Onze Minister.
2.De aanvraag om een vergunning bevat in ieder geval de gegevens,
bedoeld in bijlage 4, onderdeel 2, bij dit besluit.
3.In afwijking van het eerste lid is geen aanvraag om een
vergunning vereist, indien Onze Minister op verzoek van degene die
ingeperkt gebruik verricht, heeft vastgesteld dat er sprake is van een
wijziging van geringe aard van een handeling als bedoeld in het eerste
lid:
a. waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel
17, eerste lid, dan wel
b. waarop het derde lid van dat artikel van toepassing is.
4.Onze Minister beslist binnen vier weken na de datum van ontvangst
van een verzoek als bedoeld in het derde lid. Met betrekking tot het
verzoek is artikel 13 van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, de in de
eerste volzin genoemde termijn wordt opgeschort. Indien Onze Minister
niet binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn een beslissing
heeft genomen op het verzoek, heeft de vaststelling van rechtswege
plaatsgehad.
5.Onze Minister kan regels stellen omtrent de beoordeling van een
verzoek als bedoeld in het derde lid.
Artikel 10
1.Degene die handelingen van categorie A verricht met organismen
die behoren tot groep II of handelingen met organismen die behoren tot
groep III, dan wel zodanige organismen vervaardigt, dient daarvoor,
voordat hij daartoe overgaat, een aanvraag om een vergunning in bij
Onze Minister.
2.De aanvraag om een vergunning bevat in ieder geval de gegevens,
bedoeld in bijlage 4, onderdeel 3, bij dit besluit. Artikel 9, derde
tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1.Degene die handelingen van categorie B verricht met organismen
die behoren tot groep II, dient daarvoor, voordat hij daartoe
overgaat, een aanvraag om een vergunning in bij Onze Minister.
2.De aanvraag om een vergunning bevat in ieder geval de gegevens,
bedoeld in bijlage 4, onderdeel 4, bij dit besluit.
§ 2.4.3. Behandeling, mededeling en terinzagelegging
Artikel 12
1.Onze Minister tekent de datum van ontvangst aan op een aanvraag
om een vergunning als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 11, en zendt
een bewijs van ontvangst waarop die datum is vermeld aan degene die de
aanvraag om een vergunning heeft ingediend.
2.Indien Onze Minister van oordeel is dat bij de aanvraag om een
vergunning niet aan het bij of krachtens de artikelen 8, 9, 10 of 11,
in samenhang met artikel 7, eerste lid, bepaalde is voldaan, stelt hij
binnen vier weken na de datum van ontvangst degene die de aanvraag om
een vergunning heeft gedaan in de gelegenheid de aanvraag om een
vergunning binnen een door Onze Minister gestelde termijn aan te
vullen. Indien degene die de aanvraag om een vergunning heeft gedaan
geen gebruik maakt van deze gelegenheid of indien Onze Minister na
aanvulling van de aanvraag om een vergunning van oordeel is dat nog
niet is voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 8, 9, 10 of 11,
in samenhang met artikel 7, eerste lid, bepaalde, laat Onze Minister
de aanvraag om een vergunning buiten behandeling.
Artikel 13
1.Onze Minister kan van degene die de aanvraag om een vergunning
heeft gedaan, nadere gegevens verlangen omtrent het ingeperkt gebruik
waar de aanvraag om een vergunning betrekking op heeft.
2.Ingeval het eerste lid toepassing vindt, worden de termijnen,
bedoeld in de artikelen 14 en 17, opgeschort totdat Onze Minister de
nadere gegevens heeft ontvangen.
Artikel 14
1. Onze Minister doet van een aanvraag om een vergunning als
bedoeld in artikel 11, zo spoedig mogelijk mededeling; hij doet dit in
elk geval binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag om
een vergunning, dan wel, indien een besluit om de aanvraag om een
vergunning buiten behandeling te laten. als bedoeld in artikel 12,
tweede lid, in beroep is vernietigd, uiterlijk twee weken na de
dagtekening van de uitspraak waarbij het besluit is vernietigd.
2. Onze Minister legt met een exemplaar van de aanvraag om een
vergunning stukken ter inzage, die bevatten:
a. naam en adres van degene die de aanvraag om een vergunning
doet;
b. de beschrijving van het genetisch gemodificeerde organisme
of de genetisch gemodificeerde organismen en van de voorgenomen
handelingen;
c. de plaats en het doel van het ingeperkt gebruik;
d. de volgende gegevens en bescheiden, indien deze niet
gelijktijdig ter inzage liggen ten behoeve van de totstandkoming
van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor
de inrichting waarin de betrokken handeling plaatsheeft:
1°. gegevens over de installatie;
2°. gegevens over het afvalstoffenbeheer;
3°. gegevens over de veiligheidsmaatregelen, het toezicht
op de veiligheid en de noodmaatregelen en
4°. de analyse van de risico’s voor mens of milieu, als
bedoeld in artikel 5, eerste lid.
Artikel 15
Degene die een aanvraag om een vergunning heeft gedaan, als bedoeld
in de artikelen 8, 9, 10 of 11, stelt Onze Minister onverwijld op de
hoogte van nieuwe gegevens waarover hij de beschikking krijgt of
redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, indien die gegevens
belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de risico’s die aan het
ingeperkt gebruik zijn verbonden. Hij dient een gewijzigde aanvraag om
een vergunning in, waarbij hij aangeeft welke maatregelen in verband met
deze nieuwe gegevens zijn getroffen.
§ 2.5. Vergunning voor ingeperkt gebruik
Artikel 16 [Vervallen per 01-10-2003]
Artikel 17
1.Het is verboden over te gaan tot ingeperkt gebruik van genetisch
gemodificeerde organismen, als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 11,
zonder vergunning die door Onze Minister is verleend naar aanleiding
van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het betrokken
artikel. Het verbod in de eerste volzin geldt niet voor zover
toepassing is gegeven aan artikel 9, derde lid, of aan artikel 10,
tweede lid, j° artikel 9, derde lid.
2.Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 11
beslist Onze Minister binnen 87 dagen na de datum van ontvangst van de
aanvraag om een vergunning.
3.Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 8,
9 en 10 beslist Onze Minister binnen 45 dagen na de datum van
ontvangst van de aanvraag om een vergunning.
4.Op de voorbereiding van een besluit tot verlening, wijziging of
intrekking van een vergunning die wordt of is verleend naar aanleiding
van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8, 9 of 10,
is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 18 [Vervallen per 01-02-1996]
Artikel 19
Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in
de artikelen 8, 9, 10 of 11, houdt Onze Minister rekening met alle hem
ter beschikking staande gegevens die verband houden met de risico’s
voor mens of milieu die aan de betrokken handelingen zijn verbonden.
Daartoe behoren onder meer de gevolgen voor het afvalbeheer, de
veiligheid, de rampenbestrijding en de crisisbeheersing.
Artikel 20
Onze Minister kan een vergunning verlenen voor een bepaalde termijn.
Artikel 21
Indien Onze Minister, nadat hij vergunning heeft verleend naar
aanleiding van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de
artikelen 8, 9, 10 of 11, kennis neemt van nieuwe gegevens die
belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de risico’s die aan het
ingeperkt gebruik zijn verbonden, kan hij:
a. degene aan wie de vergunning is verleend, opdragen de
betrokken handelingen tijdelijk of definitief te staken of
b. de voorschriften wijzigen, die zijn verbonden aan de
vergunning.
Artikel 22
Voorts kan Onze Minister op een daartoe strekkende, schriftelijk bij
hem ingediende aanvraag van de vergunninghouder of van andere
belanghebbenden de voorschriften, verbonden aan een vergunning,
wijzigen, aanvullen of intrekken, alsnog voorschriften aan de vergunning
verbinden, dan wel de vergunning intrekken. Indien de beschikking
daartoe niet op aanvraag van de vergunninghouder wordt gegeven, gaat
Onze Minister daartoe slechts over indien het belang van de bescherming
van mens of milieu zich daartegen niet verzet.
Artikel 22a
De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 17, eerste lid,
die genetisch gemodificeerde organismen aan een ander ter beschikking
stelt, draagt er zorg voor dat op het etiket van de verpakking van of
het bijgevoegde document bij de genetisch gemodificeerde organismen
duidelijk zichtbaar is aangegeven dat er genetisch gemodificeerde
organismen in aanwezig zijn, overeenkomstig de toepasselijke delen van
bijlage IV bij richtlijn nr. 2001/18 en overeenkomstig bij regeling van
Onze Minister aan te wijzen beschikkingen van de Raad van de Europese
Unie dan wel de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van
artikel 26, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/18.
§ 3. Doelbewuste introductie in het milieu
§ 3.1. Algemene bepalingen
Artikel 23
1.Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister genetisch
gemodificeerde organismen te vervaardigen, toe te passen, voorhanden
te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen of in Nederland in
te voeren alsmede zich ervan te ontdoen, dan wel genetisch
gemodificeerde organismen, niet zijnde micro-organismen, te vervoeren.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. ingeperkt gebruik;
b. handelingen die zijn beschreven in bijlage 1 bij dit besluit
indien die handelingen worden uitgevoerd onder de voorwaarden die
in die bijlage zijn vermeld, voor zover die voorwaarden blijkens
die bijlage van toepassing zijn;
c. het vervoeren van genetisch gemodificeerde organismen, niet
zijnde micro-organismen, voor overige doeleinden indien dat
vervoeren geschiedt overeenkomstig door Onze Minister te stellen
regels;
d. handelingen voor overige doeleinden van medicinale stoffen
en preparaten voor gebruik door de mens die bestaan uit genetisch
gemodificeerde organismen of die deze bevatten, voor zover die
handelingen krachtens communautaire regelgeving, niet zijnde
richtlijn nr. 2001/18, zijn toegelaten en die communautaire
regelgeving voorziet in:
1º. een specifieke milieurisicoanalyse overeenkomstig
bijlage II en aan de hand van de in bijlage III bij richtlijn
nr. 2001/18 vermelde informatie;
2º. schriftelijke goedkeuring voorafgaand aan de
doelbewuste introductie in het milieu;
3º. een monitoringplan overeenkomstig de desbetreffende
delen van bijlage III van richtlijn nr. 2001/18 om de effecten
van de introductie van een genetisch gemodificeerd organisme
op mens of milieu te kunnen traceren, en
4º. voorschriften met betrekking tot behandeling van
nieuwe informatie, voorlichting, informatie over resultaten
van introducties en uitwisseling van informatie, gelijkwaardig
aan de voorschriften vermeld in dit besluit;
e. genetisch gemodificeerde organismen als product of in
producten die in de handel worden gebracht, voor zover die
krachtens communautaire regelgeving, niet zijnde richtlijn nr.
2001/18, zijn toegelaten en die communautaire regelgeving voorziet
in:
1º. een specifieke milieurisicoanalyse overeenkomstig
bijlage II en aan de hand van de in bijlage III bij richtlijn
nr. 2001/18 vermelde informatie;
2º. voorschriften met betrekking tot de
milieurisicobeheersing, etikettering, monitoring en
voorlichting, gelijkwaardig aan dit besluit, en
3º. een vrijwaringsclausule, gelijkwaardig aan die in
artikel 17.19 van de Wet milieubeheer en artikel 33;
f. genetisch gemodificeerde organismen als product of in
producten die in de handel worden gebracht, voor zover die
krachtens de verordening, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
fff, van de Geneesmiddelenwet, zijn toegelaten, en een specifieke
milieurisicoanalyse overeenkomstig bijlage II en aan de hand van
soortgelijke informatie als bedoeld in bijlage III bij richtlijn
nr. 2001/18 is verricht, onverminderd andere voorschriften over
risicobeoordeling, risicobeheersing, etikettering, toezicht,
publieksvoorlichting en vrijwaringsclausules, zoals geregeld in
communautaire regelgeving inzake geneesmiddelen voor menselijk en
diergeneeskundig gebruik;
g. genetisch gemodificeerde organismen als product of in
producten die in de handel worden gebracht, voor zover de bevoegde
instantie van een andere lidstaat een vergunning als bedoeld in
het eerste lid voor het in de handel brengen heeft verstrekt dan
wel op andere wijze daarvoor schriftelijke toestemming heeft
verleend overeenkomstig richtlijn nr. 2001/18;
h. sporen van een genetisch gemodificeerd organisme in
producten die in de handel worden gebracht en die bedoeld zijn
voor rechtstreeks gebruik als levensmiddel of diervoeder of voor
verwerking, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 47
van verordening 1829/2003, met dien verstande dat deze
uitzondering geldt tot en met 18 april 2007.
3.Het is verboden materiaal, dat is afgeleid van genetisch
gemodificeerde organismen waarvoor een vergunning is verleend voor
overige doeleinden dan wel waarvoor voor die doeleinden op andere
wijze door een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de
Europese Unie schriftelijk toestemming is verleend, in de handel te
brengen tenzij hiervoor een vergunning dan wel schriftelijk
toestemming is verleend.
4.Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de
communautaire regelgeving, bedoeld in het tweede lid, onderdelen d tot
en met f.
Artikel 23a
1.Indien de aanvrager of houder van een vergunning voor het in de
handel brengen dan wel voor overige doeleinden kennis neemt van nieuwe
informatie ten aanzien van de risico's die de genetisch gemodificeerde
organismen of de handelingen daarmee kunnen opleveren voor mens of
milieu of indien sprake is van een wijziging of onbedoelde verandering
in de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen
in het milieu, draagt hij er zorg voor dat:
a. daarvan terstond mededeling wordt gedaan aan Onze Minister;
b. terstond de maatregelen worden getroffen die in verband met
die risico's nodig zijn ter bescherming van mens of milieu, en
c. de in de aanvraag om een vergunning vermelde informatie
wordt herzien en bij Onze Minister wordt ingediend.
2.Indien Onze Minister de beschikking krijgt over informatie als
bedoeld in het eerste lid, maakt hij deze bekend door kennisgeving in
een van overheidswege uitgegeven blad, in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen of op andere geschikte wijze, indien:
a. uit die informatie blijkt dat de betrokken genetisch
gemodificeerde organismen of de handelingen daarmee significante
gevolgen voor mens of milieu kunnen opleveren, en
b. het een aanvraag om een vergunning dan wel een vergunning
betreft voor overige doeleinden.
Artikel 23b
Zodra Onze Minister op de hoogte is van de introductie in het milieu
van genetisch gemodificeerde organismen zonder een vergunning, geeft hij
daarvan kennis in een van overheidswege uitgegeven blad, in een of meer
dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen of op andere geschikte wijze,
alsmede aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan de andere
lidstaten van de Europese Unie.
Artikel 23c
1.De houder van een vergunning voor overige doeleinden, maakt
jaarlijks en na voltooiing van de introductie overeenkomstig bij
regeling van Onze Minister aan te wijzen beschikkingen van de Raad van
de Europese Unie dan wel van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen vóór 1 januari een verslag over de resultaten van de
doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het
milieu waarin in ieder geval de eventuele risico's voor mens of milieu
in het voorafgaande kalenderjaar worden vermeld en zonodig aandacht
wordt besteed aan producten die de vergunninghouder nog wil
introduceren in het milieu overeenkomstig paragraaf 3.3. De
vergunninghouder houdt de resultaten gedurende drie jaren ter
beschikking van Onze Minister.
2.De houder van een vergunning voor het in de handel brengen, dient
de monitoringrapporten in bij Onze Minister, de Commissie van de
Europese Gemeenschappen en bij de bevoegde instanties van de andere
lidstaten van de Europese Unie.
§ 3.2. Doelbewuste introductie in het milieu voor overige doeleinden
Artikel 24
1.De aanvraag om een vergunning voor overige doeleinden bevat:
a. informatie overeenkomstig bijlage III bij richtlijn nr.
2001/18, die nodig is om een milieurisicoanalyse uit te voeren,
daaronder in ieder geval begrepen:
1°. informatie over algemene zaken, en informatie over
personeel en opleiding;
2°. informatie over het genetisch gemodificeerde
organisme;
3°. informatie over de omstandigheden van de introductie
en het potentiële milieu waarin doelbewust wordt
geïntroduceerd;
4°. informatie over de interactie tussen het genetisch
gemodificeerde organisme en het milieu;
5°. een monitoringplan overeenkomstig bijlage IIIA,
onderdeel V, en bijlage IIIB, onderdeel G;
6°. informatie over plannen voor monitoring,
herstelmethoden, afvalstoffenbehandeling en noodmaatregelen;
7°. een samenvatting van het dossier;
b. een milieurisicoanalyse overeenkomstig bijlage II bij
richtlijn nr. 2001/18, zoals gewijzigd dan wel aangevuld met, bij
regeling van Onze Minister aan te wijzen, beschikkingen van de
Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen, voorzien van alle bibliografische verwijzingen en
indicaties over de gebruikte methoden.
2.De aanvrager kan ter voldoening aan het eerste lid, verwijzen
naar gegevens of resultaten van een eerdere aanvraag om een vergunning
van een andere aanvrager, voor zover die informatie, gegevens of
resultaten niet vertrouwelijk zijn of de andere vergunninghouder
daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend, of door hem relevant
geachte aanvullende informatie indienen.
3.Onze Minister kan toestaan dat een enkele aanvraag wordt
ingediend voor hetzelfde genetisch gemodificeerde organisme dat op
dezelfde plaats of op verschillende plaatsen voor hetzelfde doel en
binnen een beperkte periode doelbewust in het milieu wordt
geïntroduceerd.
4.Onze Minister tekent onverwijld de datum van ontvangst van de
aanvraag aan en zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van
ontvangst, waarin die datum is vermeld.
5.Onze Minister zendt binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag
een samenvatting daarvan aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
6.Onze Minister kan, indien zulks naar zijn oordeel voor het
inzicht in de gevaren die voor mens of milieu kunnen ontstaan,
noodzakelijk is, aan de aanvrager opdragen nadere door hem aangeduide
gegevens over te leggen.
7.Onze Minister neemt het besluit op de aanvraag binnen 120 dagen
na ontvangst van de aanvraag waarbij, indien van toepassing,
opmerkingen die andere lidstaten van de Europese Unie hebben gemaakt
in aanmerking worden genomen.
8.Onze Minister kan de vergunning ambtshalve of op een daartoe
strekkend verzoek wijzigen of intrekken.
9.Onze Minister trekt vergunningen ambtshalve in ter uitvoering van
beschikkingen van de Raad van de Europese Unie dan wel van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen over geleidelijke uitfasering
van genetisch gemodificeerde organismen.
10.Onze Minister beslist niet op een aanvraag om een vergunning of
tot het wijzigen of intrekken van een vergunning dan:
a. in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit voor zover het betreft die aspecten van de
bescherming van het milieu waarvoor deze verantwoordelijk is;
b. na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, voor zover het betreft die aspecten van de volksgezondheid
waarvoor deze verantwoordelijk is, tenzij het een aanvraag om een
vergunning betreft voor handelingen met genetisch gemodificeerde
organismen waarvoor ingevolge de Wet medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen tevens een positief oordeel is vereist van
een op grond van die wet bevoegde commissie;
c. na overleg met Onze overige Ministers wie het mede aangaat.
Artikel 24a
1.Een vergunning als bedoeld in artikel 23 geldt tevens voor een
wijziging van de locatie, bedoeld in bijlage IIIA, onder III,
categorie B, onder 1, dan wel bijlage IIIB, onderdeel E, onder 1 bij
richtlijn nr. 2001/18, die niet leidt tot andere of grotere risico's
voor mens of milieu dan die het gevolg kunnen zijn van de vergunde
handeling, indien:
a. de voorgenomen wijziging van de locatie er uitsluitend toe
leidt dat de vergunde handeling op een andere locatie wordt
verricht;
b. de voorgenomen wijziging van de locatie voldoet aan de in de
vergunningvoorschriften neergelegde criteria voor locatiekeuze;
c. de voorgenomen locatie waar de handeling wordt uitgevoerd
ligt binnen de in de vergunning vermelde gemeente;
d. is voldaan aan het vergunningvoorschrift dat, indien gebruik
is gemaakt van de vergunning, een verslag van verrichte
werkzaamheden voor het eind van het kalenderjaar waarin die
werkzaamheden hebben plaatsgevonden, aan Onze Minister is
verstrekt;
e. het voornemen tot wijziging van de locatie waar de handeling
wordt uitgevoerd door de vergunninghouder schriftelijk
overeenkomstig het tweede lid aan Onze Minister is gemeld, en
f. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, aan de vergunninghouder
schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen wijziging van de
locatie waar de handeling wordt uitgevoerd, voldoet aan de
voorwaarden in dit artikellid en de wijziging van de locatie naar
zijn oordeel geen aanleiding geeft tot wijziging van de
vergunning, bedoeld in artikel 24, achtste lid.
2.Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onder e, vermeldt de
vergunninghouder:
a. zijn naam en adres;
b. de vergunning waarop de voorgenomen wijziging van de locatie
betrekking heeft;
c. de wijziging van de locatie, bedoeld in bijlage IIIA, onder
III, categorie B, onder 1, dan wel bijlage IIIB, onderdeel E,
onder 1 bij richtlijn nr. 2001/18, en
d. gegevens waaruit blijkt dat de voorgenomen wijziging van de
locatie voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden.
Artikel 24b
1.Een besluit als bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onder f,
wordt uiterlijk drie weken na ontvangst van de melding bekendgemaakt.
2.Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt het besluit ter
inzage gelegd. Met het besluit worden ter inzage gelegd:
een exemplaar van de melding, bedoeld in artikel 24a, eerste
lid, onder e, met de daarbij behorende stukken;
de vergunning waarop de wijziging van de locatie betrekking
heeft, en
andere stukken die betrekking hebben op het besluit, voorzover
deze redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het
besluit.
3.Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft Onze Minister in een of
meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen of op andere geschikte
wijze kennis van het besluit. De kennisgeving wordt in ieder geval in
de Staatscourant geplaatst.
4.In de kennisgeving wordt vermeld:
wat de zakelijke inhoud van het besluit is;
waar en wanneer de stukken ter inzage liggen;
wie in de gelegenheid worden gesteld om bezwaar te maken tegen
het besluit, en
op welke wijze dit kan geschieden.
5.Onze Minister deelt de in de kennisgeving vermelde gegevens
tevens mee aan degene die de melding, bedoeld in artikel 24a, eerste
lid, onder e, heeft gedaan.
6.De stukken liggen gedurende zes weken ter inzage.
7.Indien bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, als gevolg
van een besluit van Onze Minister tot geheimhouding daarvan op grond
van artikel 19.3 van de Wet milieubeheer, wordt daarvan mededeling
gedaan.
8.Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de
ter inzage gelegde stukken verstrekt.
Artikel 25
In afwijking van artikel 24, eerste lid, kan Onze Minister, indien de
genetisch gemodificeerde organismen voldoen aan de criteria in bijlage V
bij richtlijn nr. 2001/18, toestaan dat een aanvraag om een vergunning
voor overige doeleinden, ten minste informatie bevat over de genetisch
gemodificeerde organismen, de introductie-omstandigheden en het milieu
waarin introductie wordt voorzien, de interactie tussen de genetisch
gemodificeerde organismen en het milieu en de milieurisicoanalyse, voor
zover de Raad van de Europese Unie dan wel de Commissie van de Europese
Gemeenschappen heeft besloten dat voldoende ervaring is opgedaan met de
introductie van bepaalde genetisch gemodificeerde organismen in een
bepaald milieu, en daarvoor bij, bij regeling van Onze Minister aan te
wijzen, beschikkingen op grond van artikel 7, derde lid, van richtlijn
nr. 2001/18, vereenvoudigde procedures heeft vastgesteld.
Artikel 26
De houder van een vergunning voor overige doeleinden, die genetisch
gemodificeerde organismen aan een ander ter beschikking stelt, draagt er
zorg voor dat op het etiket van de verpakking van of het bijgevoegde
document bij de genetisch gemodificeerde organismen duidelijk zichtbaar
is aangegeven dat er genetisch gemodificeerde organismen in aanwezig
zijn, overeenkomstig de toepasselijke delen van bijlage IV bij richtlijn
nr. 2001/18 en overeenkomstig bij regeling van Onze Minister aan te
wijzen beschikkingen van de Raad van de Europese Unie dan wel de
Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 26, tweede
lid, van richtlijn nr. 2001/18.
§ 3.3. Doelbewuste introductie in het milieu door het in de handel
brengen
Artikel 27
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van
de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing op:
1. een aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen
als bedoeld in artikel 28, eerste lid, en 35, vierde lid;
2. een wijziging of een intrekking als bedoeld in artikel
9.2.2.3, vijfde lid, van de Wet milieubeheer.
§ 3.3.1. Vergunningverlening
Artikel 28
1.De aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen bevat
in ieder geval:
a. informatie overeenkomstig bijlage III en IV bij richtlijn
nr. 2001/18;
b. een milieurisicoanalyse zoals aangevuld met richtsnoeren
vastgesteld bij, bij regeling van Onze Minister aan te wijzen
beschikkingen van de Raad van de Europese Unie dan wel de
Commissie van de Europese Gemeenschappen;
c. voorwaarden voor het in de handel brengen van de genetisch
gemodificeerde organismen als product of in producten, daaronder
begrepen voorschriften inzake gebruik en behandeling;
d. de gewenste geldigheidsduur van de vergunning, met
inachtneming van artikel 31, eerste lid;
e. een monitoringplan overeenkomstig bijlage VII bij richtlijn
nr. 2001/18 en overeenkomstig bij regeling van Onze Minister aan
te wijzen beschikkingen van de Raad van de Europese Unie of van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen, daaronder mede begrepen
een voorstel voor de duur van het plan;
f. een voorstel met betrekking tot de etikettering en de
verpakking overeenkomstig bijlage IV bij richtlijn nr. 2001/18;
g. een samenvatting van het dossier overeenkomstig bij regeling
van Onze Minister aan te wijzen beschikkingen van de Raad van de
Europese Unie of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
en
h. indien van toepassing, informatie over gegevens of
resultaten van de introducties van dezelfde genetisch
gemodificeerde organismen, waarvoor reeds eerder of tegelijkertijd
een vergunning dan wel toestemming is aangevraagd of verleend of
informatie over gegevens of resultaten van de introducties van
dezelfde genetisch gemodificeerde organismen, die op dat moment
worden verricht binnen of buiten de Gemeenschap.
2.Onze Minister kan ter uitvoering van beschikkingen van de Raad
van de Europese Unie dan wel van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen, voor bij die beschikkingen aangegeven soorten
genetisch gemodificeerde organismen als product of in producten, van
het eerste lid afwijkende regels stellen.
3.Onze Minister kan op verzoek van de aanvrager toestaan dat de in
het eerste lid, onder a, bedoelde gegevens overeenkomstig onderdeel B
van bijlage IV bij richtlijn nr. 2001/18 niet of slechts ten dele
overgelegd behoeven te worden, indien de aanvrager aannemelijk kan
maken dat het in de handel brengen en het gebruik van genetisch
gemodificeerde organismen als product of in producten geen risico's
met zich meebrengt voor mens of milieu.
4.De aanvrager kan ter voldoening aan het eerste lid, verwijzen
naar gegevens of resultaten van eerdere vergunningaanvragen van andere
vergunninghouders, of door hem relevant geachte aanvullende informatie
indienen, voor zover die informatie, gegevens en resultaten niet
vertrouwelijk zijn of de andere vergunninghouders daarvoor
schriftelijk toestemming hebben verleend.
5.Onze Minister tekent onverwijld de datum van ontvangst van de
aanvraag aan en zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van
ontvangst, waarin die datum is vermeld.
6.Onze Minister zendt onverwijld de in het eerste lid, onder g,
bedoelde samenvatting aan de bevoegde instanties van de andere
lidstaten van de Europese Unie en aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
Artikel 29
1.Onze Minister stelt binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag
om een vergunning voor het in de handel brengen, een
beoordelingsrapport op overeenkomstig bijlage VI bij richtlijn nr.
2001/18.
2.Indien het beoordelingsrapport inhoudt dat het genetisch
gemodificeerde organisme in de handel mag worden gebracht en onder
welke voorwaarden, vermeldt het de voorwaarden waaronder dat mag
gebeuren. Onze Minister zendt het beoordelingsrapport en een afschrift
van de aanvraag onverwijld aan de aanvrager en aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen.
3.Indien het beoordelingsrapport inhoudt dat het genetisch
gemodificeerde organisme niet in de handel mag worden gebracht, zendt
Onze Minister ten vroegste 15 dagen na toezending van het
beoordelingsrapport aan de aanvrager en uiterlijk 105 dagen na
ontvangst van de aanvraag, het beoordelingsrapport samen met de
informatie waarop het is gebaseerd, aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
4.Indien Onze Minister na toezending van het beoordelingsrapport
maar vóór vergunningverlening kennis neemt van nieuwe informatie die
van invloed kan zijn op de risico's van de betrokken genetisch
gemodificeerde organismen voor mens of milieu, zendt hij die
informatie onverwijld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen
en aan de bevoegde instanties van de andere lidstaten van de Europese
Unie.
Artikel 30
1.Onze Minister neemt binnen 225 dagen na ontvangst van een
aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen een besluit,
zendt dit onverwijld aan de aanvrager en stelt de Commissie van de
Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten van de Europese Unie
daarvan binnen 30 dagen in kennis.
2.De termijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag wordt
opgeschort indien een andere lidstaat van de Europese Unie of de
Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft verklaard bedenkingen
te hebben tegen het in de handel brengen van de genetisch
gemodificeerde organismen, en deze bedenkingen handhaaft.
3.Onze Minister neemt geen besluit dan in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voor zover het
betreft die aspecten van de bescherming van het milieu waarvoor deze
verantwoordelijk is en na overleg met Onze overige Ministers wie het
mede aangaat.
Artikel 31
1.Onverminderd het tweede en derde lid, wordt een vergunning voor
het in de handel brengen voor maximaal tien jaren verleend.
2.De vergunning voor een genetisch gemodificeerd organisme of een
nakomeling van dat organisme uitsluitend met als doel het in de handel
brengen van hun zaden overeenkomstig de daarop betrekking hebbende
communautaire voorschriften, wordt verleend voor een periode van
maximaal tien jaren na de datum waarop het eerste plantenras afkomstig
van het genetisch gemodificeerde organisme, voor het eerst op een
officiële nationale lijst van plantenrassen is opgenomen
overeenkomstig de in artikel 15, vierde lid, tweede alinea, van
richtlijn nr. 2001/18, genoemde richtlijnen betreffende de
gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen onderscheidenlijk
betreffende het in de handel brengen van groentezaad.
3.De vergunning voor bosbouwkundig teeltmateriaal wordt verleend
voor een periode van maximaal tien jaren na de datum waarop
uitgangsmateriaal afkomstig van het genetisch gemodificeerde organisme
voor het eerst op een officiële nationale lijst is opgenomen
overeenkomstig de in artikel 15, vierde lid, derde alinea, van
richtlijn nr. 2001/18, genoemde richtlijn betreffende het in de handel
brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.
Artikel 32
1.Indien een vergunning wordt verleend, wordt daarin in ieder geval
vermeld:
a. de reikwijdte, daaronder mede begrepen de identiteit van de
genetisch gemodificeerde organismen die als product of in
producten in de handel worden gebracht en het unieke bijbehorende
identificatiesymbool;
b. de geldigheidsduur;
c. de voorschriften die worden gesteld aan het in de handel
brengen van de genetisch gemodificeerde organismen als product of
in producten, daaronder mede begrepen voorschriften voor gebruik,
behandeling en de verpakking en voorschriften voor de bescherming
van specifieke ecosystemen, milieus of geografische gebieden
waarin het product volgens plan zal worden gebruikt;
d. de verplichting om op verzoek van Onze Minister
controlesteekproeven beschikbaar te stellen;
e. de voorschriften met betrekking tot etikettering,
overeenkomstig bijlage IV bij richtlijn nr. 2001/18, en
f. de monitoringvoorschriften overeenkomstig bijlage VII bij
richtlijn nr. 2001/18 en overeenkomstig bij regeling van Onze
Minister aan te wijzen beschikkingen van de Raad van de Europese
Unie of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, daaronder
mede begrepen de rapportage, de termijn van het monitoringplan en
voor zover van toepassing voorschriften voor degenen die het
product verkopen of gebruiken waaronder voor geteelde genetisch
gemodificeerde organismen, de informatie die over de teeltlocatie
moet worden verschaft.
2.Producten waarin onvoorziene of technisch niet te voorkomen
sporen van toegelaten genetisch gemodificeerde organismen niet zijn
uit te sluiten, worden geëtiketteerd en verpakt volgens de
vergunningvoorschriften met inachtneming van de drempelwaarden die
zijn vastgesteld bij, bij regeling van Onze Minister aan te wijzen,
beschikkingen op grond van artikel 21, tweede lid, van richtlijn nr.
2001/18, en waar beneden geen etiketterings- of verpakkingsplicht
geldt.
3.Sporen als bedoeld in het tweede lid die bestemd zijn voor
rechtstreekse bewerking of verwerking, behoeven niet te worden
geëtiketteerd en verpakt overeenkomstig de vergunningvoorschriften,
voor zover deze sporen aanwezig zijn in een verhouding van ten hoogste
0,9% of een lagere drempelwaarde die is vastgesteld in, bij regeling
van Onze Minister aan te wijzen, beschikkingen op grond van artikel
21, derde lid, van richtlijn 2001/18, mits de aanwezigheid van deze
sporen onvoorzien en technisch niet te voorkomen is.
4.Een besluit als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt bekend
gemaakt door kennisgeving daarvan in een van overheidswege uitgegeven
blad, in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen of op
andere geschikte wijze.
5.Het is verboden te handelen in strijd met artikel 4, eerste,
tweede, vierde en zesde lid, van verordening 1830/2003, tenzij het
zevende of achtste lid, van deze verordening van toepassing is, dan
wel, wat betreft artikel 4, eerste en tweede lid, artikel 6 van deze
verordening van toepassing is.
§ 3.3.2. Nieuwe informatie
Artikel 33
1.Onze Minister kan een vergunning voor het in de handel brengen
ambtshalve of op een daartoe strekkend verzoek wijzigen of intrekken.
2.In het geval Onze Minister kennis heeft genomen van nieuwe
informatie die van invloed kan zijn op de risico's van de betrokken
genetisch gemodificeerde organismen voor mens of milieu, stelt hij
binnen 60 dagen na ontvangst van de nieuwe informatie een
beoordelingsrapport, overeenkomstig bijlage VI bij richtlijn nr.
2001/18, op.
3.Onze Minister zendt het beoordelingsrapport onverwijld aan de
vergunninghouder en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
4.Onze Minister neemt binnen 75 dagen na verspreiding van het
beoordelingsrapport door de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
een besluit tot het al dan niet wijzigen of intrekken van de
vergunning.
5.De termijn voor het nemen van een besluit wordt opgeschort indien
een andere lidstaat van de Europese Unie of de Commissie van de
Europese Gemeenschappen heeft verklaard bedenkingen te hebben tegen
het in de handel brengen van de genetisch gemodificeerde organismen,
en deze bedenkingen handhaaft.
6.Onze Minister neemt geen besluit dan in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor zover het
betreft die aspecten van de bescherming van het milieu waarvoor deze
verantwoordelijk is, en na overleg met Onze overige Ministers wie het
mede aangaat.
7.Onze Minister zendt het besluit aan de vergunninghouder en stelt
de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de bevoegde instanties
van de andere lidstaten van de Europese Unie daarvan binnen 30 dagen
in kennis.
8.Onze Minister trekt vergunningen ambtshalve in ter uitvoering van
beschikkingen van de Raad van de Europese Unie dan wel van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen omtrent geleidelijke
uitfasering van genetisch gemodificeerde organismen.
Artikel 34
1.Indien Onze Minister als gevolg van nieuwe of aanvullende
informatie dan wel als gevolg van herbeoordeling van bestaande
informatie aan de hand van nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis
duidelijke redenen heeft om aan te nemen dat de betrokken genetisch
gemodificeerde organismen als product of in een product waarvoor Onze
Minister voor het in de handel brengen een vergunning heeft verleend
of de bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie
schriftelijke toestemming heeft gegeven, gevaar opleveren voor mens of
milieu, kan hij de handelingen met die genetisch gemodificeerde
organismen als product of in een product in Nederland tijdelijk
beperken of verbieden.
2.Onze Minister zendt onverwijld een besluit als bedoeld in het
eerste lid, alsmede een nieuwe milieurisicoanalyse, de daaraan naar
zijn mening te verbinden gevolgen en, indien aanwezig, bijkomende
informatie, aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan de
bevoegde instanties van de andere lidstaten van de Europese Unie.
§ 3.3.3. Verlenging
Artikel 35
1.Onze Minister kan op aanvraag van de vergunninghouder:
a. een krachtens artikel 30, eerste lid, verleende vergunning
voor het in de handel brengen verlengen, indien deze verlenging
uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de
geldigheidsduur van de vergunning is aangevraagd;
b. een vóór 17 oktober 2002 verleende vergunning voor het in
de handel brengen van de genetisch gemodificeerde organismen als
product of in producten verlengen, indien deze verlenging
uiterlijk op 17 oktober 2006 is aangevraagd. De artikelen 28 tot
en met 31 zijn niet van toepassing.
2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a, blijft,
indien de verlenging tijdig is aangevraagd, geldig tot het moment
waarop op de aanvraag om verlenging is beslist.
3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder b, blijft,
indien uiterlijk op 17 oktober 2006 verlenging is aangevraagd, geldig
tot het moment waarop op de aanvraag om verlenging is beslist.
4.Een aanvraag om verlenging wordt schriftelijk bij Onze Minister
ingediend en bevat in ieder geval:
a. een afschrift van de vergunning voor het in de handel
brengen;
b. een rapportage als bedoeld in artikel 23c, tweede lid,
indien monitoring in de oorspronkelijke vergunning is
voorgeschreven;
c. nieuwe informatie die over de risico's van de genetisch
gemodificeerde organismen als product of in producten voor mens of
milieu beschikbaar is gekomen;
d. zo nodig een voorstel tot wijziging of aanvulling van de
voorschriften van de verleende vergunning, waaronder in ieder
geval worden begrepen de voorschriften die verband houden met de
toekomstige monitoring en de geldigheidsduur van de vergunning.
Artikel 36
1.Onze Minister tekent onverwijld de datum van ontvangst aan van de
aanvraag om verlenging van een vergunning voor het in de handel
brengen en zendt de vergunninghouder onverwijld een bewijs van
ontvangst, waarin die datum is vermeld.
2.Onze Minister stelt na ontvangst van de aanvraag een
beoordelingsrapport op, overeenkomstig bijlage VI bij richtlijn nr.
2001/18.
3.Onze Minister zendt het beoordelingsrapport aan de
vergunninghouder en zendt het beoordelingsrapport en een afschrift van
de aanvraag onverwijld aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
Artikel 37
1.Onze Minister neemt binnen 105 dagen na de verspreiding door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van het beoordelingsrapport,
bedoeld in artikel 36, tweede lid, een besluit.
2.De termijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag om
verlenging als bedoeld in artikel 35, vierde lid, wordt opgeschort
indien een andere lidstaat van de Europese Unie of de Commissie van de
Europese Gemeenschappen heeft verklaard bedenkingen te hebben tegen
het in de handel brengen van de genetisch gemodificeerde organismen,
en deze bedenkingen handhaaft.
3.Onze Minister neemt geen besluit dan in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor zover het
betreft die aspecten van de bescherming van het milieu waarvoor deze
verantwoordelijk is, en na overleg met Onze overige Ministers wie het
mede aangaat.
4.Een vergunning voor het in de handel brengen wordt met maximaal
tien jaren verlengd, met dien verstande dat in het geval er geen met
redenen omklede bezwaren van een lidstaat van de Europese Unie of de
Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn binnengekomen, Onze
Minister de geldigheidsduur om specifieke redenen kan beperken of
verlengen.
5.Indien er wel met redenen omklede bezwaren van een lidstaat van
de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn
binnengekomen, maar daarover binnen 75 dagen na de verspreiding van
het beoordelingsrapport alsnog overeenstemming wordt bereikt, kan Onze
Minister de geldigheidsduur van een vergunning voor het in de handel
brengen met tien jaren verlengen of deze naar behoefte beperken.
6.Onze Minister zendt het besluit aan de vergunninghouder en stelt
de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de bevoegde instanties
van de andere lidstaten van de Europese Unie daarvan binnen 30 dagen
in kennis.
Artikel 38
Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing op een besluit als
bedoeld in artikel 37, eerste lid.
Artikel 39 [Vervallen per 26-01-2005]
§ 4. Grensoverschrijdende verplaatsing
Artikel 40
1.Onze Minister is de bevoegde instantie, bedoeld in artikel 3,
negentiende lid, van verordening 1946/2003 en treedt op als nationaal
contactpunt, bedoeld in artikel 3, twintigste lid, van verordening
1946/2003.
2.Onze Minister draagt zorg voor de taken die in verordening
1946/2003 aan de lidstaten zijn opgedragen.
Artikel 41
Het is verboden te handelen in strijd met:
a. het verbod, gesteld bij artikel 5, eerste lid, tweede volzin,
en derde lid, van verordening 1946/2003,
b. de voorschriften gesteld bij artikel 4, tweede en derde
volzin, van verordening 1946/2003,
c. de voorschriften gesteld bij artikel 6, eerste alinea, van
verordening 1946/2003,
d. de voorschriften gesteld bij artikel 8, derde lid, van
verordening 1946/2003, voor zover er geen adequate maatregelen zijn
genomen.
Artikel 42
Het is verboden te handelen in strijd met:
a. het verbod, gesteld bij artikel 10, derde lid, tweede volzin,
van verordening 1946/2003,
b. de voorschriften, gesteld bij artikel 10, eerste en tweede
lid, van verordening 1946/2003.
Artikel 43
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften gesteld
bij artikel 12 en artikel 13 van verordening 1946/2003.
§ 5. Overige bepalingen
Artikel 44
Een wijziging van de bijlagen bij richtlijn nr. 2001/18 of delen
daarvan met uitzondering van de bijlagen of delen daarvan, genoemd in
artikel 27 van die richtlijn, treedt voor de toepassing van dit besluit
in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 44a
[Wijzigt dit besluit]
Artikel 44b
Dit besluit berust op de artikelen 1.1, derde lid, 9.2.2.1, 9.2.2.3
en 9.2.3.2 van de Wet milieubeheer.
Artikel 45
Dit besluit wordt aangehaald als: het Besluit genetisch
gemodificeerde organismen milieubeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 25 januari 1990
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer a.i.,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de eenendertigste januari 1990
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage 1, behorende bij
artikel 23, tweede lid, onder b, van het Besluit genetisch
gemodificeerde organismen milieubeheer
Van het verbod van artikel 23, eerste lid, zijn vrijgesteld:
het vervaardigen, vervoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een
ander ter beschikking stellen of zich ontdoen van organismen die zijn
vervaardigd door:
a. celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van plantencellen
van organismen die genetisch materiaal kunnen uitwisselen met behulp
van traditionele kweekmethoden, of
b. chemische of fysische mutagenese,
tenzij bij de vervaardiging daarvan als recipiënt of ouderorganisme
gebruik wordt gemaakt van genetisch gemodificeerde organismen, die niet
zijn verkregen op de onder a of b beschreven wijze en die niet vallen
onder artikel 23, tweede lid, onder g.
Bijlage 2 [Vervallen per 01-06-2004]
Bijlage 3 [Vervallen per 01-06-2004]
Bijlage 4, behorende bij de artikelen 8, tweede lid, 9, tweede lid,
10, tweede lid, en 11, tweede lid, van het Besluit genetisch
gemodificeerde organismen milieubeheer
Gegevens voor aanvragen om een vergunning
1. Vereiste gegevens voor de in artikel 8, eerste lid,
bedoelde aanvraag om een vergunning:
a. de naam van de betrokken rechtspersoon, de naam van degene
die verantwoordelijk is voor de dagelijkse activiteiten van het
ingeperkt gebruik en de naam en de kwalificaties van degene die
verantwoordelijk is voor het toezicht en de controle op en voor
de veiligheid van het ingeperkt gebruik;
b. het adres en de exacte ligging van de inrichting, en de
beschrijving van de relevante delen van de inrichting;
c. een beschrijving van de aard van de uit te voeren
werkzaamheden, in ieder geval inhoudende de vermoedelijke schaal
van de activiteiten;
d. de in artikel 5, eerste lid, bedoelde samenvatting
van de analyse van de risico’s voor mens of milieu;
e. de samenstelling en werkwijze van eventuele biologische
veiligheidscomités of subcomités.
2. Vereiste gegevens voor de in artikel 9, eerste lid,
bedoelde aanvraag om een vergunning:
a. de onder 1 bedoelde gegevens;
b. het gebruikte ouderorganisme dan wel de gebruikte
ouderorganismen of, indien van toepassing, het gebruikte
gastheer-vectorsysteem of de -systemen;
c. de herkomst en beoogde functie of functies van het bij de
genetische modificatie gebruikte genetische materiaal;
d. de identiteit en de kenmerken van het genetisch
gemodificeerde organisme;
e. het doel van het ingeperkt gebruik alsmede de te
verwachten resultaten;
f. de in artikel 5, eerste lid, bedoelde samenvatting
van de analyse van de risico’s voor mens of milieu;
g. de gebruikte kweekvolumes;
h. een beschrijving van de inperkings- en andere beschermende
maatregelen die zullen worden toegepast, met inbegrip van de
informatie over afvalbeheer, inclusief de behandeling, de
uiteindelijke vorm en de bestemming van de afvalstoffen die bij
de activiteiten zullen ontstaan;
i. de datum van de aanvraag om een vergunning als bedoeld in
de artikelen 4.1 en 4.6 van de Regeling omgevingsrecht, indien
deze aanvraag reeds is gedaan, dan wel het nummer van die
vergunning.
3. Vereiste gegevens voor de in artikel 10, eerste lid,
bedoelde aanvraag om een vergunning:
a. de onder 2 bedoelde gegevens;
b. de methoden voor het hanteren van de genetisch
gemodificeerde organismen;
c. een beschrijving van de voor de duur van het ingeperkte
gebruik te nemen maatregelen voor bescherming en toezicht.
4. Vereiste gegevens voor de in artikel 11, eerste lid,
bedoelde aanvraag om een vergunning:
a. de onder 3 bedoelde gegevens;
b. gegevens over het personeel;
c. een beschrijving van de aard en de vorm van de
afvalstoffen die zullen ontstaan;
d. gegevens over de installatie;
e. gegevens over het afvalstoffenbeheer;
f. gegevens over de ongevalpreventie en de rampenplannen;
g. een analyse als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
van de risico’s voor mens of milieu van het voorgestelde
ingeperkte gebruik.
|
|
|