|
BESLUIT van 17 december 2004, houdende regels ten
behoeve van de implementatie van Richtlijn nr. 2003/87/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003
tot vaststelling van een regeling voor de handel in
broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van
Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275) (Besluit handel in
emissierechten)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 30 juni 2004, nr. MJZ2004065798, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 16.1, tweede lid, 16.6,
eerste lid, 16.12, derde lid, 16.14, derde lid, 16.21 en 16.22 van de
Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 15 juli
2004, nr. W08.04.0315/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 13 december 2004, nr. MJZ2004100407, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
accreditatie-instantie: nationale accreditatie-instantie, als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli
2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en marktoezicht
betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van
Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218);
brandstof: gasvormige, vloeibare of vaste stof, met inbegrip van
alle daaraan toegevoegde stoffen, dienende voor verbranding;
CEN-norm: norm die door het CEN, het Europese Comité voor
Standaardisatie, is vastgesteld;
CO2: kooldioxide;
CO2-emissiefactor: factor die is gebaseerd op het koolstofgehalte,
uitgedrukt als ton CO2/TJ voor CO2-verbrandingsemissies;
CO2-installatie: broeikasgasinstallatie waarin activiteiten worden
verricht, die behoren tot een categorie van activiteiten als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onder a;
CO2-procesemissie: emissie van CO2, niet zijnde een
CO2-verbrandingsemissie, die optreedt ten gevolge van bedoelde of
onbedoelde reacties tussen stoffen of bij de transformatie daarvan,
waaronder de chemische of elektrolytische reductie van metaalertsen,
de thermische ontbinding van stoffen en de vorming van stoffen,
bedoeld om te worden gebruikt als product of als grondstof;
CO2-verbrandingsemissie: emissie van CO2 die plaatsvindt bij de
exotherme reactie van een brandstof met zuurstof;
N2O: distikstofoxide (lachgas);
NOx-procesinstallatie: NOx-installatie die wordt gebruikt voor de
vervaardiging van een product, waarbij een emissie van ten minste
1.000 kilogram stikstofoxiden per kalenderjaar in de lucht wordt
veroorzaakt;
NOx-verbrandingsinstallatie: NOx-installatie, niet zijnde een
NOx-procesinstallatie, met een vermogen van één megawatt thermisch
of meer, die een emissie van stikstofoxiden in de lucht veroorzaakt
als gevolg van het verstoken van brandstof, met inbegrip van de bij de
installatie behorende voorzieningen voor de reiniging van het rookgas;
verbrandingseenheid: eenheid als bedoeld in de bij dit besluit
behorende bijlage I, onder A, categorie 5;
wet: Wet milieubeheer.
2. Voor de toepassing van paragraaf 2.1 en de daarop berustende
bepalingen wordt onder vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid,
van de wet mede verstaan: vergunning krachtens artikel 16.5, eerste
lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, van de wet.
3. Voor de toepassing van hoofdstuk 3 en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder product: ijzer, staal, elektrostaal,
zink, anode, caprolactam, carbon black, siliciumcarbide, aluminium,
vlakglas, verpakkingsglas, speciaal glas, steenwol, emailleerfritten,
glasfritten, fosfor, fosforzuur, natriumtripolyphosphaat, cement,
salpeterzuur, nitriet, actieve kool of magnesiumoxide.
Hoofdstuk 2. Broeikasgasemissies
Paragraaf 2.1. Inrichtingen
Artikel 1a
Deze paragraaf heeft het toepassingsgebied van afdeling 16.2.1 van de
wet.
Artikel 2
1.Als categorieën van activiteiten als bedoeld in artikel 16.1,
tweede lid, van de wet worden aangewezen:
a. de categorieën van activiteiten die een emissie van CO2 in
de lucht veroorzaken en die zijn genoemd in de bij dit besluit
behorende bijlage I, onder A;
b. met ingang van 1 januari 2008 of een bij koninklijk besluit
te bepalen later tijdstip: de categorieën van activiteiten die
een emissie van N2O in de lucht veroorzaken en die zijn genoemd in
de bij dit besluit behorende bijlage I, onder B.
2.De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a,
heeft met betrekking tot de tweede planperiode, welke loopt van 1
januari 2008 tot en met 31 december 2012, tevens betrekking op
verbrandingseenheden:
a. waarvan, bij toepassing van de rekenregel, bedoeld in de bij
dit besluit behorende bijlage I, onder A, categorie 5, het
gezamenlijke vermogen per inrichting minder dan 20 megawatt
thermisch bedraagt,
b. waarvan, indien die rekenregel buiten toepassing blijft, het
gezamenlijke vermogen per inrichting meer dan 20 megawatt
thermisch bedraagt, en
c. ten aanzien waarvan het bestuur van de emissieautoriteit een
verzoek als bedoeld in artikel 3 om voor de tweede planperiode
binnen de bedoelde aanwijzing te vallen heeft toegewezen.
3.De aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft geen
betrekking op activiteiten, indien:
a. de betreffende drempelwaarde, genoemd in bijlage I, onder A,
categorieën 2 tot en met 4, niet wordt overschreden;
b. de CO2-installatie waarin de activiteiten worden verricht,
zich bevindt in een inrichting bestemd voor het verbranden van
gevaarlijke of huishoudelijke afvalstoffen of bestemd voor
onderzoek, ontwikkeling of beproeving van nieuwe processen of
producten;
c. de CO2-installatie waarin de activiteiten worden verricht,
bestemd is voor onderzoek, ontwikkeling of beproeving van nieuwe
processen of producten.
4.Voorzover de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond
van artikel 27 van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten
heeft bepaald dat een inrichting tijdelijk buiten de reikwijdte van
die richtlijn blijft, heeft de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid,
onder a, tot en met 31 december 2007 geen betrekking op activiteiten
die in de CO2-installaties binnen die inrichting worden verricht. Onze
Minister doet hiervan mededeling in de Staatscourant onder vermelding
van de naam en het adres van de inrichting en de dag met ingang
waarvan bedoelde uitzondering geldt.
Artikel 3
1.Degene die de inrichting drijft, kan het bestuur van de
emissieautoriteit verzoeken om met betrekking tot de tweede
planperiode binnen de aanwijzing, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
aanhef en onder a, te vallen.
2.Het bestuur van de emissieautoriteit wijst het verzoek toe indien
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, is voldaan.
Artikel 4
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 3 wordt ingediend uiterlijk
drie weken na de dag waarop het vastgestelde nationale toewijzingsplan
met betrekking tot de tweede planperiode is bekendgemaakt in de
Staatscourant. Deze uiterste datum van indiening geldt niet voor
verzoeken met betrekking tot verbrandingseenheden, die eerst na 1 juli
2007 voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder
a en b.
2. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende
gegevens verstrekt waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b:
a. een afschrift van de omgevingsvergunning voor de betrokken
inrichting of van een deel daarvan,
b. een ondertekende verklaring van het krachtens artikel 2.4
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de betrokken
inrichting bevoegde bestuursorgaan, of
c. andere gegevens dan bedoeld onder a en b, vergezeld van een
door de aanvrager ondertekende verklaring.
Artikel 5
1.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de wijze waarop de aanvraag om een vergunning krachtens artikel
16.5, eerste lid, en de aanvraag krachtens artikel 16.20a, eerste lid,
van de wet moeten geschieden, de gegevens en de bescheiden die door de
aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de
aanvraag, en de wijze waarop die gegevens moeten worden verkregen. Bij
de aanvraag om een vergunning wordt een monitoringsplan ingediend.
2.Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat in daarbij
aangegeven gevallen en met inachtneming van bij die regeling te
stellen eisen:
a. bij het bepalen van de jaarvracht van een inrichting tevens
rekening wordt gehouden met emissies van CO2 in de lucht, die
worden veroorzaakt door activiteiten die in de inrichting worden
verricht en die behoren tot een categorie van activiteiten die in
de bij dit besluit behorende bijlage I is genoemd, indien de bron
van die emissies zich buiten de inrichting bevindt;
b. bij het bepalen van de jaarvracht van een inrichting geen
rekening wordt gehouden met emissies van CO2 in de lucht, die
worden veroorzaakt door activiteiten die in de inrichting worden
verricht en die behoren tot een categorie van activiteiten die in
de bij dit besluit behorende bijlage I is genoemd, indien de bron
van die emissies zich buiten de inrichting bevindt;
3.Het tweede lid, aanhef en onder a en b, is van overeenkomstige
toepassing op emissies van N2O in de lucht, die worden veroorzaakt
door activiteiten die behoren tot de categorie genoemd in de bij dit
besluit behorende bijlage I, onder B.
4.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot de verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
tussen de personen die met de uitvoering van het monitoringsplan en de
controle op de naleving daarvan zijn belast.
Artikel 6 [Vervallen per 01-09-2007]
Artikel 7
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inhoudende een
verplichting aan het bestuur van de emissieautoriteit de daarbij
aangegeven voorschriften aan de vergunning krachtens artikel 16.5,
eerste lid, van de wet te verbinden inzake:
a. de inhoud van het emissieverslag en de wijze waarop dit
verslag moet worden ingediend;
b. het melden van een verandering of afwijking als bedoeld in
artikel 16.12, vierde lid, van de wet.
Artikel 8
1.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
voor de bepaling en registratie van de CO2-jaarvracht, het
brandstofverbruik en het grondstofgebruik, bedoeld in artikel 16.12,
eerste lid, onder a, van de wet.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de emissies
van N2O.
Artikel 9
1.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot:
a. eisen aan meetinstanties, overeenkomstig de beschikking die
de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft vastgesteld op
grond van artikel 14, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten, en
b. de werkzaamheden die in opdracht van degene die de
inrichting drijft, door een meetinstantie als bedoeld onder a ten
behoeve van de inrichting worden verricht.
2.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de
kwaliteitsborging door de inrichting, indien degene die de inrichting
drijft, werkzaamheden uitbesteedt aan een meetinstantie en deze
uitbesteding van invloed is op de procedures voor kwaliteitsborging.
Artikel 10
1.Een meetinstantie die in opdracht van de houder van een krachtens
artikel 16.5, eerste lid, van de wet verleende vergunning
werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b,
voldoet aan de regels, bedoeld inartikel 9, eerste lid, onder a, en
voert de werkzaamheden uit overeenkomstig het monitoringsplan dat deel
uitmaakt van de betrokken vergunning.
2.Het is voor een meetinstantie verboden de in artikel 9, eerste
lid, onder b, bedoelde werkzaamheden te verrichten, indien niet wordt
voldaan aan de vereisten die zijn gesteld in het eerste lid, dan wel
te handelen in strijd met de op die werkzaamheden betrekking hebbende
onderdelen van de voor de betrokken inrichting krachtens artikel 16.5,
eerste lid, van de wet verleende vergunning.
Artikel 11
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot
het emissieverslag.
Artikel 12
1. Het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 16.12,
eerste lid, onder c, van de wet geschiedt door een verificateur die
werkzaam is bij een verificatie-instelling die ter zake is
geaccrediteerd door een accreditatie-instantie. Met toepassing van
artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is
paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing op de aanvraag om accreditatie als bedoeld in de eerste
volzin.
2. In afwijking van het eerste lid kan een dergelijke verklaring
tevens worden afgegeven door een verificatie-instelling ten aanzien
waarvan de Raad voor Accreditatie het vooronderzoek heeft afgerond, en
ten aanzien waarvan het accreditatieproces nog niet is geëindigd.
Artikel 12a
1. Een verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten als
bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, van de wet, wordt ingediend met
gebruikmaking van een bij ministeriële regeling vastgesteld
modelformulier.
2. De verzoeker verstrekt aan Onze Ministers voor de inrichting
waarop het verzoek betrekking heeft, bij zijn verzoek een verklaring
dat hij Onze Ministers machtigt om op zijn inrichting betrekking
hebbende gegevens over het energieverbruik en de emissies van CO2 of
van N2O, die bij Agentschap NL of het Verificatiebureau Benchmarking
Energie-efficiency berusten, met uitzondering van gegevens die zijn
verkregen in het kader van de verificatie van een op de inrichting
betrekking hebbend emissieverslag, op te vragen om deze te gebruiken
ter verificatie van de gegevens die hij in het kader van zijn verzoek
om toewijzing van broeikasgasemissierechten heeft verstrekt. De
verklaring wordt opgesteld met gebruikmaking van een bij ministeriële
regeling vastgesteld model.
Paragraaf 2.2. Luchtvaartactiviteiten
Artikel 12b
Deze paragraaf heeft het toepassingsgebied van afdeling 16.2.2 van de
wet.
Artikel 12c
Als broeikasgas, als bedoeld in artikel 16.39a, eerste lid, onder b,
van de wet, wordt CO2aangewezen.
Artikel 12d
Artikel 5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op personen
die met de uitvoering van het monitoringsplan en de controle op de
naleving daarvan zijn belast.
Artikel 12e
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12f
1. Een meetinstantie die in opdracht van een vliegtuigexploitant,
als bedoeld in artikel 16.39a, eerste lid, onder a, van de wet,
werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, verricht,
voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 12e in verbinding met
artikel 9, eerste lid, onder a. De meetinstantie voert deze
werkzaamheden uit overeenkomstig het monitoringsplan.
2. Het is voor een meetinstantie verboden de in artikel 12e in
verbinding metartikel 9, eerste lid, onder b, bedoelde werkzaamheden
te verrichten, indien niet wordt voldaan aan de vereisten die zijn
gesteld in het eerste lid.
Artikel 12g
Op het afgeven van een verklaring, als bedoeld in de artikelen
16.39f, tweede lid, en 16.39j, tweede lid, van de wet, isartikel 12 van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. Emissies van stikstofoxiden en NOx-emissierechten
Artikel 13
1.Als categorieën van NOx-installaties als bedoeld in artikel
16.1, derde lid, van de wet worden aangewezen:
a. NOx-verbrandingsinstallaties, voorzover het gezamenlijke
vermogen, uitgedrukt in megawatt thermisch, van de zich in de
betrokken inrichting bevindende NOx-verbrandingsinstallaties 20 of
meer bedraagt;
b. NOx-procesinstallaties;
c. indien zich in de betrokken inrichting
NOx-procesinstallaties bevinden: NOx-verbrandingsinstallaties.
2.De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en c,
heeft geen betrekking op NOx-verbrandingsinstallaties voor de
vervaardiging van keramiek.
3.De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a,
heeft tot en met 31 december 2008 geen betrekking op
NOx-verbrandingsinstallaties die zich bevinden in een inrichting:
a. waarin het gezamenlijke vermogen, uitgedrukt in megawatt
thermisch, van die installaties minder dan 30 bedraagt,
b. waarin zich geen NOx-procesinstallaties bevinden, en
c. ten aanzien waarvan het bestuur van de emissieautoriteit een
verzoek als bedoeld in artikel 14, eerste lid, om tijdelijk buiten
bedoelde aanwijzing te blijven, op grond van artikel 14, tweede
lid, heeft toegewezen.
4.De toepassing van het derde lid vervalt zodra de betrokken
inrichting niet langer voldoet aan een van beide of beide in het derde
lid, aanhef en onder a en b, bedoelde voorwaarden.
5.De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is
op NOx-procesinstallaties die betrekking hebben op de productie van
vlakglas, speciaal glas of verpakkingsglas eerst van toepassing
vijftien weken na de datum waarop de betrokken oven na een grote
ovenrevisie wordt opgestart. Als datum waarop een oven na een
ovenrevisie wordt opgestart, wordt aangemerkt de datum die degene die
de betrokken inrichting drijft, ter zake overeenkomstig artikel 15,
eerste lid, heeft gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit.
6.Het vijfde lid is niet van toepassing op NOx-procesinstallaties
waarbij na 1 januari 1994 in het kader van een grote ovenrevisie
maatregelen zijn genomen om overeenkomstig de stand der techniek de
emissie van NOx voor de betrokken installatie te verminderen.
7.In afwijking van het eerste lid heeft de aanwijzing geen
betrekking op NOx-installaties die:
a. zich bevinden in een inrichting, bestemd voor onderzoek,
ontwikkeling of beproeving van nieuwe processen of producten, of
b. zijn opgesteld om onderzocht, beproefd of gedemonstreerd te
worden.
Artikel 13a
1. De aanwijzing, bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en
onder a, heeft van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 geen
betrekking op NOx-verbrandingsinstallaties die zich bevinden in een
inrichting:
a. waarin het gezamenlijke vermogen, uitgedrukt in megawatt
thermisch, van die installaties minder dan 50 bedraagt,
b. waarin die installaties gemiddeld per gigajoule brandstof
een emissie van NOx van 37 gram of minder veroorzaken,
c. waarin zich geen NOx-procesinstallaties bevinden, en
d. ten aanzien waarvan het bestuur van de emissieautoriteit een
verzoek als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, heeft toegewezen.
2. De toepassing van het eerste lid vervalt zodra de betrokken
inrichting niet langer voldoet aan een van de voorwaarden, bedoeld in
het eerste lid, onder a, b of c.
Artikel 13b
De aanwijzing, bedoeld in artikel 13, eerste lid, heeft tot en met 31
december 2010 geen betrekking op NOx-installaties die zich bevinden in
een inrichting:
a. die zich bevindt binnen de Nederlandse exclusieve economische
zone,
b. waarop vanaf 1 januari 2011 artikel 16.49, eerste lid, van de
wet niet langer van toepassing is, en
c. ten aanzien waarvan het bestuur van de emissieautoriteit een
verzoek als bedoeld inartikel 14b, eerste lid, heeft toegewezen.
Artikel 14
1.Degene die een inrichting drijft, waarin zich
NOx-verbrandingsinstallaties bevinden, kan het bestuur van de
emissieautoriteit verzoeken om tot en met 31 december 2008 buiten de
aanwijzing, bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, te
blijven.
2.Het bestuur van de emissieautoriteit wijst het verzoek toe indien
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 13, derde lid, aanhef en onder
a en b, is voldaan.
3.In het verzoek vermeldt de verzoeker de naam en het adres van de
inrichting waarvoor het verzoek wordt ingediend.
4.De verzoeker verstrekt bij zijn verzoek voor de inrichting waarop
het verzoek betrekking heeft:
a. een afschrift van het gedeelte van de vergunning krachtens
artikel 8.1 van de wet waaruit blijkt dat aan de voorwaarden,
bedoeld in artikel 13, derde lid, aanhef en onder a en b, wordt
voldaan, of
b. een ondertekende verklaring van het bevoegd gezag krachtens
artikel 8.1 van de wet waarin het bevoegd gezag verklaart dat de
inrichting voldoet aan de onder a bedoelde voorwaarden.
5.Indien de verzoeker niet kan voldoen aan het vierde lid,
verstrekt hij andere gegevens waaruit ten genoegen van het bestuur van
de emissieautoriteit blijkt dat de inrichting voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 13, derde lid, aanhef en onder a en b.
6.Indien het bestuur van de emissieautoriteit op grond van het
tweede lid heeft besloten dat een inrichting tot en met 31 december
2007 buiten de aanwijzing, bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef
en onder a, blijft, geldt dit besluit van rechtswege tot en met 31
december 2008.
Artikel 14a
1. Degene die een inrichting drijft, waarin zich
NOx-verbrandingsinstallaties bevinden, kan het bestuur van de
emissieautoriteit verzoeken om van 1 januari 2011 tot en met 31
december 2013 buiten de aanwijzing, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
aanhef en onder a, te blijven.
2. Het bestuur van de emissieautoriteit wijst het verzoek toe
indien aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 13a, eerste lid, aanhef
en onder a tot en met c, is voldaan.
3. In het verzoek vermeldt de verzoeker de naam en het adres van de
inrichting waarvoor het verzoek wordt ingediend.
4. De verzoeker verstrekt gegevens waaruit ten genoegen van het
bestuur van de emissieautoriteit blijkt dat de inrichting voldoet aan
de voorwaarden, bedoeld in artikel 13a, eerste lid, onder a, b en c.
Artikel 14b
1.Degene die een inrichting als bedoeld in artikel 13b, eerste lid,
aanhef en onder a, drijft, kan het bestuur van de emissieautoriteit
verzoeken om tot en met 31 december 2010 buiten de aanwijzing, bedoeld
in artikel 13, eerste lid, te blijven.
2.Het bestuur van de emissieautoriteit wijst het verzoek toe indien
aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 13b, aanhef en onder b, is
voldaan.
3.In het verzoek vermeldt de verzoeker de naam en het adres van de
inrichting waarvoor het verzoek wordt ingediend.
4.De verzoeker verstrekt gegevens waaruit ten genoegen van het
bestuur van de emissieautoriteit blijkt dat de inrichting voldoet aan
de voorwaarde, bedoeld in artikel 13b, aanhef en onder b.
Artikel 15
1.Degene die een inrichting drijft, waarin zich
NOx-procesinstallaties bevinden die betrekking hebben op de productie
van vlakglas, speciaal glas of verpakkingsglas, meldt het voornemen
tot het uitvoeren van een grote ovenrevisie als bedoeld inartikel 13,
vijfde lid, schriftelijk aan het bestuur van de emissieautoriteit. Bij
de melding wordt tevens aangegeven op welke datum de oven naar
verwachting na de ovenrevisie wordt opgestart.
2.De melding geschiedt uiterlijk vier weken voor de datum van de
voorgenomen ovenrevisie.
Artikel 16
1.Met betrekking tot een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste
lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, van de wet zijn de
artikelen 5 tot en met 12 van overeenkomstige toepassing.
2.Met betrekking tot een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste
lid, van de wet zijn deartikelen 5 tot en met 12, met uitzondering van
artikel 5, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
1.De concentratie van stikstofoxiden in de afgassen van:
a. NOx-verbrandingsinstallaties met een vermogen van 100
megawatt thermisch of meer,
b. NOx-procesinstallaties, waarbij een emissie van 150 ton
stikstofoxiden of meer per kalenderjaar in de lucht wordt
veroorzaakt, of
c. afvalverbrandingsinstallaties of meeverbrandingsinstallaties
als bedoeld in het Besluit verbranden afvalstoffen,
wordt bepaald door continue meting.
2.Indien sprake is van een afvalverbrandingsinstallatie of een
meeverbrandingsinstallatie als bedoeld in het eerste lid, onder c,
voldoet de continue meting, bedoeld in dat lid, aan de daaraan in het
Besluit verbranden afvalstoffen gestelde eisen, met dien verstande dat
in afwijking van het bepaalde onder 2.9 in de bij dat besluit
behorende bijlage, voorzover dat onderdeel betrekking heeft op
stikstofoxiden, het vierde lid geldt.
3.In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid voldoet de
continue meting, bedoeld in het eerste lid, aan de daaraan in het
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A gestelde eisen,
met dien verstande dat in afwijking van artikel 30c van dat besluit,
voorzover dat artikel betrekking heeft op stikstofoxiden, het vierde
lid geldt.
4.De waarde van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van individuele
waarnemingen op grond waarvan het halfuursgemiddelde of het
uurgemiddelde van de concentratie van stikstofoxiden wordt bepaald, is
kleiner dan 20% van de jaargemiddelde concentratie.
Artikel 18
Het aantal NOx-emissierechten dat degene die een inrichting drijft,
in een kalenderjaar opbouwt als bedoeld in artikel 16.50 van de wet,
komt overeen met:
a. voor NOx-verbrandingsinstallaties: het in de bij dit besluit
behorende bijlage II voor het betrokken kalenderjaar aangegeven
getal, vermenigvuldigd met de in dat kalenderjaar verbruikte
gigajoule brandstof;
b. voor NOx-procesinstallaties, met uitzondering van de
NOx-procesinstallaties, bedoeld onder c: het in de bij dit besluit
behorende bijlage III voor het betrokken product voor het betrokken
kalenderjaar per ton product aangegeven getal, vermenigvuldigd met
het aantal in dat kalenderjaar vervaardigde tonnen van dat product;
c. voor NOx-procesinstallaties als bedoeld in artikel 13, vijfde
lid: het in de bij dit besluit behorende bijlage IV voor het
betrokken product voor het betrokken kalenderjaar per ton product
aangegeven getal, vermenigvuldigd met het aantal in dat kalenderjaar
vervaardigde tonnen van dat product.
Artikel 19
1.Het verkoopplafond voor een inrichting wordt bepaald door bij
elkaar op te tellen:
a. het gezamenlijke vermogen, uitgedrukt in megawatt thermisch,
van de zich in de inrichting bevindende
NOx-verbrandingsinstallaties, vermenigvuldigd met 8.000,
vermenigvuldigd met het voor het kalenderjaar 2005 in de bij dit
besluit behorende bijlage II opgenomen getal, vermenigvuldigd met
3.6 x 10–3;
b. de gezamenlijke productiecapaciteit, uitgedrukt in tonnen
vervaardigd product per kalenderjaar, van de zich in de inrichting
bevindende NOx-procesinstallaties, vermenigvuldigd met het voor
het kalenderjaar 2005 voor dat product in de bij dit besluit
behorendebijlage III opgenomen getal, gedeeld door 1.000.
2.In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt het
verkoopplafond voor een inrichting die niet meer dan 3.000 uren per
kalenderjaar in bedrijf is, bepaald door het gezamenlijke vermogen,
uitgedrukt in megawatt thermisch, van de zich in de inrichting
bevindende NOx-verbrandingsinstallaties, vermenigvuldigd met 3.000,
vermenigvuldigd met het voor het kalenderjaar 2005 in de bij dit
besluit behorende bijlage II opgenomen getal, vermenigvuldigd met 3.6
x 10–3.
Artikel 20
Het percentage, bedoeld in artikel 16.53, tweede lid, van de wet, van
het voor een inrichting geldende verkoopplafond is vijf.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit handel in emissierechten.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 december 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de dertigste
december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage I, behorende bij het Besluit
handel in emissierechten
Categorieën van activiteiten als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, die plaatsvinden in een
broeikasgasinstallatie die behoort tot een van de volgende
categorieën:
A
Activiteiten als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder a, die plaatsvinden in een broeikasgasinstallatie
die behoort tot een of meer van de volgende categorieën:
Categorie 1. Energieactiviteiten
1.1. Installaties in
aardolieraffinaderijen.
1.2. Installaties in cokesfabrieken.
Categorie 2. Productie en verwerking
van ferrometalen
2.1. Installaties voor het roosteren of
sinteren van metaalerts, waaronder sulfide-erts.
2.2. Installaties voor de vervaardiging
van ruwijzer of staal, waaronder zowel primaire als secundaire
smelting worden begrepen, met inbegrip van continu gieten, met een
gezamenlijke capaciteit per inrichting van meer dan 2,5 ton per uur.
Categorie 3. Delfstoffenindustrie
3.1. Installaties, voorzover het
draaiovens betreft, voor de vervaardiging van cementklinkers met een
gezamenlijke productiecapaciteit per inrichting van meer dan 500 ton
per dag.
3.2. Installaties voor de bereiding van
kalk met een gezamenlijke productiecapaciteit per inrichting van meer
dan 50 ton per dag.
3.3. Installaties voor de vervaardiging
van glas, met inbegrip van glasvezel, met een gezamenlijke
smeltcapaciteit per inrichting van meer dan 20 ton per dag.
3.4. Installaties voor de vervaardiging
van keramische producten door vuren, in het bijzonder dakpannen,
bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een
gezamenlijke productiecapaciteit per inrichting van meer dan 75 ton
per dag of een gezamenlijke ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met
een zetdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.
Categorie 4. Overige activiteiten
4.1. Installaties voor de vervaardiging
van pulp uit hout of andere vezelhoudende materialen.
4.2. Installaties voor de vervaardiging
van papier en karton met een gezamenlijke productiecapaciteit per
inrichting van meer dan 20 ton per dag.
Categorie 5. Verbrandingseenheden
5.1. Verbrandingseenheden met een
gezamenlijk vermogen per inrichting van meer dan 20 megawatt
thermisch, behorende tot één of meer van de volgende categorieën:
a. eenheden waarbij één of meer
brandstoffen worden omgezet in één of meer van de volgende
secundaire energiedragers: elektriciteit, stoom of warm water;
b. eenheden binnen petrochemische
krakers met een gezamenlijke productie van meer dan 50 kton
propyleen of ethyleen per jaar;
c. eenheden die direct of indirect
worden ingezet bij de vervaardiging van glaswol of steenwol binnen
inrichtingen met een gezamenlijke smeltcapaciteit van meer dan 20
ton per dag per inrichting.
5.2. Eenheden met een gezamenlijk
vermogen per inrichting van meer dan 20 megawatt thermisch die direct
of indirect worden ingezet voor de vervaardiging van carbon black door
carbonisatie van organisch materiaal.
5.3. Fakkeleenheden met een gezamenlijk
vermogen per inrichting van meer dan 20 megawatt thermisch voor de
verbranding voor andere doeleinden dan energieproductie van
koolwaterstoffen of andere organische verbindingen, die voortkomen uit
offshore olie en gas, of uit de opslag van geïmporteerde olie en gas
in offshore reservoirs, voorzover die verbranding plaatsvindt op
onshore olie- en gasontvangststations of offshore olie- en
gasfaciliteiten.
Rekenregel:
Voor het bepalen of het gezamenlijk
vermogen van de in categorie 5 bedoelde verbrandingseenheden per
inrichting meer dan 20 megawatt thermisch bedraagt, worden eenheden
met een vermogen van 3 megawatt thermisch of minder buiten
beschouwing gelaten.
B
Activiteiten als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder b, die plaatsvinden in een broeikasgasinstallatie
die behoort tot de volgende categorie:
Salpeterzuurindustrie
Installaties voor de vervaardiging van
salpeterzuur.
Bijlage II, behorende bij het Besluit
handel in emissierechten
Het aantal NOx-emissierechten, bedoeld
in artikel 18, aanhef en onder a, van het Besluit handel in
emissierechten, dat degene die een inrichting drijft, in het geval van
een NOx-verbrandingsinstallatie in een kalenderjaar opbouwt per
gigajoule verbruikte brandstof
|
Kalenderjaar |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
|
NOx-verbrandingsinstallaties
(uitgedrukt in grammen NOx per gigajoule)
|
68 |
63 |
58 |
52 |
46 |
40 |
39 |
38 |
37 |
Bijlage III, behorende bij het Besluit
handel in emissierechten
Het aantal NOx-emissierechten, bedoeld
in artikel 18, aanhef en onder b, van het Besluit handel in
emissierechten, dat degene die een inrichting drijft, in het geval van
een NOx-procesinstallatie in een kalenderjaar opbouwt per ton
vervaardigd product
|
Kalenderjaar |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
|
Product |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
IJzer en staal (kg NOx / ton ruw
staal) |
0,69 |
0,66 |
0,62 |
0,58 |
0,53 |
0,49 |
0,48 |
0,48 |
0,47 |
|
Elektrostaal (kg NOx / ton
vloeibaar staal) |
0,13 |
0,12 |
0,12 |
0,11 |
0,10 |
0,09 |
0,09 |
0,09 |
0,08 |
|
Aluminium (kg NOx / ton
aluminium) |
2,18 |
2,07 |
1,95 |
1,81 |
1,67 |
1,53 |
1,51 |
1,49 |
1,47 |
|
Zink (kg NOx / ton zink) |
0,08 |
0,07 |
0,07 |
0,06 |
0,06 |
0,05 |
0,05 |
0,05 |
0,05 |
|
Anode (kg NOx / ton anode) |
0,52 |
0,50 |
0,47 |
0,44 |
0,40 |
0,37 |
0,37 |
0,36 |
0,36 |
|
Cement (kg NOx / ton klinker) |
1,69 |
1,61 |
1,52 |
1,41 |
1,30 |
1,19 |
1,18 |
1,16 |
1,15 |
|
Calciumaluminaatcementklinker (kg
NOx / ton calciumaluminaatcementklinker) |
– |
3,25 |
3,07 |
2,85 |
2,63 |
2,40 |
2,37 |
2,34 |
2,31 |
|
Tabular alumina converter
discharge (kg NOx / ton tabular alumina converter discharge) |
– |
0,66 |
0,63 |
0,58 |
0,53 |
0,49 |
0,48 |
0,48 |
0,47 |
|
Salpeterzuur (kg NOx / ton
salpeterzuur 100%) |
1,00 |
0,95 |
0,90 |
0,83 |
0,77 |
0,70 |
0,69 |
0,68 |
0,67 |
|
Caprolactam (kg NOx / ton
caprolactam) |
0,63 |
0,60 |
0,57 |
0,52 |
0,48 |
0,44 |
0,43 |
0,43 |
0,42 |
|
Nitriet (kg NOx / ton nitriet) |
10,20 |
9,60 |
9,10 |
8,40 |
7,80 |
7,10 |
7,01 |
6,92 |
6,83 |
|
Magnesiumoxide (kg NOx / ton
magnesiumoxide) |
5,16 |
4,89 |
4,62 |
4,29 |
3,95 |
3,62 |
3,57 |
3,53 |
3,48 |
|
Carbon black (kg NOx / ton carbon
black) |
7,32 |
6,94 |
6,56 |
6,08 |
5,61 |
5,13 |
5,07 |
5,00 |
4,94 |
|
Siliciumcarbide (kg NOx / ton
siliciumcarbide) |
1,37 |
1,30 |
1,23 |
1,14 |
1,05 |
0,96 |
0,95 |
0,94 |
0,92 |
|
Actieve kool (kg NOx / ton
actieve kool) |
4,90 |
4,65 |
4,40 |
6,96 |
6,41 |
5,87 |
5,79 |
5,72 |
5,65 |
|
Steenwol (kg NOx / ton steenwol) |
0,69 |
0,65 |
0,61 |
0,57 |
0,53 |
0,48 |
0,47 |
0,47 |
0,46 |
|
Fosfaatproductie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Fosfor (kg NOx / ton fosfor) |
2,46 |
2,34 |
2,21 |
2,05 |
1,89 |
1,73 |
1,71 |
1,69 |
1,67 |
|
Fosforzuur (kg NOx / ton zuur) |
0,45 |
0,42 |
0,40 |
0,37 |
0,34 |
0,31 |
0,31 |
0,30 |
0,30 |
|
Natriumtripolyphosphaat (kg NOx /
ton natriumtripolyphosphaat) |
0,58 |
0,55 |
0,52 |
0,48 |
0,44 |
0,41 |
0.40 |
0,40 |
0,39 |
|
Emailleerfritten en glasfritten,
vervaardigd in: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Continuovens (kg NOx / ton
fritten) |
1,66 |
1,57 |
1,48 |
1,38 |
1,27 |
1,16 |
1,15 |
1,13 |
1,12 |
|
Trommelovens (kg NOx / ton
fritten) |
7,49 |
7,10 |
6,71 |
6,23 |
5,74 |
5,25 |
5,18 |
5,12 |
5,05 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Glasproductie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Vlakglas (kg NOx / ton glas) |
4,77 |
4,53 |
4,28 |
3,97 |
3,66 |
3,35 |
3,31 |
3,27 |
3,22 |
|
Verpakkingsglas (kg NOx / ton
glas) |
2,31 |
2,19 |
2,07 |
1,92 |
1,77 |
1,62 |
1,60 |
1,58 |
1,56 |
|
Speciaal glas (kg NOx / ton glas) |
3,62 |
3,43 |
3,24 |
3,01 |
2,77 |
2,54 |
2,51 |
2,48 |
2,44 |
Bijlage IV, behorende bij het Besluit
handel in emissierechten
Het aantal NOx-emissierechten, bedoeld
in artikel 18, aanhef en onder c, van het Besluit handel in
emissierechten, dat degene die een inrichting drijft, in het geval van
een NOx-procesinstallatie in een kalenderjaar opbouwt per ton
vervaardigd product
|
Kalenderjaar |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
|
Product |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Glasproductie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Vlakglas (kg NOx / ton glas) |
3,35 |
3,35 |
3,35 |
3,35 |
3,35 |
3,35 |
3,22 |
3,22 |
3,22 |
|
Verpakkingsglas (kg NOx / ton
glas) |
1,62 |
1,62 |
1,62 |
1,62 |
1,62 |
1,62 |
1,56 |
1,56 |
1,56 |
|
Speciaal glas (kg NOx / ton glas) |
2,54 |
2,54 |
2,54 |
2,54 |
2,54 |
2,54 |
2,44 |
2,44 |
2,44 |
|