| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
INZAMELEN AFVALSTOFFEN
Tekst zoals deze geldt op
20 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 19 maart 2004, houdende regels met
betrekking tot het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen (Besluit inzamelen afvalstoffen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2003, nr. MJZ2003108190,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op Richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen
(PbEG L 194), zoals laatstelijk gewijzigd bij beschikking nr.
96/350/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 mei
1996 houdende aanpassing ingevolge artikel 17 van de bijlagen II A en II
B (PbEG L 135/32) en Richtlijn nr. 75/439/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van
afgewerkte olie (PbEG L 194), zoals gewijzigd door richtlijn nr.
87/101/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 december
1986 tot wijziging van Richtlijn 75/439/EEG inzake de verwijdering van
afgewerkte olie (PbEG L 42), alsmede de artikelen 10.45, tweede
lid, 10.46 en 10.48, eerste lid, in samenhang met artikel 8.5, van de
Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 23
januari 2004, nr. W08.03.0461/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 16 maart 2004, nr. MJZ2004026130, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. beschikking nr. 2000/532/EG: beschikking nr. 2000/532/EG van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 tot vervanging
van beschikking nr. 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van
afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn
75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende
afvalstoffen en Beschikking nr. 94/904/EG van de Raad van de Europese
Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen
overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn nr. 91/689/EEG van de
Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke
afvalstoffen (PbEG L 226/3);
b. afgewerkte olie: smeer- of systeemolie die in de bijlage bij
beschikking nr. 2000/532/EG wordt aangeduid met de afvalstoffencodes
13 01 01* tot en met 13 01 13*, 13 02 04* tot en met 13 02
08* en 13 03 01* tot en met 13 03 10*, op minerale of
synthetische basis, die door vermenging met andere stoffen of op
andere wijze onbruikbaar is geworden voor het doel waarvoor zij
oorspronkelijk was bestemd;
c. klein gevaarlijk afval: gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in
een van de volgende categorieën waarvan de houder zich ontdoet door
afgifte:
1º. in een hoeveelheid van ten hoogste 200 kilogram per
afvalstof per afgifte:
– laboratoriumchemicaliën;
– restanten van de toepassing van amalgaam in de
tandheelkunde;
– afvalstoffen afkomstig van de toepassing van verven,
lakken, beitsen en andere soortgelijke vloeibare en pasteuze
middelen;
– fotografisch gevaarlijke afvalstoffen;
– zuren, logen, galvanische en etsbaden die zijn gebruikt
voor de reiniging of bewerking van metaaloppervlakken, voor het
opbrengen van een beschermende metaallaag op producten of
halffabrikaten dan wel voor het ontlakken van geverfde producten;
2º. in een hoeveelheid van ten hoogste 200 liter per afgifte:
afgewerkte olie die behoort tot categorie I of II als bedoeld in de
bijlage bij dit besluit, in verpakking;
d. scheepsafvalstoffen: afvalstoffen die bij het in bedrijf zijn of
het onderhoud van een schip aan boord ontstaan, bestaande uit:
1º. bilgewater, afgewerkte olie en overige olie- en vethoudende
afvalstoffen,
2º. gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij
reinigingswerkzaamheden,
3º. andere afvalstoffen dan bedoeld onder 1° of 2°,
voorzover het gevaarlijke afvalstoffen betreft;
e. lijst van inzamelaars: lijst van inzamelaars als bedoeld in
artikel 10.45, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer;
f. instantie: instantie als bedoeld in artikel 10.45, derde lid,
van de Wet milieubeheer.
2. Een wijziging van de bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG
gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag
waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
§ 2. Vermelding op de lijst van inzamelaars
Artikel 2
Een aanvraag voor vermelding op de lijst van inzamelaars wordt gedaan
bij de instantie.
Artikel 3
Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald op welke wijze de
aanvraag geschiedt en welke gegevens daarbij worden verstrekt.
Artikel 4
Een inzamelaar die staat vermeld op de lijst van inzamelaars, meldt
een verandering van de gegevens, bedoeld in artikel 3, onverwijld aan de
instantie op een door Onze Minister te bepalen wijze.
Artikel 5
De instantie legt de gegevens, bedoeld in de artikelen 3 of 4,
gedurende vier weken voor een ieder ter inzage.
Artikel 6
De inzamelaar heeft tijdens het inzamelen een gewaarmerkte kopie
aanwezig van het certificaat waaruit blijkt dat hij op de lijst van
inzamelaars staat vermeld.
Artikel 7
Een beschikking tot vermelding op de lijst van inzamelaars wordt voor
vijf jaar afgegeven.
Artikel 8
Het verbod, bedoeld in artikel 10.45, eerste lid, van de Wet
milieubeheer, om zonder vermelding op een lijst van inzamelaars
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen, geldt
niet voor het niet-beroepsmatig inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen.
§ 3. Inzamelvergunning
Artikel 9
Een vergunning van Onze Minister is vereist voor het inzamelen van:
a. afgewerkte olie die behoort tot categorie I of II als bedoeld
in de bijlage bij dit besluit, met uitzondering van afgewerkte olie
afkomstig van schepen,
b. klein gevaarlijk afval, met uitzondering van klein gevaarlijk
afval afkomstig van schepen, of
c. scheepsafvalstoffen.
Artikel 10
1. De aanvraag om een vergunning bevat:
a. een opgave van de afvalstoffen die de aanvrager wil inzamelen en
de daarbij behorende code volgens de afvalstoffenlijst, genoemd in
artikel 1, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst,
b. voorzover het betreft het inzamelen van klein gevaarlijk afval
of afgewerkte olie, een opgave van het gebied of de gebieden in
Nederland waarvoor de aanvrager bereid is de verplichting op zich te
nemen om de aan hem aangeboden afvalstoffen op te halen,
c. een schatting van de hoeveelheid afvalstoffen die de aanvrager
per jaar beoogt in te zamelen,
d. een beschrijving van de procedures van acceptatie,
administratieve organisatie en interne controle van de ingezamelde
afvalstoffen,
e. een beschrijving van de vervoermiddelen en installaties die bij
de inzameling worden gebruikt,
f. een beschrijving van de voorzieningen die worden getroffen om te
voorkomen dat bij het inzamelen stagnatie optreedt, en
g. een beschrijving van de wijze waarop de ingezamelde afvalstoffen
verder worden beheerd.
2. De aanvraag om een vergunning wordt gedaan met een daartoe
door Onze Minister vastgesteld formulier.
3. De aanvraag om een vergunning wordt in vijfvoud ingediend.
Artikel 11
1. Bij de aanvraag om een vergunning worden de volgende
gegevens verstrekt:
a. een niet ouder dan drie maanden zijnde verklaring omtrent het
gedrag, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de
justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, van
de natuurlijke persoon die permanent en daadwerkelijk leiding geeft
aan het inzamelen, of indien de leiding bij meer personen berust, van
ieder van hen,
b. een niet ouder dan drie maanden zijnd bewijs dat de natuurlijke
persoon of rechtspersoon die inzamelt, of indien meer natuurlijke
personen of rechtspersonen gezamenlijk als zodanig optreden, door hen
gezamenlijk, ten minste € 18 000 in eigen vermogen heeft
of hebben, aan te tonen met een door een accountant ondertekende
verklaring inzake het minimaal aanwezige risicodragend kapitaal, en
c. een vakdiploma op het terrein van afvalstoffen dat is afgegeven
door een instantie die door Onze Minister is erkend, ten behoeve van
de natuurlijke persoon die permanent en daadwerkelijk leiding geeft
aan het inzamelen, of indien de leiding bij meer personen berust, ten
behoeve van ten minste een van hen.
2. In afwijking van het eerste lid verstrekt een aanvrager, wiens
land van oorsprong of herkomst een andere lidstaat van de Europese Unie
is dan Nederland, dan wel een andere staat, die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de volgende
gegevens die in de betrokken staat zijn afgegeven:
a. een gelijkwaardige niet ouder dan drie maanden zijnde verklaring
omtrent betrouwbaarheid,
b. een gelijkwaardige niet ouder dan drie maanden zijnde verklaring
omtrent financiële draagkracht, afgegeven door banken dan wel door
andere organen die de in de aanhef bedoelde staat daartoe heeft
aangewezen, waaruit blijkt dat de aanvrager ten minste € 18 000
in eigen vermogen heeft, en
c. een door een daartoe bevoegde instantie afgegeven verklaring
waaruit blijkt dat de natuurlijke persoon die permanent en
daadwerkelijk leiding geeft aan het inzamelen, of indien de leiding
bij meer personen berust, ten minste een van hen vakbekwaam is op het
gebied van afvalstoffen.
3. In plaats van de gegevens, bedoeld in het eerste of tweede
lid, kan de aanvrager de volgende gegevens verstrekken:
a. het registratienummer van de vergunning voor binnenlands of
communautair beroepsvervoer, bedoeld in artikel 5, eerste,
respectievelijk derde lid, van de Wet goederenvervoer over de weg;
b. een kopie van een door een andere lidstaat van de Europese Unie
afgegeven communautaire vergunning als bedoeld in verordening (EEG)
nr. 881/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 maart
1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over
de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lid-Staat
of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten (PbEG L 95);
c. een vergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de
Spoorwegwet en een veiligheidsattest als bedoeld in artikel 32, eerste
lid, van de Spoorwegwet.
4. In plaats van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder c,
of het tweede lid, onder c, kan de aanvrager een afschrift verstrekken
van de vergunning, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet vervoer
binnenvaart.
§ 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12
1. Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen inzamelt
waarvoor een vermelding op de lijst van inzamelaars is vereist, dient
zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na dat tijdstip
een aanvraag in voor vermelding op de lijst van inzamelaars.
2. De instantie verstrekt de aanvrager die een ontvankelijke
aanvraag heeft ingediend per omgaand een bewijs van ontvangst.
3. Voor de aanvrager die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit stond vermeld op de lijst van
inzamelaars, blijft deze vermelding geldig totdat is beslist op de
aanvraag.
4. Voor de aanvrager die onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit beschikt over een rechtsgeldige
vergunning voor het inzamelen van de afvalstoffen, bedoeld in het eerste
lid, geldt die vergunning als een vermelding op de lijst totdat is
beslist op de aanvraag.
5. In andere gevallen dan bedoeld in het derde en vierde lid,
geldt het bewijs van ontvangst van een ontvankelijke aanvraag als
vermelding op de lijst van inzamelaars totdat is beslist op de aanvraag.
Artikel 13
1. Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen inzamelt
waarvoor een vergunning is vereist, maar waarvoor voor dat tijdstip
geen vergunning was vereist, dient zo spoedig mogelijk doch uiterlijk
binnen drie maanden na dat tijdstip een aanvraag om een vergunning in.
2. Onze Minister verstrekt de aanvrager die een ontvankelijke
aanvraag heeft ingediend per omgaand een bewijs van ontvangst van de
aanvraag. Dit bewijs geldt als een vergunning als bedoeld in artikel 9
totdat op de aanvraag is beslist.
Artikel 14
1. In afwijking van artikel 11, eerste en tweede lid, kan tot
uiterlijk drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit worden volstaan met het verstrekken van de gegevens, bedoeld
in artikel 11, eerste lid, onderdelen a en b, of artikel 11, tweede
lid, onderdelen a en b.
2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, verstrekt
de aanvrager uiterlijk op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, de
gegevens, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, of artikel 11,
tweede lid, onderdeel c.
Artikel 15
Vergunningen voor het inzamelen van afgewerkte olie, klein gevaarlijk
afval of scheepsafvalstoffen, die zijn verleend voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit, worden aangemerkt als vergunningen
verleend op grond van dit besluit.
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit inzamelen afvalstoffen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 19 maart 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de eenendertigste maart 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage behorende bij de
artikelen 1 en 9 van het Besluit inzamelen afvalstoffen
Categorieën van afgewerkte olie
I. Afgewerkte olie behoort tot categorie I, indien:
1º. de olie een minerale basis heeft,
2º. het gehalte aan polychloorbifenylen kleiner is dan of gelijk
is aan 0,5 mg/kg per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153
of 180,
3º. het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend
als chloor kleiner is dan of gelijk is aan 1000 mg/kg,
4º. het vlampunt groter is dan of gelijk is aan 55 °C, en
5º. de olie na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was
bestemd, niet vermengd is met andere stoffen dan uitsluitend – al
dan niet met water of sediment verontreinigde – lichte of zware
stookolie, gasolie of dieselolie.
II. Afgewerkte olie behoort tot categorie II, indien:
1º. het gehalte aan polychloorbifenylen kleiner is dan of gelijk
is aan 0,5 mg/kg per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153
of 180,
2º. het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend
als chloor, kleiner is dan of gelijk is aan 1000 mg/kg,
3º. het vlampunt groter is dan of gelijk is aan 55 °C, en
4º. de olie na bewerking als brandstof dan wel als component ter
vervaardiging van een brandstof kan worden aangewend.
|
|
|