|
BESLUIT van 13 juli 2006, houdende regels voor
akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt,
melkrundveehouderijen, gemechaniseerde loonbedrijven, witloftrekkerijen,
teeltbedrijven met eetbare paddestoelen, paardenhouderijen,
kinderboerderijen, kleinschalige veehouderijen, spoelbassins en opslagen
van vaste mest (Besluit landbouw milieubeheer)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 21 oktober 2005, nr. DJZ2005186687,
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op Richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad
van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L
377) en Richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 betreffende
stedelijk afvalwater (PbEG L 135) en de artikelen 8.40, 8.41,
8.42 en 21.8 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 1
februari 2006, nr. W08.05.0478/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 6 juli 2006, nr. DJZ2006282748, Directie Juridische
Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
ADR: op 30 september 1957 te
Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het
internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb.
1959, 171);
afgedragen gewas: gedeelte van het
gewas dat resteert aan het einde van de teelt, nadat de voor
consumptie bedoelde delen van het gewas zijn verwijderd;
afgewerkte olie: afgewerkte olie
als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen;
akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met
open grondteelt: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1,
derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en
die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak
is bestemd voor het telen van akkerbouwproducten of
tuinbouwproducten op of in de open grond;
ammoniakemissie: emissie van
ammoniak, uitgedrukt in kilogram NH3 per jaar;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat
bevoegd is een vergunning te verlenen voor een inrichting als
bedoeld inartikel 2;
bijlage: bij dit besluit behorende
bijlage;
bodembedreigende stof: stof die de
bodem kan verontreinigen als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A3
van de NRB;
compost: een product dat geheel of
grotendeels bestaat uit één of meer organische afvalstoffen die
met behulp van micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een
zodanig stabiel eindprodukt dat daarin alleen nog een langzame
afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt;
composteren: omzetten van
plantaardig restmateriaal en hulpstoffen in compost;
diercategorie: categorie dieren,
bedoeld in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij;
dierenverblijf: al dan niet
overdekte ruimte waarbinnen landbouwhuisdieren worden gehouden;
dunne mest: mest die verpompbaar is
en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan
niet vermengd met mors-, spoel-, schrob-, reinigings- of
regenwater;
gebruikt substraatmateriaal:
materiaal van natuurlijke of kunstmatige oorsprong, nadat het is
gebruikt voor het telen van gewassen los van de grond;
gemechaniseerd loonbedrijf:
inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de
Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt
van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak agrarisch
gemechaniseerd loonwerk, zoals cultuurtechnische werken,
mestdistributie en grondverzet, en soortgelijke dienstverlening
verricht;
gevaarlijke stoffen: stoffen,
preparaten en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is
verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is
toegestaan;
huisvestingssysteem: gedeelte van
een dierenverblijf, waarin landbouwhuisdieren van één
diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden;
kleinschalige veehouderij:
inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de
Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en uitsluitend of in
hoofdzaak is bestemd voor het houden van landbouwhuisdieren en
waarin niet meer landbouwhuisdieren en geen andere categorieën
landbouwhuisdieren worden gehouden dan genoemd in artikel 3,
eerste lid;
maatwerkvoorschrift: voorschrift
als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer,
inhoudende:
a. een beschikking waarbij het
bevoegd gezag aanvullende eisen stelt; dan wel
b. een ontheffing waarbij het
bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van
toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van
beperkingen of voorwaarden;
melkrundvee:
1°. melkvee, dat overwegend
wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van de
dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de
lactatie worden gemest of zijn drooggezet en worden afgemest;
2°. vrouwelijk vleesvee ouder
dan 2 jaar, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt
gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen
van kalveren;
3°. Vrouwelijk jongvee tot 2
jaar dat bestemd is om te worden gehouden als melkvee bedoeld
onder 1° dan wel als vrouwelijk vleesvee bedoeld onder 2°;
melkrundveehouderij: inrichting die
tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer
aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is
bestemd voor het houden van melkrundvee;
mestbassin: reservoir bestemd voor
het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is
gelegen onder een stal;
mestvarkeneenheid: rekeneenheid
voor geuremissie, bedoeld in de Richtlijn veehouderij en
stankhinder 1996, nr. DWL/96057153, uitgegeven door het Ministerie
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
object categorie I:
1°. bebouwde kom met stedelijk
karakter;
2°. ziekenhuis, sanatorium en
internaat, en
3°. objecten voor
verblijfsrecreatie,
object categorie II:
1°. bebouwde kom of
aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een
overigens agrarische omgeving;
2°. objecten voor
dagrecreatie;
object categorie III: verspreid
liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende
buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent;
object categorie IV:
1°. woning behorend bij een
agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer
mestvarkeneenheden op grond van een vergunning of een algemene
maatregel van bestuur aanwezig mogen zijn;
2°. verspreid liggende
niet-agrarische bebouwing;
object categorie V: woning,
behorend bij een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op
grond van een vergunning of een algemene maatregel van bestuur
aanwezig mogen zijn;
paardenhouderij: inrichting, die
tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer
aangewezen categorie behoort uitsluitend of in hoofdzaak is
bestemd voor het houden van paarden;
PGS 7: publicatie 7 in de
Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, getiteld «Opslag van vaste
minerale anorganische meststoffen», uitgave oktober 2007;
PGS 23: publicatie 23 in de
Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, getiteld «Propaan,
vulstations van butaan- en propaanflessen», uitgave juli 2005;
spoelbassin: voorziening bestemd
voor de verwijdering van tarra van in de grond geteelde gewassen
waarbij gebruik wordt gemaakt van een spoelmachine en een
bezinkbassin;
stookinstallatie: stookinstallatie
als bedoeld in het Besluit emissie-eisen middelgrote
stookinstallaties milieubeheer;
vaste mest: mest die geheel of
gedeeltelijk bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren en
die niet verpompbaar is, met uitzondering van compost;
vergunning: omgevingsvergunning
voor een inrichting;
warmtekrachtinstallatie:
stookinstallatie, bestemd voor het gelijktijdig opwekken van
warmte en kracht waarbij de warmte nuttig wordt aangewend;
vloeibare brandstof: lichte olie,
halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op
de accijns.
2. Onder objecten als bedoeld in het
eerste lid, onderdelen v tot en met z, worden niet verstaan van een
agrarisch bedrijf deel uitmakende kleinschalige terreinen die ter
beschikking worden gesteld voor het plaatsen van enkele
kampeermiddelen, waarbij onder kampeermiddelen worden verstaan
onderkomens of voertuigen die bestemd of geschikt zijn voor recreatief
nachtverblijf en die geen bouwwerk zijn in de zin van de Woningwet.
Artikel 1a
Dit besluit strekt mede tot implementatie
van de kaderrichtlijn afvalstoffen.
Artikel 2
1.Dit besluit is van toepassing op:
a. een melkrundveehouderij;
b. een akkerbouw- of
tuinbouwbedrijf met open grondteelt;
c. een gemechaniseerd loonbedrijf;
d. een paardenhouderij;
e. een kinderboerderij;
f. een kleinschalige veehouderij,
en
g. een inrichting die tot een
krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer
aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak
bestemd is voor:
1°. witloftrek of teelt van
eetbare paddestoelen of andere gewassen in een gebouw;
2°. opslag van vaste mest,
bloembollenafval, afgedragen gewas of gebruikt
substraatmateriaal;
3°. een spoelbassin.
2.Dit besluit is eveneens van
toepassing op een inrichting waarin sprake is van een samenstel van
bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met
g.
Artikel 3
1. Dit besluit is niet van toepassing
op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:
a. meer dan 50 mestvarkeneenheden,
daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de
aflamperiode in de inrichting worden gehouden.
b. meer dan 200 stuks melkrundvee
worden gehouden, waarbij het aantal stuks vrouwelijk jongvee tot 2
jaar niet wordt meegeteld;
c. meer dan 340 stuks vrouwelijk
jongvee worden gehouden, of het totaal aantal gehouden stuks
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en overig melkrundvee meer dan 340
stuks bedraagt;
d. meer dan 50 geiten worden
gehouden;
e. meer dan 50 voedsters worden
gehouden;
f. pelsdieren bedrijfsmatig worden
gehouden;
g. meer dan 50 paarden worden
gehouden;
h. meer dan 50 landbouwhuisdieren,
anders dan bedoeld in de onderdelen a tot en met g worden
gehouden, tenzij de inrichting een kinderboerderij betreft;
i. een permanente opstand van glas
of van kunststof voor het telen van gewassen groter is dan 2.500
m2;
j. afvalstoffen worden op- of
overgeslagen, die niet binnen het eigen bedrijf zijn ontstaan,
voorzover de inrichting beschikt over een opslagcapaciteit:
1°. van meer dan 35 m3 voor de
opslag van afvalstoffen, behoudens zand, grind en grond voor
zover deze stoffen bedoeld en geschikt zijn voor nuttige
toepassing;
2°. voor de opslag van
gevaarlijke afvalstoffen, of
3°. van meer dan 1.000 m3 per
jaar voor de overslag van afvalstoffen;
k. een of meer werkplaatsen
aanwezig zijn die in hoofdzaak worden gebruikt voor onderhoud,
ondersteuning of reparatie van niet tot de inrichting behorende
gebouwen, installaties, toestellen of voertuigen, van derden;
l. bij de teelt van eetbare
paddestoelen de teeltoppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2 of
verse compost wordt gepasteuriseerd;
m. apparatuur aanwezig is voor het
verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen of biociden met een
vliegtuig;
n. in de inrichting of een
onderdeel daarvan voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor
het:
1°. opslaan van meer dan 600
m3 vaste mest;
2°. opslaan van meer dan 500
m3strooizout;
3°. opslaan of bewerken en
verwerken van meer dan in totaal 2.000 m3zand, grind en grond;
4°. opslaan of bewerken en
verwerken van zand, grind en grond dat niet afkomstig is van
eigen werkzaamheden of niet wordt aangewend voor eigen
werkzaamheden;
5°. afleveren van LPG of
aardgas voor tractie;
6°. opslaan van verpakte
gevaarlijke stoffen, niet zijnde vaste kunstmeststoffen, in
een opslagvoorziening met een opslagcapaciteit van meer dan
10.000 kilogram;
7°. opslaan van vloeibare
gevaarlijke stoffen, vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie
in tanks, tenzij sprake is van:
a. opslaan van vloeibare
brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een
gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 m3,
b. opslaan van diesel,
huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie of afgewerkte olie in
bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke
inhoud van ten hoogste 150 m3,
c. opslaan van diesel,
huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie of afgewerkte olie in
bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van
ten hoogste 15 m3,
d. opslaan van petroleum in een
of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten
hoogste 1,5 m3, of
e. opslaan van vloeibare
kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
8°. opslaan van gassen of
gasmengsels in tanks, tenzij sprake is van de opslag van
propaan waarop het Besluit algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer van toepassing is;
9°. opslaan van dunne mest in
mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750
m2, of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2.500 m3;
10°. beluchten, geforceerd
vergisten of op andere wijze bewerken of verwerken, behoudens
mengen of roeren, van dunne mest in mestbassins;
11°. vullen van gasflessen met
uitzondering van het vullen van gasflessen met propaan of
butaan vanuit een gasfles van maximaal 150 liter van
gasflessen met een inhoud kleiner dan 12 liter en met
uitzondering van het vullen van persluchtflessen door middel
van een compressor;
12°. aflevering van andere
motorbrandstoffen dan LPG of aardgas voor tractie, tenzij dit
plaats vindt voor eigen gebruik;
13°. verrichten in vast
opgestelde voorzieningen en installaties van werkzaamheden met
chemische gewasbeschermingsmiddelen voor derden;
14°. verven van bloemen en
planten; of
15°. composteren van materiaal
of het opslaan van afgedragen gewas of bloembollenafval met
een totaal volume van meer dan 600 m3.
o. kunstmeststoffen worden
opgeslagen behorende tot groep 3 of groep 4 als bedoeld in PGS 7
of meer dan 50 ton kunstmeststoffen behorende tot groep 2 wordt
opgeslagen als bedoeld in PGS 7;
p. een of meer stookinstallaties,
met uitzondering van een smidse, aanwezig zijn, die kunnen worden
gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen
dan aardgas, propaangas, butaangas, gasolie of petroleum, tenzij
sprake is van een open haard of houtkachel voor het verbranden van
hout, die alleen is bedoeld voor sfeerverwarming;
q. windenergie in elektrische
energie wordt omgezet met een of meer windturbines;
r. in de inrichting of een
onderdeel daarvan:
1°. een of meer
stookinstallaties aanwezig zijn met een thermisch vermogen per
installatie van 7.500 kilowatt of meer;
2°. een
warmtekrachtinstallatie aanwezig is met een gezamenlijk
nominaal elektrisch vermogen van 10 megawatt of meer;
s. koel-en vriesinstallaties of
warmtepompen aanwezig zijn met een inhoud per installatie van meer
dan 1.500 kilogram ammoniak of van meer dan 100 kilogram propaan,
butaan of mengsels van propaan of butaan;
t. activiteiten of handelingen
plaatsvinden als bedoeld in categorie 21 van bijlage I, onder C,
bij het Besluit omgevingsrecht.
2. Dit besluit is eveneens niet van
toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, waarvoor
krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport
is vereist.
3. Dit besluit is eveneens niet van
toepassing op een inrichting waarop het Besluit externe veiligheid
inrichtingen van toepassing is.
Artikel 4
1. Dit besluit is niet van toepassing
op een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden die is
opgericht:
a. op of na 1 januari 2002 en
waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of
gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied in de zin van
de Wet ammoniak en veehouderij of in een zone van 250 meter rondom
een zodanig gebied;
b. voor 1 januari 2002 en waarvan
een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of
gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied in de zin van
de Wet ammoniak en veehouderij of in een zone van 250 meter rondom
een zodanig gebied, en waarvan het aantal gehouden
landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën hoger is dan
op 31 december 2001:
1°. overeenkomstig een
algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de
Wet milieubeheer, zoals die op die datum luidde, in de
veehouderij aanwezig mocht zijn, of
2°. ingevolge een vergunning
als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in de
veehouderij aanwezig mocht zijn.
2. Dit besluit is niet van toepassing
op een inrichting als bedoeld inartikel 2 waar landbouwhuisdieren
worden gehouden:
a. die is gelegen op een afstand
van minder dan 100 meter van een object categorie I of II, of
b. die is gelegen op een afstand
van minder dan 50 meter van een object categorie III, IV of V.
3. In afwijking van het tweede lid is
dit besluit van toepassing op:
a. een inrichting die is gelegen op
een afstand van minder dan 100 meter van een object categorie I of
II, of op een afstand van minder dan 50 meter van een object
categorie III, IV of V en die is opgericht voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit, indien:
1°. per diercategorie het
aantal landbouwhuisdieren dat gehouden wordt niet groter is
dan het aantal landbouwhuisdieren van die diercategorie dat op
grond van een vergunning of op grond van het Besluit
melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit
akkerbouwbedrijven milieubeheer of het Besluit landbouw
milieubeheer zoals dat luidde voor 1 oktober 2009 gehouden
mocht worden, en
2°. voor zover de afstand tot
enig object categorie I of II, gelegen op een afstand van
minder dan 100 meter van de inrichting, of tot enig object
categorie III, IV of V, gelegen op een afstand van minder dan
50 meter van de inrichting, niet is afgenomen;
b. een kinderboerderij die is
gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van een object
categorie I of II, of op een afstand van minder dan 50 meter van
een object categorie III, IV of V.
4. De afstanden bedoeld in het tweede
en het derde lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van een object
categorie I, II, III, IV of V tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van
het dierenverblijf.
5. Dit besluit is niet van toepassing
op een inrichting die is opgericht na het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit en:
a. die is gelegen op een afstand
van minder dan 50 meter van een object categorie I of II, of
b. die is gelegen op een afstand
van minder dan 25 meter van een object categorie III, IV of V
6. In afwijking van het vijfde lid is
dit besluit van toepassing op:
a. een inrichting die is gelegen op
een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I of
II, of op een afstand van minder dan 25 meter van een object
categorie III, IV of V, die is opgericht voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit en waarvan de afstand die moet
worden aangehouden op grond van een vergunning of op grond van het
Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit
akkerbouwbedrijven milieubeheer of het Besluit bedekte teelt
milieubeheer tot enig object categorie I of II, gelegen op een
afstand van minder dan 50 meter van de inrichting, of tot enig
object categorie III, IV of V, gelegen op een afstand van minder
dan 25 meter van de inrichting, niet is afgenomen, en
b. een kinderboerderij die is
gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object
categorie I of II, of op een afstand van minder dan 25 meter van
een object categorie III, IV of V.
7. De afstanden bedoeld in het vijfde
en zesde lid, worden gemeten vanaf het onderdeel van het bedrijf dat
het dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een
waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank, in plastic folie
verpakte veevoederbalen als bedoeld in voorschrift 2.3.4 van debijlage
en het erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd.
Artikel 5
1.De voorschriften, bedoeld in de
hoofdstukken 1 tot en met 3 van de bijlagegelden voor degene die de
inrichting drijft. Die draagt er zorg voor dat de voorschriften worden
nageleefd.
2.Indien een voorschrift als bedoeld in
dehoofdstukken 1 tot en met 3 van de bijlage inhoudt dat daarbij
aangegeven middelen ter bescherming van het milieu worden toegepast,
meldt degene die de inrichting drijft en die voornemens is andere
middelen toe te passen, dat voornemen ten minste vier weken voordat
hij die andere middelen zal toepassen aan het bevoegd gezag.
3.Bij de melding worden aan het bevoegd
gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de toe te passen
andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het
milieu wordt bereikt.
4.Het bevoegd gezag beslist of door
toepassing van het andere middel een ten minste gelijkwaardige
bescherming voor het milieu zal worden bereikt.
Artikel 6
1. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
a. de in de bijlage opgenomen
voorschriften voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is
aangegeven, en
b. de aanwezigheid van
brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en
installaties voor gas of elektriciteit uitgezonderd verwarmings-
en stookinstallaties, de veiligheid van de opslag van stoffen, de
gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de
inrichting en de nadelige gevolgen voor het milieu die de
inrichting kan veroorzaken waarop paragraaf 1.9 van de bijlage
betrekking heeft, indien dat is aangewezen in het belang van de
bescherming van het milieu.
2. Maatwerkvoorschriften gelden voor
degene die de inrichting drijft. Die draagt er zorg voor dat de
maatwerkvoorschriften wordt nageleefd.
3. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken indien het
belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
4. Van de beschikking waarbij
maatwerkvoorschriften worden gesteld krachtens dit besluit wordt
kennisgegeven in een of meer dagbladen, nieuwsbladen of
huis-aan-huisbladen.
Artikel 7
1. Degene die voornemens is een
inrichting op te richten, meldt dat ten minste vier weken voor de
oprichting aan het bevoegd gezag.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een
inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Een melding is
niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is
gedaan en door het veranderen geen afwijking ontstaat ten opzichte van
de bij die melding verstrekte gegevens.
3. Bij de melding, bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt vermeld:
a. het adres van de inrichting;
b. de naam en het adres van degene
die de inrichting opricht, verandert of de werking daarvan
verandert en van degene die de inrichting drijft of zal drijven;
c. de aard en omvang van de
activiteiten of processen binnen de inrichting;
d. de indeling en de uitvoering van
de inrichting;
e. de aard, omvang en frequentie
van de transportactiviteiten;
f. de geluidsbronnen en per vast
opgestelde voorziening of installatie de plaats waar deze wordt
opgesteld, de gebruiksfrequentie en het bronvermogen;
g. de plaats waar wordt geladen en
gelost, en
h. het tijdstip waarop de
inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden
gebracht of de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt
zal zijn.
4. Indien aannemelijk is dat het
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau of het piekniveau vanwege de
geluidsbronnen hoger zal zijn dan de waarden, bedoeld in voorschrift
1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van de bijlage, kan het bevoegd gezag
binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een
rapport van een onderzoek naar de akoestische situatie moet worden
overgelegd.
5. Het onderzoek richt zich met
gebruikmaking van geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande
en te verwachten geluidniveaus en op maatregelen en voorzieningen die
ertoe kunnen leiden dat de geluidniveaus de waarden bedoeld in
voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van de bijlage niet zullen
overschrijden.
6. Indien aannemelijk is dat de
geluidniveaus vanwege werkzaamheden en activiteiten een significante
bijdrage leveren aan de totale geluidsbelasting, kan het bevoegd gezag
binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een
rapport van een onderzoek naar de akoestische situatie moet worden
overgelegd. Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van
geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten
geluidniveaus vanwege de werkzaamheden en activiteiten.
7. Indien een toekomstige
bodemverontreiniging als gevolg van de bedrijfsactiviteiten
aannemelijk is, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst
van de melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de
nulsituatie van de bodem moet worden overgelegd. Het onderzoek naar de
nulsituatie richt zich op de stoffen die door de werkzaamheden ter
plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen
waar bodembedreigende handelingen plaatsvinden of zullen plaatsvinden.
8. De gegevens, bedoeld in het derde
lid, behoeven niet te worden verstrekt indien degene die de inrichting
drijft die gegevens reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft en het
bevoegd gezag over die gegevens beschikt. Degene die de melding doet,
geeft bij de melding aan welke van de ingevolge dit artikel over te
leggen gegevens hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft.
9. Indien binnen de inrichting een
bassin voor de opslag van dunne mest aanwezig is waarop de
voorschriften uit het Besluit mestbassins milieubeheer niet van
toepassing zijn, worden bij de melding tevens de volgende gegevens
verstrekt:
a. gegevens waaruit kan worden
afgeleid of omstandigheden als bedoeld in artikel 3, onder n, sub
9 en 10 zich voordoen en gegevens waaruit de noodzaak tot het
stellen van maatwerkvoorschriften kan blijken;
b. een door de installateur van het
bassin verstrekte verklaring waaruit blijkt dat het bassin
overeenkomstig de betreffende voorschriften van de bijlage is
uitgevoerd en welke referentieperioden van toepassing zijn, en
c. gegevens over de wijze van
afdekken van het bassin.
Artikel 8
1. Voor een inrichting die voor het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is opgericht en waarvoor
voor dat tijdstip een vergunning in werking en onherroepelijk was,
blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de
gegevens die behoren bij de aanvraag en de aanvraag voorzover die deel
uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor
opname of omzetting in voorschriften, gedurende drie jaar na het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden als
maatwerkvoorschriften als bedoeld inartikel 6, behoudens wijziging of
intrekking van die maatwerkvoorschriften, mits het voorschrift
betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 6, eerste
lid, onderdeel a.
2. De maatwerkvoorschriften die voor
het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens een
vergunning, het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het
Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor
motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit tuinbouwbedrijven met
bedekte teelt milieubeheer voorzover laatstgenoemd besluit betrekking
heeft op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is
voor de witloftrek of de teelt van eetbare paddestoelen, blijven na
het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden als
maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 6 van dit besluit, mits
het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in
artikel 6, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 9
1.Indien op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit een inrichting reeds was opgericht en
voor die inrichting voor dat tijdstip geen vergunning in werking of
onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens het Besluit
melkrundveehouderijen milieubeheer, het Besluit akkerbouwbedrijven
milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen
milieubeheer of het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt
milieubeheer voorzover laatstgenoemd besluit betrekking heeft op een
inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor de
witloftrek of de teelt van eetbare paddestoelen, meldt degene die de
inrichting drijft aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in
werking heeft.
2.De melding, bedoeld in het eerste
lid, geschiedt ten hoogste twaalf weken na het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 7, derde tot en met het
negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing, indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit een aanvraag om een vergunning voor het oprichten van de
inrichting door het bevoegd gezag in behandeling is genomen. De
aanvraag om de vergunning wordt in dat geval aangemerkt als een
melding als bedoeld inartikel 7.
Artikel 10
1.Met voorzieningen, toestellen en
installaties genoemd in dit besluit of debijlage worden gelijkgesteld
voorzieningen, toestellen en installaties die rechtmatig zijn
vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van
de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel
zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese
Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe
strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die
een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
2.Met een verklaring, keuring of
erkenning als bedoeld in dit besluit of de bijlage wordt gelijkgesteld
een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke
keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel
in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die
partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag
dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van
onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen
wordt nagestreefd.
3.Met de beroepseisen ter zake van
controle, beoordeling, inspectie, onderhoud of afstelling als bedoeld
in dit besluit of de bijlage worden gelijkgesteld beroepseisen die
worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is
bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat
Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt
nagestreefd.
Artikel 11
Indien op grond van een vergunning die in
werking of onherroepelijk was, het Besluit melkrundveehouderijen
milieubeheer, het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, het Besluit
inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit
tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer voorzover laatstgenoemd
besluit betrekking heeft op een inrichting die uitsluitend of in
hoofdzaak bestemd is voor de witloftrek of de teelt van eetbare
paddestoelen, een keuringstermijn niet is verstreken, is de termijn als
bedoeld in dit besluit van toepassing vanaf het tijdstip na afloop van
die keuringstermijn.
Artikel 12
Het Besluit akkerbouwbedrijven
milieubeheer en het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer worden
ingetrokken.
Artikel 13
[Wijzigt het Besluit glastuinbouw]
Artikel 14
[Wijzigt het Besluit mestbassins milieubeheer]
Artikel 15
[Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer]
Artikel 16
Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling
slibvangputten en vetafscheiders mede op voorschrift 1.3.13, onderdelen
b en f, van de bijlage.
Artikel 17
[Wijzigt dit besluit]
Artikel 18
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 19
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit landbouw milieubeheer.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 13 juli 2006
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
De Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
Uitgegeven de vijfde september
2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage behorende bij het Besluit
landbouw milieubeheer
INHOUD
|
Begrippen |
|
|
Voorschriften: |
|
|
1 |
Algemene voorschriften |
|
1.1 |
Geluid en trilling |
|
1.2 |
Energie |
|
1.3 |
Afvalstoffen en afvalwater |
|
1.4 |
Lucht |
|
1.5 |
Assimilatiebelichting en
verlichting |
|
1.6 |
Veiligheid |
|
1.7 |
Waterbesparing |
|
1.8 |
Bodembescherming |
|
1.9 |
Overige voorschriften |
| |
|
|
2 |
Bijzondere voorschriften met
betrekking tot activiteiten die in de inrichting worden verricht |
|
2.1 |
Opslaan van dunne mest; technische
uitvoering |
|
2.2 |
Opslaan van bedrijfsstoffen;
bodembescherming |
|
2.3 |
Opslaan van bedrijfsstoffen;
beperken van geurhinder |
|
2.4 |
Opslaan van bedrijfsstoffen;
overige voorschriften |
|
2.5 |
Opslaan en verwerken van
kunstmeststoffen |
|
2.6 |
Opslaan of overslaan, bewerken en
verwerken van gevaarlijke stoffen, brandbare vloeistoffen,
gewasbeschermingsmiddelen of biociden |
|
2.7 |
Aanmaken en gebruiken
gewasbeschermingsmiddelen of biociden |
|
2.8 |
Ammoniakemissie uit
huisvestingssystemen |
|
2.9 |
Spoelbassins voor bloembollen |
|
2.10 |
Afleverpompen motorbrandstoffen
voor eigen gebruik |
|
2.11 |
Reparatie-en
onderhoudswerkzaamheden |
|
2.12 |
Schoonspuiten van werktuigen of
transportmiddelen |
|
2.13 |
Ontsmetten van gebouwen, stallen of
installaties |
|
2.14 |
Substraatteelt met onderbemaling |
|
2.15 |
Toepassen ammoniak als koudemiddel |
| |
|
|
3 |
Bijzondere voorschriften met
betrekking tot de bedrijfsvoering van de inrichting |
|
3.1 |
Onderhoud en schoonmaak |
|
3.2 |
Controle van installaties, vloeren
en voorzieningen |
|
3.3 |
Bewaren van documenten |
| |
|
|
4 |
Nadere eisen |
|
4.1 |
Geluid en trilling |
|
4.2 |
Afvalstoffen en afvalwater |
|
4.3 |
Lucht |
|
4.4 |
Assimilatiebelichting en
verlichting |
|
4.5 |
Veiligheid |
|
4.6 |
Bodembescherming |
|
4.7 |
Opslaan van bedrijfsstoffen |
|
4.8 |
Gebruik gewasbeschermingsmiddelen
of biociden |
|
4.9 |
Ammoniakemissie uit
dierenverblijven |
A. BEGRIPPEN
In deze bijlage wordt verstaan onder:
algemeen:
– NEN: een door het Nederlands
Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm;
– ten minste gelijkwaardige
instelling: instelling in een lidstaat van de Europese Unie, in een
andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of in een andere staat waarmee de Europese Unie een
wederzijdse erkenningsovereenkomst met betrekking tot het onderwerp,
bedoeld in het voorschrift, heeft afgesloten;
– woning: gebouw of gedeelte van een
gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd.
met betrekking tot geluid:
– geluidgevoelige bestemmingen:
woningen, met uitzondering van de dienst- of bedrijfswoning behorende
bij de inrichting, alsmede andere geluidsgevoelige gebouwen of
geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geluidhinder;
– geluidniveau: niveau van het ter
plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door
de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) opgestelde regels,
zoals neergelegd in de IEC-publicatie nr. 651, uitgave 1979;
– langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau: gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter
plaatse optredende geluid (LAR,LT), gemeten in de loop van een
bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de
«Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999;
– piekniveau: maximaal geluidniveau (LAmax)
gemeten in de meterstand «F» of«fast»;
– referentieniveau: de hoogste waarde
van de niveaus, genoemd in de onderdelen a en b:
a. het geluidniveau, uitgedrukt in
dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de
tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting
zelf, en
b. het optredende equivalente
geluidniveau (LAeq), veroorzaakt door wegverkeersbronnen minus 10
dB, met dien verstande dat voor de nachtperiode van 22.00 tot
06.00 uur alleen wegverkeersbronnen in rekening worden gebracht
met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die
periode;
– etmaalwaarde: de hoogste van de
volgende drie waarden:
– de waarde van het equivalente
geluidsniveau in dB(A) over de periode 06.00–19.00 uur (dag);
– de met 5 dB(A) verhoogde waarde van
het equivalente geluidsniveau in dB(A) over de periode 19.00–22.00
uur (avond);
– de met 10 dB(A) verhoogde waarde
van het equivalente geluidsniveau in dB(A) over de periode 22.00–06.00
uur (nacht);
– equivalent geluidsniveau:
equivalent geluidsniveau als bedoeld in artikel 1 van de Wet
geluidhinder.
met betrekking tot belichting:
– assimilatiebelichting: kunstmatige
belichting van gewassen, gericht op de beïnvloeding van het
groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische
vermogen op enig moment meer bedraagt dan 20 W/m2;
met betrekking tot veiligheid:
brandbare vloeistof: stof als bedoeld
in klasse 3 van het ADR;
gasfles: een verplaatsbare drukhouder
met een waterinhoud van niet meer dan 150 liter;
– PGS 13: Publicatie 13 in de
Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, getiteld «Ammoniak: toepassing
als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen»,uitgave juli
2005;
– PGS 15: Publicatie 15 in de
Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, getiteld «Opslag van verpakte
gevaarlijke stoffen», uitgave juli 2005;
– PGS 30: Publicatie 30 in de
Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, getiteld «Vloeibare
aardolieproducten: buitenopslag in kleine installaties», uitgave juli
2005;
met betrekking tot lozingen:
– bedrijfsriolering: voorziening voor
de afvoer van afvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool
of naar een andere voorziening voor de inzameling en het transport van
afvalwater;
– openbaar riool: voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater, in beheer bij een gemeente
of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
– riolering: bedrijfsriolering of
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
met betrekking tot bescherming van de
bodem:
– BRL: beoordelingsrichtlijn, zijnde
een door een college van deskundigen of een beheercommissie die één
of meer beoordelingsrichtlijnen onder beheer heeft en waarin de bij
certificatie belanghebbende partijen zijn vertegenwoordigd en
beslissingsbevoegdheid hebben, bindend verklaard document dat wordt
gehanteerd als grondslag voor de afgifte en instandhouding van
certificaten;
– CUR/PBV: stichting Civieltechnisch
centrum Uitvoering, Research en regelgeving/Plan Bodembeschermende
Voorzieningen;
– CUR/PBV-aanbeveling 44: aanbeveling
van CUR/PBV getiteld «Beoordeling vloeistofdichtheid van
vloeistofdichte voorzieningen» (vierde herziene uitgave), 2005,
Stichting CUR, Gouda;
– vloeistofdichte vloer: vloer direct
op de bodem, die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met
vloeistof belaste zijde van die vloer kan komen;
– vloeistofdichte voorziening:
fysieke voorziening in of direct op de bodem, niet zijnde een vloer,
die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste
zijde van die voorziening kan komen;
– vloeistofkerende vloer: een vloer
die in staat is vrijgekomen stoffen tijdelijk zo lang te keren dat die
kunnen worden opgeruimd voordat indringing in de bodem kan
plaatsvinden;
– mestdichte vloer: een vloer met een
mestdichtheid overeenkomstig de handleiding bij de bouwtechnische
richtlijnen mestbassins (HBRM 1991), IMAG-DLO/CUR, 1991.
B. VOORSCHRIFTEN
Hoofdstuk 1. Algemene voorschriften
Paragraaf 1.1 Geluid en trilling
1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau, vanwege de vast opgestelde installaties en
toestellen:
a. bedragen de niveaus op de plaatsen en
tijdstippen, genoemd in tabel I, niet meer dan de in die tabel
aangegeven waarden;
Tabel I
|
|
06.00–19.00 uur |
19.00–22.00 uur |
22.00–06.00 uur |
|
langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau op de gevel van een geluidgevoelige bestemming |
45 dB(A) |
40 dB(A) |
35 dB(A) |
| |
|
|
|
|
langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau binnen in- of aanpandige geluidgevoelige
bestemming |
35 dB(A) |
30 dB(A) |
25 dB(A) |
b. gelden de aangegeven waarden niet
binnen een in- of aanpandige geluidgevoelige bestemming indien de
gebruiker van die geluidgevoelige bestemming geen toestemming geeft voor
het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.
Bij het bepalen van de langtijdgemiddeld
beoordelingsniveaus blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van
grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
1.1.2 De waarden van het
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van een geluidgevoelige
bestemming zijn niet van toepassing op inrichtingen die zijn gelegen in
een gebied waarvoor bij of krachtens een gemeentelijke verordening
regels zijn gesteld.
In een dergelijk gebied bedraagt het
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet meer dan de waarden die zijn
opgenomen in die gemeentelijke verordening. De waarden bedragen ten
hoogste 5 dB(A) meer of minder dan de in tabel I opgenomen waarden.
Bij vaststelling van de waarden wordt ten
minste rekening gehouden met het in het gebied heersende
referentieniveau.
1.1.3 Voor het piekniveau vanwege de vast
opgestelde installaties en toestellen, alsmede door de verrichte
werkzaamheden en activiteiten:
a. bedragen de niveaus op de plaatsen en
tijdstippen, genoemd in tabel II, niet meer dan de in die tabel
aangegeven waarden;
Tabel II
|
|
06.00–19.00 uur |
19.00–22.00 uur |
22.00–06.00 uur |
|
Piekniveau op de gevel van een
geluidgevoelige bestemming |
70 dB(A) |
65 dB(A) |
60 dB(A) |
|
Piekniveau binnen in- of aanpandige
geluidgevoelige bestemming |
55 dB(A) |
50 dB(A) |
45 dB(A) |
b. zijn de in de periode tussen 06.00 uur
en 19.00 uur opgenomen piekniveaus niet van toepassing op het laden en
lossen, alsmede op het in en uit de inrichting rijden van
landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid;
c. zijn de in de periode tussen 19.00 uur
en 06.00 uur opgenomen piekniveaus niet van toepassing op het laden en
lossen ten behoeve van de afvoer van tuinbouwprodukten door middel van
groepsvervoer, voorzover dat ten hoogste een keer in de genoemde periode
plaatsvindt;
d. gelden de aangegeven waarden binnen
een in- of aanpandige geluidgevoelige bestemming niet indien de
gebruiker van die geluidgevoelige bestemming geen toestemming geeft voor
het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.
1.1.4 Geluidhinder door grondstomen met
een installatie van derden, wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt.
Degene die de inrichting drijft, treft met het oog daarop maatregelen of
voorzieningen die betrekking hebben op:
a. de periode waarin het grondstomen
plaatsvindt;
b. de locatie waar de installatie
wordt opgesteld, en
c. het aanbrengen van
geluidreducerende voorzieningen binnen de inrichting.
1.1.5 Trillingen, veroorzaakt door de tot
de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de aan de
inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen
in woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan de
trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 2 van de Meet- en
beoordelingsrichtlijn deel B, «Hinder voor personen in gebouwen»,
uitgave 2002 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de
gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet voorzover de gebruiker van
een woning of geluidgevoelige bestemming geen toestemming geeft voor het
in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingsmetingen.
1.1.6 [Vervallen.]
1.1.7 Bij het bepalen van de
geluidniveaus, bedoeld in voorschrift 1.1.1, wordt voor muziekgeluid
geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.
1.1.8 Bij het bepalen van de piekniveaus,
bedoeld in voorschrift 1.1.3, blijft buiten beschouwing het geluid als
gevolg van:
a. het komen en gaan van bezoekers;
b. het verrichten in de open lucht
van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband
staan;
c. bezoekers op een onverwarmd en
onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit
terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
d. bezoekers op het open terrein van
een sportinrichting of recreatie-inrichting.
Paragraaf 1.2 Energie
1.2.1 Indien het energieverbruik binnen
de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50.000 kWh
elektriciteit, 25.000 m3 aardgasequivalenten aan aardgas en andere
brandstoffen, treft degene die de inrichting drijft maatregelen of
voorzieningen die ertoe leiden dat binnen de inrichting een zodanig
zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.
Degene die de inrichting drijft, geeft op verzoek van het bevoegd gezag
aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of
zal treffen.
1.2.2 Binnen een inrichting worden ten
minste die energiebesparingsmaatregelen of
energiebesparingsvoorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.
Paragraaf 1.3 Afvalstoffen en afvalwater
1.3.1 Degene die de inrichting drijft:
a. treft maatregelen of voorzieningen
die het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater binnen de inrichting
voorkomen of zoveel mogelijk beperken, en
b. geeft op verzoek van het bevoegd
gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft
getroffen of zal treffen.
1.3.2 Afvalstoffen worden van elkaar
gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dit
redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Dat geldt in elk geval voor:
a. papier- en kartonafval;
b. glasafval;
c. kunststofafval;
d. land- en tuinbouwfolie;
e. groenafval;
f. houtafval;
g. metaalafval, en
h. substraatmateriaal.
1.3.2a Partijen zand, grond en grind van
onbekende kwaliteit of van verschillende kwaliteit worden gescheiden van
elkaar opgeslagen.
1.3.3 Gevaarlijke afvalstoffen als
bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke
afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van gevaarlijke
afvalstoffen, worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden,
gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.
1.3.4 Afvalstoffen worden niet verbrand.
Afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het
milieu worden voorkomen. Voorzover de nadelige gevolgen niet kunnen
worden voorkomen, worden die maatregelen getroffen waarmee de grootst
mogelijke bescherming tegen die gevolgen wordt geboden en waarbij
gescheiden afgifte mogelijk blijft.
1.3.5 Afvalwater dat:
a. bedrijfsafvalstoffen bevat, die
door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of
vermalen;
b. bedrijfsafvalstoffen bevat,
waarvan kan worden voorkomen dat ze in het afvalwater terecht komen;
c. een gevaarlijke afvalstof is,
waarvan kan worden voorkomen dat die in de riolering terecht komt,
of
d. stankoverlast buiten de inrichting
veroorzaakt,
wordt niet in een riolering gebracht.
1.3.6 Afvalwater dat grove of snel
bezinkende bedrijfsafvalstoffen of meststoffen bevat, wordt niet in een
openbaar riool gebracht.
1.3.7 Afvalwater afkomstig van een
wasplaats voor het wassen van spuitapparatuur of van voertuigen die
gebruikt zijn voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of
biociden, wordt niet in een openbaar riool gebracht.
1.3.8 Afvalwater dat in een openbaar
riool wordt gebracht;
a. belemmert niet de doelmatige
werking:
1°. van dat riool;
2°. van een door een
bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, en
3°. van de apparatuur die
behoort bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch
werk;
b. belemmert niet de verwerking van
slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een
bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, en
c. heeft geen of zo beperkt mogelijke
nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.
1.3.9 Voorschrift 1.3.8 is van
overeenkomstige toepassing op afvalwater dat wordt gebracht in een
andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
1.3.10 Afvalwater afkomstig van een
wasplaats, met uitzondering van een wasplaats als bedoeld in voorschrift
1.3.7, of van een vulplaats van motorbrandstoffen voor motorvoertuigen,
machines of apparatuur, dat:
a. meer dan 20 mg/l aan minerale
oliën in enig steekmonster bevat, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2
uitgave december 2000 of
b. snel bezinkende
bedrijfsafvalstoffen bevat met een korreldiameter van meer dan 0.75
mm, bepaald met een testzeef volgens ISO 3310-1, uitgave juli 1990,
wordt niet in het openbaar riool
gebracht.
1.3.11 In afwijking van voorschrift
1.3.10 kan afvalwater, na behandeling in een slibvangput en
olie-afscheider in een openbaar riool worden gebracht, indien de
concentratie aan minerale oliën na de afscheider niet hoger is dan 200
mg/l in enig steekmonster, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2 uitgave
december 2000.
1.3.12 Aan voorschrift 1.3.8 wordt ten
aanzien van het in een openbaar riool brengen van plantaardige of
dierlijke oliën of vetten in elk geval voldaan, indien:
a. afvalwater afkomstig uit een
ruimte voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van
voedingsmiddelen, voor vermenging met afvalwater afkomstig uit
andere ruimten, door een slibvangput en een vetafscheider is geleid,
of
b. de concentratie aan plantaardige
of dierlijke oliën of vetten in het afvalwater afkomstig uit een
ruimte voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van
voedingsmiddelen, voor vermenging met afvalwater afkomstig uit
andere ruimten, niet hoger is dan 300 mg/liter in enig steekmonster,
bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, uitgave december 2000.
1.3.13
a. Een slibvangput en een
olie-afscheider als bedoeld in voorschrift 1.3.11, voldoen aan en
worden gedimensioneerd, geplaatst, gebruikt en onderhouden
overeenkomstig NEN-EN 858-1, uitgave juni 2002 en december 2004, en
NEN-EN 858-2, uitgave februari 2003.
b. Ten aanzien van de toepassing van
NEN-EN 858-1, uitgave juni 2002 en december 2004, en NEN-EN 858-2,
uitgave februari 2003, bedoeld onder a, kunnen bij ministeriële
regeling voorschriften worden gegeven. Daarbij kunnen van die NEN
afwijkende voorschriften worden vastgesteld.
c. Een slibvangput en een
olie-afscheider voldoen in elk geval aan NEN-EN 858-1, uitgave juni
2002 en december 2004, en NEN-EN 858-2, uitgave februari 2003 en de
onder b bedoelde ministeriële regeling, indien voor deze
voorzieningen een kwaliteitsverklaring is afgegeven door een door de
Raad voor Accreditatie erkende certificeringsinstelling, waaruit
blijkt dat de voorzieningen voldoen aan die NEN en de onder b
bedoelde ministeriële regeling, en die voorzieningen zijn voorzien
van een bij ministeriële regeling aangegeven merkteken.
d. Een slibvangput en een
vetafscheider als bedoeld in voorschrift 1.3.12, onder a, voldoen
aan en worden toegepast volgens NEN-EN 1825-1, uitgave september
2004 en november 2006, en NEN-EN 1825-2, uitgave maart 2002.
e. Ten aanzien van de toepassing van
NEN-EN 1825-1, uitgave september 2004 en november 2006, en NEN-EN
1825-2, uitgave maart 2002 als bedoeld onder d kunnen bij
ministeriële regeling voorschriften worden gegeven. Daarbij kunnen
van die NEN afwijkende voorschriften worden vastgesteld.
f. Een slibvangput en een
vetafscheider voldoen in elk geval aan NEN-EN 1825-1, uitgave
september 2004 en november 2006, en NEN-EN 1825-2, uitgave maart
2002 en de onder b bedoelde ministeriële regeling, indien voor deze
voorzieningen een kwaliteitsverklaring is afgegeven door een door de
Raad voor Accreditatie erkende certificeringsinstelling, waaruit
blijkt dat de voorzieningen voldoen aan die NEN en de onder e
bedoelde ministeriële regeling, en die voorzieningen zijn voorzien
van een bij ministeriële regeling aangegeven merkteken.
g. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf
4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de
aanvraag om een erkenning als bedoeld in de onderdelen c en f.
1.3.14 Afvalwater afkomstig uit een
ruimte als bedoeld in voorschrift 1.3.10 en afvalwater als bedoeld in
voorschrift 1.3.12, onderdeel a, dat niet is geleid door een slibvangput
en een olie- of vetafscheider als bedoeld in dat onderdeel, worden,
alvorens vermenging met afvalwater afkomstig uit andere ruimten
plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening
geleid.
1.3.15 In de vloer van een ruimte waar
minerale olie wordt gebruikt, is geen schrobput aanwezig die in
verbinding staat met een riolering, tenzij tussen schrobput en riolering
een olie-afscheider aanwezig is, die voldoet aan voorschrift 1.3.13.
Paragraaf 1.4 Lucht
1.4.1 [Vervallen.]
1.4.2 Dampen die vrijkomen in een ruimte
waarin anders dan voor personen die wonen of werken in de inrichting
voedingsmiddelen worden bereid, worden zodanig afgezogen dat zij zich
niet binnen de inrichting kunnen verspreiden. De afvoerleiding voor de
dampen is gasdicht uitgevoerd.
1.4.3 De afgezogen dampen, bedoeld in
voorschrift 1.4.2:
a. worden ten minste een meter boven
de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen
gebouwen afgevoerd, of
b. passeren een doelmatige
ontgeuringsinstallatie voor zij naar de buitenlucht worden
afgevoerd.
1.4.4 De dampen die worden afgezogen bij
het bakken in olie of vet, frituren of het grillen, anders dan door een
houtskoolgrill, worden, alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd,
geleid door een verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.
1.4.5 Voorschrift 1.4.3, onderdeel a, is
niet van toepassing indien van de uittredende lucht van een
ventilatiesysteem of luchtbehandelinginstallatie van een ruimte waarin
voedingsmiddelen worden bereid, geen geurhinder kan worden ondervonden.
1.4.6 De voorschriften 1.4.2 en 1.4.3
zijn niet van toepassing indien voor de bereiding van voedingsmiddelen
in de inrichting een elektrische frituurpan aanwezig is met een inhoud
van niet meer dan 4 liter of kookketels aanwezig zijn met een inhoud van
niet meer dan 25 liter.
1.4.7 Onverpakt zand of grond en ander
fijnkorrelig materiaal, dat in een niet afgesloten ruimte is opgeslagen,
wordt op een zodanige wijze opgeslagen, dat zand- of stofverspreiding
wordt voorkomen. Bij het tegengaan van zand- of stofverspreiding wordt
gehandeld dan wel worden maatregelen getroffen in overeenstemming met
paragraaf 3.8.1 van de Nederlandse Emissierichtlijn Lucht.
Paragraaf 1.5 Assimilatiebelichting en
verlichting
1.5.1 De gevel van een permanente opstand
van glas of kunststof waarin assimilatie-belichting wordt toegepast, is
afgeschermd op een zodanige wijze dat de lichtuitstraling op een afstand
van ten hoogste 10 meter van die gevel, met ten minste 95% wordt
gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar
zijn.
1.5.2 Gedurende drie jaren na het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is voorschrift 1.5.1 niet
van toepassing op een permanente opstand van glas of kunststof, waarin
reeds voor dat tijdstip assimilatiebelichting werd toegepast en waar een
afscherming als bedoeld in voorschrift 1.5.1 niet is aangebracht.
1.5.3 Voorschrift 1.5.2 is niet van
toepassing, indien een voorziening of maatregel als bedoeld in
voorschrift 1.5.1 was voorgeschreven in maatwerkvoorschriften of in de
vergunning.
1.5.4 De voorschriften 1.5.1 en 1.5.2
gelden vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van
zonsopgang.
1.5.5 Van 1 september tot 1 mei vindt van
20.00 tot 24.00 uur geen lichtemissie als gevolg van toepassing van
assimilatiebelichting plaats, tenzij de bovenzijde van de permanente
opstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast vanaf het tijdstip
van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang op een zodanige wijze
wordt afgeschermd dat de lichtuitstraling met tenminste 85% en ten
hoogste 95% wordt gereduceerd.
1.5.6 De overige verlichting van gebouwen
en open terreinen van de inrichting of verlichting ten behoeve van
reclamedoeleinden, wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling
op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt
voorkomen.
1.5.7 De verlichting ten behoeve van
sportbeoefening in de open lucht is uitgeschakeld indien er geen sport
wordt beoefend en in ieder geval tussen 23.00 en 07.00 uur.
Paragraaf 1.6 Veiligheid
1.6.1 In ruimten waar brandbare
vloeistoffen worden opgeslagen of gebruikt, is roken en open vuur
verboden. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van
tekst of een symbool. In die ruimten is de elektrische installatie
uitgevoerd in overeenstemming met normen op het gebied van
explosieveiligheid.
1.6.2 Gasflessen voldoen, voor zover het
in gebruik zijnde gasflessen ten behoeve van gastoestellen voor
voedselbereiding, warmwatervoorziening en verwarming betreft, aan
bijlage K van NEN 2920, uitgave 1997.
1.6.3 In de hoofdaanvoerleiding van
(aard)gas is een afsluiter geplaatst. De plaats van de afsluiter is
duidelijk aangegeven en goed bereikbaar. Bij de afsluiter is duidelijk
het doel en de wijze van sluiten aangegeven. Indien de afsluiter wordt
afgesloten met een speciale sleutel, wordt die binnen de inrichting op
een vaste, goed bereikbare plaats bewaard. Dit voorschrift is niet van
toepassing op apparatuur vallend onder het Besluit drukapparatuur.
1.6.4 Acculaders, accu’s,
noodstroomaggregaten en andere installaties waar explosieve gassen
kunnen ontstaan, zijn tijdens het laden respectievelijk in werking zijn,
opgesteld in een goed geventileerde ruimte. In die ruimte is geen
schrobput aanwezig die in verbinding staat met een riolering.
1.6.5 Buiten een stookruimte waarin
verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke
nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, is een goed
bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de
brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de
plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij
de afsluiter is duidelijk het doel en de wijze van sluiten aangegeven.
1.6.6 Het verwisselen van een
LPG-wisselreservoir van een intern transportmiddel of
transporthulpmiddel geschiedt in de buitenlucht.
1.6.7 Een frituurtoestel is thermisch
zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmedium niet boven 200°
C kan oplopen. Nabij een frituurtoestel is voor elke frituurbak een
passend metalen deksel aanwezig waarmee de frituurbakken in geval van
brand worden afgedekt.
1.6.8 Teneinde een begin van brand
doeltreffend te kunnen bestrijden, zijn binnen de inrichting voldoende
mobiele brandblusapparaten aanwezig.
1.6.9 In de inrichting worden uitsluitend
gasflessen gevuld:
a. met een waterinhoud van ten
hoogste 12 liter, en
b. met het gas butaan of propaan.
Het vulstation is ingericht en in gebruik
overeenkomstig de voorschriften opgenomen in paragraaf 8.2.1, 8.2.2 en
8.2.6, 11.1, 12.1 en bijlage III van PGS 23.
Paragraaf 1.7 Waterbesparing
1.7.1 Indien het leidingwaterverbruik
binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 5.000 m3 per
jaar, treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen
die ertoe leiden dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van
water wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is. Degene die de
inrichting drijft, geeft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke
maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.
1.7.2 Binnen een inrichting worden ten
minste die waterbesparingsmaatregelen of waterbesparingsvoorzieningen
uitgevoerd, die rendabel zijn.
Paragraaf 1.8 Bodembescherming
1.8.1 Indien in enig voorschrift in dit
besluit is bepaald dat een vloer vloeistofkerend is uitgevoerd of dat
een vloeistofdichte lekbak wordt toegepast, wordt de vloer of de lekbak
periodiek visueel geïnspecteerd. Voorkomen wordt dat vloeistoffen of
vaste stoffen in de bodem terechtkomen. Daartoe zijn voldoende
hulpmiddelen in de inrichting aanwezig.
1.8.2 Degene die voornemens is de
inrichting of een gedeelte daarvan buiten werking te stellen, meldt dit
voornemen voor het beëindigen aan het bevoegd gezag. In geval van het
buiten werking stellen van de inrichting of een gedeelte daarvan, wordt
een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem uitgevoerd. Het
onderzoek richt zich op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen
hebben plaatsgevonden en op de stoffen die door werkzaamheden ter
plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormden. Binnen vier weken
na het tijdstip van het buiten werking stellen van de inrichting of een
gedeelte daarvan wordt het bevoegd gezag schriftelijk in kennis gesteld
van de resultaten van het onderzoek.
Paragraaf 1.9 Overige voorschriften
1.9 Voorzover de voorschriften van dit
besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende
bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting
kan veroorzaken, worden die gevolgen zoveel mogelijk voorkomen of,
voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.
Hoofdstuk 2. Bijzondere voorschriften met
betrekking tot activiteiten die in de inrichting worden verricht
Paragraaf 2.1 Opslaan van dunne mest;
technische uitvoering
2.1.1a Een mestkelder voor de bewaring
van dunne mest, welke geheel of gedeeltelijk onder een stal is gelegen
en die tot stand is gebracht na het tijdstip van inwerkingtreding van
dit besluit, is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen Mestbassins
1992, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit.
Een mestkelder die tot stand is gebracht
na 1 augustus 1991 en waarop het Besluit melkrundveehouderijen
milieubeheer van toepassing was, is uitgevoerd overeenkomstig de
Bouwtechnische Richtlijnen 1990, uitgegeven door het Ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Een mestkelder die tot stand is gebracht
na 1 april 1994 en waarop het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer
van toepassing was, is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen
Mestbassins 1992, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit.
Een mestkelder waarop geen van de eerder
genoemde richtlijnen van toepassing is, is ten minste mestdicht
uitgevoerd.
2.1.1b Voor zover onder stalvloer geen
mestkelder is gelegen, is de stalvloer ten minste mestdicht uitgevoerd.
2.1.2 Het Besluit mestbassins
milieubeheer met uitzondering van artikel 1, tweede en derde lid, is van
toepassing op een mestbassin dat tot stand is gebracht op of na 1 juni
1987.
2.1.3 De opslag van dunne mest in een
mestbassin dat tot stand is gebracht voor 1 juni 1987, is uitgevoerd
overeenkomstig de voorschriften 1.1.1, 1.1.3, 1.1.4, 1.1.6, 1.8.2,
1.9.2, 1.9.3, 1.9.5, 1.9.6, 1.9.7, 2.1.2, 2.1.3, 2.1.5, 2.2.10, 2.3.5,
2.3.6, 2.3.7, 2.4.2, 2.4.3, 2.5.2, 2.5.3, 2.5.4, 3.7 en 3.9 van de
Bouwtechnische Richtlijnen mestbassins 1987, uitgegeven door het
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en
het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Bij vervanging worden nieuw geplaatste
onderdelen van een mestbassin dat tot stand is gebracht voor 1 juni
1987, uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen mestbassins 1992,
uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit.
2.1.4 Bij het vullen of ledigen van een
bassin of anderszins vindt geen verontreiniging van de bodem of het
oppervlaktewater plaats.
2.1.5 Bij het aan- en afvoeren van dunne
mest wordt de omgeving niet verontreinigd. Transport geschiedt in
gesloten tankwagens of door een gesloten, mestdichte leiding.
2.1.6 Een mestbassin voor de opslag van
dunne mest dat tot stand is gebracht voor 1 juni 1987 en waarbij geen
afdekking is aangebracht, wordt:
a. uitsluitend op of nabij de bodem
van het mestbassin gevuld, en
b. doelmatig, doch niet verder gevuld
dan 0,20 meter onder de rand.
Paragraaf 2.2 Opslaan van
bedrijfsstoffen; bodembescherming
2.2.1 Indien vaste mest, gebruikt
substraatmateriaal, afgedragen gewas of bloembollenafval gedurende een
half jaar of langer wordt opgeslagen, vindt die opslag plaats op een
mestdichte vloer met opstaande randen of een ten minste gelijkwaardige
voorziening. Uitzakkend vocht kan niet in contact treden met de bodem en
het oppervlaktewater en wordt bewaard in een vloeistofdichte
opslagruimte of vloeistofdichte voorziening.
2.2.2 Indien vaste mest, gebruikt
substraatmateriaal, afgedragen gewas of bloembollenafval langer dan twee
weken, maar korter dan een half jaar op een locatie wordt opgeslagen,
vindt de opslag in elk geval plaats:
a. boven een absorberende laag met
een dikte van ten minste 0,15 meter en een organische stofgehalte
van ten minste 25%, en
b. zodanig dat contact met hemelwater
zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Indien de opgeslagen vaste mest, het
gebruikt substraatmateriaal, het afgedragen gewas of het
bloembollenafval wordt verwijderd, wordt de absorberende laag eveneens
verwijderd.
Paragraaf 2.3 Opslaan van
bedrijfsstoffen; beperken van geurhinder
2.3.1 De opslag van vaste mest, gebruikt
substraatmateriaal, afgedragen gewas of bloembollenafval of de locatie
waar plantaardig restmateriaal wordt gecomposteerd, vindt plaats:
a. op ten minste 100 meter van een
object categorie I of II, en
b. op ten minste 50 meter van een
object categorie III, IV of V.
In afwijking van het eerste lid geldt
voor de opslag van vaste mest op kinderboerderijen een afstand van 50
meter. Indien bij een kinderboerderij niet aan de laatstgenoemde afstand
kan worden voldaan wordt de vaste mest opgeslagen in een dichte
container of gelijkwaardige voorziening en wordt de mest ten minste een
keer per twee weken afgevoerd.
2.3.1a Voorschrift 2.3.1 is niet van
toepassing indien de opslag van vaste mest is gelegen binnen de afstand
als bedoeld in dat voorschrift, de opslag reeds voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit in gebruik was en verplaatsing van de
opslag redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Degene die de inrichting drijft:
a. treft maatregelen of voorzieningen
die geurhinder voorkomen of zo veel mogelijk beperken, en
b. geeft op verzoek van het bevoegd
gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft
getroffen of zal treffen.
2.3.2 De opslag van veevoeder in de open
lucht, vindt plaats op ten minste 25 meter afstand van een object
categorie I, II, III, IV of V.
2.3.3 Indien de opslag van veevoeder in
de open lucht, van gras, snijmaïs of de opslag van voederproducten met
een droge stofgehalte lager dan 60%, niet zijnde knol of wortelgewassen
of fruit, op minder dan 50 meter afstand plaatsvindt van een gevoelig
object van categorie I, II, III, IV of V, is de veevoederopslag
afgedekt, behoudens de periode dat veevoeder aan de veevoederopslag
wordt toegevoegd of onttrokken.
2.3.4 De voorschriften 2.3.2 en 2.3.3
zijn niet van toepassing op in plastic folie verpakte veevoederbalen.
2.3.5 Na verwijdering van vaste mest,
gebruikt substraatmateriaal, veevoeder, opgeslagen afgedragen gewas of
bloembollenafval of gecomposteerd plantaardig restmateriaal, worden
restanten direct opgeslagen of van het terrein van de inrichting
afgevoerd.
2.3.6 De opslag van dunne mest vindt
plaats op een afstand van ten minste 50 meter van een object categorie
IV of V en ten minste 100 meter van een object categorie I, II of III.
Indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige
mestbassins minder bedraagt dan 350 m2, bedragen de afstanden, bedoeld
in de eerste volzin, 25 respectievelijk 50 meter.
2.3.7 Voorschrift 2.3.6 is niet van
toepassing indien de opslag van dunne mest is gelegen binnen de afstand
als bedoeld in dat voorschrift en de opslag reeds in gebruik was voor
het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Degene die de inrichting drijft:
a. treft maatregelen of voorzieningen
die geurhinder voorkomen of zoveel mogelijk beperken, en
b. geeft op verzoek van het bevoegd
gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft
getroffen of zal treffen.
2.3.8 De afstanden, genoemd in paragraaf
2.3 worden gemeten vanaf de buitenzijde van een object categorie I, II,
III, IV of V tot het dichtstbijzijnde punt van de opslag respectievelijk
de composteringsplaats.
Paragraaf 2.4 Opslaan van
bedrijfsstoffen; overige voorschriften
2.4.1 De opslag van vaste mest, veevoeder
in de open lucht, gebruikt substraatmateriaal, afgedragen gewas en
bloembollenafval op onverhard oppervlak vindt plaats op ten minste 5
meter vanaf de insteek van het oppervlaktewater.
2.4.2 Plantaardig restmateriaal wordt
gecomposteerd overeenkomstig de «Handreiking composteringsplaats voor
bedrijven met bloembollenteelt 2005», uitgegeven door het Landelijk
Milieuoverleg Bloembollenteelt.
Paragraaf 2.5 Opslaan en verwerken van
kunstmeststoffen
2.5.1 Een tank voor de opslag van
vloeibare (kunst)meststoffen is:
a. van een voldoende stijfheid en
sterkte om het gewicht van de opgeslagen vloeistof te dragen en om
schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of
overvulling te voorkomen;
b. vloeistofdicht;
c. voorzien van een ondersteunende
constructie van onbrandbaar materiaal en van een doelmatige
fundering op plaatsen waar kans op verzakking bestaat;
d. voorzover het de opslag van zure
kunstmeststoffen betreft: voorzien van een ontluchtingsleiding
waarvan de uitmonding zich in de buitenlucht bevindt. De
ontluchtingsleiding verzekert een open verbinding van de tank met de
buitenlucht. Een ontluchtingsleiding van een tank voor de opslag van
zure kunstmeststoffen staat niet in verbinding met een
ontluchtingsleiding van een tank voor de opslag van basische
kunstmeststoffen;
e. voorzover een niveau-aanwijzing of
peilinrichting is aangebracht: zodanig ingericht dat het uitstromen
van vloeistof uit de tank onmogelijk is;
f. in elke aansluiting op een tank
beneden het hoogste vloeistofniveau en in de toevoerleiding naar het
verbruikstoestel, zo dicht mogelijk bij de tankwand, voorzien van
een afsluiter. De afsluiter is zodanig uitgevoerd dat duidelijk
zichtbaar is of die geopend of gesloten is;
g. voorzien van een overstortleiding
met een diameter van 50 millimeter, die uitmondt op 5 centimeter
boven de bodem van de vloer of voorziening, bedoeld in onderdeel h;
h. geplaatst boven een ten minste
vloeistofkerende vloer of een vloeistofdichte lekbak. De
vloeistofkerende vloer of de vloeistofdichte lekbak is voldoende
sterk om weerstand te bieden aan de als gevolg van een lekkage
optredende vloeistofdruk en is bestand tegen de in de tanks
opgeslagen stoffen. De vloeistofkerende vloer vormt samen met
wanden, drempels of opstaande randen een vloeistofkerende
opvangvoorziening. De inhoud van de opvangvoorziening of de lekbak
is ten minste gelijk aan de tankinhoud, indien een tank in die
voorziening is opgesteld. De inhoud van de opvangvoorziening of de
lekbak is ten minste gelijk aan de inhoud van de grootste tank,
vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige tanks,
voorzover twee of meerdere tanks in die voorziening zijn opgesteld.
Een tank voor de bewaring van een zuur is opgesteld in een andere
opvangvoorziening of lekbak dan een tank voor bewaring van een
basische stof;
i. ten hoogste voor 95% gevuld;
j. evenals de vulleiding nabij de
vulopening, voorzien van duidelijk leesbare opschriften met de
chemische naam en handelsnaam van het product dat in de tank is
opgeslagen, de concentratie van dat product en de bijbehorende
gevarensymbolen;
k. voorzien van maatregelen en
voorzieningen waardoor voorkomen wordt dat bij het vullen van een
tank een verkeerde aansluiting wordt gemaakt, waardoor een ander
product in de tank kan geraken dan waarvoor de tank bestemd is;
l. voorzien van vulleidingen die op
afschot liggen, aflopend naar de tank. Indien dat om technische
redenen niet mogelijk is, wordt na het vullen de vulleiding
doorgeblazen. Vulleidingen zijn met een goed sluitende dop of
afsluiter afgesloten, behoudens tijdens het vullen van tanks. Het
vullen of aftappen uit een tank gebeurt zonder morsen. Vulopeningen
zijn tegen mechanische beschadigingen beschermd, en
m. voorzien van leidingen die
bovengronds of in een daartoe speciaal aangelegde goot gelegd zijn.
2.5.2 Bij dosering van kunstmeststoffen
in doseervaten, wordt eerst voorgedoseerd met water, voordat de
kunstmeststoffen worden toegevoegd.
2.5.3 Emballage gevuld met:
a. vloeibare kunstmeststoffen is
geplaatst boven ten minste een vloeistofkerende vloer of in een
vloeistofdichte lekbak. De vloeistofkerende vloer of de
vloeistofdichte lekbak is voldoende sterk om weerstand te bieden aan
de als gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk en is bestand
tegen de in de emballage opgeslagen stoffen. De vloeistofkerende
vloer vormt samen met wanden, drempels of opstaande randen een
vloeistofkerende opvangvoorziening. De inhoud van de
opvangvoorziening of de lekbak is ten minste gelijk aan de inhoud
van het grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de overige
emballage, en
b. een zuur is in een andere
opvangvoorziening of lekbak geplaatst dan emballage gevuld met een
basische stof.
2.5.4 De opslag van nitraathoudende
kunstmeststoffen vindt plaats op een afstand van ten minste 5 meter van
een opslag met brandbare vloeistoffen. Deze afstanden gelden niet indien
de opslagvoorzieningen van elkaar worden gescheiden door een doelmatige
brandwerende constructie met een weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag van ten minste 60 minuten.
2.5.5 Indien in een inrichting meer dan
250 ton kunstmeststoffen behorende tot groep 1.1, 1.2 of 1.3 als bedoeld
in PGS 7 wordt opgeslagen, is de opslagvoorziening bestemd voor de
opslag van deze kunstmeststoffen uitgevoerd overeenkomstig de
voorschriften genoemd in hoofdstuk 4.2 met uitzondering van de
voorschriften 4.2.13 en 4.2.17, hoofdstuk 5.2, hoofdstuk 6.1, paragraaf
7.2.2 met uitzondering van 7.2.9, hoofdstuk 8.1 en de hoofdstukken 9.1
tot en met 9.3. De opslagvoorziening bestemd voor de opslag van
kunstmeststoffen behorende tot groep 1.2 of groep 1.3 voldoet tevens aan
de voorschriften genoemd in hoofdstuk 4.3 en hoofdstuk 8.2 van PGS 7.
2.5.6 Nitraathoudende kunstmeststoffen
zijn bij afwezigheid van toezicht in een afsluitbare ruimte opgeslagen.
Deze ruimte is bij afwezigheid van toezicht met slot of sleutel of op
een vergelijkbare wijze afgesloten.
2.5.7 Bij diefstal van nitraathoudende
kunstmeststoffen doet de drijver van de inrichting zo spoedig mogelijk
aangifte bij de politie.
Paragraaf 2.6 Opslaan of overslaan,
bewerken en verwerken van gevaarlijke stoffen of andere bodembedreigende
stoffen
2.6.1 [Vervallen.]
2.6.2 Opslag van gevaarlijke stoffen en
andere vloeibare bodembedreigende stoffen vindt plaats boven een ten
minste vloeistofkerende vloer of in een vloeistofdichte lekbak.
Werkzaamheden met gevaarlijke stoffen en andere vloeibare
bodembedreigende stoffen vinden plaats boven een vloeistofdichte vloer
of in een vloeistofdichte lekbak.
De vloeistofkerende vloer, de
vloeistofdichte vloer of de vloeistofdichte lekbak is vervaardigd van
onbrandbaar en hittebestendig materiaal en is bestand tegen inwerking
van de in gebruik zijnde stoffen. De vloeistofkerende vloer,
vloeistofdichte vloer of vloeistofdichte lekbak is permanent tegen
inregenen beschermd. De vloeistofkerende vloer vormt samen met wanden,
drempels of opstaande randen een vloeistofkerende opvangvoorziening.
Indien in de opvangvoorziening of lekbak
brandbare vloeistoffen worden opgeslagen, moet de opvangvoorziening of
de lekbak 100% van die vloeistoffen kunnen opvangen.
Indien boven de opvangvoorziening of
lekbak andere gevaarlijke vloeistoffen en andere vloeibare
bodembedreigende stoffen worden opgeslagen, is de inhoud van de
opvangvoorziening of lekbak ten minste gelijk aan de inhoud van het
grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de inhoud van de andere
opgeslagen gevaarlijke vloeistoffen en andere vloeibare bodembedreigende
stoffen.
2.6.3 De verpakking van gevaarlijke
stoffen en andere vloeibare bodembedreigende stoffen is zodanig, dat de
verpakking tegen de normale behandeling bestand is en dat niets van de
inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen.
2.6.4 Gevaarlijke stoffen en gevaarlijke
afvalstoffen in verpakking worden opgeslagen in een opslagvoorziening
die is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften uit de paragrafen 3.1
en 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6, en de voorschriften uit
de paragrafen 3.4, 3.5, 3.7 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1 en de
voorschriften uit paragraaf 3.23 van PGS 15. De vorige volzin is niet
van toepassing op dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een
vlampunt tussen 61°C en 100°C en op niet giftige en niet bijtende
viskeuze oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23°C en
hoger en op accu’s.
De eerste volzin is tevens niet van
toepassing op de werkvoorraad verpakte gevaarlijke stoffen en op de
opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking in hoeveelheden kleiner dan
de in tabel III weergegeven ondergrenzen.
Tabel III
| Stof |
Ondergrens |
|
Brandbare vloeistoffen met een
vlampunt < 23°C |
25 kg of liter |
|
Brandbare vloeistoffen met een
vlampunt tussen 23 en 61°C |
50 kg of liter |
|
Totaal overige gevaarlijke stoffen
met uitzondering van gewasbeschermingsmiddelen en biociden |
250 kg of liter |
|
Gewasbeschermingsmiddelen en
biociden |
400 kg of liter |
2.6.5
In afwijking van voorschrift 2.6.4 worden
gasflessen behorende tot het ADR klasse 2 opgeslagen in een
opslagvoorziening die is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van
paragraaf 3.1 met uitzondering van de voorschriften 3.1.4 en 3.1.5, en
de voorschriften uit paragraaf 3.2 met uitzondering van voorschrift
3.2.1.6, en de voorschriften uit de paragrafen 3.4, 3.7, 3.11, 3.12,
3.15 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1, paragraaf 3.23 en de
voorschriften 6.2.1 tot en met 6.2.16 van PGS 15.
De eerste volzin van dit voorschrift is
niet van toepassing op de werkvoorraad gasflessen, de via een leiding op
een installatie aangesloten gasflessen en indien de totale waterinhoud
van de aanwezige gasflessen niet meer bedraagt dan 125 liter.
Gasflessen als bedoeld in de tweede
volzin voldoen aan de voorschriften 6.2.3, 6.2.9 en 6.2.13 van PGS 15.
2.6.5a In afwijking van voorschrift 2.6.4
worden spuitbussen (UN 1950) en gaspatronen behorende tot het ADR klasse
2 opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd conform de
voorschriften van paragraaf 3.1 met uitzondering van de voorschriften
3.1.4 en 3.1.5, de voorschriften uit paragraaf 3.2 met uitzondering van
voorschrift 3.2.1.6, de voorschriften van de paragrafen 3.4, 3.5, 3.7,
de voorschriften van de paragrafen 3.11 tot en met 3.13 en de
voorschriften uit de paragrafen 3.15 tot en met 3.20, voorschrift
3.21.1, 3.23 en de voorschriften van de paragrafen 7.1 en 7.3 tot en met
7.6 van PGS 15.
2.6.6 Indien in een opslagvoorziening
bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking meer dan
2.500 kg gevaarlijke stoffen, niet zijnde gasflessen behorende tot het
ADR klasse 2, aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de
opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 20
meter. Indien de opslagvoorziening bestemd voor de opslag van
gevaarlijke stoffen in verpakking is uitgevoerd als brandcompartiment of
indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een
brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is, bedraagt deze
afstand ten minste 8 meter. Dit voorschrift is niet van toepassing
indien in de opslagvoorziening geen brandbare gevaarlijke stoffen
aanwezig zijn.
2.6.6a Indien in een in de buitenlucht
gesitueerde opslagvoorziening meer dan 1.000 liter brandbare gassen in
gasflessen gemeten naar de totale waterinhoud aanwezig zijn, bedraagt de
afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van
derden ten minste 15 meter. Deze afstand bedraagt ten minste 7,5 meter
indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een
brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is.
2.6.7 De opslag van accu's vindt plaats
boven een ten minste vloeistofkerende vloer of vloeistofdichte lekbak,
die bestand is tegen het aanwezige electrolyt. Accu's worden rechtop
opgeslagen. De vloeistofkerende vloer of de vloeistofdichte lekbak is
permanent tegen inregenen beschermd.
2.6.8 De opslag in een bovengrondse tank
van huisbrandolie, gasolie en lichte stookolie, voldoet aan richtlijn
PGS 30, waarvan de voorschriften 4.1.2, 4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1
niet gelden voor een bovengrondse tank die is opgericht voor 1 juni
1996.
Een bovengrondse tank die is opgericht
voor 1 juni 1996 waarvan:
a. de eerste ingebruiksdatum onbekend
is, en
b. de tank niet is voorzien van een
mangat, of een inspectieopening van ten minste 0,3 meter,
wordt, in afwijking van de voorschriften
4.5.2 en 4.5.12 van richtlijn PGS 30, uiterlijk 1 juni 2011 buiten
gebruik gesteld.
2.6.9 De opslag van petroleum en
afgewerkte olie in een bovengrondse tank vindt plaats overeenkomstig
voorschrift 2.6.8.
2.6.10 [Vervallen.]
2.6.11 Binnen de inrichting wordt geen
strooizout opgeslagen anders dan onder een overkapping en boven een
vloeistofkerende vloer. Het formaat van de overkapping is zodanig dat de
vloeistofkerende vloer, permanent tegen inregenen is beschermd.
Paragraaf 2.7 Aanmaken en gebruiken
gewasbeschermingsmiddelen of biociden
2.7.1
a. Leidingen die bestemd zijn voor
het transport van gewasbeschermingsmiddelen of biociden of een
oplossing daarvan, zijn bovengronds gelegd.
b. Pompen, vaatwerk en leidingen
bestemd voor het aanmaken en doseren van gewasbeschermingsmiddelen
of biociden, staan niet in rechtstreekse vaste verbinding met een
drinkwaterleiding.
c. Drinkwater dat wordt gebruikt voor
het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of biociden, wordt
uitsluitend door middel van een onderbreektank aan de waterleiding
onttrokken.
d. Mengsels of oplossingen van
gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden aangemaakt in en vanuit
speciaal daarvoor bestemd vaatwerk en het aanmaken vindt plaats
boven een vloeistofdichte vloer of vloeistofdichte lekbak.
e. Tijdens het aanmaken van
gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gemorste droge
gewasbeschermingsmiddelen of biociden terstond droog opgenomen en
gemorste vloeibare gewasbeschermingsmiddelen of biociden terstond
geïmmobiliseerd en in een speciaal daartoe bestemd vat gebracht.
Daartoe zijn voldoende materialen en absorberende middelen voor
onmiddellijk gebruik aanwezig.
2.7.2 Een dompelbad waarin gewerkt wordt
met gewasbeschermingsmiddelen of biociden is opgesteld boven een
vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak. Gedompelde
producten en de tijdens het dompelen gebruikte emballage waar nog
gewasbeschermingsmiddelen of biociden uit kunnen lekken, worden boven
het dompelbad, boven een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte
lekbak bewaard. Een buitenopslag voor gedompelde producten of voor
tijdens het dompelen gebruikte emballage, is tegen inregenen beschermd.
Paragraaf 2.8 Ammoniakemissie uit
dierenverblijven
2.8.1 Indien in een inrichting
landbouwhuisdieren worden gehuisvest van een categorie waarvoor in het
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij een maximale
emissiewaarde is aangegeven, worden voor die landbouwhuisdieren
huisvestingssystemen toegepast die aan dat besluit voldoen.
2.8.2 Degene die de inrichting drijft,
treft de maatregelen en voorzieningen die de doelmatige werking van het
huisvestingssysteem waarborgen, waaronder in elk geval de maatregelen en
voorzieningen die zijn genoemd in de bij het huisvestingssysteem
behorende stalomschrijving.
Paragraaf 2.9 Spoelbassins
2.9.1 Een spoelbassin voor de opvang van
spoelwater dat vrijkomt bij het wassen van in de grond geteelde gewassen
met een spoelmachine, is ontworpen en wordt aangelegd en onderhouden
overeenkomstig de richtlijnen in de Handreiking aanleg, beheer en
monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector, uitgegeven door het
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en
het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
2.9.2 Voor de ingebruikname van een
spoelbassin wordt door een onafhankelijke deskundige een oplevercontrole
uitgevoerd overeenkomstig de handreiking, genoemd in voorschrift 2.9.1.
Eenmaal per vijf jaar, waarbij de perioden tussen de inspecties van een
vergelijkbare tijdsduur zijn, wordt een inspectie op de deugdelijkheid
van het spoelbassin uitgevoerd. Resultaten van een controle of inspectie
worden binnen drie maanden na uitvoering van de controle of inspectie
aan het bevoegd gezag overgelegd.
2.9.3 Bij een spoelbassin met een
hydrologische isolatie, vormt het deel van de bodem dat zich bevindt
tussen het spoelbassin en de drainagebuizen onderdeel van het
spoelbassin.
2.9.4 Een spoelbassin dat is aangelegd
voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt binnen drie
jaar na dat tijdstip in overeenstemming gebracht met de voorschriften
2.9.1 en 2.9.2. Van een dergelijk spoelbassin wordt voor de
ingebruikname als bedoeld in voorschrift 2.9.2 een rapport van een
onderzoek naar de nulsituatie van de bodem aan het bevoegd gezag
overgelegd.
Paragraaf 2.10 Afleverpompen
motorbrandstoffen voor eigen gebruik
2.10.1 Een pomp voor het afleveren van
motorbrandstoffen is:
a. zo geplaatst dat aflevering aan
een voertuig niet kan plaatsvinden binnen 1 meter afstand van een
ondergrondse tank, en
b. zodanig ingericht dat onbedoeld
uitstromen van brandstof wordt voorkomen.
Een pomp voor het afleveren van benzine
of petroleum is in de buitenlucht opgesteld.
2.10.2 De elektrische installatie van een
pomp kan zowel aan de pomp als bij een hoofdschakelaar worden
uitgeschakeld. De schakelstanden zijn duidelijk zichtbaar.
2.10.3 De pompkast van een elektrische
pomp is voldoende geventileerd. De uitsparing in de pompkast waarin de
vulafsluiter van de afleverslang in ruststand wordt geborgen, is
gasdicht van het inwendige van de pompkast afgesloten.
2.10.4 Aflevering van motorbrandstof
vindt niet plaats indien:
a. de motor van het voertuig waaraan
de motorbrandstof wordt afgeleverd, in werking is, en
b. daarbij gerookt wordt of open vuur
of open kunstlicht aanwezig is.
2.10.5 Het afleveren van
motorbrandstoffen met een pomp vindt plaats boven een daartoe bestemde
tankplaats. Die tankplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer of
vloeistofdichte voorziening, die zich vanaf het aflevertoestel uitstrekt
over een afstand van ten minste de lengte van de afleverslang plus 1
meter, met een minimum van 5 meter. Tot dat vloeistofdichte gedeelte
wordt tevens gerekend dat deel waarop het aflevertoestel is geplaatst
tot op een afstand van 1 meter vanaf het aflevertoestel aan de zijde
waar zich geen tankende motorvoertuigen of landbouwwerktuigen kunnen
opstellen. In afwijking van het voorgaande kan met een vloeistofkerende
vloer worden volstaan indien aflevering uitsluitend plaatsvindt aan
voertuigen die niet bestemd zijn voor wegvervoer en die bestemd zijn
voor eigen bedrijfsmatig gebruik, waarbij een jaaromzet van ten hoogste
25.000 liter wordt bereikt.
Paragraaf 2.11 Reparatie- en
onderhoudswerkzaamheden
2.11.1 Motorvoertuigen of
landbouwtractoren of onderdelen van motorvoertuigen of landbouwtractoren
worden indien bodembedreigende vloeistoffen vrij kunnen komen,
onderhouden of gerepareerd boven een vloeistofdichte vloer, een
vloeistofdichte lekbak of een vloeistofkerende vloer. Apparaten of
machines waar met bodembedreigende vloeistoffen wordt gewerkt, zijn
geplaatst in een vloeistofdichte lekbak.
De vloeistofdichte vloer, vloeistofdichte
lekbak of vloeistofkerende vloer is zodanig in omvang gedimensioneerd
dat de bovengenoemde werkzaamheden boven de vloer kunnen plaatsvinden.
2.11.2 Bij het proefdraaien, testen of
keuren van verbrandingsmotoren anders dan in de open lucht, worden de
uitlaatgassen op een zodanige wijze afgevoerd dat voldoende verspreiding
in de omgeving plaatsvindt.
2.11.3 Tijdens het schoonmaken van
remvoeringen worden maatregelen getroffen om verspreiding van stof en
eventuele asbestvezels buiten de inrichting te voorkomen.
2.11.4 Werkzaamheden waarbij vuur wordt
gebruikt, worden niet verricht aan of in de onmiddellijke nabijheid van
een brandstofreservoir of andere delen van een motorvoertuig die
brandstof bevatten. In de werkplaats en in enig ander gebouw van de
inrichting worden geen brandstofreservoirs van motorvoertuigen of
landbouwwerktuigen bijgevuld. De brandstofreservoirs zijn, behoudens
tijdens de aan de reservoirs te verrichten werkzaamheden, goed gesloten.
2.11.5 Een brander van een
hogedrukreiniger is voorzien van een vlambeveiliging.
2.11.6 Een brandstoftank van een
hogedrukreiniger heeft onder normale bedrijfsomstandigheden geen hogere
temperatuur dan 40° C.
2.11.7 Een werkplaats is zodanig
geventileerd dat, ter voorkoming van brand-of explosiegevaar, gassen of
dampen die ontstaan bij lekkage of werkzaamheden, voldoende worden
afgevoerd.
Paragraaf 2.12 Reinigen van werktuigen of
transportmiddelen
2.12 Het reinigen van werktuigen of
transportmiddelen waarbij afvalwater ontstaat, vindt plaats op een
daartoe bestemde wasplaats die ten minste is uitgevoerd als een
vloeistofkerende vloer. Indien met werktuigen of transportmiddelen
gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn vervoerd of verspreid is de
wasplaats voorzien van een vloeistofdichte vloer of vloeistofdichte
voorziening en wordt het afvalwater afgevoerd naar een vloeistofdichte
opvangvoorziening.
Paragraaf 2.13 Ontsmetten van gebouwen,
stallen of installaties
2.13 De verontreinigde waterstroom die
ontstaat bij het ontsmetten met gewasbeschermingsmiddelen of biociden
van gebouwen, huisvestingssystemen of installaties, wordt direct of door
een gesloten leiding of een gesloten bedrijfsriolering naar een
vloeistofdichte opvangvoorziening afgevoerd.
Paragraaf 2.14 Substraatteelt met
onderbemaling
2.14.1 Bij substraatteelt wordt
overtollig gietwater of drainwater niet door middel van een systeem van
onderbemaling gerecirculeerd.
2.14.2 Voorschrift 2.14.1 is niet van
toepassing indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit
bij substraatteelt door middel van een systeem van onderbemaling werd
gerecirculeerd. In een dergelijk geval:
a. vindt recirculatie plaats door
middel van een drainagestelsel met verzamelput en afvoer naar een
centrale opvang waarin het drainwater wordt verwerkt;
b. is een drainagekoker gelegen op
een diepte van niet meer dan 0,25 meter boven de gemiddelde
grondwaterstand en niet meer dan 1,25 meter onder het maaiveld en
c. sijpelt ten hoogste 10% van de
totale hoeveelheid drainwater door naar de bodem.
Binnen een jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit wordt door een door het bevoegd gezag
geaccepteerde deskundige beoordeeld of aan de criteria, genoemd in de
onderdelen a tot en met c, wordt voldaan. Een bewijs van de beoordeling
afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd,
wordt binnen de inrichting bewaard.
Paragraaf 2.15 Toepassing ammoniak als
koudemiddel
2.15 Een koel- of vriesinstallatie of een
warmtepomp, waarbij ammoniak als koudemiddel wordt toegepast, alsmede de
ruimte waarin deze zich bevindt, dienen te voldoen aan de minimale
veiligheidsvoorzieningen in relatie tot de hoeveelheid ammoniak van PGS
13, paragraaf 2.5 en de hieraan gerelateerde functionele en
uitvoeringseisen uit hoofdstuk 4, paragrafen 3.2, 3.3, 3.4.1 tot en met
3.4.5, paragrafen 6.2, 6.3, 7.2 tot en met 7.5 en 8.1 tot en met 8.4 van
PGS 13. Een koel- of vriesinstallatie of een warmtepomp met als
koudemiddel propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan dient
te voldoen aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn 7600, toepassing van
natuurlijke koudemiddelen in koelinstallaties en waterpompen, uitgave
maart 2001.
Hoofdstuk 3. Bijzondere voorschriften met
betrekking tot de bedrijfsvoering van de inrichting
Paragraaf 3.1 Onderhoud en schoonmaak
3.1.1 De inrichting is ordelijk, wordt
regelmatig schoongemaakt en verkeert in goede staat van onderhoud.
Insecten, knaagdieren en ander ongedierte worden regelmatig en ten
minste zo vaak als nodig is, bestreden en verwijderd. Vaste mest in een
buitenrijbak wordt zo vaak als nodig is verwijderd.
3.1.2 Gemorste gevaarlijke stoffen,
(diesel)olie of afgewerkte olie worden direct opgeruimd en zo snel
mogelijk geneutraliseerd of geabsorbeerd.
De aard en de hoeveelheid van de
absorptie- of neutralisatiemiddelen zijn afgestemd op de aard en de
hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen en op
de omvang van de werkzaamheden.
3.1.3 Indien aan emballage lekkage
ontstaat, wordt die lekkage onmiddellijk verholpen. Bij lekkage wordt
voorkomen dat:
a. vloeistoffen of vaste stoffen in
de bodem of het oppervlaktewater terechtkomen,
b. giftige of explosieve gassen of
dampen zich verspreiden, en
c. geurhinder buiten de inrichting
ontstaat.
3.1.4 Binnen de inrichting vrijkomende
afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd.
Paragraaf 3.2 Controle van installaties,
vloeren en voorzieningen
3.2.1 [Vervallen.]
3.2.2 [Vervallen.]
3.2.3 Een olie- of vetafscheider en een
slibvangput waardoor afvalwater wordt geleid:
a. werken doelmatig,
b. zijn te allen tijde voor controle
bereikbaar, en
c. worden zo vaak als voor een goede
werking noodzakelijk is, gereinigd.
3.2.4 Van het ledigen en reinigen van een
olie- of vetafscheider en een slibvangput waardoor afvalwater wordt
geleid, wordt een logboek bijgehouden.
3.2.5 Van een afzuiginstallatie als
bedoeld in voorschrift 1.4.2 wordt:
a. een vetvangend filter zo vaak als
voor een goede werking nodig is, vervangen of schoongemaakt, en
b. een ontgeuringsinstallatie zo vaak
als voor een goede werking nodig is, vervangen of geregenereerd.
3.2.6
1. Een binnen de inrichting als
bodembeschermende voorziening toegepaste vloeistofdichte vloer is
overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit
aangewezen normdocument beoordeeld en goedgekeurd door een
instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat
besluit.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op een vloeistofdichte vloer die niet inspecteerbaar is
als bedoeld in CUR/PBV-aanbeveling 44. Een dergelijke voorziening
wordt eens per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig een
door het bevoegd gezag goedgekeurde wijze. Het vijfde lid is daarop
van overeenkomstige toepassing.
3. De eerste beoordeling en
goedkeuring vindt in afwijking van het eerste lid, plaats binnen zes
jaar na aanleg, indien de vloeistofdichte vloer, bedoeld in het
eerste lid, is aangelegd overeenkomstig het daartoe krachtens het
Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf dat
daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.
4. Een vloeistofdichte vloer wordt
ten minste eens per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd
overeenkomstig het eerste lid.
5. Degene die de inrichting drijft
draagt zorg voor:
a. reparatie en regelmatig
onderhoud van de vloeistofdichte vloer of verharding en
geomembraanbaksysteem overeenkomstig onderdeel A 4 van de
Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige
activiteiten, en
b. een jaarlijkse controle van de
bodembeschermende voorziening overeenkomstig bijlage D behorende
bij CUR/PBV-aanbeveling 44.
6. Een vloeistofdichte vloer of
verharding of een geomembraanbaksysteem wordt opnieuw beoordeeld en
goedgekeurd overeenkomstig het eerste lid, indien de reparatie, het
regelmatig onderhoud of de controle, bedoeld in het vijfde lid, niet
of niet overeenkomstig dat lid is uitgevoerd of indien een tijdens
een controle geconstateerd gebrek niet is gerepareerd.
3.2.6a
1. Voorschrift 3.2.6 is tot en met 30
september 2009 niet van toepassing op vloeistofdichte vloeren die
zijn aangelegd vóór 1 januari 1992.
2. Voorschrift 3.2.6 is tot en met 31
maart 2012 niet van toepassing op vloeistofdichte vloeren die zijn
aangelegd tussen 1 januari 1992 en 1 maart 2006.
3. Voorschrift 3.2.6 is tot en met
twee jaar na de aanleg van de desbetreffende vloeren niet van
toepassing op vloeistofdichte vloeren die zijn aangelegd tussen 1
maart 2006 en een dag na de dag waarop dit artikel in werking
treedt.
3.2.7 Indien gevaarlijke stoffen,
afgewerkte olie of gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, stelt
degene die de inrichting drijft, voorschriften op waarin ten minste
wordt aangegeven wanneer en op welke wijze de opslagplaats, de
emballage, de vloeistofdichte vloer, de vloeistofdichte lekbak of de
vloeistofkerende vloer, worden gecontroleerd op lekkages,
bodembeschermende aspecten en vloeistofdichtheid.
3.2.8 Indien bij werkzaamheden afvalwater
vrij kan komen, stelt degene die de inrichting drijft, voorschriften op
die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu
en een doelmatige afvoer van het afvalwater. Daarbij wordt in elk geval
aangegeven hoe het afvalwater kan worden bemonsterd.
3.2.9 De voorschriften, bedoeld in de
voorschriften 3.2.7 en 3.2.8, zijn binnen een inrichting zodanig
aanwezig dat een ieder daarvan op een eenvoudige wijze kennis kan nemen.
3.2.10 Een foliebassin wordt op
mestdichtheid gecontroleerd door een door de Raad voor Accreditatie voor
die controle geaccrediteerde instelling, het bevoegd gezag of een
onafhankelijke deskundige binnen vijf jaar nadat de folie is aangebracht
en binnen vijf jaar na de laatste controle.
3.2.11 Delen van de bouwconstructie
alsmede de afdekking van een bassin en kruinslab worden voor het
verstrijken van de referentieperiode als bedoeld in de van toepassing
zijnde richtlijnen mestbassins vervangen, tenzij een beoordeling door
een door de Raad voor Accreditatie voor die beoordeling geaccrediteerde
instelling, het bevoegd gezag of een onafhankelijke deskundige uitwijst
dat de referentieperiode kan worden verlengd. In het bewijs van de
beoordeling is de verlengde referentieperiode voor de desbetreffende
onderdelen van de bouwconstructie, afdekking of kruinslab opgenomen.
3.2.12 Met een geaccrediteerde instelling
als bedoeld in de voorschriften 3.2.10 en 3.2.11 wordt gelijkgesteld een
instelling die is geaccrediteerd in een andere lidstaat van de Europese
Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese
Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend
verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten
die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan
het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten
wordt nagestreefd.
3.2.13 Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3.
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om
accreditatie als bedoeld in de voorschriften 3.2.10 en 3.2.11.
Paragraaf 3.3 Bewaren van documenten
3.3.1 Voorzover documenten voor de
inrichting zijn afgegeven of documenten op grond van dit besluit moeten
worden bijgehouden, worden in elk geval de volgende documenten of een
kopie daarvan, gedurende ten minste vijf jaar na dagtekening van die
documenten in de inrichting bewaard:
a. resultaten van geluidsmetingen;
b. het op basis van voorschrift 4.2.1
verrichte onderzoek naar de mogelijkheden tot beperking van het
ontstaan van afvalstoffen;
c. onderhoudscontracten met
betrekking tot in de inrichting aanwezige installaties en
voertuigen;
d. bewijzen van de beoordeling, als
bedoeld in voorschrift 2.14.2;
e. logboek, bedoeld in voorschrift
3.2.4;
f. certificaten of bewijzen van:
1°. de installatie van tanks,
filters en andere voorzieningen;
2°. het periodiek onderhoud of
keuring van in de inrichting aanwezige installaties of
voorzieningen;
3°. de niet-periodieke keuringen
van elektrische of bouwkundige voorzieningen of installaties, en
4°. de beoordelingsbewijzen of
verklaringen, als bedoeld in de voorschriften 3.2.10 en 3.2.11;
g. jaarlijkse overzichten van
nutsbedrijven van het verbruik van gas, elektriciteit en water;
h. veiligheidsinformatiebladen, die
behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;
i. afgiftebewijzen van
bedrijfsafvalstoffen, en
j. [vervallen;]
k. een rapport van een onderzoek, als
bedoeld in artikel 7.
3.3.2. Voorzover zij voor de inrichting
zijn afgegeven, worden de PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening,
het daarbij behorende inspectierapport en de documenten waaruit blijkt
dat de controles, bedoeld in voorschrift 3.2.6, onderdeel f, zijn
uitgevoerd, gedurende zes jaar na dagtekening bewaard.
Hoofdstuk 4. Maatwerkvoorschriften
Paragraaf 4.1 Geluid en trilling
4.1.1 In gevallen waarin de in
voorschrift 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 opgenomen waarden naar het oordeel van
het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan het bevoegd gezag bij
maatwerkvoorschriften waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan
die waarden.
4.1.2 Het bevoegd gezag stelt slechts
hogere waarden als bedoeld in voorschrift 4.1.1, mits binnen
geluidgevoelige bestemmingen die zijn gelegen binnen de akoestische
invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van ten hoogste 35
dB(A) is gewaarborgd. De etmaalwaarde, bedoeld in de eerste volzin,
geldt niet indien de gebruiker van die geluidgevoelige bestemmingen geen
toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren
van geluidmetingen.
4.1.3 Indien binnen een afstand van 50
meter van de inrichting geen geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen,
kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschriften vaststellen op welke
afstand van de inrichting de in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1
bedoelde waarden gelden.
4.1.4 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot voorzieningen die
binnen de inrichting worden aangebracht en gedragsregels die in acht
worden genomen teneinde aan de voorschriften 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3, 4.1.1
en 4.1.3 te voldoen.
4.1.5 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot binnen de inrichting te
treffen maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 1.1.4.
4.1.6 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot geluidniveaus vanwege
werkzaamheden en activiteiten.
Paragraaf 4.2 Afvalstoffen en afvalwater
4.2.1 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
a. het doen van onderzoek naar de
mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten
behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van
afvalstoffen binnen de inrichting, voorzover maatregelen of
voorzieningen onvoldoende bekend zijn, en
b. de ten behoeve van het voorkomen
of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de
inrichting te treffen maatregelen of voorzieningen als bedoeld in
voorschrift 1.3.1.
Een onderzoek als bedoeld in onderdeel a
wordt niet vaker dan eenmaal in de vijf jaar voorgeschreven, tenzij de
omstandigheden in de inrichting zodanig zijn gewijzigd dat dat ter
uitvoering van voorschrift 1.3.1 noodzakelijk is.
4.2.2 Maatwerkvoorschriften als bedoeld
in voorschrift 4.2.1, onder b, betreffen niet de verplichting tot het
treffen van maatregelen of voorzieningen tot het voorkomen of het
beperken van het ontstaan van afvalstoffen, die een terugverdientijd
hebben van meer dan vijf jaar.
4.2.3 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het treffen van
maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het scheiden, gescheiden
houden, gescheiden afgeven en het gescheiden opslaan van afvalstoffen
als bedoeld in de voorschrift 1.3.2 en 1.3.4 en gevaarlijke afvalstoffen
als bedoeld in voorschrift 1.3.3.
4.2.4 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de samenstelling,
eigenschappen of hoeveelheid van afvalwater dat in een openbaar riool
als bedoeld in voorschrift 1.3.8 of in een andere voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in voorschrift
1.3.9, wordt gebracht.
4.2.5 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de regelmatige afvoer
van afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 1.3.4 en de plaats van een
controlevoorziening als bedoeld in voorschrift 1.3.14.
Paragraaf 4.3 Lucht
4.3. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
a. de situering van de uitmonding van
de afvoerleiding voor dampen of de uitmonding van een mechanische
ventilatie indien niet aan voorschrift 1.4.3, onderdeel a, kan
worden voldaan, en
b. de aanwezigheid, de uitvoering en
het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in
voorschrift 1.4.3, onderdeel b.
Paragraaf 4.4 Assimilatiebelichting en
verlichting
4.4 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de wijze van
afscherming, als bedoeld in voorschrift 1.5.1 of 1.5.5.
Paragraaf 4.5 Veiligheid
4.5. Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de plaats en de wijze
van de opslag van gasflessen als bedoeld in voorschrift 1.6.2.
Paragraaf 4.6 Bodembescherming
4.6 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot te treffen
voorzieningen en maatregelen, als bedoeld in de voorschriften 1.8.1,
2.5.1, 2.5.3, 2.6.2, 2.7.1, 2.7.2, 2.11.1, 2.12, en met betrekking tot
in acht te nemen gedragsregels in overeenstemming met het gestelde in de
Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten,
InfoMil, uitgave juli 2003;
Paragraaf 4.7 Opslaan van bedrijfsstoffen
4.7.1 Het bevoegd gezag kan wat betreft
de omvang, het afdekken en de uitvoering van een opslag, en de
frequentie van afvoer maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot
het:
– opslaan van vaste mest,
afgedragen gewas of bloembollenafval als bedoeld in de voorschriften
2.2.1 en 2.2.2;
– composteren van afgedragen gewas
of bloembollenafval als bedoeld in voorschrift 2.4.2;
– opslaan van veevoeder als bedoeld
in de voorschriften 2.3.2 of 2.3.3, en
– opslaan van dunne mest als
bedoeld in voorschrift 2.1.3.
4.7.2 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de maatregelen en
voorzieningen als bedoeld in voorschrift 2.3.1a.
Paragraaf 4.8 Gebruiken
gewasbeschermingsmiddelen of biociden
4.8 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de locatie van de
opstelling van het dompelbad, de gedompelde producten en de emballage
als bedoeld in voorschrift 2.7.2.
Paragraaf 4.9 Ammoniakemissie uit
dierenverblijven
4.9 Het bevoegd gezag kan
maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het treffen van
maatregelen of voorzieningen die de doelmatige werking van het
huisvestingssysteem waarborgen in verband met de beperking van de
ammoniakemissie, als bedoeld in paragraaf 2.8.
|