| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
LOZINGSVOORSCHRIFTEN NIET-INRICHTINGEN MILIEUBEHEER
Tekst zoals deze geldt op
20 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 19 januari 1996, houdende voorschriften
voor het brengen van bedrijfsafvalwater vanuit niet-inrichtingen en
huishoudelijk afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 26 juni 1995, nr. MJZ 26695032, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 11, eerste en tweede lid, van
Richtlijn nr. 91/271/EEG van 21 mei 1992 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG
L 135) en op de artikelen 10.15, derde lid, en 10.16 van de Wet
milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 10
oktober 1995, nr. W08.95.0326);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 17 januari
1996, nr. MJZ 96003541, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
bedrijfsriolering: voorziening voor de afvoer van afvalwater dat niet
afkomstig is uit een inrichting, naar een openbaar riool of een andere
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
openbaar riool: voorziening voor de inzameling en het transport van
afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een
gemeente met het beheer is belast;
riolering: bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater;
wet: Wet milieubeheer.
Artikel 2
Vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 10.30, eerste lid,
van de wet, wordt verleend voor het brengen van afvalwater, anders dan
afvalwater als bedoeld in artikel 10.30, tweede lid, van de wet, in een
andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater
dan een openbaar riool.
Artikel 3
1. De artikelen 4 en 7, eerste en tweede lid, zijn van
toepassing op het, anders dan vanuit een inrichting of een particulier
huishouden, brengen van afvalwater als bedoeld in artikel 10.30,
tweede lid, van de wet in een openbaar riool.
2. De artikelen 4, 5, 7, eerste lid, zijn van toepassing op het,
anders dan vanuit een inrichting of een particulier huishouden, brengen
van afvalwater, niet zijnde afvalwater als bedoeld in het eerste lid, in
een openbaar riool.
3. De artikelen 4, onder a en c, en 7, derde lid, zijn van
toepassing op het, anders dan vanuit een inrichting of een particulier
huishouden, brengen van afvalwater in een andere voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater.
Artikel 4
Afvalwater dat:
a. afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende
apparatuur zijn versneden of vermalen of waarvan kan worden
voorkomen dat ze in het afvalwater terechtkomen,
b. een gevaarlijke afvalstof is, als bedoeld in artikel 1.1,
eerste lid, van de wet, of
c. stankoverlast veroorzaakt,
wordt niet in een riolering gebracht.
Artikel 5
Artikel 4, onder b, is niet van toepassing met betrekking tot
afvalwater ten aanzien waarvan een ontheffing geldt krachtens artikel
10.63, eerste lid, van de wet, voor zover daarin toestemming is verleend
om gevaarlijke afvalstoffen van een daarbij aangegeven aard en
samenstelling in een openbaar riool te brengen.
Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 7
1. Afvalwater wordt overigens slechts in
een openbaar riool gebracht, indien door de samenstelling, eigenschappen
of hoeveelheid ervan:
a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar
riool, een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk,
de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk
behorende apparatuur,
b. de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een
openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd
zuiveringstechnisch werk, en
c. de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater
zoveel mogelijk worden beperkt.
2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met
betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van
afvalwater dat in een openbaar riool wordt gebracht met het oog op de
doelmatige werking, bedoeld in het eerste lid, onder a, de
verwerking, bedoeld in het eerste lid, onder b en de kwaliteit
van het oppervlaktewater, bedoeld in het eerste lid, onder c.
3. Met betrekking tot afvalwater dat wordt gebracht in een andere
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, zijn het
eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
1. Gedurende één jaar vanaf het tijdstip waarop dit besluit
in werking treedt, zijn de voorschriften over bedrijfsafvalwater dat
niet afkomstig is uit een inrichting, die ten gevolge van dit in
werking treden gaan gelden, niet van toepassing voor het in een
openbaar riool brengen van bedrijfsafvalwater, indien daarvoor
onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip voorschriften en beperkingen
golden, gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening die
regels stelt voor het brengen van afvalwater in de gemeentelijke
riolering. De voorschriften of beperkingen gesteld bij of krachtens
een zodanige verordening blijven gedurende die periode van toepassing.
2. Voor gevallen waarin onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip
waarop dit besluit in werking treedt, een vergunning of ontheffing gold
krachtens een gemeentelijke verordening als bedoeld in het eerste lid,
zijn - behoudens eerdere intrekking - de voorschriften over
bedrijfsafvalwater die ten gevolge van het in werking treden van dit
besluit gaan gelden, niet van toepassing gedurende de periode waarvoor
die vergunning of ontheffing was verleend, maar uiterlijk tot 1 maart
2003. Gedurende die periode blijven een zodanige vergunning of
ontheffing alsmede bij of krachtens een zodanige verordening gestelde
voorschriften of beperkingen en het recht dat onmiddellijk voorafgaand
aan dat tijdstip ten aanzien daarvan gold van toepassing.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 10
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit lozingsvoorschriften
niet-inrichtingen milieubeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 19 januari 1996
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Uitgegeven de dertigste januari 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|