|
BESLUIT van 7 oktober 2004, houdende regels met betrekking tot de
afgifte, de ontvangst en het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en
gevaarlijke afvalstoffen (Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en
gevaarlijke afvalstoffen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 april 2004, nr.
MJZ2004039319, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 10.41 tot en met 10.43 en 10.44, derde lid, van
de Wet milieubeheer, artikel 21.8 van de Wet milieubeheer voor zover het
betreft de artikelen 8, 9 en 10, derde lid, en artikel 24 van de Wet
milieugevaarlijke stoffen voor zover het betreft artikel 7;
De Raad van State gehoord (advies van 28 juni 2004, nr.
W08.04.0159/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 oktober
2004, nr. MJZ 2004093834, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet milieubeheer;
b. afvalstoffenlijst: afvalstoffenlijst als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst;
c. afvalstroomnummer: afvalstroomnummer als bedoeld in artikel 9,
eerste lid;
d. meldingsinstantie: instantie als bedoeld in de artikelen
10.38, derde lid, en 10.40, eerste lid, van de wet;
e. route-inzameling: inzameling van bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen volgens een vooraf bepaalde route waarbij
de afvalstoffen tijdens het vervoer worden samengevoegd met
gelijksoortige afvalstoffen die worden afgegeven door verschillende
personen;
f. Raad voor Accreditatie: Stichting Raad voor Accreditatie te
Utrecht;
g. regelmatige afvalstoffen: afvalstoffen die regelmatig tijdens
hetzelfde proces ontstaan en een constante samenstelling hebben;
h. korrelvormige afvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde
monolithische afvalstoffen;
i. monolithische afvalstoffen: afvalstoffen die door menging met
toeslagstoffen of andersoortige bewerkingen zijn omgevormd tot
afvalstoffen met een beperkte uitloging en een duurzame vaste vorm;
j. schone kunststoffen: kunststoffen of mengsels daarvan, mits
deze niet zijn vermengd met andere afvalstoffen en zij
overeenkomstig een specificatie zijn vervaardigd.
§ 2. De ontvangstmelding
Artikel 2
1. De in artikel 10.40, eerste lid, van de wet gestelde
verplichting geldt niet voor andere dan de ingevolge het tweede lid
aangewezen categorieën van gevallen.
2. Als categorieën van gevallen waarvoor de in artikel 10.40,
eerste lid, van de wet gestelde verplichting geldt, worden aangewezen
de categorieën van gevallen waarin:
a. de afgifte geschiedt aan een persoon als bedoeld in artikel
10.37, tweede lid, onder b, aanhef en onder 1°, van de wet die
een inrichting drijft:
1°. als bedoeld in categorie 28.4 van bijlage I, onder C,
bij het Besluit omgevingsrecht, niet zijnde een inrichting
voor:
a. uitsluitend het opslaan, overslaan, verwerken of het
verrichten van een combinatie van deze handelingen met
betrekking tot schone kunststoffen,
b. uitsluitend het opslaan, overslaan, verwerken of het
verrichten van een combinatie van deze handelingen met
betrekking tot banden,
c. uitsluitend een combinatie van de handelingen van het
opslaan, overslaan of verwerken met betrekking tot papier,
textiel, ferro- of non-ferrometalen, schroot, schone
kunststoffen, glas, banden of een combinatie van deze
afvalstoffen,
d. uitsluitend het verrichten van de handelingen: het
opslaan, overslaan, verwerken of een combinatie van deze
handelingen met betrekking tot batterijen en accu’s als
bedoeld in artikel 1, onderdelen a en b, van de Regeling
beheer batterijen en accu’s 2008, producten als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder b, van de Regeling beheer
elektrische en elektronische apparatuur, autowrakken als
bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit beheer
autowrakken, of een combinatie daarvan, of,
e. uitsluitend het verrichten van een combinatie van de
handelingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d;
2°. voor het opslaan van verontreinigde grond, waaronder
begrepen verontreinigde baggerspecie, die van buiten de
inrichting afkomstig is, met een opslagcapaciteit ten aanzien
daarvan van 50 m3 of meer;
3°. voor het overslaan van huishoudelijke afvalstoffen of
bedrijfsafvalstoffen, die van buiten de inrichting afkomstig
zijn, met een opslagcapaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3
of meer;
4°. voor het sorteren van bouw- en sloopafvalstoffen met
een opslagcapaciteit van meer dan 50 m3, of
5°. voor het composteren van groenafval met een
verwerkingscapaciteit van meer dan 50 m3 per jaar, en
b. de afgifte, bedoeld onder a, geen betrekking heeft op
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot
een in bijlage I aangegeven categorie.
3. Een persoon als bedoeld in artikel 10.40, eerste lid, van de wet
voor wie de in dat lid gestelde verplichting ingevolge dit besluit
niet geldt, registreert de in dat lid bedoelde gegevens op een
zodanige wijze dat:
a. controle daarvan door degenen die belast zijn met het
toezicht op de naleving van de wet binnen een redelijke termijn
mogelijk is, en
b. deze gedurende ten minste vijf jaar zijn te raadplegen.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de wijze van registreren.
Artikel 3
1. Aan artikel 10.40, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet
wordt uitvoering gegeven door het melden van de naam en het adres van
degene aan wie met het oog op de desbetreffende afgifte een
afvalstroomnummer is verstrekt.
2. Degene die een melding als bedoeld in artikel 10.40, eerste lid,
van de wet doet, meldt daarbij tevens de van toepassing zijnde code
van de afvalstoffenlijst en het voor de ontvangst van de afvalstoffen
verstrekte afvalstroomnummer.
3. De in artikel 10.40, eerste lid, aanhef en onder d, van de wet
gestelde verplichting geldt niet in de categorieën van gevallen
waarin het betreft de afgifte van:
a. door route-inzameling verkregen afvalstoffen, of
b. door inzameling verkregen afvalstoffen die behoren tot een
door Onze Minister aangewezen categorie.
4. De in artikel 10.40, eerste lid, aanhef en onder f, van de wet
gestelde verplichting geldt niet voor een andere categorie van
gevallen dan die waarin de afgifte geschiedt door tussenkomst van een
ander die opdracht had de afvalstoffen in te zamelen en naar hem te
vervoeren.
5. De melding, bedoeld in artikel 10.40, eerste lid, van de wet
geschiedt:
a. binnen vier weken na afloop van de maand waarin een afgifte
heeft plaatsgevonden, en
b. langs elektronische weg of schriftelijk.
6. Degene die een melding als bedoeld in artikel 10.40, eerste lid,
van de wet doet, bewaart gedurende ten minste vijf jaar de
begeleidingsbrieven of de elektronische versie hiervan.
7. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de ingevolge artikel 10.40, eerste lid, van
de wet en dit besluit te melden gegevens en de wijze waarop de melding
wordt gedaan.
Artikel 4
In de categorieën van gevallen waarin de ingevolge artikel 10.40,
eerste lid, aanhef en onder b of c, voorzover het betreft de
gebruikelijke benaming, en d tot en met f, van de wet en artikel 3 te
melden gegevens reeds aan de meldingsinstantie zijn gemeld en deze
gegevens niet zijn gewijzigd, wordt, zolang het voor de ontvangst van de
afvalstoffen verstrekte afvalstroomnummer niet is vervallen, aan artikel
10.40, eerste lid, van de wet uitvoering gegeven door het melden van het
afvalstroomnummer, het aantal afgiften en de totale hoeveelheid
afvalstoffen die met het afvalstroomnummer in de voorafgaande maand in
ontvangst zijn genomen.
§ 3. De afgiftemelding
Artikel 5
1. De in artikel 10.38, derde lid, van de wet gestelde verplichting
geldt niet voor andere dan de ingevolge het tweede lid aangewezen
categorieën van gevallen.
2. Als categorieën van gevallen waarin de in artikel 10.38, derde
lid, van de wet gestelde verplichting geldt, worden aangewezen de
categorieën van gevallen waarin de afgifte geschiedt door een persoon
als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, aan een persoon als
bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, van de wet, niet
zijnde een persoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, met
dien verstande dat een melding als bedoeld in de artikelen 32 en 42
van het Besluit bodemkwaliteit en artikel 2a van het Besluit gebruik
meststoffen wordt gelijkgesteld met het voldoen aan de in artikel
10.38, derde lid, van de wet gestelde verplichting.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van
inrichtingen worden aangewezen die zijn vrijgesteld van de
verplichting, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 6
1. Aan artikel 10.38, derde lid, van de wet in verbinding met het
eerste lid, onder a, van dat artikel wordt uitvoering gegeven door het
melden van het aantal afgiften dat in de voorafgaande maand heeft
plaatsgevonden.
2. Aan artikel 10.38, derde lid, van de wet in verbinding met het
eerste lid, onder c, van dat artikel wordt, voorzover het betreft de
hoeveelheid, uitvoering gegeven door het melden van de totale
hoeveelheid afvalstoffen waarvan de afgifte in de voorafgaande maand
heeft plaatsgevonden.
3. Degene die een melding als bedoeld in artikel 10.38, derde lid,
van de wet doet, meldt daarbij tevens de van toepassing zijnde code
van de afvalstoffenlijst.
4. Artikel 3, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 7
1. Artikel 10.38, derde lid, van de wet is van overeenkomstige
toepassing in de categorieën van gevallen waarin een persoon als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, zich van stoffen,
preparaten of producten, niet zijnde bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen, ontdoet door afgifte aan een ander persoon
of toepast binnen of buiten de eigen inrichting.
2. In de categorieën van gevallen, bedoeld in het eerste lid, zijn
de artikelen 3, vijfde lid, en 6, eerste tot en met derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
3. Voor zover geen code van de afvalstoffenlijst van toepassing is
wordt aanartikel 6, derde lid, uitvoering gegeven door melding van de
van toepassing zijnde code van de gecombineerde nomenclatuur, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, van verordening nr. 2658/87/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987 met betrekking tot de
tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk
douanetarief (PbEG L 256).
4. Dit artikel berust op artikel 9.2.2.1 van de wet.
§ 4. Het afvalstroomnummer
Artikel 8
1. Degene voor wie de in artikel 10.40, eerste lid, van de wet
gestelde verplichting geldt, verstrekt een afvalstroomnummer:
a. indien de afvalstoffen aan hem worden afgegeven door een
persoon die krachtens artikel 10.45 of 10.48 van de wet bevoegd is
zodanige afvalstoffen in te zamelen en deze rechtstreeks naar hem
vervoert: aan de persoon bij wie de afvalstoffen worden
ingezameld;
b. in andere gevallen: aan degene die zich van de afvalstoffen
ontdoet.
2. De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet voor een
in de aanhef van dat lid bedoelde persoon, in de categorieën van
gevallen waarin het de afgifte van door route-inzameling verkregen
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot een
in bijlage II aangegeven categorie, of de afgifte van door inzameling
verkregen afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder b,
betreft en hij voorafgaand aan de route-inzameling onderscheidenlijk
de inzameling een afvalstroomnummer aan degene die zodanige
afvalstoffen inzamelt, heeft verstrekt.
3. Degene die door een inzameling als bedoeld in het tweede lid
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst neemt en
aan wie met toepassing van het tweede lid een afvalstroomnummer is
verstrekt, deelt dat afvalstroomnummer mede aan degene die zich van de
afvalstoffen ontdoet.
Artikel 9
1. Het afvalstroomnummer bestaat uit:
a. een voor de persoon die de afvalstoffen in ontvangst neemt,
uniek nummer dat aan hem door de meldingsinstantie is verstrekt,
en
b. een nummer dat de persoon die de afvalstoffen in ontvangst
neemt, vaststelt.
2. De meldingsinstantie verstrekt op verzoek van een persoon die
krachtens artikel 2 verplicht is om melding te maken van aan hem
afgegeven afvalstoffen onverwijld een nummer als bedoeld in het eerste
lid, onder a. De meldingsinstantie kan het nummer intrekken als de
persoon ingevolge artikel 2 niet langer verplicht is tot het melden
van de aan hem afgegeven afvalstoffen.
3. Een afvalstroomnummer vervalt indien gedurende vijf jaar geen
melding van de ontvangst van afvalstoffen met gebruikmaking van dat
nummer heeft plaatsgevonden.
§ 5. De verstrekking van een omschrijving van aard, eigenschappen en
samenstelling van afvalstoffen
Artikel 10
1. De in artikel 10.39, eerste lid, onder a, van de wet gestelde
verplichting geldt niet voor de categorieën van gevallen waarin de
afgifte betrekking heeft op bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke
afvalstoffen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder b en niet
geschiedt aan een persoon die een stortplaats als bedoeld in artikel
8.47, eerste lid, onder a, van de wet drijft om die afvalstoffen te
laten storten.
2. Degene die een omschrijving als bedoeld in artikel 10.39, eerste
lid, onder a, van de wet verstrekt, vermeldt daarbij de van toepassing
zijnde code van de afvalstoffenlijst.
3. Een omschrijving die wordt verstrekt in gevallen waarin
korrelvormige afvalstoffen aan een persoon die een stortplaats als
bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder a, van de wet drijft,
worden afgegeven om te worden gestort, bevat tevens:
a. gegevens over de bron en oorsprong van de afvalstoffen;
b. gegevens over het proces waarbij de afvalstoffen zijn
ontstaan, bestaande uit een beschrijving en de kenmerken van
grondstoffen en producten;
c. een beschrijving van de behandeling van de afvalstoffen die
is toegepast of, bij het ontbreken daarvan, een motivering waarom
geen behandeling is toegepast;
d. indien van toepassing: gegevens over het uitlooggedrag van
de afvalstoffen;
e. gegevens over de eigenschappen van de afvalstoffen die
specifiek van belang zijn voor het zo nodig treffen van
aanvullende voorzorgsmaatregelen op de plaats waarop de
afvalstoffen zullen worden gestort;
f. voor zover het gevaarlijke afvalstoffen betreft waarop
artikel 4, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst
van toepassing is, een vermelding van de in het tweede lid van dat
artikel bedoelde eigenschappen die de afvalstoffen bezitten;
g. gegevens over de resultaten van de ter bepaling van de
samenstelling en het uitlooggedrag van de afvalstoffen uitgevoerde
analyse of, bij het ontbreken daarvan, een motivering of gegevens
waaruit blijkt dat er geen verplichting bestaat tot het uitvoeren
van een zodanige analyse.
4. Onverminderd het derde lid bevat een omschrijving die wordt
verstrekt in gevallen waarin korrelvormige, regelmatige afvalstoffen
aan een persoon als bedoeld in dat lid worden afgegeven om te worden
gestort tevens:
a. gegevens over de spreiding in de samenstelling van de
afzonderlijke afvalstoffen;
b. gegevens over de spreiding en variabiliteit van de
specifieke eigenschappen van de afvalstoffen;
c. indien de afvalstoffen tijdens hetzelfde proces in
verschillende installaties ontstaan: het aantal keren dat per
installatie analyses als bedoeld in het derde lid zijn uitgevoerd.
5. Degene die ten behoeve van het verstrekken van een omschrijving
gebruik maakt van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens
omtrent aard, eigenschappen en samenstelling van de afvalstoffen,
bewaart deze gegevens gedurende ten minste vijf jaar na de laatste
afgifte van afvalstoffen waarop die omschrijving betrekking heeft.
6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het verstrekken van een omschrijving.
Artikel 10a
1. Degene die een omschrijving verstrekt in gevallen als bedoeld in
artikel 10, derde lid, draagt er zorg voor dat ter bepaling van de in
de omschrijving op te nemen gegevens over de samenstelling en het
uitlooggedrag van afvalstoffen, monsters van de betrokken afvalstoffen
worden genomen, die monsters worden geanalyseerd en dat daaromtrent
gegevens worden geregistreerd.
2. De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet voor:
a. afvalstoffen die voldoen aan de beschrijving die is
opgenomen in tabel 1.1 van het Besluit stortplaatsen en
stortverboden afvalstoffen;
b. gevaarlijke afvalstoffen die hechtgebonden asbest of door
een bindmiddel gebonden asbest of in kunststof verpakte
asbestvezels bevatten, en die geen andere gevaarlijke stoffen dan
asbest bevatten;
c. niet-gevaarlijke afvalstoffen die worden aangeboden op een
stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen en niet in
eenzelfde cel worden gestort als stabiele, niet-reactieve
gevaarlijke afvalstoffen of gipsafval;
d. afvalstoffen die uitsluitend bestaan uit deeltjes met een
korrelgrootte van meer dan 40 millimeter;
e. afvalstoffen waarvan de uitloogbaarheid en samenstelling
bekend zijn;
f. afvalstoffen ten aanzien waarvan het technisch niet mogelijk
deze te testen of te onderwerpen aan passende testmethoden;
g. afvalstoffen, behorende tot een categorie die krachtens het
vijfde lid, onder b, is aangewezen.
3. De monsterneming, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd
door een persoon of instelling die beschikt over een erkenning als
bedoeld inartikel 12b.
4. De analyse van de monsters wordt uitgevoerd door een persoon of
instelling die beschikt over een bewijs waarmee de Raad voor
Accreditatie of een daaraan gelijkwaardig instituut in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend
of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, kenbaar heeft
gemaakt dat gedurende de periode waarin deze worden uitgevoerd, een
gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de betrokken persoon of
instelling competent is voor het uitvoeren van de analyse
overeenkomstig de krachtens het vijfde lid gestelde regels.
5. Bij regeling van Onze Minister:
a. worden nadere regels gesteld omtrent de monsterneming, de
analyse van monsters en de registratie, bedoeld in het eerste lid;
b. kunnen categorieën van afvalstoffen worden aangewezen die
in ieder geval worden aangemerkt als categorieën van afvalstoffen
waarvan het uitlooggedrag en de samenstelling algemeen bekend zijn
of ten aanzien waarvan het technisch niet mogelijk is deze te
testen of te onderwerpen aan passende testmethoden.
6. Het is verboden te doen handelen in strijd met het derde en
vierde lid.
§ 6. De begeleidingsbrief
Artikel 11
1. De in de artikelen 10.39, eerste lid, onder b, en 10.44, eerste
en tweede lid, van de wet gestelde verplichtingen gelden niet voor het
vervoer van:
a. bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, waarop de
EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van toepassing is,
dat vergezeld gaat van de begeleidende documenten, bedoeld in die
verordening;
b. bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in een
motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;
c. bedrijfsafvalstoffen in een hoeveelheid van niet meer dan
500 kilogram op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de
rijbewijscategorie B;
d. niet-beroepsmatig ingezameld papier of textiel;
e. ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen waarvan kan worden
aangetoond dat deze rechtstreeks worden vervoerd naar een
inrichting waar die afvalstoffen uitsluitend worden overgeslagen;
f. bedrijfsafvalstoffen naar soort en aard vergelijkbaar met
huishoudelijke afvalstoffen waarvan kan worden aangetoond dat deze
rechtstreeks worden vervoerd naar een inrichting waar die
bedrijfsafvalstoffen uitsluitend worden overgeslagen;
g. veegvuil, marktafval, drijfafval en RKG-slib waarvan kan
worden aangetoond dat deze rechtstreeks worden vervoerd naar een
inrichting waar die bedrijfsafvalstoffen uitsluitend worden
overgeslagen.
2. De in artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de wet gestelde
verplichting geldt evenmin in de categorieën van gevallen waarin
afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon die de afvalstoffen door
route-inzameling verkrijgt of door inzameling verkrijgt ingeval de
afvalstoffen behoren tot een krachtens artikel 3, derde lid, onder b,
aangewezen categorie, en het op de afvalstoffen betrekking hebbende
afvalstroomnummer met toepassing van artikel 8, derde lid, aan hem is
verstrekt.
Artikel 12
1.Onverminderd het tweede lid wordt voor de begeleidingsbrief,
bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder b, van de wet gebruik
gemaakt van een bij regeling van Onze Minister vastgesteld formulier
dat voor de daarbij aangegeven categorieën van gevallen verschillend
kan worden vastgesteld.
2.Onze Minister kan toestemming geven om gebruik te maken van een
andere gegevensdrager dan een formulier als bedoeld in het eerste lid.
3.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. Tevens
kunnen daarbij categorieën van gevallen worden aangewezen waarvoor de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet geldt.
§ 6a. Regels inzake de erkenning van personen of instellingen voor
de monsterneming, bedoeld in artikel 10a, derde lid
Artikel 12a
1. In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
accreditatie: het bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie of
een daaraan gelijkwaardig instituut in een andere lidstaat van de
Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de
Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede
daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, kenbaar maakt dat
gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen
bestaat dat de hierin genoemde instelling competent is voor het
certificeren van personen of instellingen voor het uitvoeren van
de monsterneming overeenkomstig de krachtens artikel 10a, vijfde
lid, onder a, gestelde regels;
certificaat: verklaring waarmee een geaccrediteerde
certificeringsinstelling kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde
periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin
genoemde persoon of instelling competent is voor het uitvoeren van
de monsterneming overeenkomstig de krachtens artikel 10a, vijfde
lid, onder a, gestelde regels;
erkenning: beschikking van Onze Minister waarbij wordt
vastgesteld dat een persoon of instelling voor het nemen van
monsters van afvalstoffen voldoet aan de bij of krachtens deze
paragraaf gestelde eisen;
SIKB: Stichting Kwaliteitsborging Infrastructuur Bodembeheer te
Gouda;
vestigingsplaats: adres en woonplaats van een persoon of adres
en woonplaats waar een instelling zetelt.
2. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op monsterneming
die wordt uitgevoerd ter bepaling van de in de omschrijving op te
nemen gegevens over de samenstelling en het uitlooggedrag van
afvalstoffen.
Artikel 12b
1. Onze Minister kan op aanvraag een erkenning verlenen aan een
persoon of een instelling voor het nemen van monsters van
afvalstoffen.
2. De beschikking vermeldt ten minste de naam van de persoon of
instelling, de vestigingsplaats en, indien van toepassing, de naam van
de natuurlijk persoon die voor de erkende persoon of instelling de
monsterneming van afvalstoffen uitvoert.
3. Een erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend.
4. Onze Minister stelt een lijst met erkende personen en
instellingen beschikbaar via een bij regeling van Onze Minister
aangewezen website.
5. Een erkenning is niet overdraagbaar.
Artikel 12c
1. Een aanvraag voor een erkenning wordt door middel van een bij
regeling van Onze Minister vastgesteld formulier, ingediend bij Onze
Minister.
2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens
verstrekt:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. het certificaat voor de monsterneming;
c. de vestigingsplaats van de persoon of instelling;
d. indien van toepassing, de naam en een verklaring omtrent het
gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden, van
de natuurlijk persoon, bedoeld in artikel 12b, tweede lid.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gegevens.
Artikel 12d
1. Onze Minister beslist binnen acht weken na de datum van
ontvangst van de aanvraag.
2. Onze Minister verleent de erkenning geheel of gedeeltelijk
indien de desbetreffende persoon of instelling:
a. niet in staat van faillissement of surseance van betaling
verkeert en
b. heeft voldaan aanartikel 12c, tweede lid.
3. De erkenning wordt gebaseerd op een certificaat.
4. Een erkenning kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien
de desbetreffende persoon of instelling of een bestuurder van deze
persoon of instelling, in de drie jaar voorafgaande aan de aanvraag
een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of
krachtens deze paragraaf of artikel 225 van het Wetboek van
Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt met het nemen van
monsters van afvalstoffen.
Artikel 12e
1. Op verzoek van de erkende persoon of instelling kan de erkenning
worden gewijzigd. Artikel 12b, vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Het verzoek wordt, door middel van een bij regeling van Onze
Minister vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Minister. Artikel
12c, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Onze Minister beslist binnen vier weken na de datum van
ontvangst van het verzoek. Artikel 12d, tweede en vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 12f
1. Met een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel
12c, tweede lid, onder d, wordt gelijkgesteld een verklaring omtrent
het gedrag afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend
of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van
onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten
minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de
nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden, mits die
verklaring niet ouder is dan zes maanden.
2. Met een certificaat wordt gelijkgesteld een certificaat
afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat
van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat
van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede
daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van
onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten
minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de
nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden.
3. Met een erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning of
vergelijkbare beschikking afgegeven door een daartoe bevoegde
instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een
staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is
bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat
Nederland bindt, op basis van voorwaarden die een beschermingsniveau
bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat
met de in artikel 12c, tweede lid, gestelde eisen wordt geboden. De
artikelen 12b, vierde lid, en 12l zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12g
1. Het is verboden monsters van afvalstoffen te nemen zonder
daartoe verleende erkenning.
2. De monsters kunnen worden genomen door een natuurlijk persoon
die staat vermeld op de erkenning.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover
de werkzaamheid wordt uitgevoerd voor het verkrijgen van een
certificaat.
Artikel 12h
Het is een persoon of instelling verboden een resultaat van een
monsterneming van afvalstoffen te gebruiken of aan een ander ter
beschikking te stellen indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen
vermoeden dat dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt
gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen, aard,
hoedanigheid of samenstelling van de afvalstof.
Artikel 12i
De houder van een erkenning meldt onverwijld aan een door Onze
Minister aangewezen instantie zijn door de rechtbank uitgesproken
faillissement of surseance van betaling. De melding geschiedt door
middel van een bij regeling van Onze Minister vastgesteld formulier.
Artikel 12j
Een certificeringsinstelling meldt een schorsing of intrekking van
een certificaat voor de monsterneming onverwijld aan een door Onze
Minister aangewezen instantie. De melding geschiedt door middel van een
bij regeling van Onze Minister vastgesteld formulier.
Artikel 12k
1. Onze Minister kan een erkenning geheel of gedeeltelijk
intrekken:
a. op verzoek van de erkende persoon of instelling,
b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn
verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot
een andere beslissing zou hebben geleid,
c. indien het bewijs van certificatie voor de monsterneming is
ingetrokken of niet meer geldig is,
d. indien de erkende persoon of instelling in staat van
faillissement verkeert of surseance van betaling heeft verkregen,
of
e. indien de erkende persoon of instelling of de natuurlijk
persoon, bedoeld in artikel 12b, tweede lid, een wettelijk
voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of krachtens deze
paragraaf of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, voor
zover de overtreding verband houdt met de monsterneming van
afvalstoffen.
2. Onze Minister kan een erkenning voor een periode van ten hoogste
twee jaar geheel of gedeeltelijk schorsen, indien:
a. het bewijs van certificatie voor de desbetreffende
werkzaamheid is geschorst, of
b. sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid,
onder e.
3. In geval van aanwijzingen dat er sprake is van een overtreding
als bedoeld in het eerste lid, onder e, kan Onze Minister de
desbetreffende persoon of instelling verzoeken binnen een redelijke
termijn een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over te leggen,
die niet ouder is dan twee maanden. Indien de desbetreffende persoon
of instelling niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoet
of kan voldoen, kan Onze Minister de erkenning voor een periode van
ten hoogste twee jaar geheel of gedeeltelijk schorsen.
Artikel 12l
Onze Minister verwerkt de schorsing en intrekking van de erkenning in
de lijst, bedoeld in artikel 12b, vierde lid.
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 13
Indien een melding als bedoeld in artikel 10.38, derde lid, of 10.40,
eerste lid, van de wet betrekking heeft op een afgifte die heeft
plaatsgevonden op of na de inwerkingtreding van dit besluit en vóór de
eerste dag van de maand volgende op die inwerkingtreding, geschiedt, in
afwijking van artikel 6, vierde lid, dan wel artikel 3, vijfde lid,
aanhef en onder a, die melding uiterlijk tien weken na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 15
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit melden bedrijfsafvalstoffen
en gevaarlijke afvalstoffen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 7 oktober 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de zesentwintigste oktober 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage I, behorende bij artikel 2,
tweede lid, onderdeel b
Categorieën van bedrijfsafvalstoffen en
gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld inartikel 2, tweede lid, onderdeel
b
1. afvalstoffen die binnen een
inrichting als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a,
zijn ontstaan en binnen die inrichting nuttig worden toegepast of
worden verwijderd;
2. afvalstoffen die door een persoon
die buiten Nederland is gevestigd en ten aanzien waarvan een
kennisgeving op grond van de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen is gedaan;
3. onbeheerd aangetroffen
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, die door of
vanwege een bestuursorgaan worden opgeruimd;
4. bedrijfsafvalstoffen in een
hoeveelheid van niet meer dan 50 kilogram per afgifte;
5. gevaarlijke afvalstoffen die
worden afgegeven aan een inrichting waarin gevaarlijke afvalstoffen
uitsluitend in een hoeveelheid van niet meer dan 50 kilogram per
afgifte in ontvangst mogen worden genomen;
6. ingezamelde huishoudelijke
afvalstoffen, voor zover zij uitsluitend worden overgeslagen;
7. bedrijfsafvalstoffen naar soort en
aard vergelijkbaar met huishoudelijke afvalstoffen, voor zover zij
uitsluitend worden overgeslagen;
8. veegvuil, marktafval, drijfafval
en RKG-slib, voor zover zij uitsluitend worden overgeslagen.
Bijlage II, behorende bij artikel 8
Categorieën van gevaarlijke afvalstoffen
als bedoeld in artikel 8, tweede lid:
a. scheepsafvalstoffen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder d, van het Besluit inzamelen
afvalstoffen;
b. gevaarlijke afvalstoffen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit inzamelen
afvalstoffen in een hoeveelheid van niet meer dan 50 kilogram per
afgifte;
c. batterijen en accu’s als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel a respectievelijk onderdeel b,
van het Besluit beheer batterijen en accu’s 2008;
d. producten als bedoeld in artikel
1, eerste lid onder b, van de Regeling beheer elektrische en
elektronische apparatuur;
e. autowrakken als bedoeld in artikel
1, onder b, van het Besluit beheer autowrakken.
|