|
BESLUIT van 4 juli 1994, houdende uitvoering van het
hoofdstuk Milieu-effectrapportage van de Wet milieubeheer
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, gedaan mede namens de Staatssecretaris van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 13 mei 1993, nr. MJZ13593014,
Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Gelet op het op 25 februari 1991 te Espoo tot
stand gekomen Verdrag inzake milieu-effectrapportage in
grensoverschrijdend verband met aanhangsel (Trb. 1991, 104 en
174);
Gelet op Richtlijn nr. 85/337/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende
milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten
(PbEG L 175/40);
Gelet op artikel II van de Wet van 23 april
1986, houdende uitbreiding van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne
(Regelen met betrekking tot milieu-effectrapportage), en de artikelen
7.2, 7.4, 7.5, achtste lid, 7.8e en 7.35, vierde lid, van de Wet
milieubeheer;
Gezien de adviezen van de Raad voor het
milieubeheer (25 november 1992, kenmerk ABJ-92/1108), de
Natuurbeschermingsraad (9 november 1992, kenmerk 92814), en de Raad van
advies voor de ruimtelijke ordening (27 november 1992, kenmerk CL/362);
De Raad van State gehoord (advies van 28 maart
1994, nr. W08.93 0297);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, uitgebracht mede
namens de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van
24 juni 1994, nr. MJZ 24694038, Centrale Directie Juridische Zaken,
afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
de wet: de Wet milieubeheer;
de bijlage: de bij dit besluit behorende bijlage.
Hoofdstuk 2. Activiteiten, plannen en besluiten ten aanzien waarvan
het maken van een milieueffectrapport verplicht is of ten aanzien
waarvan de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet moeten worden
toegepast
Artikel 2
1. Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder
a, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een
categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven, met
uitzondering van activiteiten die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen
voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en
die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.
2. Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder
b, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een
categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven, alsmede
activiteiten die in onderdeel C van de bijlage zijn omschreven en die
uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven
van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar
worden gebruikt.
Indien een activiteit behoort tot een categorie van activiteiten
die zowel in onderdeel C als in onderdeel D van de bijlage omschreven
is en zij tevens voldoet aan de in de daarbij aangegeven categorieën
van gevallen genoemde criteria, behoort zij tot de in onderdeel C
omschreven categorie van activiteiten.
3. Als categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7.2, tweede
lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 3 van
onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn
omschreven, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit
dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van het
vierde lid, en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als
categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid.
4. Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, derde
en vierde lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in
kolom 4 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage
zijn omschreven.
5. Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van
activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de
verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in zodanige
gevallen. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van
activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de
verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19
van de wet:
a. in zodanige gevallen en
b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als
bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn
milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de
activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan
hebben. Hiervan zijn uitgezonderd de categorieën D 49.1, D 49.2
en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit.
6. Voor de vaststelling of een activiteit valt binnen de in het
vijfde lid bedoelde categorieën van gevallen, wordt de totale
activiteit beschouwd, inclusief eventuele grensoverschrijdende
onderdelen.
Artikel 3
Dit besluit is in afwijking van artikel 2 niet van toepassing op
activiteiten, plannen of onderdelen van plannen en besluiten die
uitsluitend defensiedoeleinden betreffen.
Hoofdstuk 3 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 4 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 5 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 6 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2010]
Hoofdstuk 4. Aanwijzing van besluiten waarop artikel 7.35, derde lid,
van de wet van toepassing is
Artikel 8
In gevallen waarin achter een activiteit onder de
categorie-omschrijving in de onderdelen C en D van de bijlage meer dan
één besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn, als besluit is vermeld,
bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden
gemaakt, en tot die besluiten behoort:
a. de beslissing omtrent het verlenen van de vergunning, bedoeld
in de artikelen 15 en 29 van de Kernenergiewet,
b. de beslissing omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning
voor een inrichting,
c. de beslissing omtrent het verlenen van de vergunning, bedoeld
in artikel 6.2 van de Waterwet,
is artikel 7.35, derde lid, van de wet bij uitsluiting van toepassing
op de eerste van de onder a tot en met c genoemde beslissingen die in
het desbetreffende geval nodig is.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 9 [Vervallen per 06-07-1999]
Artikel 10 [Vervallen per 06-07-1999]
Artikel 11 [Vervallen per 06-07-1999]
Artikel 12 [Vervallen per 06-07-1999]
Artikel 13
Een verzoek als bedoeld in artikel 5, eerste of tweede lid, van het
Besluit milieu-effectrapportage dat is ingediend voor het tijdstip
waarop dit besluit in werking treedt, wordt gelijkgesteld met een
verzoek dat wordt ingediend op grond van artikel 5, eerste of tweede
lid, van dit besluit.
Artikel 14 [Vervallen per 06-07-1999]
Artikel 15
Het Besluit milieu-effectrapportage wordt ingetrokken.
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1994.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit milieueffectrapportage.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
Reykjavik, 4 juli 1994
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.G.M. Alders
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij,
J.D. Gabor
Uitgegeven de zesentwintigste juli 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
Bijlage behorende bij het Besluit
milieu-effectrapportage 1994
Onderdeel A. Begripsbepaling
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
autoweg:
a. een voor autoverkeer bestemde weg
die alleen toegankelijk is via knooppunten of door verkeerslichten
geregelde kruispunten en waarop het is verboden te stoppen en te
parkeren, of
b. een weg als bedoeld in artikel 1,
onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
binnenvaarweg: binnenwater welke kan
worden bevaren door schepen;
installatie: een of meer installaties
binnen een inrichting voor zover het de activiteit betreft als bedoeld
in kolom 1 van de onderdelen C en D;
plan als bedoeld in artikel 3.1 van de
Wet ruimtelijke ordening:
een plan als bedoeld in artikel 3.1,
eerste lid, en artikel 3.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
met uitzondering van een plan dat zijn grondslag vindt in een
omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12,
eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, en met inbegrip van:
a. een inpassingsplan als bedoeld in
de artikelen 3.26 en 3.28 van die wet, met uitzondering van een plan
dat zijn grondslag vindt in een omgevingsvergunning die is verleend
met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
b. een rijksbestemmingsplan als
bedoeld in artikel 10.3, eerste lid, van die wet;
c. een beheersverordening als bedoeld
in artikel 3.38 van die wet;
d. voor zover het plan wordt genoemd
in kolom 3 van de onderdelen C onderscheidenlijk D:
1° een aanwijzing als bedoeld in
artikel 4.2, eerste lid, van die wet, tenzij die volgt uit een
aanwijzing ingevolge artikel 4.4, eerste lid, onder c, van die
wet, welke een concrete locatie aanwijst, waarvan niet kan
worden afgeweken,
2° een aanwijzing als bedoeld in
artikel 4.4, eerste lid, onder a, van die wet, en
3° een aanwijzing als bedoeld in
artikel 4.4, eerste lid, onder c, van die wet, voor zover deze
een concrete locatie aanwijst, waarvan niet kan worden
afgeweken;
e. voor zover het plan wordt genoemd
in kolom 4 van de onderdelen C onderscheidenlijk D: een
omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12,
eerste lid, onder a, onder 3°, of het tweede lid van dat artikel
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
gevoelig gebied:
a. een gebied dat krachtens:
1°. artikel 10, eerste lid, of
12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is aangewezen
als een beschermd natuurmonument;
2°. artikel 10a, eerste lid, van
de Natuurbeschermingswet 1998 is aangewezen als een gebied ter
uitvoering van richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van
de vogelstand (PbEG L 103) enrichtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de
instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en
fauna (PbEG L 206);
3°. de op 2 februari 1971 te
Ramsar tot stand gekomen Overeenkomst inzake watergebieden van
internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats
voor watervogels (Trb. 1975, 84), is aangemeld als watergebied
van internationale betekenis;
b. een kerngebied, begrensd
natuurontwikkelingsgebied of begrensde verbindingszone, dat deel
uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur, zoals die structuur is
vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken
daarvan, in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2
van de Wet ruimtelijke ordening, of, bij het ontbreken daarvan,
zoals die structuur voorkomt op de kaart Ecologische Hoofdstructuur,
behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte (LNV-kenmerk
GRR-95194);
c. een gebied met behoud en herstel
van de bestaande landschapskwaliteit, zoals dat gebied is vastgelegd
in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een
geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet
ruimtelijke ordening, of, bij het ontbreken daarvan, zoals dat
gebied voorkomt op de kaart Landschap, behorend bij deel 4 van het
Structuurschema Groene Ruimte;
d. een krachtens artikel 1.2, tweede
lid, onder a, van de wet bij provinciale verordening aangewezen
gebied met uitzondering van de zones waar het met het oog op de
bescherming van het diepe grondwater is verboden te boren;
e. een gebied dat krachtens artikel
3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd
monument;
f. een Belvedere-gebied als bedoeld
in de bijlage «Gebieden» bij de nota«Belvedere, beleidsnota over
de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting»
(Kamerstukken II 1998/99, 26 663, nr. 2) voorzover dat is vastgelegd
in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet
ruimtelijke ordening of geldend bestemmingsplan;
bufferzone: een zone die voorkomt op een
PKB-Bufferzonekaart, behorend bij de Planologische Kernbeslissing
Nationaal Ruimtelijk Beleid;
weidevogelgebied: een weidevogelgebied
dat voorkomt op de kaart Belangrijke gebieden voor weidevogels, behorend
bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte;
primaire waterkering: hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 1.1 van de Waterwet;
dam: een in een oppervlaktewaterlichaam
gelegen primaire waterkering;
stormvloedkering: een in een
oppervlaktewaterlichaam gelegen waterstaatkundig werk, dat bij hoge
waterstanden gesloten is of wordt en dan fungeert als een primaire
waterkering;
zee- of deltadijk: de Afsluitdijk alsmede
een primaire waterkering:
a. langs of in de Zeeuwse
rijkswateren;
b. langs de kust van de provincies
Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Friesland of Groningen;
c. langs of in het Grevelingenmeer,
Krammer-Volkerak, Hollandsch Diep of Haringvliet;
d. in het benedenrivierengebied, voor
zover niet genoemd in onderdeel a van de definitie van een
«rivierdijk»;
e. langs de Waddeneilanden;
rivierdijk:
a. een primaire waterkering in het
benedenrivierengebied langs of in de Hollandsche IJssel, de Lek, de
Boven Merwede, de Beneden Merwede, de Nieuwe Merwede, de Biesbosch,
het Steurgat, de Bergsche Maas, de Amer, de Noord, de Dordtse Kil,
het Wantij, de Oude Maas, de Nieuwe Maas of het Spui;
b. een andere dan in onderdeel a
genoemde primaire waterkering, met uitzondering van zee- of
deltadijken;
stroomgebied: het stroomgebied van de
Eems, Rijn, Maas of Schelde;
oppervlaktedelfstof: een delfstof die
voorkomt in de bodem en die kan worden gewonnen zonder ondergrondse
mijnbouw;
continentaal plat: hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 1, onderdeel c, van de Mijnbouwwet;
windturbinepark: park bestaande uit ten
minste drie windturbines.
2. In deze bijlage wordt mede verstaan
onder:
wijziging: een reconstructie of
verandering anderszins van aangelegde werken, ingerichte gebieden of
bestaande inrichtingen;
uitbreiding: het opnieuw in gebruik nemen
van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichtingen;
oprichting van een inrichting: een
uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe
installatie;
capaciteit: een redelijkerwijs binnen
afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de capaciteit;
oppervlakte: een redelijkerwijs binnen
afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de oppervlakte.
Onderdeel B
[Vervallen.]
Onderdeel C. Activiteiten, plannen en
besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage
verplicht is
| |
Kolom 1 |
Kolom 2 |
Kolom 3 |
Kolom 4 |
| |
Activiteiten |
Gevallen |
Plannen |
Besluiten |
|
C 1.1 |
|
|
|
|
|
C 1.2 |
De aanleg van een autosnelweg of
autoweg. |
|
Het plan, bedoeld in de artikelen 5
en 8 j° 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, de
structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet
ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1,
eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het tracé op
grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de
Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel het plan, bedoeld in
artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke
ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld
in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
C 1.3 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, of verlegging
of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder
tot wegen met vier of meer rijstroken niet zijnde een autosnelweg
of autoweg. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 10 kilometer
of meer. |
Het plan, bedoeld in de artikelen 5
en 8 j° 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, de
structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 en 2.3 van de
Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1,
eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het tracé op
grond van de Tracéwet door de Minister van Infrastructuur en
Milieu, dan wel het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het
ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste
lid, van die wet. |
|
C 1.4 |
|
|
|
|
|
C 1.5 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 2 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een spoorweg voor spoorverkeer over lange afstand. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid,3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het tracé op
grond van de Tracéwet door de Minister van Infrastructuur en
Milieu dan wel het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het
ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste
lid, van die wet. |
|
C 2.2 |
|
|
|
|
|
C 2.3 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 3 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een binnenvaarweg. |
In gevallen waarin:
a. de aanleg betrekking heeft op
een binnenvaarweg die kan worden bevaren door schepen met een
laadvermogen van meer dan 1.350 ton of
b. de wijziging of uitbreiding
betrekking heeft op:
1°. een vergroting van het
ruimte-oppervlak met 20% of meer van een binnenvaarweg die kan
worden bevaren door schepen met een laadvermogen van meer dan
1.350 ton, |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het tracé door
de Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel bij het ontbreken
daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het
ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste
lid, van die wet. |
| |
|
2°. een structurele verdieping
waarbij meer dan 5 miljoen m3grond wordt verzet, of |
|
|
| |
|
3°. een verlegging van het
zomerbed over een oppervlakte van 50 hectare of meer. |
|
|
|
C 3.2 |
|
|
|
|
|
C 3.3 |
|
|
|
|
|
C 3.4 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 4 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van:
a. een haven voor de
binnenscheepvaart,
b. een zeehandelshaven, of
c. een met het land verbonden en
buiten een haven gelegen pier voor lossen en laden, met
uitzondering van pieren voor veerboten. |
In gevallen waarin:
a. de aanleg betrekking heeft op:
1°. een haven die bevaarbaar is
voor schepen met een laadvermogen van 1.350 ton of meer, of
2°. een pier die schepen kan
ontvangen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton of
b. de wijziging of uitbreiding
betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
C 4.2 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 5.1 t/m C 5.4 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 6.1 |
De aanleg, de inrichting of het
gebruik van een luchthaven als bedoeld in de Wet luchtvaart. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een luchthaven die de beschikking krijgt over
een start- of landingsbaan met een lengte van 2.100 meter of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening. |
Ten aanzien van de luchthaven
Schiphol een luchthavenindelingbesluit of een
luchthavenverkeerbesluit als bedoeld in respectievelijk de
artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart.
Ten aanzien van een andere
luchthaven een luchthavenbesluit als bedoeld in de Wet luchtvaart. |
|
C 6.2 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 7 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 8.1 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een buisleiding voor het transport van gas, olie, chemicaliën
of voor het transport van kooldioxide (CO2) stromen ten behoeve
van geologische opslag, inclusief de desbetreffende pompstations. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een buisleiding met een diameter van meer dan
80 centimeter en een lengte van meer dan 40 kilometer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in de
artikelen 94, eerste lid, en 95 van het Mijnbouwbesluit dan wel,
bij het ontbreken daarvan, het plan, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan
wel bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 3.1,
eerste lid, van die wet. |
|
C 8.2 |
De oprichting van opslaglocaties
overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en
de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van
kooldioxide (PbEG L 140). |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van
toepassing zijn. |
|
C 8.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie voor het afvangen van CO2-stromen
met het oog op geologische opslag overeenkomstig Richtlijn
2009/31/EG (PbEG L 140). |
Indien de CO2-stromen afkomstig
zijn van onder onderdeel C van deze bijlage vallende installaties,
of wanneer de totale jaarlijkse afvang van CO2 1,5 megaton of meer
bedraagt. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van
toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 9 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 10.1 t/m 10.3 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 11.1 t/m 11.4 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 12.1, 12.2 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 13 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 14 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden
van pluimvee of varkens. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op meer dan:
1°. 85.000 stuks mesthoenders
(Rav1 cat. E 3 t/m 5),
2°. 60.000 stuks hennen (Rav cat.
E 1 en E2),
3°. 3.000 stuks mestvarkens (Rav
cat. D3) of
4°. 900 stuks zeugen (Rav cat. D
1.2 en D 1.3). |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het
inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting
landelijk gebied, het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11 van
de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in
artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 15.1 |
De infiltratie van water in de
bodem of onttrekking van grondwater aan de bodem alsmede de
wijziging of uitbreiding van bestaande infiltraties en
onttrekkingen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een hoeveelheid water van 10 miljoen m3 of
meer per jaar. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b,van die wet en het plan, bedoeld in de artikelen
4.1 en 4.4 van de Waterwet. |
Het besluit, bedoeld in de
artikelen 6.4 of 6.5, aanhef en onderdeel b, van de Waterwet, dan
wel het besluit tot vergunningverlening bedoeld in een verordening
van een waterschap. |
|
C 15.2 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een stuwdam of andere installatie voor het stuwen of permanent
opslaan van water. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een stuwdam of andere installatie met een
capaciteit van meer dan 10 miljoen m3. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, van die wet en het
plan, bedoeld in de artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet. |
Het projectplan, bedoeld in artikel
5.4, eerste lid, van de Waterwet, of, indien artikel 5.4, vierde
lid, van die wet van toepassing is, de vaststelling van het tracé
op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de
Minister van Infrastructuur en Milieu, dan wel bij het ontbreken
daarvan de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan
wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel
3.1, eerste lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
C 16.1 |
De ontginning dan wel wijziging of
uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen,
met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de
landbodem, anders dan bedoeld in categorie 16.2 of 16.4 van
onderdeel C van deze bijlage. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een terreinoppervlakte van meer dan 25
hectare. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 3
van de Ontgrondingenwet. |
|
C 16.2 |
De winning dan wel wijziging of
uitbreiding van de winning van oppervlaktedelfstoffen op de
Noordzee (territoriale zee en continentaal plat), met uitzondering
van oppervlaktedelfstoffen als bedoeld in categorie 16.4 van
onderdeel C van deze bijlage. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. een winplaats van 500 hectare
of meer dan wel het winnen van 10.000.000 m3 of meer, of
2°. enkele winplaatsen, die
tezamen 500 hectare of meer omvatten, dan wel 10.000.000 m3 of
meer betreffen en in elkaars nabijheid liggen. |
De structuurvisie, bedoeld in
artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld
in artikel 4.1 van de Waterwet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 3
van de Ontgrondingenwet. |
|
C 16.3 |
|
|
|
|
|
C 16.4 |
De turfwinning dan wel wijziging of
uitbreiding daarvan. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een terreinoppervlakte van meer dan 150
hectare. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan,
bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 3
van de Ontgrondingenwet. |
| |
|
|
|
|
|
C 17.1 |
|
|
|
|
|
C 17.2 |
De winning van aardolie en aardgas
dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een gewonnen hoeveelheid van:
1°. meer dan 500 ton aardolie per
dag, of
2°. meer dan 500.000 m3 aardgas
per dag. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 40,
tweede lid, van de Mijnbouwwet of een ander besluit waarop
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer
artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 18.1 |
|
|
|
|
|
C 18.2 |
De oprichting van een installatie
bestemd voor de verbranding, de chemische behandeling, het storten
of het in de diepe ondergrond brengen van gevaarlijke
afvalstoffen. |
|
Het plan, bedoeld in artikel 10.3
van de wet, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en
2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de
artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van
die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 18.3 |
|
|
|
|
|
C 18.4 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de verbranding of de
chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een capaciteit van meer dan 100 ton per dag. |
Het plan, bedoeld in artikel 10.3
van de wet, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2
van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de
artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van
die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 18.5 |
|
|
|
|
|
C 18.6 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een rioolwaterzuiveringsinstallatie die deel
uitmaakt van een inrichting als bedoeld in artikel 3.4, eerste
lid, van de Waterwet. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een capaciteit van meer dan 150.000
inwonerequivalenten. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet, en het plan, bedoeld in de
artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 19.1 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van werken voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden
die tot doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen, met
uitzondering van overbrenging van via leidingen aangevoerd
drinkwater. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een hoeveelheid overgebracht water van meer
dan 100 miljoen m3 per jaar. |
Het plan, bedoeld in artikel 4.1
van de Waterwet. |
Het besluit, bedoeld in artikel
6.5, aanhef en onderdeel c, van de Waterwet, dan wel het
projectplan, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet,
of, indien artikel 5.4, vierde lid, van die wet van toepassing is,
de vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet of de
Spoedwet wegverbreding door de Minister van Infrastructuur en
Milieu, dan wel het besluit, bedoeld in een verordening van een
waterschap. |
|
C 19.2 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van werken voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden
die niet tot doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen, met
uitzondering van overbrenging van via leidingen aangevoerd
drinkwater. |
In gevallen waarin:
1°. het meerjarig gemiddelde
jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer
dan 2.000 miljoen m3 bedraagt, en
2°. de hoeveelheid overgebracht
water 5% van dit debiet overschrijdt. |
Het plan, bedoeld in artikel 4.1
van de Waterwet. |
Het besluit, bedoeld in artikel
6.5, aanhef en onderdeel c, van de Waterwet, dan wel het
projectplan, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet,
of, indien artikel 5.4, vierde lid, van die wet van toepassing is,
de vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet of de
Spoedwet wegverbreding door de Minister van Infrastructuur en
Milieu, dan wel het besluit, bedoeld in een verordening van een
waterschap. |
| |
|
|
|
|
|
C 20.1 |
De oprichting van een industriële
installatie bestemd voor het vervaardigen van papierpulp uit hout
of andere vezelstoffen. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 20.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor het
vervaardigen van papier of karton. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van meer dan 200 ton
per dag. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 21.1 |
De oprichting van een installatie
bestemd voor de raffinage van ruwe aardolie, met uitzondering van
installaties die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie
vervaardigen. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 21.2 |
|
|
|
|
|
C 21.3 |
De oprichting van een
geïntegreerde hoogoveninstallatie bestemd voor de productie van
ruw ijzer of staal. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 21.4 |
De oprichting van een installatie
bestemd voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts,
concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische,
chemische of elektrolytische procédés. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 21.5 |
De oprichting van een installatie
bestemd voor de winning van asbest alsmede de oprichting,
wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de
winning, bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende
producten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. de bewerking of verwerking van
asbestcement met een capaciteit van meer dan 20.000 ton
eindproduct per jaar,
2°. de bewerking of verwerking van
remvoeringen met een capaciteit van meer dan 50 ton eindproduct
per jaar of meer, of |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
3°. de bewerking of verwerking van
andere asbesthoudende producten met een verbruik van meer dan 200
ton asbest per jaar. |
|
|
|
C 21.6 |
De oprichting van een
geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een
installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen
door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast
elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd
voor de fabricage van: |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
a. organische basischemicaliën, |
|
|
|
| |
b. anorganische basischemicaliën, |
|
|
|
| |
c. fosfaat-, stikstof- of
kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde
meststoffen), |
|
|
|
| |
d. basisproducten voor
gewasbescherming en van biociden, |
|
|
|
| |
e. farmaceutische basisproducten
met een chemisch of biologisch procédé, of |
|
|
|
| |
f. explosieven. |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 22.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van thermische centrales en andere
verbrandingsinstallaties. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een inrichting met een vermogen van 300
megawatt (thermisch) of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 22.2 |
De oprichting van een kerncentrale
en andere kernreactoren, met inbegrip van de buitengebruikstelling
of ontmanteling van dergelijke centrales of reactoren, met
uitzondering van onderzoekinstallaties voor de productie en
verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen
van ten hoogste 1 thermische kW. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 22.3 |
De oprichting van een installatie
bestemd voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
C 22.4 |
De oprichting van een installatie
bestemd voor de productie of de verrijking van splijtstoffen. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 23 |
De oprichting van een installatie
bestemd voor:
a. de behandeling van bestraalde
splijtstoffen of hoog radioactief afval,
b. de definitieve verwijdering van
bestraalde splijtstoffen,
c. uitsluitend de definitieve
verwijdering van radioactief afval, of
d. uitsluitend de opslag van
bestraalde splijtstoffen of radioactief afval op een andere plaats
dan het productieterrein. |
Wat betreft de onder d genoemde
activiteit in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de
opslag van afval voor een periode van langer dan 10 jaar. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 24 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een bovengrondse hoogspanningsleiding. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een leiding met:
1°. een spanning van 220 kilovolt
of meer, en
2°. een lengte van 15 kilometer of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het plan, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan
wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel
3.1, eerste lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
C 25 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de opslag van
aardolie, petrochemische of chemische producten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een opslagcapaciteit van 200.000 ton of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 26 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor steenkoolvergassing
of vloeibaarmaking. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een installatie met een verwerkingscapacteit
van 500 ton steenkolen of bitumineuze schisten per dag of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
C 27.1 |
|
|
|
|
|
C 27.2 |
|
|
|
|
|
C 27.3 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
C 28 |
|
|
|
|
1. Rav = Regeling ammoniak en
veehouderij. Dit is een Regeling op grond van artikel 1 van de Wet
ammoniak en veehouderij.
Onderdeel D. Activiteiten, plannen en
besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen
7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is
| |
Kolom 1 |
Kolom 2 |
Kolom 3 |
Kolom 4 |
| |
Activiteiten |
Gevallen |
Plannen |
Besluiten |
|
D 1.1 |
De wijziging of uitbreiding van een
autosnelweg of autoweg. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 5 kilometer
of meer. |
Het plan, bedoeld in de artikelen 5
en 8 j° 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer en de
structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet
ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1,
eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het tracé op
grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de
Minister van Infrastructuur en Milieu, dan wel het plan, bedoeld
in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 1.2 |
De wijziging of uitbreiding van een
weg bestaande uit vier of meer rijstroken, of verlegging of
verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot
wegen met vier of meer rijstroken niet zijnde een, autosnelweg of
autoweg. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 5 kilometer
of meer. |
Het plan, bedoeld in de artikelen 5
en 8 j° 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, de
structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 en 2.3 van de
Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1,
eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het tracé op
grond van de Tracéwet door de Minister van Infrastructuur en
Milieu, dan wel het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het
ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste
lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 2.1 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van overladingsstations of faciliteiten voor de overlading tussen
vervoerswijzen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een oppervlakte van 25 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 2.2 |
Aanleg, wijziging of uitbreiding
van een tramrails, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor
en dergelijke bijzondere constructies. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
a. de aanleg van een nieuwe
trambaan, boven- of ondergrondse spoorweg, zweefspoor of andere
bijzondere constructie die over een lengte van 500 meter of meer
op een afstand van 25 meter of meer is gelegen van de grens van de
voor tram- of spoorwegdoeleinden aangewezen bestemming, voor zover
deze is gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld onder a of b
van onderdeel A van deze bijlage; |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het tracé door
de Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
| |
|
b. de wijziging of uitbreiding van
een trambaan, boven- of ondergrondse spoorweg, zweefspoor of
andere bijzondere constructie indien deze bestaat uit een
uitbreiding van de tram- of spoorweg met één of meer sporen met
een aaneengesloten tracélengte van 5 kilometer of meer en voor
zover deze is gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld onder a
of b van onderdeel A van deze bijlage. |
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 3.1 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een binnenvaarweg. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een binnenvaarweg die:
1° kan worden bevaren door schepen
met een laadvermogen van 900 ton of meer of
2° een oppervlakte van 25 hectare
of meer heeft. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 3.2 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van werken inzake kanalisering of ter beperking van
overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en
rivierdijken. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet en het plan, bedoeld in de
artikelen 4.1 en 4,4 van de Waterwet. |
Het projectplan, bedoeld in artikel
5.4, eerste lid, van de Waterwet, of, indien artikel 5.4, vierde
lid, van die wet van toepassing is, de vaststelling van het tracé
op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de
Minister van Infrastructuur en Milieu of het plan, bedoeld in
artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke
ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld
in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 4 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van:
a. een haven voor de
binnenscheepvaart,
b. een zeehandelshaven,
c. een visserijhaven of
d. de wijziging of uitbreiding van
een met het land verbonden en buiten een haven gelegen pier voor
lossen en laden, met uitzondering van pieren voor veerboten. |
In gevallen waarin:
a. de aanleg betrekking heeft op
een haven die bevaarbaar is voor schepen met een laadvermogen van
900 ton of meer of
b. de wijziging of uitbreiding
betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De vaststelling van het besluit tot
aanleg dan wel, bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in
artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke
ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld
in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 4.2 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 5 |
Landwinning in zee of de wijziging
of uitbreiding daarvan. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een oppervlakte van 250 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in
artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld
in artikel 4.1 van de Waterwet. |
Het besluit, bedoeld in artikel
6.5, aanhef en onderdeel c, van de Waterwet, dan wel het
projectplan, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet,
of, indien artikel 5.4, vierde lid, van die wet van toepassing is,
de vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet of de
Spoedwet wegverbreding door de Minister van Infrastructuur en
Milieu of het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen
a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken
daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die
wet, dan wel het besluit, bedoeld in een verordening van een
waterschap. |
|
D 5.1 |
|
|
|
|
|
D 5.2 |
|
|
|
|
|
D 5.3 |
|
|
|
|
|
D 5.4 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 6.1 |
De aanleg, de inrichting of het
gebruik van een luchthaven als bedoeld in de Wet luchtvaart. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een luchthaven die:
1. de beschikking krijgt over een
start-of landingsbaan met een lengte van 1.000 meter of meer of
2. uitsluitend geschikt is voor het
starten of landen van helikopters. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening. |
Een luchthavenbesluit als bedoeld
in de Wet luchtvaart. |
|
D 6.2 |
De wijziging in de ligging van een
start- of landingsbaan, de verlenging, verbreding of verharding
daarvan, of de intensivering of wijziging van het gebruik van de
luchthaven dan wel de wijziging van de vliegroutes.
De wijziging van het gebruik van de
luchthaven of van het banenstelsel, dan wel de wijziging van de
luchtverkeerwegen of de wijziging van de vliegroutes. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een start- of landingsbaan met een lengte van
1000 meter of meer dan wel een luchthaven die uitsluitend geschikt
is voor het starten of landen van helikopters, en een wijziging
omvat van:
1°. het beperkingengebied, bedoeld
in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, voor zover
dit is vastgesteld op grond van het externe-veiligheidsrisico of
geluidbelasting, of |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening. |
Ten aanzien van de luchthaven
Schiphol een besluit tot vaststelling of wijziging van een
luchthavenindelingbesluit of een luchthavenverkeerbesluit als
bedoeld in respectievelijk de artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet
luchtvaart.
Ten aanzien van een andere
luchthaven een besluit tot vaststelling of wijziging van een
luchthavenbesluit als bedoeld in die wet. |
| |
|
2°. de grenswaarden, bedoeld in
artikel 8.17, vijfde lid, onder a tot en met c, artikel 8.44,
eerste lid, onder a, of artikel 8.70, tweede lid, juncto artikel
8.44, eerste lid, onder a, of de grenswaarden voor
geluidsbelasting, bedoeld in artikel 10.17, tweede lid, van de Wet
luchtvaart, tenzij: |
|
|
| |
|
a. de voorgenomen wijziging leidt
tot een beperkingengebied als bedoeld onder 1° dat valt op of
binnen het geldende beperkingengebied of tot grenswaarden als
bedoeld onder 2° die een gelijk of beter beschermingsniveau
bieden dan de geldende grenswaarden, of |
|
|
| |
|
b. het beperkingengebied vervalt. |
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 7 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 8.1 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering
van een buisleiding voor het transport van aardgas), olie of
CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of
uitbreiding van een buisleiding voor het transport van
chemicaliën. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 1
kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig
gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d,
van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, of 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in de
artikelen 94, eerste lid, en 95 van het Mijnbouwbesluit, dan wel,
bij het ontbreken daarvan, het plan, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan
wel bij het ontbreken daarvan, het plan, bedoeld in artikel 3.1,
eerste lid, van die wet. |
|
D 8.2 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een buisleiding voor het transport van aardgas. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 5
kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig
gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d,
van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, of 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in de
artikelen 94, eerste lid, en 95 van het Mijnbouwbesluit, dan wel,
bij het ontbreken daarvan, het plan, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan
wel bij het ontbreken daarvan, het plan, bedoeld in artikel 3.1,
eerste lid, van die wet. |
|
D 8.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie voor het afvangen van CO2-stromen
met het oog op geologische opslag overeenkomstig Richtlijn
2009/31/EG (PbEG L 140). |
Indien de CO2-stromen afkomstig
zijn van installaties, die niet onder onderdeel C van deze bijlage
vallen. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van
toepassing zijn. |
|
D 8.4 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een buisleiding voor transport van warm water of stoom. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. Een buisleiding met een
diameter van 1 meter of meer, en
2°. Een lengte van 10 kilometer of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel, bij het ontbreken daarvan, het plan,
bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet dat in de aanleg,
wijziging of uitbreiding voorziet. |
| |
|
|
|
|
|
D 9 |
Een landinrichtingsproject dan wel
een wijziging of uitbreiding daarvan. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op
1°. een functiewijziging met een
oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie
of landbouw of
2°. vestiging van een
glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het
inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting
landelijk gebied, het plan, bedoeld in artikel 11 van de
Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in
artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. |
De vaststelling van het
inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting
landelijk gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de
Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken
daarvan het plan bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a
en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken
daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die
wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 10 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van:
a. skihellingen, skiliften,
kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen;
b. jachthavens.
c. vakantiedorpen en hotelcomplexen
buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen,
d. permanente kampeer- en
caravanterreinen, of
e. themaparken. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. 250.000 bezoekers of meer per
jaar,
2°. een oppervlakte van 25 hectare
of meer,
3°. 100 ligplaatsen of meer of
4°. een oppervlakte van 10 hectare
of meer in een gevoelig gebied. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het
inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting
landelijk gebied, het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11 van
de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in
artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. |
De vaststelling van het
inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting
landelijk gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de
Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken
daarvan het plan bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a
en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken
daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die
wet. |
|
D 10.2 |
|
|
|
|
|
D 10.3 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 11.1 |
|
|
|
|
|
D 11.2 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw
van winkelcentra of parkeerterreinen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. een oppervlakte van 100
hectare of meer,
2°. een aaneengesloten gebied en
2000 of meer woningen omvat, of
3°. een bedrijfsvloeroppervlakte
van 200.000 m2 of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 11.3 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een industrieterrein. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 11.4 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een project voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte
gronden of semi-natuurlijke gebieden voor intensieve landbouw. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
De vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 11.5 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 12 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van kustwerken om erosie te bestrijden, van maritieme werken die
de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken,
pieren, havenhoofden en van andere kustverdedigingswerken, met
uitzondering van het onderhoud of herstel van deze werken. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet en het plan, bedoeld in de
artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet. |
Het besluit van de Minister van
Infrastructuur en Milieu, bedoeld in artikel 2.7 van de Waterwet. |
|
D 12.2 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 13 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een waterbeheersingsproject voor landbouwdoeleinden, met
inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit tot
vergunningverlening, bedoeld in een verordening van een
waterschap, dan wel, bij het ontbreken daarvan, het besluit tot
vergunningverlening, bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onderdeel
c, van de Waterwet, dan wel het projectplan, bedoeld in artikel
5.4, eerste lid, van de Waterwet of, indien artikel 5.4, vierde
lid, van die wet van toepassing is, de vaststelling van het tracé
op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de
Minister van Infrastructuur en Milieu of het plan, bedoeld in
artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke
ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld
in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 14 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden
van dieren. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op meer dan:
1°. 40.000 stuks pluimvee (Rav1
cat. E, F, G en J),
2°. 2000 stuks mestvarkens (Rav
cat. D.3),
3°. 750 stuks zeugen (Rav cat.
D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft),
4°. 2700 stuks gespeende biggen (biggenopfok)
(Rav cat. D.1.1),
5°. 5000 stuks pelsdieren
(fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3),
6°. 1000 stuks voedsters of 6000
vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2), |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het
inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting
landelijk gebied, het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11 van
de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in
artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
7°. 200 stuks melk-, kalf- of
zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2), |
|
|
| |
|
8°. 340 stuks vrouwelijk jongvee
tot 2 jaar (Rav cat. A 3), |
|
|
| |
|
9°. 340 stuks melk-, kalf- en
zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwlijk jongvee tot 2 jaar (Rav
cat. A 1, A 2 en A 3), |
|
|
| |
|
10°.1200 stuks vleesrunderen (Rav
cat. A.4 t/m A.7), |
|
|
| |
|
11°. 2000 stuks schapen of geiten
(Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3), |
|
|
| |
|
12°. 100 stuks paarden of pony’s
(Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in
opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en
K.4),
of |
|
|
| |
|
13°. 1000 stuks struisvogels (Rav
cat. L.1 t/m L.3). |
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 15.1 |
|
|
|
|
|
D 15.2 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van
grondwater. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of
meer per jaar. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet en het plan, bedoeld in de
artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet. |
Het besluit, bedoeld in de
artikelen 6.4 of 6.5, onderdeel b, van de Waterwet, dan wel van
het besluit tot vergunningverlening bedoeld in een verordening van
een waterschap. |
|
D 15.3 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een stuwdam of andere installatie voor het stuwen of voor de
lange termijn opslaan van water. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een hoeveelheid water van 5 miljoen m3 of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, van die wet, en het
plan, bedoeld in de artikelen 4.1 en 4.4 van de Waterwet. |
Het projectplan, bedoeld in artikel
5.4, eerste lid, van de Waterwet of, indien artikel 5.4, vierde
lid, van die wet van toepassing is, de vaststelling van het tracé
op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de
Minister van Infrastructuur en Milieu, dan wel bij het ontbreken
daarvan de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan
wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel
3.1, eerste lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 16.1 |
De ontginning dan wel wijziging of
uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen,
met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de
landbodem, anders dan bedoeld onder D 16.2. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 12,5 hectare of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 3
van de Ontgrondingenwet. |
|
D 16.2 |
De turfwinning dan wel wijziging of
uitbreiding daarvan. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 75 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 3
van de Ontgrondingenwet. |
| |
|
|
|
|
|
D 17.1 |
De wijziging of uitbreiding van de
winning van aardolie of aardgas. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op reeds bestaande installaties, plaatsvindt in
een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de
kust) of d, van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage en
betrekking heeft op:
1°. een uitbreiding van de
terreinoppervlakte met 5 hectare of meer, of
2°. het bijplaatsen of wijzigen
van een stikstofscheidingsinstallatie of een
ontzwavelingsinstallatie. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 40,
tweede lid, van de Mijnbouwwet of een ander besluit waarop
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer
artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 17.2 |
Diepboringen dan wel een wijziging
of uitbreiding daarvan, in het bijzonder:
a geothermische boringen,
b. boringen in verband met de
opslag van kernafval,
c. boringen voor watervoorziening,
met uitzondering van boringen voor
het onderzoek naar de stabiliteit van de grond. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 40,
tweede lid, van de Mijnbouwwet of een ander besluit waarop
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer
artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn, dan
wel, bij het ontbreken daarvan, de vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 17.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van oppervlakte-installaties van bedrijven voor de
winning van steenkool, ertsen en bitumineuze schisten alsmede de
oprichting van oppervlakte-installaties van bedrijven voor de
winning van aardolie, of aardgas. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 40,
tweede lid, van de Mijnbouwwet of een ander besluit waarop
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer
artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing. |
| |
|
|
|
|
|
D 18.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval,
anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton
per dag of meer. |
Het plan, bedoeld in artikel 10.3
van de wet, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en
2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de
artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van
die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 18.2 |
|
|
|
|
|
D 18.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een inrichting bestemd voor het storten van slib
en baggerspecie, of het in de diepe ondergrond brengen van
niet-gevaarlijke afvalstoffen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. het storten of in de diepe
ondergrond brengen van baggerspecie van klasse B als bedoeld in
het Besluit bodemkwaliteit in een hoeveelheid van 250.000 m3 of
meer,
2°. het storten of in de diepe
ondergrond brengen van zuiveringsslib in een hoeveelheid van 5.000
ton droge stof per jaar of meer, |
Het plan, bedoeld in artikel 10.3
van de wet, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en
2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de
artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van
die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
3°. het storten of in de diepe
ondergrond brengen van ander slib dan bedoeld onder 1° of 2°, in
een hoeveelheid van 250.000 m3 of meer, of |
|
|
| |
|
4°. een inrichting met een
capaciteit van 100 ton per dag of meer. |
|
|
|
D 18.4 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een rioolwaterzuiveringsinstallatie die deel
uitmaakt van een inrichting als bedoeld in artikel 3.4, eerste
lid, van de Waterwet. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een capaciteit van 50.000 inwonerequivalenten
of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 en van de Wet ruimtelijke ordening, en
de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste
lid, onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel
4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. |
|
D 18.5 |
|
|
|
|
|
D 18.6 |
De wijziging of uitbreiding van een
een installatie bestemd voor de verbranding of de chemische
behandeling dan wel het in de diepe ondergrond brengen van
gevaarlijke afvalstoffen. |
|
Het plan, bedoeld in artikel 10.3
van de wet, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en
2.3 en van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in
de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b,
van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 18.7 |
De wijziging of uitbreiding van een
installatie bestemd voor de verbranding of de chemische
behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een inrichting met een capaciteit van 50 ton
per dag of meer. |
Het plan, bedoeld in artikel 10.3
van de wet, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en
2.3 en van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in
de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b,
van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 18.8 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een inrichting voor de opslag van schroot, met
inbegrip van autowrakken. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een inrichting met een opslagcapaciteit van:
1e. 10.000 ton of meer, of
2e. 10.000 autowrakken of meer. |
Het plan, bedoeld in artikel 10.3
van de wet, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en
2.3 en van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in
de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b,
van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel
4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. |
| |
|
|
|
|
|
D 19 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van werken voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden. |
Indien doel is om eventuele
waterschaarste te voorkomen:
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een hoeveelheid overgebracht water van 75
miljoen m3per jaar of meer.
Indien doel niet is om
waterschaarste te voorkomen:
In gevallen waarin:
1°. het meerjarig gemiddelde
jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer
dan 2.000 miljoen m3 bedraagt, en
2°. de hoeveelheid overgebracht
water 3% van dit debiet overschrijdt. |
Het plan, bedoeld in de artikelen
4.1 en 4.4 van de Waterwet. |
Het besluit, bedoeld in artikel
6.5, aanhef en onderdeel c, van de Waterwet, dan wel het
projectplan, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet,
of, indien artikel 5.4, vierde lid, van die wet van toepassing is,
de vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet of de
Spoedwet wegverbreding door de Minister van Infrastructuur en
Milieu, dan wel het besluit, bedoeld in een verordening van een
waterschap. |
|
D 19.2 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 20.1 |
De wijziging of uitbreiding van een
industriële installatie bestemd voor het vervaardigen van
papierpulp uit hout of andere vezelstoffen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 20.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor het
vervaardigen van papier of karton. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 20.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen en
bewerken van celstof. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 21.1 |
De wijziging of uitbreiding van een
installatie bestemd voor de raffinage van ruwe aardolie, met
uitzondering van inrichtingen die uitsluitend smeermiddelen uit
ruwe olie vervaardigen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een andere wijziging of uitbreiding dan
bedoeld in categorie 21.2 van onderdeel C van deze bijlage en de
verwerkingscapaciteit van ruwe olie met 20% of meer dan wel met 2
miljoen ton of meer per jaar toeneemt. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 21.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het roosten of doen
sinteren van ertsen of de productie van cokes uit steenkool. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 21.3 |
De wijziging of uitbreiding van een
geïntegreerde hoogoveninstallatie bestemd voor de productie van
ruw ijzer of staal en de oprichting, wijziging of uitbreiding van
een installatie bestemd voor de productie van ruw ijzer of staal,
met inbegrip van continugieten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een smeltcapaciteit van 15.000 ton per jaar of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 21.4 |
De wijziging of uitbreiding van een
installatie bestemd voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit
erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische,
chemische of elektrolytische procédés. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een smeltcapaciteit van 15.000 ton per jaar of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 21.5 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de winning van asbest
of de vervaardiging, van asbesthoudende producten alsmede de
wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de
bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende producten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. de vervaardiging, bewerking of
verwerking van asbestcement met een capaciteit van 10.000 ton
eindproduct per jaar of meer,
2°. de vervaardiging van
remvoeringen met een capaciteit van 25 ton eindproduct per jaar of
meer, of |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
3°. de vervaardiging, bewerking of
verwerking van andere asbesthoudende producten met een verbruik
van 100 ton asbest per jaar of meer. |
|
|
|
D 21.6 |
De wijziging of uitbreiding van een
geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een
installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen
door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast
elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd
voor de fabricage van:
a. organische basischemicaliën,
b. anorganische basischemicaliën,
c. fosfaat-, stikstof- of
kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde
meststoffen), |
In gevallen waarin de
verwerkingscapaciteit van de installatie toeneemt met:
1°. 100.000 ton per jaar of meer
door de in onderdeel a omschreven activiteit,
2°. 100.000 ton per jaar of meer
door de in onderdeel b omschreven activiteit,
3°. 100.000 ton per jaar of meer
door de in onderdeel c omschreven activiteit,
4°. 20.000 ton per jaar of meer
door de in onderdeel d omschreven activiteit, of
5°. 20.000 ton per jaar of meer
door de in onderdeel e omschreven activiteit. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
d. basisproducten voor
gewasbescherming en van biociden, |
|
|
|
| |
e. farmaceutische basisproducten
met een chemisch of biologisch procédé, of |
|
|
|
| |
f. explosieven. |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 22.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de
productie van elektriciteit, stoom en warm water. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een elektriciteitscentrale met een vermogen
van 200 megawatt (thermisch) of meer en, indien het een wijziging
of uitbreiding betreft,
1°. het vermogen met 20% of meer
toeneemt, of
2°. de inzet van een andere
brandstof tot doel heeft. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 22.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een windturbinepark. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. een gezamenlijk vermogen van
15 megawatt (elektrisch) of meer, of
2°. 10 windturbines of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit bedoeld in artikel 6.5,
onderdeel c, van de Waterwet of de besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel
4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. |
|
D 22.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van één of meer met elkaar samenhangende
installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief
afval. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. een wijziging van de soort,
hoeveelheid of verrijkingsgraad van de splijtstof,
2°. een vergroting van de lozing
van radioactieve stoffen,
3°. een vergroting van de
opslagcapaciteit van gebruikte splijtstof, |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
4°. het aanbrengen van systemen
ter voorkoming of beheersing van ernstige ongevallen, of |
|
|
| |
|
5°. een wijziging van het tijdstip
van de buitengebruikstelling of ontmanteling van meer dan 5 jaar. |
|
|
|
D 22.4 |
De wijziging of uitbreiding van een
installatie bestemd voor de opwerking van bestraalde
splijtstoffen. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 22.5 |
De wijziging of uitbreiding van een
installatie bestemd voor de productie of verrijking van
splijtstoffen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een vergroting van de verrijkingscapaciteit op
jaarbasis van 500 tSW per jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 22.6 |
De wijziging of uitbreiding van
thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een vermogen van 200 megawatt (thermisch) of
meer, en
1°. het vermogen met 20% of meer
toeneemt, of
2°. de inzet van een andere
brandstof tot doel heeft. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 23 |
De wijziging of uitbreiding van een
installatie bestemd voor:
a. de behandeling van bestraalde
splijtstoffen of hoog radioactief afval,
b. de definitieve verwijdering van
bestraalde splijtstoffen,
c. uitsluitend de definitieve
verwijdering van radioactief afval, of
d. uitsluitend de opslag van
bestraalde splijtstoffen of radioactief afval van een andere
inrichting. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. een vergroting van de
behandelingscapaciteit van bestraalde splijtstoffen of hoog
radioactief afval met meer dan 50%, of
2°. een vergroting van de totale
opslagcapaciteit met meer dan 50% of met meer dan 10.000 m3. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 24.1 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een bovengrondse hoogspanningsleiding. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een leiding met:
1°. een spanning van 150 kilovolt
of meer, en
2°. een lengte van 5 kilometer of
meer in een gevoelig gebied. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het plan, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan
wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel
3.1, eerste lid, van die wet. |
|
D 24.2 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een ondergrondse hoogspanningsleiding. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een leiding met:
1° een spanning van 150 kilovolt
of meer, en
2° een lengte van 5 kilometer of
meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl
uit de kust) of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het plan, bedoeld in artikel 3.6,
eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan
wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel
3.1, eerste lid, van die wet of het besluit, bedoeld in artikel
6.5, onderdeel c, van de Waterwet. |
| |
|
|
|
|
|
D 25.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie behorend tot de chemische
industrie bestemd voor de opslag van aardolie, petrochemische of
chemische producten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een opslagcapaciteit van 100.000 ton of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 25.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de bovengrondse
opslag van aardgas. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een opslagcapaciteit van 100.000 m3 of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 25.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de ondergrondse
opslag van gasvormige brandstoffen. |
In gevallen waarin ten behoeve van
de opslag een ruimte wordt gecreëerd van 1 miljoen m3 of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
Het besluit, bedoeld in artikel 40,
tweede lid, van de Mijnbouwwet of een ander besluit waarop
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer
artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 25.4 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor bovengrondse opslag
van fossiele brandstoffen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een oppervlakte van 50 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 26 |
De wijziging of uitbreiding van een
installatie bestemd voor vergassing of vloeibaarmaking van
steenkool of bitumineuze schisten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een installatie met een verwerkingscapacteit
van 250 ton steenkolen of bitumineuze schisten per dag of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 27 |
De eerste bebossing of de
ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan met het oog
op een andere ruimtelijke functie van de grond. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. gronden met een agrarische
bestemming en een oppervlakte van 100 hectare of meer, of
2°. gronden met een andere dan een
agrarische bestemming en een oppervlakte van 10 hectare of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet |
Het besluit, bedoeld in artikel 6,
tweede lid, van de Boswet, dan wel bij het ontbreken daarvan de
vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het
ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste
lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 28 |
Intensieve aquacultuur van vis dan
wel de wijziging of uitbreiding daarvan. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 1.000 ton vis per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel, bij het
ontbreken daarvan, van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste
lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel
bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1,
eerste lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 29.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de ondergrondse
mijnbouw. |
In gevallen waarin de activiteit
plaatsvindt in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van
punt 1 van onderdeel A van deze bijlage tot 3 zeemijl uit de kust. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 29.2 |
De winning van mineralen door
afbaggering van de zee-, meer- of rivierbodem dan wel de wijziging
of uitbreiding daarvan. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een oppervlakte van 50 hectare of meer en
plaatsvindt in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3
zeemijl uit de kust) of d, van punt 1, onderdeel A, van deze
bijlage. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 29.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het industrieel
briketteren van steenkool of bruinkool. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 29.4 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 30 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen van
cement. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 100.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 31 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de vervaardiging van
hydro-elektrische energie. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een vermogen van 2,5 megawatt (elektrisch) of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 32.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het smelten, met
inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering
van edele metalen, en met inbegrip van terugwinningsproducten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een smeltcapaciteit van 15.000 ton per jaar of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel
4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. |
|
D 32.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor verwerking van
ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers, of het
aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 15.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel
4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. |
|
D 32.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de
oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door
middel van een elektrolytisch of chemisch procédé. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productieoppervlak van 10.000 m2 of meer
op een industrieterrein dan wel 5.000 m2 of meer op een ander
terrein, met dien verstande dat voor een inrichting voor het
poedercoaten of verwerken van watergedragen verf een
productieoppervlak geldt van 20.000 m2 of meer op een
bedrijfsterrein dan wel 10.000 m2 of meer op een ander terrein. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel
4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. |
|
D 32.4 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een smelterij van ferrometalen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productieoppervlak van 50.000 m2 of meer
in een gesloten gebouw dan wel 10.000 m2 of meer buiten een
gesloten gebouw. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 32.5 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen van
automobielen of automobielmotoren of het assembleren van
automobielen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 1.000 automobielen
of automobielmotoren per jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 32.6 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het bouwen,
onderhouden, repareren of behandelen van de oppervlakte van
metalen schepen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productieoppervlak van 50.000 m2 of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 32.7 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van testbanken voor motoren, turbines of reactoren of
van installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. het beproeven buiten een
gesloten gebouw van motoren, reactoren of turbines met een
stuwkracht van 500 kilonewton of meer dan wel met een vermogen van
10 megawatt of meer, of
2°. een productieoppervlak van
250.000 m2 of meer van een inrichting bestemd voor de bouw of
reparatie van vliegtuigen. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel
4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. |
|
D 32.8 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een spoorwegmaterieelfabriek. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productieoppervlak van 50.000 m2 of meer
in een gesloten gebouw dan wel 10.000 m2 of meer buiten een
gesloten gebouw. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 32.9 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het uitstampen van
metalen door middel van springstoffen. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 33 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen van
glas met inbegrip van glasvezels. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 10.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 34.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen van
bestrijdingsmiddelen als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover niet omschreven
in onderdeel d van categorie 21.6 van onderdeel D van deze
bijlage. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 20.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 34.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen van
farmaceutische producten, voor zover niet omschreven in onderdeel
e van categorie 21.6 van onderdeel D van deze bijlage. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 20.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 34.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen van
verven en vernissen, voor zover niet omschreven in categorie 21.6
van onderdeel D van deze bijlage. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 100.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 34.4 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie, behorend tot de chemische
industrie, bestemd voor de behandeling van tussenproducten en
vervaardiging van chemicaliën. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 100.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 34.5 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een chemische installatie bestemd voor het
vervaardigen van farmaceutische producten, met inbegrip van
elastomeren, en peroxiden dan wel bij een rubberverwerkende
inrichting de vervaardiging en behandeling van producten op basis
van elastomeren, voor zover niet omschreven in de categorieën
21.6 of 34.1 tot en met 34.3 van onderdeel D van deze bijlage. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 50.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 35 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor:
a. het vervaardigen van dierlijke
of plantaardige oliën of vetten,
b. het vervaardigen van vismeel of
visolie, of
c. het vervaardigen van conserven
van dierlijke en plantaardige producten. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1°. een productiecapaciteit van
40.000 ton per jaar of meer in een inrichting als bedoeld onder a,
of
2°. een productiecapaciteit van
10.000 ton per jaar of meer in een inrichting als bedoeld onder b
of c. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 36 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie van een zuivelfabriek. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 30.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 37.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie van een bierbrouwerij. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 75 miljoen liter
per jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2, en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 37.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie van een mouterij. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 40.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 38.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie van een suikerfabriek. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 12.500 ton per dag
of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 38.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie van een siroopfabriek. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 20 miljoen liter
per jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 38.3 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie van een suikerwarenfabriek. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 15.000 ton per
jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 39.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het slachten van
dieren. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 25.000 ton vlees
per jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 39.2 |
Oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het verwerken van
kadavers van landbouwhuisdieren en delen daarvan, die niet door
slachting voor menselijke consumptie zijn gedood, met het doel
deze te verwijderen. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 40 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie van een zetmeelfabriek. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 25.000 kilogram
per uur of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 41.1 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de voorbehandeling of
het verven van vezels of textiel. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een afvalwaterstroom van 2.500
inwonerequivalenten per jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
|
D 41.2 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie voor het looien van huiden. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een afvalwaterstroom van 1.000
inwonerequivalenten per jaar of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 43 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op:
1. een openstelling van acht uren
of meer per week of
2. een oppervlakte van 5 hectare of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn, dan wel bij het
ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het
ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste
lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 44 |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
D 45 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor de terugwinning of
vernietiging van explosieve stoffen. |
|
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 46 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het smelten van
minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage
van mineraalvezels. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 47 |
De oprichting, wijziging of
uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen van
keramische producten door middel van bakken, in het bijzonder
dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of
porselein. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een productiecapaciteit van 100 ton per dag of
meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de
plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid,
onderdelen a en b, van die wet. |
De besluiten waarop afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van
afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. |
| |
|
|
|
|
|
D 48 |
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een aquaduct over lange afstand. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een lengte van 1 kilometer of meer. |
De structuurvisie, bedoeld in de
artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het
plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, van die wet. |
De vaststelling van het plan,
bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het
plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. |
| |
|
|
|
|
|
D 49.1 |
De wijziging in de Maatgevende Peil
Verwachting voor de sluiting van de Oosterscheldekering. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een wijziging van 16 centimeter of meer. |
Het plan, bedoeld in de artikelen
4.1 en 4.6 van de Waterwet. |
Het peilbesluit op grond van
artikel 5.2 van de Waterwet. |
|
D 49.2 |
De wijziging van het (streef-)peil
in:
a. het Veerse Meer,
b. de Grevelingen,
c. het Haringvliet, of
d. het IJsselmeer, het Markermeer
en de randmeren. |
In gevallen waarin de activiteit
betrekking heeft op een wijziging van 16 centimeter of meer. |
Het plan, bedoeld in de artikelen
4.1 en 4.6 van de Waterwet. |
Het peilbesluit op grond van
artikel 5.2 van de Waterwet. |
|
D 49.3 |
De structurele verlaging van het
(streef-)peil van een oppervlaktewater. |
In gevallen waarin de activiteit:
1°. betrekking heeft op een
verlaging van 16 centimeter of meer,
2°. plaatsvindt in een gevoelig
gebied of een weidevogelgebied, en
3°. betrekking heeft op een
oppervlakte van 200 hectare of meer. |
Het plan, bedoeld in de artikelen
4.1, 4.4 en 4.6 van de Waterwet. |
Het peilbesluit op grond van
artikel 5.2 van de Waterwet. |
1. Rav = Regeling ammoniak en
veehouderij. Dit is de Regeling op grond van artikel 1 van de Wet
ammoniak en veehouderij.
|