| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
MILIEUSUBSIDIES
Tekst zoals deze geldt op
20 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 8 december 1998, houdende regels ter
stroomlijning van de opzet van milieusubsidies (Besluit
milieusubsidies)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 19 augustus 1998, nr. MJZ 98079022,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 15.13, eerste en tweede lid,
van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 9 oktober
1998, nr. W08.98.0402);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van
2 december 1998, nr. MJZ 98117988, Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1
In dit besluit en in een ministeriële regeling krachtens artikel
15.13, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt
verstaan onder:
a. liquiditeitsbehoefte: behoefte van een subsidie-ontvanger aan
liquide middelen ten behoeve van het verrichten van de te
subsidiëren activiteit, gedurende het tijdvak waarvoor subsidie
wordt verleend;
b. programma: ministeriële regeling krachtens artikel 15.13,
eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer, of onderdeel
daarvan;
c. voorschot: vooruitbetaling door Onze Minister op een verleende
subsidie;
d. Commissie: Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 2
1. In dit besluit en in programma's wordt verstaan onder
subsidiabele kosten: kosten die voor subsidiëring in aanmerking komen
krachtens het betrokken programma dan wel, indien subsidie wordt
verstrekt zonder programma, krachtens de beschikking tot
subsidieverlening onderscheidenlijk de beschikking tot
subsidievaststelling.
2. Bij de bepaling van de subsidiabele kosten wordt een winstopslag
ten behoeve van de subsidie-ontvanger buiten beschouwing gelaten.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen
Artikel 3
1. Op elke subsidie verstrekt krachtens een programma
onderscheidenlijk het tweede lid zijn de artikelen 5 tot en met 15 van
toepassing.
2. Onze Minister kan voor activiteiten op het gebied van het
milieubeheer in incidentele gevallen ook subsidie verstrekken zonder
programma. Van deze bevoegdheid wordt geen mandaat verleend.
3. Terzake van een subsidie als bedoeld in het tweede lid, wordt in
artikel 6, eerste lid, aanhef, in plaats van «programma» gelezen
«beschikking tot subsidieverlening» en wordt in artikel 6, eerste
lid, onderdeel c, in plaats van «het programma» gelezen: de
beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 4
Indien Onze Minister subsidie verstrekt op aanvraag van een staat of
een volkenrechtelijke organisatie, is dit besluit van toepassing, met
uitzondering van de artikelen 10, 11, tweede lid, 12, zesde lid, 13 en
14.
Hoofdstuk 3. Programma's en subsidieplafond
Artikel 5
1. In een programma worden tenminste opgenomen het doel van de
subsidieverstrekking, een aanduiding van de in aanmerking komende
subsidie-ontvangers en van de subsidiabele kosten, en indien van
toepassing: het subsidieplafond, het maximale subsidiepercentage, en
het maximale subsidiebedrag.
2. Indien voor een programma een subsidieplafond als bedoeld in
artikel 15.13, derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt vastgesteld,
wordt in dat programma in verband met de besluitvorming over de
aanvraag, bedoeld in artikel 15.13, tweede lid, onderdeel d, van de
Wet milieubeheer, bepaald of bij de subsidieverlening:
a. wordt beslist in de volgorde van de ontvangst van de
aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft
gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is
aangevuld voor die beslissing als datum van ontvangst van de
aanvraag geldt, of
b. aanvragen met betrekking tot soortgelijke activiteiten
gelijktijdig worden beoordeeld op basis van hun geschiktheid om
bij te dragen aan de doelstellingen van het programma.
Artikel 6
1. Tenzij een programma anders bepaalt, wordt de hoogte van de
subsidie bepaald met inachtneming van:
a. de aanvraag;
b. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de
resultaten van de activiteit, en
c. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelstellingen
opgenomen in het programma.
2. Bij de bepaling van de hoogte van de subsidie wordt voorts
rekening gehouden met subsidies die uit anderen hoofde vanwege het
Rijk of de Commissie worden of zijn aangevraagd dan wel zijn
verstrekt.
Artikel 7
Indien het subsidieplafond van een programma is bereikt, waarvoor de
in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, bedoelde wijze van verdeling
geldt, deelt Onze Minister dit onverwijld in de Staatscourant mee.
Hoofdstuk 4. Notificaties aan de Commissie
Artikel 8
1. Voor zover voor een programma of een subsidie goedkeuring van de
Commissie is vereist op grond van artikel 93, derde lid, van het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, wordt het
programma niet vastgesteld, onderscheidenlijk de beschikking tot
subsidieverlening niet gegeven, voordat die goedkeuring is verkregen
of geacht moet worden te zijn verkregen.
2. Onze Minister doet in de Staatscourant mededeling van het
verlenen van de goedkeuring van de Commissie. Indien de Commissie
voorschriften aan de goedkeuring verbindt, neemt Onze Minister deze in
het programma op, onderscheidenlijk verbindt hij deze als
verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening, voor zover
zij zich daartoe lenen.
3. Onze Minister draagt er zorg voor dat het programma,
onderscheidenlijk een subsidie, in overeenstemming is met de
regelgeving van de Europese Unie, de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen en het beleid van de Commissie
terzake van de verlening van staatssteun.
Artikel 9
Onze Minister dient bij de Commissie na afloop van ieder kalenderjaar
een verslag in over de uitvoering in dat jaar van ieder goedgekeurd
programma en iedere goedgekeurde subsidie als bedoeld in artikel 8,
eerste lid.
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 10
De subsidie-ontvanger is verplicht:
a. de activiteit uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van
die activiteit in de beschikking tot subsidieverlening, tenzij Onze
Minister voorafgaand schriftelijk heeft ingestemd met afwijking
daarvan;
b. te voldoen aan de verplichtingen die door Onze Minister aan de
subsidie zijn verbonden. Daarbij kan Onze Minister slechts
verplichtingen opleggen:
1°. als bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, of
2°. die betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen
waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht;
c. indien hij in verband met de verstrekte subsidie, op zijn
beurt subsidie verstrekt aan een derde, de artikelen 2, tweede lid,
en 6, tweede lid, toe te passen en daaraan de verplichtingen te
verbinden, die zijn bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin,
in de onderdelen b, aanhef en onder 2°, en f, alsmede, indien van
toepassing, aan Onze Minister een verslag te sturen als bedoeld in
artikel 9;
d. een administratie te voeren die zodanig is ingericht, dat
daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de
subsidiabele kosten kunnen worden afgelezen;
e. onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van
betaling aan of faillietverklaring van hem, dan wel een aangifte of
vordering daartoe bij de rechtbank is ingediend, daarvan
schriftelijk mededeling te doen aan Onze Minister;
f. op verzoek van de Onze Minister medewerking te verlenen aan
openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit,
met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens;
g. alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door Onze
Minister terzake van de toepassing en de effecten van dit besluit
ingesteld evaluatie-onderzoek, waarbij Onze Minister die medewerking
slechts kan verlangen voor zover hij daaraan redelijkerwijs behoefte
heeft, en
h. indien de activiteit geheel is uitgevoerd, niet voor een
bepaalde tijd is uitgevoerd, niet zal worden uitgevoerd dan wel is
stopgezet, daar Onze Minister onmiddellijk van in kennis te stellen.
Hoofdstuk 6. Het procedureverloop en voorschotten
Artikel 11
1. Subsidie wordt slechts op aanvraag verstrekt.
2. Bij de aanvraag tot subsidieverlening worden tenminste de
volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. een overzicht van de activiteit waarvoor subsidie wordt
gevraagd;
b. een stuk waarin wordt toegelicht dat aan de doelstellingen
van het betrokken programma kan worden voldaan en de activiteit
derhalve voor subsidiëring in aanmerking komt;
c. een gespecificeerde begroting, waaruit tenminste blijkt:
1°. dat de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd geen
winstopslag ten behoeve van de subsidie-ontvanger bevatten;
2°. voor welke activiteit en welke kosten uit anderen
hoofde dan het betrokken programma subsidie vanwege het Rijk
of de Commissie wordt of is aangevraagd, dan wel is verstrekt;
3°. hoe hoog de totale kosten van de te subsidiëren
activiteit zijn;
d. een tijdplanning van de activiteit;
e. indien voorschotten worden aangevraagd aan de hand van de
individuele liquiditeitsbehoefte, bedoeld in artikel 12, derde
lid: de liquiditeitsbehoefte gedurende het tijdvak waarvoor
subsidie wordt gevraagd, zo mogelijk weergegeven per tijdvak van
drie maanden;
f. het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te
worden gestort;
g. indien van toepassing: het inschrijfnummer van de aanvrager
bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, en
h. indien de aanvraag wordt ingediend als met de betrokken
activiteit reeds is begonnen, tevens:
1°. een weergave van de stand van zaken tot dusverre, en
2°. een toelichting op de reden waarom de aanvraag niet
voor het begin van de activiteit is ingediend.
3. Onze Minister bevestigt de ontvangst van de aanvraag
schriftelijk.
4. Aanvragen die betrekking hebben op dezelfde activiteit, worden
bij de toepassing van dit besluit als één aanvraag aangemerkt.
Artikel 12
1. Onze Minister kan op aanvraag per tijdvak van drie maanden een
voorschot verlenen. Zonodig worden bij de aanvraag, bedoeld in de
eerste volzin, de in artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bedoelde
gegevens verstrekt. De aanvraag behoeft slechts éénmaal te worden
ingediend ten behoeve van het gehele tijdvak waarvoor subsidie wordt
gevraagd.
2. Onverminderd het zesde lid, wordt de hoogte van het voorschot
bepaald door het subsidiebedrag te delen door het aantal gehele
maanden waaruit het tijdvak bestaat waarvoor de subsidie wordt
verleend, en het resulterende bedrag met drie te vermenigvuldigen.
3. In afwijking van het tweede lid wordt, onverminderd het bepaalde
in het zesde lid, de hoogte en de spreiding van de voorschotten per
tijdvak bepaald aan de hand van de individuele liquiditeitsbehoefte
die blijkt uit de ingevolge artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bij
de aanvraag verstrekte gegevens of uit een raming als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, onderdeel d, onder 2°. Onze Minister kan
zonodig ambtshalve de hoogte en de spreiding van de voorschotten per
tijdvak bepalen.
4. Indien uit de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
blijkt dat de gemaakte kosten tenminste 10 procent afwijken van de
verleende voorschotten, kunnen de wijze van bevoorschotting en de
hoogte van de voorschotten ambtshalve of op aanvraag worden aangepast.
5. De voorschotverlening wordt opgeschort zolang de rapportage,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, in strijd met dat artikel niet is
ontvangen.
6. Voorschotten worden steeds uitbetaald voor 100 procent per
tijdvak als bedoeld in het eerste of derde lid, totdat zij tezamen ten
hoogste bedragen:
a. 80 procent van de verleende subsidie, ingeval de
subsidie-ontvanger een onderneming drijft, en
b. 95 procent van de verleende subsidie, ingeval de
subsidie-ontvanger geen onderneming drijft.
7. In het zesde lid wordt verstaan onder onderneming: onderneming
als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting 1968.
Artikel 13
1. Zolang geen aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, is ingediend, dient de subsidie-ontvanger
tenminste één maal per jaar doch uiterlijk op een door Onze Minister
te bepalen tijdstip, in:
a. een geactualiseerd overzicht van de activiteit waarvoor
subsidie is verleend;
b. een weergave van de stand van zaken tot dusverre, met
inbegrip van de gemaakte kosten en de besteding van de verleende
voorschotten;
c. indien de gemaakte kosten naar verwachting 10 procent of
meer afwijken van de begrotingspost: een toelichting daarop, en
d. voor zover nog voorschotten worden verleend:
1°. een bijgestelde tijdplanning, of
2°. een raming van de liquiditeitsbehoefte gedurende het
komende jaar.
2. De indeling en de mate van detaillering van de te verstrekken
gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, moeten in
overeenstemming zijn met de aanvraag op basis waarvan subsidie is
verleend.
Artikel 14
1. Tenzij de activiteit niet is uitgevoerd, wordt de aanvraag tot
subsidievaststelling ingediend binnen de navolgende termijn na afloop
van de activiteit of het tijdvak waarvoor subsidie is verleend:
a. tien maanden, ingeval de subsidie-ontvanger een
rechtspersoon is, die krachtens publiekrecht is ingesteld;
b. zes maanden, in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel a.
2. De subsidie-ontvanger voegt bij de aanvraag tot
subsidievaststelling:
a. een verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de
resultaten van de activiteit, waaruit blijkt dat hij aan de
verplichtingen heeft voldaan;
b. een financiële verantwoording;
c. indien de gemaakte kosten 10 procent of meer afwijken van de
begrotingspost: een toelichting daarop, en
d. indien de subsidie € 50 000 of meer bedraagt: een
verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, geldt
voor de financiële verantwoording, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, dat de indeling en mate van detaillering in
overeenstemming moeten zijn met de begroting op basis waarvan subsidie
is verleend.
4. Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, is
artikel 11, tweede lid, onderdelen b, f en g, van toepassing op de
aanvraag van de beschikking tot subsidievaststelling, onverminderd het
tweede lid.
5. Het tweede lid, onderdelen b, c en d, is niet van toepassing op
een subsidie waarbij het niet van belang is of de subsidiabele kosten
met inachtneming waarvan de hoogte van de subsidie is verleend, ook
daadwerkelijk zijn gerealiseerd.
6. Indien de activiteit niet is uitgevoerd, kan op aanvraag of
ambtshalve een beschikking tot subsidievaststelling worden gegeven. Op
een dergelijke aanvraag zijn het tweede en derde lid niet van
toepassing.
7. Onze Minister bevestigt de ontvangst van de aanvraag
schriftelijk.
Artikel 14a
Indien de subsidie-ontvanger een gemeente, een provincie of een
regionaal openbaar lichaam op grond van artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen is, zijn de artikelen 10, 13 en 14 niet
van toepassing.
Artikel 15
1. Op een aanvraag tot subsidieverlening en op een aanvraag tot
verlening van een voorschot beslist Onze Minister:
a. binnen vier maanden na ontvangst van die aanvraag, indien op
de beoordeling van de aanvraag een systeem van toepassing is als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a;
b. binnen vier maanden na de sluitingsdatum voor de indiening
van de aanvraag, indien op de beoordeling van de aanvraag een
systeem van toepassing is als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
onderdeel b.
2. Op een aanvraag tot subsidievaststelling beslist Onze Minister
binnen vier maanden na ontvangst van die aanvraag.
3. Indien de activiteit niet is uitgevoerd, beslist Onze Minister
binnen vier maanden na:
a. de ontvangst van de mededeling van de subsidie-ontvanger dat
de activiteit niet is uitgevoerd, of
b. de constatering door Onze Minister dat de activiteit niet of
niet binnen de daarvoor gestelde termijn is uitgevoerd.
4. Indien een beslissing vanwege de vereiste goedkeuring van de
Commissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, niet kan worden genomen
binnen de termijn die is genoemd in het eerste, tweede of derde lid,
onderdeel a, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en
noemt daarbij een termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan
worden gezien.
Hoofdstuk 7. Uitzondering en experimenteerbepaling
Artikel 16
1. Indien de subsidie strekt tot aanschaf van bepaalde, in een
programma aangewezen objecten, of tot opdrachtverlening tot het
verrichten van, bepaalde, in een programma aangewezen diensten, zijn
de artikelen 10, onderdelen d, e, f, g en h, 11, tweede lid, 12, 13,
14, tweede tot en met vijfde lid, niet van toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid:
a. wordt het voorschot bij de beschikking tot subsidieverlening
vastgesteld op het bedrag dat op grond van artikel 12, zesde lid,
ten hoogste kan worden uitbetaald, en
b. worden bij de aanvraag tot subsidievaststelling een
aankoopfactuur en een betalingsbewijs gevoegd.
Artikel 17
1. Onze Minister kan in een programma of in een beschikking op
grond van artikel 3, tweede lid, voor nader door hem aan te wijzen
experimenten subsidie verstrekken en daarbij afwijken van de artikelen
10 tot en met 15. Van deze bevoegdheid wordt geen mandaat verleend.
Elk experiment geldt voor een tevoren door Onze Minister vast te
stellen periode.
2. Onze Minister kan ook na afsluiting van een experiment blijven
afwijken van de in het eerste lid genoemde artikelen, voor zover het
subsidie-ontvangers betreft, die tijdens de duur van het experiment
subsidie ontvingen met toepassing van het eerste lid en zolang een
door hem noodzakelijk geoordeelde wijziging van dit besluit nog niet
van kracht is geworden en in werking is getreden.
3. Binnen een jaar na afsluiting van het experiment beslist Onze
Minister of een wijziging van dit besluit naar zijn oordeel
noodzakelijk is.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 18
1. Ingetrokken worden:
a. het Besluit diverse subsidies milieubeheer;
b. het Subsidiebesluit maatschappelijke organisaties en milieu;
c. het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, en
d. het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer, met
uitzondering van:
1°. de artikelen 48a tot en met 48r en 77 en de bijlage B,
die worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2003,
onderscheidenlijk
2°. de artikelen 1, 2, 2b, 4 tot en met 4d, 6 tot en met
6h, 8 tot en met 8d, 11 tot en met 11d, 11f tot en met 13, 15
tot en met 19, 50 tot en met 52, 55 tot en met 57, 81a en 83
en de bijlage A, de bijlage C en de bijlage Lijst
industrieterrein in kader sanering industrielawaai, die worden
ingetrokken met ingang van een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen verschillend
kan worden vastgesteld.
2. De besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c,
zoals ze luidden voor het tijdstip waarop dit besluit in werking is
getreden, blijven van toepassing op subsidies die voor de
inwerkingtreding van dit besluit zijn aangevraagd op grond van een
dergelijk besluit. De artikelen en bijlagen, genoemd in het eerste
lid, onder d, zoals deze laatstelijk luidden voor het tijdstip waarop
ze worden ingetrokken, blijven van toepassing op subsidies die voor
dat tijdstip zijn aangevraagd op grond van één van die artikelen.
3. Het Programma Hergebruik Afvalstoffen 1998 (PH'98), onderdeel
van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1998, nr. DGM/SP 98022985,
houdende vaststelling voor 1998 van programma‘s en subsidieplafonds
Subsidiebesluit milieugerichte technologie (Stcrt. 1998, nr.
50), zoals nadien gewijzigd, wordt aangemerkt als een programma in de
zin van dit besluit. In afwijking van het eerste lid, aanhef en
onderdeel c, wordt het Subsidiebesluit milieugerichte technologie
gehandhaafd ten behoeve van de toepassing van het Programma, bedoeld
in de eerste volzin.
4. Dit besluit is niet van toepassing op subsidies verstrekt
krachtens de Subsidieregeling niet-industriële
restwarmte-infrastructuur.
Artikel 19
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.
2. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst
wordt uitgegeven op of na 4 december 1998, treedt het besluit in
werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert
de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 1999.
Artikel 20
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit milieusubsidies.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 8 december 1998
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.P. Pronk
Uitgegeven de negenentwintigste december 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|