| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
MILIEUVERSLAGLEGGING
Tekst zoals deze geldt op
20 juli 2009
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2009
|
|
|
BESLUIT van 17 november 1998, houdende uitvoering van titel 12.1 van
de Wet milieubeheer (Besluit milieuverslaglegging)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 4 september 1998, nr. MJZ 98082053,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede
namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 8.45, 12.1, tweede lid, 12.4, tweede, derde en
vijfde lid, en 12.5 van de Wet milieubeheer en artikel 2d van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren;
De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 1998, nr.
W08.98.0421);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 november 1998, nr.
MJZ98112022, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving,
uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
wet:
Wet milieubeheer;
vergunning: vergunning als
bedoeld in artikel 8.1 van de wet
of vergunning als bedoeld in artikel
1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
bestuursorgaan:
bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning te verlenen;
overheidsverslag:
milieuverslag als bedoeld in artikel
12.4 van de wet;
Onze Ministers: Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
bijlage I en II: de bij
dit besluit behorende bijlage I, onderscheidenlijk bijlage II.
Artikel 2
Als categorieën van
gevallen waarin inrichtingen ernstige nadelige gevolgen voor het
milieu kunnen veroorzaken, als bedoeld in artikel
12.1, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de in bijlage
I genoemde categorieën.
Artikel 3
- 1.
- In het
overheidsverslag worden, voorzover voor de betrokken inrichting
relevant, de onderwerpen behandeld en gegevens vermeld, die zijn
aangegeven in bijlage II.
- 2.
- Kwantitatieve gegevens
worden vermeld als jaarvrachten voor de gehele inrichting. In
afwijking van het bepaalde in de eerste volzin kan bij regeling
van Onze Ministers voor daarbij aangegeven kwantitatieve
gegevens worden bepaald dat deze tevens op een andere daarbij
aangegeven wijze worden vermeld, indien dit naar hun oordeel is
vereist met het oog op:
- a.
- de
vaststelling van het door bestuursorganen te voeren
milieubeleid en de controle op de voortgang van de
uitvoering van dat beleid, of
- b.
- de uitvoering
van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie of
de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
- 3.
- Kwantitatieve gegevens
worden voorzien van een toelichting, indien dit voor een goed
begrip van die gegevens noodzakelijk is.
- 4.
- Kwantitatieve gegevens
komen op zorgvuldige en verifieerbare wijze met behulp van een
bij de inrichting gedocumenteerd meet- en registratiesysteem tot
stand.
- 5.
- Bij regeling van Onze
Ministers kunnen modellen worden vastgesteld voor het opstellen
van overheidsverslagen. Indien de eerste volzin toepassing
vindt, wordt voor ieder model in ieder geval aangegeven:
- a.
- voor welke
categorie van de in bijlage I aangewezen gevallen het
betrokken model geldt, en
- b.
- welke gegevens
bij welk onderwerp tenminste in het verslag worden vermeld.
- 6.
- Bij de regeling,
bedoeld in het vijfde lid, kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met het
vierde lid.
- 7.
- Een bestuursorgaan kan
bij het aanbrengen van beperkingen of het verbinden van
voorschriften aan een vergunning bepalen dat daarbij aangegeven
andere gegevens dan vermeld in bijlage II, onder 1 tot en met
13, in het overheidsverslag worden vermeld, dan wel dat de
overeenkomstig het tweede tot en met het zesde lid te
verstrekken kwantitatieve gegevens daarin op een andere daarbij
aangegeven wijze worden vermeld. Van deze bevoegdheid wordt
uitsluitend gebruik gemaakt in gevallen waarin dat
redelijkerwijs nodig is met het oog op:
- a.
- het bepalen
van de mate waarin de betrokken inrichting of een onderdeel
daarvan in het bijzonder nadelige gevolgen voor het milieu
kan veroorzaken, of
- b.
- vervulling van
de taak, bedoeld in artikel
18.2 van de wet, onderscheidenlijk artikel
29 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
- 8.
- Een bestuursorgaan kan
bij het aanbrengen van beperkingen of het verbinden van
voorschriften aan een vergunning nadere eisen stellen met
betrekking tot de behandeling in het overheidsverslag van het in
bijlage II, onder 14, genoemde onderwerp, en het bepaalde in het
vierde lid.
Artikel 3a
Indien degene die de
betrokken inrichting drijft, ingevolge artikel 5, eerste lid, van de
EG-verordening PRTR rapportageplichtig is, worden in afwijking van
artikel 3, eerste lid, en punt 2 van bijlage II, met betrekking tot
het verslagjaar in het overheidsverslag:
| a. |
niet de
onderwerpen 1 tot en met 6 uit de in bijlage II opgenomen
tabel behandeld voor zover over die onderwerpen reeds
ingevolge artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR
wordt gerapporteerd;
|
| b. |
geen gegevens
vermeld voor zover die gegevens reeds ingevolge artikel 5,
eerste lid, van de EG-verordening PRTR worden verstrekt.
|
Artikel 3b
Indien met toepassing van
artikel 3, zevende lid, bij het verbinden van voorschriften aan een
vergunning als bedoeld in artikel
8.1 van de wet of artikel 1
van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is bepaald dat
daarbij aangegeven andere gegevens dan vermeld in bijlage II, onder
1 tot en met 13, in het overheidsverslag worden vermeld, blijven die
voorschriften met betrekking tot het verslagjaar buiten toepassing
voor zover die gegevens reeds ingevolge artikel 5, eerste lid, van
de EG-verordening PRTR worden verstrekt.
Artikel 4
- 1.
- Een bestuursorgaan kan
aan een vergunning voorschriften verbinden tot het overleggen
van andere rapportages dan het overheidsverslag, uitsluitend
indien dat redelijkerwijs nodig is om gegevens te verkrijgen die
niet met de daartoe nodige frequentie in het overheidsverslag
kunnen worden opgenomen, met het oog op:
- a.
- het bepalen
van de mate waarin de betrokken inrichting of een onderdeel
daarvan in het bijzonder nadelige gevolgen voor het milieu
kan veroorzaken, of
- b.
- de vervulling
van de taak, bedoeld in artikel
18.2 van de wet, onderscheidenlijk artikel
29 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
- 2.
- Indien voorschriften
aan een vergunning worden verbonden als bedoeld in het eerste
lid, wordt in de motivering van het besluit aangegeven waarom
aan artikel 3, zevende lid, geen toepassing wordt gegeven.
Artikel 4a
Indien met toepassing van
artikel 4, eerste lid, aan een vergunning als bedoeld in artikel
8.1 van de wet of artikel 1
van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren een voorschrift
is verbonden als in dat lid bedoeld, blijft dat voorschrift met
betrekking tot het betrokken verslagjaar buiten toepassing voor
zover de betrokken gegevens reeds ingevolge artikel 5, eerste lid,
van de EG-verordening PRTR worden verstrekt.
Artikel 5
- 1.
- Het bestuursorgaan
brengt de vergunning voor een inrichting die behoort tot een in
bijlage I aangewezen categorie van gevallen, voor 1 januari 2004
in overeenstemming met artikel 4, eerste lid.
- 2.
- Tot het tijdstip
waarop de betrokken vergunning met artikel 4, eerste lid, in
overeenstemming is gebracht, doch uiterlijk tot 1 januari 2004,
zijn dat artikellid en artikel 3, eerste lid, in samenhang met
bijlage II, onderwerp 14, niet van toepassing.
Artikel 5a
Een wijziging van de
richtlijn, genoemd in bijlage I, onderdeel 22, gaat voor de
toepassing van dat onderdeel gelden met ingang van de dag waarop aan
de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 6
[Wijzigt
het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A]
Artikel 7
[Wijzigt
het Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen]
Artikel 8
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 1999, met uitzondering van:
- a.
- artikel 6 dat in
werking treedt met ingang van 1 januari 2000 en
- b.
- artikel 7 dat in
werking treedt met ingang van 1 januari 2004.
Artikel 9
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit milieuverslaglegging.
Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 november 1998
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.P. Pronk
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.M. de Vries
Uitgegeven de zevenentwintigste november 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage I, behorende bij
artikel 2 van het Besluit milieuverslaglegging
In deze bijlage wordt
verstaan onder:
| a. |
thermisch
vermogen: de warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid
brandstoffen die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan
een stookinstallatie;
|
| b. |
productie-,
verwerkings-, waterverdampings- of smeltcapaciteit:
| 1°. |
de in de
vergunning voor de betrokken inrichting omschreven
productie-, verwerkings-, waterverdampings- of
smeltcapaciteit, onderscheidenlijk
|
| 2°. |
indien een
vergunning geen omschrijving als bedoeld onder 1°
bevat: de maximale productie-, verwerkings-,
waterverdampings- of smeltcapaciteit van de in de
betrokken inrichting opgestelde installaties en
voorzieningen;
|
|
| c. |
jaarproductie: de
totaal gerealiseerde productie over het kalenderjaar,
voorafgaand aan het verslagjaar.
|
1. Inrichtingen die
behoren tot de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder:
2.6, onder b;
5.3, onder b;
6.2, onder a of b;
7.4;
8.2, onder a of b;
9.3, onder g of h;
11.3, onder c, onder 1°,
4° of 6°, of d;
12.2, onder a;
16.3, onder b;
24.2;
28.4, onder e.
2. Pomp- en
distributiestations ten behoeve van aardolie- of aardgaswinning die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 1.3, onder a.
3. Electriciteitscentrales
voor zover het betreft inrichtingen waarin brandstoffen worden
verstookt in één of meerdere installaties, met in totaal een
thermisch vermogen van 300 Mw of meer.
4. Luchtvaartterreinen als
bedoeld in artikel 1, onderdeel g,
van de Luchtvaartwet, die behoren tot de categorie van
inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 1.3, onder c.
5. Inrichtingen voor het
vervaardigen van:
| a. |
organische
chemicalieën,
|
| b. |
anorganische
chemicalieën, of
|
| c. |
fosfaat-,
stikstof- of kaliumhoudende meststoffen
|
met een verwerkings- of
productiecapaciteit van 100 000 ton of meer.
6. Inrichtingen voor het
vervaardigen van:
| a. |
producten voor
gewasbescherming en biociden,
|
| b. |
farmaceutische
producten, die via een chemisch of biologisch procédé
totstandkomen, of
|
| c. |
explosieven
|
met een verwerkings- of
productiecapaciteit van 20 000 ton per jaar of meer.
7. Inrichtingen bestemd
voor het bewerken of verwerken van chemische producten, met inbegrip
van elastomeren, peroxiden, alkenen en stikstofverbindingen met een
productiecapaciteit van 50 000 ton per jaar of meer.
8. Bierbrouwerijen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 1.3, onder a of b, of onder 27.3.
9. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 9.3, onder a, met een waterverdampingscapaciteit van 250 000
ton per jaar of meer.
10. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 9.3, onder i, met een productiecapaciteit van 25 ton per uur
of meer.
11. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 11.3, onder b, met een capaciteit van 100 000 ton per
jaar of meer.
12. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 11.3, onder e, met een smeltcapaciteit van 150 000 ton
per jaar of meer.
13. Inrichtingen voor de
secundaire vervaardiging van non-ferrometalen of legeringen daarvan
met productiecapaciteit van 100 000 ton per jaar of meer.
14. Inrichtingen die
behoren tot de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 12.2, onder b, c, e, f of g met een productieoppervlak van 250 000
m2 of meer.
15. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 12.2, onder d, met een productieoppervlak van 250 000 m2
of meer.
16. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 12.2, onder h:
| – |
voor het smelten
van non-ferrometalen of legeringen daarvan met een
productiecapaciteit van 15 000 ton per jaar of meer en
een jaarproductie van 5000 ton of meer,
|
| – |
voor het gieten
van ijzer met een jaarproductie van 5000 ton of meer, of
|
| – |
voor het gieten
van non-ferrometalen met een jaarproductie van 4000 ton of
meer.
|
17. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 12.2, onder i, met een productiecapaciteit van 100 000
ton per jaar of meer.
18. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 13.3, onder a, met een jaarproductie voor het vervaardigen of
assembleren van 10 000 of meer automobielen of motoren voor
automobielen.
19. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 13.3, onder b, voor zover het betreft scheepswerven met een
doklengte van 200 meter of meer, waar straal- of
conserveringswerkzaamheden in de open lucht plaatsvinden.
20. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 16.1, onder a, en die tevens behoren tot categorie 1.3, onder
b.
21. Inrichtingen die
behoren tot de categorie van inrichtingen die is genoemd in bijlage
I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,
onder 27.3 voor zover het betreft inrichtingen met een capaciteit
van 250 000 inwonerequivalenten of meer.
22. Inrichtingen
waarin zich een verbrandingsinstallatie bevindt als bedoeld in
artikel 12, tweede lid, eerste volzin, van richtlijn nr. 2000/76/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december
2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332).
Bijlage II, behorende
bij artikel 3, eerste lid, van het Besluit milieuverslaglegging
1. In het overheidsverslag
worden ten minste de volgende gegevens vermeld:
| a. |
de naam en de
SBI-code van de inrichting, en
|
| b. |
de naam van de
functionaris die ten aanzien van het overheidsverslag voor
het bevoegd gezag als aanspreekpunt optreedt.
|
2. Bij de behandeling van
de onderwerpen 1 tot en met 14 worden de daarbij behorende gegevens
opgenomen, zoals aangegeven in onderstaande tabel.
3. Bij de behandeling van
de onderwerpen 1 tot en met 7 worden telkens mede gegevens opgenomen
over:
| a. |
de in het
verslagjaar getroffen maatregelen en aangebrachte
voorzieningen gericht op reductie van de betreffende
milieubelasting, en
|
| b. |
de in het
eerstvolgende verslagjaar te treffen maatregelen en aan te
brengen voorzieningen en de verwachte reducties van de
betreffende milieubelasting.
|
4. Bij de behandeling van
de onderwerpen 8 tot en met 11 worden telkens medegegevens opgenomen
over de in het eerstvolgende verslagjaar te treffen maatregelen en
aan te brengen voorzieningen gericht op reductie van de betreffende
milieubelasting.
|
Te behandelen
onderwerpen:
|
Bijbehorende
gegevens over:
|
|
1.
klimaatverandering
|
| * |
verbruik
en emissies naar de lucht van stoffen die de
ozonlaag aantasten of het broeikaseffect versterken,
|
| * |
energieverbruik
en verbetering van energie-efficiency
|
|
| |
|
|
2. verzuring
|
emissies naar de
lucht van verzurende stoffen
|
| |
|
|
3. verspreiding
naar de lucht
|
emissies naar de
lucht van:
| * |
stoffen of
stofgroepen waarvoor milieubeleid of
milieubeleidsdoelstellingen zijn vastgesteld in het
nationaal milieubeleidsplan dan wel in het nationaal
milieuprogramma zoals die gelden in het betreffende
verslagjaar,
|
| * |
gewasbeschermingsmiddelen
of biociden,
|
| * |
stoffen of
stofgroepen waarover op grond van een besluit als
bedoeld in artikel
12.4, vierde lid, onder c, van de wet door de
Nederlandse overheid moet worden gerapporteerd
|
|
| |
|
|
4. verspreiding
naar het oppervlaktewater
|
directe en
indirecte lozingen in het oppervlaktewater van:
| * |
stoffen of
stofgroepen waarvoor milieubeleid of
milieubeleidsdoelstellingen zijn vastgesteld in de
Nota Waterhuishouding, bedoeld in artikel
3 van de Wet op de waterhuishouding, in het
nationaal milieu-beleidsplan dan wel in het
nationaal milieuprogramma zoals die gelden in het
betreffende verslagjaar,
|
| * |
gewasbeschermingsmiddelen
of biociden,
|
| * |
stoffen of
stofgroepen waarover op grond van een besluit als
bedoeld in artikel
12.4, vierde lid, onder c, van de wet door de
Nederlandse overheid moet worden gerapporteerd
|
|
| |
|
|
5. vermesting
|
directe en
indirecte lozingen in het oppervlaktewater van stikstof en
fosfor
|
| |
|
|
6. beheer van
afvalstoffen en afvalwater
|
| * |
afvoer uit
de inrichting van procesafhankelijke en
procesonafhankelijke, niet-gevaarlijke afvalstoffen,
|
| * |
afvoer uit
de inrichting van gevaarlijke afvalstoffen,
|
| * |
mate van
nuttige toepassing van de afvalstoffen,
|
| * |
beheer van
afvalstoffen binnen de inrichting door verbranding
of storten,
|
| * |
zuivering
van afvalwater binnen de inrichting en het beheer
van daarbij vrijgekomen zuiveringsslib
|
|
| |
|
|
7. verdroging
|
| * |
verbruik
van en toepassingen van water,
|
| * |
waterbalans
|
|
| |
|
|
8.
bodembescherming en bodemsanering
|
in het
verslagjaar:
| * |
uitgevoerde
risico-analyses bodemverontreiniging door
bedrijfsactiviteiten,
|
| * |
vastgestelde
en uitgevoerde bodembeschermende maatregelen,
|
| * |
uitgevoerd
inventariserend onderzoek,
|
| * |
uitgevoerd
nader onderzoek,
|
| * |
uitgevoerde
saneringen
|
|
| |
|
|
9. verstoring door
geluid
|
de voortgang in
het verslagjaar van de uitvoering van eventuele
noodzakelijke geluidsaneringsmaatregelen
|
| |
|
|
10. verstoring
door geur
|
de voortgang in
het verslagjaar van de uitvoering van eventuele
noodzakelijke maatregelen ter voorkoming en beperking van
geurhinder, onder andere gericht op het voldoen aan de
aanpak van geurhinder, beschreven in de NER
|
| |
|
|
11. externe
veiligheid
|
de voortgang in
het verslagjaar van de uitvoering van maatregelen om zware
ongevallen te voorkomen of de gevolgen daarvan voor mens en
milieu te beperken, voor zover die maatregelen met het oog
op het beperken van de risico's van zware ongevallen van
belang zijn en in verband daarmee zijn opgenomen in een
rapport inzake de externe veiligheid als bedoeld in artikel
4 van het Besluit risico's zware ongevallen of een
veiligheidsrapport als bedoeld in artikel
10 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999,
dan wel voor zover die maatregelen voortvloeien uit
toepasselijke CPR-richtlijnen en niet zijn voorgeschreven in
de vergunning op grond van de Wet
milieubeheer
|
| |
|
|
12.
bedrijfsinterne milieuzorg
|
| * |
voor zover
in de inrichting een milieuzorgsysteem is of wordt
ingevoerd:
| – |
de
voortgang in het verslagjaar van de verdere
ontwikkeling respectievelijk de invoering
van dat systeem, waaronder eventuele interne
en externe audits en certificatie, en
|
| – |
de
maatregelen en voorzieningen die het
eerstvolgende verslagjaar met betrekking tot
het milieuzorgsysteem worden uitgevoerd,
|
|
| * |
opbouw en
functioneren in het verslagjaar van meet- en
registratiesysteem, voorziene wijzigingen in het
eerstvolgende verslagjaar,
|
| * |
voor zover
in de inrichting gewerkt wordt aan de continue
verbetering van de milieuprestaties: de wijze waarop
invulling wordt gegeven aan de continue verbetering
van de milieuprestaties in het verslagjaar en in het
eerstvolgende verslagjaar;
|
| * |
de
gerealiseerde en voorziene uitvoering en eventuele
wijzigingen van het bedrijfsmilieuplan,
energiebeleidsplan en energiebesparingsplan in het
verslagjaar en in het eerstvolgende verslagjaar;
nieuw geformuleerde of andere
milieubeleidsvoornemens buiten het kader van één
van die plannen in het verslagjaar en in het
eerstvolgende verslagjaar,
|
| * |
incidenten,
significante storingen en andere ongewone voorvallen
en klachten en de afhandeling daarvan in het
verslagjaar
|
|
| |
|
|
13.
milieurelevante, externe ontwikkelingen
|
veranderingen in
de organisatie of de financieel-economische situatie van de
inrichting of het bedrijf waartoe de inrichting behoort of
in de bedrijfsvoering in het verslagjaar die van invloed
zijn geweest op de milieubelasting, de milieumaatregelen, of
– voor zover aanwezig – het milieuzorgsysteem
|
| |
|
|
14.
milieuvergunningen
|
| * |
gegevens
als bedoeld in artikel 3, zevende lid, over het
verslagjaar met betrekking tot voorschriften,
verbonden aan de vergunningen op grond van de Wet
milieubeheer en de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, voor
zover deze gegevens niet reeds bij de behandeling
van de andere onderwerpen zijn vermeld,
|
| * |
gerealiseerde
of voorziene veranderingen in de bedrijfsvoering in
het verslagjaar respectievelijk in het eerstvolgende
verslagjaar die hebben geleid of leiden tot een
wijziging van de vergunning of tot een melding bij
het bestuursorgaan
|
|
|
|
|