| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
BESLUIT
VERPAKKING EN AANDUIDING MILIEUGEVAARLIJKE
STOFFEN EN PREPARATEN
Tekst zoals deze geldt op
23 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 14 oktober 1987, houdende regelen met
betrekking tot de verpakking en aanduiding van milieugevaarlijke stoffen
en bepaalde gevaarlijke preparaten
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur van 2 april 1987, DGVGZ/VVP/P-80823, gedaan mede namens Onze
Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 34, derde lid, 36, tweede
lid, 37, 39, tweede, derde en vierde lid, en 60, derde lid, van de Wet
milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639);
De Raad van State gehoord (advies van 17 juni
1987, nr. W13.87.0179);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 8 september
1987, DGVGZ/VVP/P-81749, uitgebracht mede namens Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet milieubeheer;
b. stoffenrichtlijn: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de
indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG
L 196);
c. Onze Ministers: Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 1a
1. Op een verpakking als bedoeld in artikel 9.2.3.3, eerste lid,
van de wet moeten duidelijk en onuitwisbaar vermeld zijn:
a. de chemische namen van de stoffen waaruit het preparaat
bestaat of de naam van het genetisch gemodificeerd organisme;
b. de naam en het adres van de in de Europese Economische
Ruimte gevestigde persoon die het preparaat of het genetisch
gemodificeerd organisme vervaardigt, in de Europese Economische
Ruimte aan een ander ter beschikking stelt of invoert;
c. de benaming van het gevaar of de gevaren van het preparaat,
als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, met het
bijbehorende symbool, onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen,
voor zover daarin krachtens het derde lid is voorzien;
d. een verwijzing naar de bijzondere, aan het gebruik van het
preparaat verbonden gevaren, voor zover daarin krachtens het derde
lid is voorzien;
e. veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de
belangrijkste, aan het gebruik van het preparaat verbonden
gevaren, voor zover daarin krachtens het derde lid is voorzien.
2. Onze Ministers stellen tezamen nadere regels met betrekking tot
de in het eerste lid bedoelde aanduidingen. Zij kunnen daarbij tevens
bepalen dat door hen aan te geven verdere aanduidingen op een
verpakking moeten zijn vermeld, of dat door hen aan te geven
aanduidingen slechts in door hen aan te geven gevallen behoeven te
zijn vermeld.
3. Aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, onder a, c, d
en e, en het tweede lid wordt geacht te zijn voldaan, indien een
preparaat, opgenomen op een door Onze Ministers tezamen vastgestelde
lijst van preparaten als bedoeld in artikel 9.2.3.1, is aangeduid op
de wijze die in die lijst met betrekking tot dat preparaat is
aangegeven.
Artikel 2
1.De criteria volgens welke een stof moet worden ingedeeld in een
categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, zijn
voor de onderscheidene categorieën als volgt:
a. ontplofbaar: stoffen en preparaten in vaste, vloeibare,
pasta- of gelatine-achtige toestand, die ook zonder de inwerking
van zuurstof in de lucht exotherm kunnen reageren, hierbij snel
gassen ontwikkelen en onder bepaalde voorwaarden ontploffen, snel
explosief verbranden of door verhitting bij gedeeltelijke
afsluiting ontploffen;
b. oxyderend: stoffen en preparaten die bij aanraking met
andere stoffen, met name ontvlambare stoffen, sterk exotherm
reageren;
c. zeer licht ontvlambaar: stoffen en preparaten in vloeibare
toestand met een uiterst laag vlampunt en een laag kookpunt,
alsmede gasvormige stoffen en preparaten die bij normale
temperatuur en druk aan de lucht blootgesteld, kunnen ontbranden;
d. licht ontvlambaar: stoffen en preparaten die:
1°. bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld,
zonder toevoer van energie in temperatuur kunnen stijgen en
tenslotte kunnen ontbranden;
2°. in vaste toestand, door kortstondige inwerking van een
ontstekingsbron, gemakkelijk kunnen ontbranden en na
verwijdering van de ontstekingsbron blijven branden of
gloeien;
3°. in vloeibare toestand, een zeer laag vlampunt hebben,
of
4°. bij aanraking met water of vochtige lucht, zeer licht
ontvlambare gassen in een gevaarlijke hoeveelheid ontwikkelen;
e. ontvlambaar: vloeibare stoffen en preparaten met een laag
vlampunt;
f. zeer vergiftig: stoffen en preparaten waarvan reeds een zeer
geringe hoeveelheid bij inademing of opneming via de mond of via
de huid acute of chronische aandoeningen of de dood kan
veroorzaken;
g. vergiftig: stoffen en preparaten waarvan reeds een geringe
hoeveelheid bij inademing of opneming via de mond of via de huid
acute of chronische aandoeningen of de dood kan veroorzaken;
h. schadelijk: stoffen en preparaten die bij inademing of
opneming via de mond of via de huid acute of chronische
aandoeningen of de dood kunnen veroorzaken;
i. bijtend: stoffen en preparaten die bij aanraking met levende
weefsels daarop een vernietigende werking kunnen uitoefenen;
j. irriterend: niet-bijtende stoffen en preparaten die bij
directe, langdurige of herhaalde aanraking met de huid of de
slijmvliezen een ontsteking kunnen veroorzaken;
k. sensibiliserend: stoffen en preparaten die bij inademing of
bij opneming via de huid aanleiding kunnen geven tot een zodanige
reactie van hypersensibilisatie dat latere blootstelling aan de
stof of het preparaat karakteristieke nadelige effecten
veroorzaakt;
l. kankerverwekkend: stoffen en preparaten die bij inademing of
bij opneming via de mond of via de huid kanker kunnen veroorzaken
of de frequentie van kanker doen toenemen;
m. mutageen: stoffen en preparaten die bij inademing of bij
opneming via de mond of via de huid erfelijke genetische
afwijkingen kunnen veroorzaken of de frequentie van deze
afwijkingen doen toenemen;
n. voor de voortplanting vergiftige: stoffen en preparaten die
bij inademing of bij opneming via de mond of via de huid
niet-erfelijke afwijkingen bij het nageslacht alsmede of
uitsluitend aantasting van de mannelijke of vrouwelijke
voortplantingsfuncties of -vermogens kunnen veroorzaken, dan wel
de frequentie van deze afwijkingen of aantasting doen toenemen;
o. milieugevaarlijk: stoffen en preparaten die, wanneer zij in
het milieu terechtkomen, onmiddellijk of na verloop van tijd
gevaar voor een of meer milieucompartimenten opleveren of kunnen
opleveren.
2.Voor de indeling van een stof in een categorie als bedoeld in
artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, zijn tevens van toepassing de
criteria die zijn vastgelegd in bijlage VI bij de stoffenrichtlijn.
3.Het bepaalde in het eerste lid, onder a tot en met e, is niet van
toepassing op aërosolen als bedoeld in het Warenwetbesluit
drukverpakkingen.
Artikel 3
1. Ter bepaling of een stof behoort tot een categorie als bedoeld
in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, wordt gebruik gemaakt van
de bestaande relevante en toegankelijke gegevens over de eigenschappen
van de stof.
2. Onderzoek dat wordt uitgevoerd teneinde vast te stellen of een
stof behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede
lid, van de wet, dient te worden uitgevoerd met toepassing van
methoden, vastgelegd in bijlage X bij de EG-verordening registratie,
evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
Artikel 4 [Vervallen per 01-06-2008]
Artikel 5
1.De in artikel 1a, eerste lid, voorgeschreven aanduidingen moeten
gesteld zijn in de Nederlandse taal.
2.Onze Ministers kunnen bepalen dat in door hen aan te geven
gevallen, waarin naar hun oordeel in het verband met de bestemming van
de stoffen het in het eerste lid voorgeschreven gebruik van de
Nederlandse taal voor de in artikel 1a, eerste lid, voorgeschreven
aanduidingen niet zinvol is, deze aanduidingen in een andere taal dan
de Nederlandse mogen worden gesteld.
Artikel 6
1. De artikelen 9.2.3.1 tot en met 9.2.3.4 van de wet, en de
artikelen 2, eerste en derde lid, 3, tweede lid, en 5, zijn van
overeenkomstige toepassing op preparaten, met uitzondering van
cosmetica als bedoeld in het Warenwetbesluit kosmetische produkten.
2. Onze Ministers kunnen regels stellen met betrekking tot de
verpakking, het etiket daaronder begrepen, en aanduiding van
preparaten.
Artikel 6a
1.De indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in
artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder a tot en met e, van de wet, dient
te geschieden op grond van onderzoek naar de in die onderdelen
bedoelde gevaarlijke eigenschappen.
2.In afwijking van het eerste lid kan de indeling van een preparaat
in een categorie als bedoeld in dat lid achterwege blijven, indien:
a. geen enkel bestanddeel van dat preparaat de in artikel
9.2.3.1, tweede lid, onder a tot en met e van de wet, bedoelde
eigenschappen heeft en het volgens de gegevens waarover de
fabrikant beschikt weinig waarschijnlijk is dat bij het preparaat
een dergelijk gevaar aanwezig is, of
b. in het geval van wijziging van de samenstelling van een
preparaat met bekende samenstelling, er wetenschappelijke
aanwijzingen zijn dat een nieuwe beoordeling van de gevaren niet
tot een wijziging van de indeling zal leiden.
3.Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld ter
zake van het onderzoek en de in het eerste lid genoemde indeling van
een preparaat.
Artikel 6b
1.Voor de indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld
in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder f tot en met n, van de wet, is
van toepassing de door Onze Ministers vast te stellen methode met
bijbehorende criteria, die gebaseerd is op de eigenschappen van de
stoffen waaruit het preparaat is samengesteld en de concentraties
waarin die stoffen in het preparaat voorkomen.
2.In afwijking van het eerste lid wordt een preparaat
overeenkomstig de criteria van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn,
ingedeeld in één of meer van de categorieën bedoeld in artikel
9.2.3.1, tweede lid, onder f tot en met j, van de wet, indien met
betrekking tot die indeling toxicologische gegevens beschikbaar zijn.
3.Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld over de
wijze waarop de toxicologische gegevens bedoeld in het tweede lid
worden bepaald.
4.In de in het derde lid bedoelde regels kunnen tevens bijzondere
omstandigheden worden aangewezen die van invloed zijn op de indeling
van het preparaat.
5.Onze Ministers bepalen in welke gevallen een wijziging in de
samenstelling van een preparaat dat is ingedeeld in een categorie als
bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder f tot en met n, van de
wet, leidt tot een nieuwe beoordeling van die indeling.
Artikel 6c
1.Op de indeling van een preparaat in de categorie milieugevaarlijk
als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder o, van de wet, is
van toepassing de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen
methode met bijbehorende criteria.
2.Bij regeling van Onze Ministers wordt voor preparaten waarvan de
samenstelling bekend is, met uitzondering van de onder richtlijn nr.
91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991
betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG
L 230) vallende preparaten die zijn ingedeeld volgens andere
internationaal erkende methoden die in overeenstemming zijn met de
bepalingen van de bijlagen II en III bij richtlijn nr. 91/414/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende
het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230),
vastgesteld in welke gevallen een nieuwe beoordeling van de gevaren
voor het milieu plaatsvindt.
Artikel 6d
1.Degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van
een stof of een preparaat houdt ter beschikking:
a. de gegevens die zijn gebruikt voor de indeling en het
kenmerken van het preparaat;
b. alle nuttige informatie betreffende de wijze van verpakking
van die verpakkingen die preparaten bevatten welke aan het grote
publiek te koop aangeboden of verkocht worden met inbegrip van het
certificaat dat na proeven overeenkomstig bijlage IX, deel A, bij
richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van
de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken
van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200), wordt verstrekt.
2.Bij regeling van Onze Ministers worden instanties aangewezen ten
behoeve waarvan de in het eerste lid genoemde gegevens ter beschikking
worden gehouden.
3.Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden
gesteld betreffende het vragen van inlichtingen over de samenstelling
van het preparaat en alle andere nuttige informatie aan de persoon die
verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het preparaat.
Artikel 6e
Elke vorm van reclame voor een preparaat waarbij een particulier een
koopcontract kan sluiten zonder eerst de verpakking, het etiket daarbij
inbegrepen, van het preparaat te hebben gezien, vermeldt de daarop
aangeduide soort of soorten gevaren als bedoeld in artikel 9.2.3.1,
tweede lid, van de wet.
Artikel 6f
Bij regeling van Onze Ministers kunnen preparaten worden aangewezen
waarop de artikelen 1a en 9.2.3.1 tot en met 9.2.3.4 van de wet geheel
of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn indien
deze preparaten in de vorm waarin ze in de handel zijn gebracht geen
gevarenopleveren uit fysisch-chemische eigenschappen, noch gevaren
opleveren voor gezondheid of voor het milieu.
Artikel 7
De artikelen 9.2.3.1, 9.2.3.2, 9.2.3.3 en 9.2.3.4, eerste lid, van de
wet zijn niet van toepassing op:
a. springstoffen die in de handel worden gebracht met het oog op
hun explosieve of pyrotechnische eigenschappen;
b. stoffen, alsmede preparaten als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, in douanevervoer, die onder toezicht staan van de douane en
niet worden bewerkt of verwerkt;
c. stoffen, alsmede preparaten als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, in de vorm van afvalstoffen waarop richtlijn nr. 2006/12/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende
afvalstoffen (PbEU L 114) of richtlijn nr. 78/319/EEG van de Raad
van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (PbEG
L 319) van toepassing zijn;
d. preparaten die radioactieve stoffen als omschreven in
richtlijn nr. 80/836/Euratom van de Raad van 15 juli 1980 houdende
wijziging van de richtlijnen tot vaststelling van de basisnormen
voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der
werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren,
bevatten;
e. medische hulpmiddelen die invasief zijn of in direct contact
komen met het lichaam, voorzover er communautaire voorschriften voor
de indeling en kenmerking van gevaarlijke stoffen en preparaten
voorhanden zijn die eenzelfde niveau van informatie en bescherming
verzekeren als richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het
kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200);
f. geneesmiddelen als bedoeld in de Geneesmiddelenwet en de
Diergeneesmiddelenwet.
Artikel 8
Dit besluit berust op de artikelen 9.2.3.1, derde en vierde lid,
9.2.3.2, 9.2.3.3 en 9.2.3.5 van de wet.
Artikel 9
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
2. Een wijziging van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn treedt voor
de toepassing van artikel 3, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, in werking met ingang van de
dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
3. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in
overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
kan bij ministeriële regeling onderdelen van een in werking getreden
wijziging als bedoeld in het tweede lid, voor door hem aan te wijzen
categorieën stoffen tot een door hem te bepalen tijdstip buiten
toepassing laten.
4. Indien de bijlage van de stoffenrichtlijn, bedoeld in het tweede
lid, wordt gewijzigd, zal Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport dit bekend maken in de Nederlandse Staatscourant. Hij maakt
daarbij tevens bekend wanneer de wijziging in werking treedt.
5. Het besluit kan worden aangehaald als Besluit verpakking en
aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 14 oktober 1987
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
D.J.D. Dees
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
E.H.T.M. Nijpels
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
L. de Graaf
Uitgegeven de zesentwintigste november 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|